Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2019-12-12
ECLI:NL:RBLIM:2019:11146
Bestuursrecht
Bodemzaak
1,805 tokens
Inleiding
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/532
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2019 in de zaak tussen
[eiser]
(gemachtigde: mr. M.H.J.M. Stassen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, verweerder
(gemachtigde: R. Demas).
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand ten behoeve van vergoeding van bewindvoeringskosten over de periode van 1 maart 2014 tot en met 31 december 2017 afgewezen.
Bij besluit van 18 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2019.
Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is bij beschikking van de kantonrechter met ingang van 1 maart 2014 onder bewind gesteld. Daarbij is de gemachtigde van eiser benoemd tot diens bewindvoerder. Eiser heeft zich op 6 juli 2018 bij verweerder gemeld voor bijzondere bijstand voor de maandelijkse kosten van bewind over de periode van 1 maart 2014 tot en met 31 december 2017.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat de kosten langer dan drie maanden voor de eerste van de maand waarin de melding heeft plaatsgevonden zijn opgekomen. Ingevolge verweerders beleid, zoals neergelegd in de ‘Beleidsregel bijzondere bijstand Weert 2017’, is bijzondere bijstand met terugwerkende kracht beperkt tot drie maanden na het moment dat de kosten zijn opgekomen. De bewindvoeringskosten waarvoor eiser bijzondere bijstand heeft gevraagd zijn veel eerder, namelijk reeds per 1 maart 2014, opgekomen. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van dringende redenen, zoals bedoeld in artikel 16 van de Pw, op grond waarvan de bewindvoeringskosten toch vergoed zouden moeten worden.
3. Eiser betoogt in beroep dat de bewindvoeringskosten eerst door de kantonrechtersbeschikking van 3 juni 2018, waarbij de kantonrechter het salaris van de bewindvoerder over de periode van 1 maart 2014 tot en met 31 december 2017 heeft goedgekeurd, definitief zijn opgekomen. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij daarom tijdig (binnen drie maanden nadat de kosten zijn opgekomen) de aanvraag voor bijzondere bijstand heeft ingediend, zodat verweerder de aanvraag had moeten inwilligen. Verder heeft eiser erop gewezen dat andere gemeenten in soortgelijke gevallen wél bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten toekennen.
4. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de aangevraagde bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat de bewindvoeringskosten zijn opgekomen per de datum benoeming bewindvoerder, zijnde in dit geval 1 maart 2014. De rechtbank beantwoordt die vraag onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bevestigend. In haar uitspraak van
2 augustus 2016, (ECLI:NL:CRVB:2016:3026) heeft de CRvB in overweging 4.6.2. als volgt overwogen:
De kosten van beloning van de bewindvoerder komen voor de onderbewindgestelde pas op
- in de zin zoals onder 4.2 bedoeld - vanaf de benoeming van de bewindvoerder.
Immers, door die benoeming ontstaat de betalingsverplichting
.(onderstreping rechtbank) Dat de beoogde bewindvoerder in sommige gevallen ook werkzaamheden verricht voorafgaande aan zijn benoeming doet daaraan niet af. Als de benoeming niet volgt, of een ander tot bewindvoerder wordt benoemd, blijven die werkzaamheden zonder beloning en dus zonder kosten voor de dan (niet) onder bewind gestelde.
Voorts heeft de CRvB in haar uitspraak van 7 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:906) in overweging 4.2 als volgt overwogen:
De Raad heeft eerder in zijn uitspraak van 2 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3026, geoordeeld dat de entreekosten voor een bewindvoerder opkomen op de dag waarop de bewindvoerder door de kantonrechter wordt benoemd. In het verlengde daarvan worden eenmalige extra kosten van bewindvoering geacht te zijn opgekomen op de datum dat de kantonrechter de daarvoor benodigde machtiging verleent. De kantonrechter heeft de machtiging op 17 september 2014 verleend en appellant heeft op 23 september 2014 bijzondere bijstand aangevraagd. De voorliggende kosten zijn dus opgekomen voordat de daarop betrekking hebbende aanvraag is gedaan.
Zie voor een gelijkluidend oordeel de uitspraak van de CRvB van 7 maart 2017, (ECLI:NL:CRVB:2017:904).
5. De rechtbank overweegt voorts nog als volgt. In artikel 3, vierde lid van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren is bepaald dat de jaarbeloning is verschuldigd vanaf de eerste dan wel de zestiende dag van de maand waarin de bewindvoerder is benoemd en dat deze in maandelijkse termijnen wordt betaald, tenzij de kantonrechter anders bepaalt. Uit de beschikking van de kantonrechter van 14 februari 2014 volgt dat de kantonrechter de bewindvoerder machtigt om met ingang vanaf 1 maart 2014 maandelijks 1/12 gedeelte van het toepasselijke jaartarief volgens de richtlijnen van het LOVCK in rekening te brengen. De rechtbank is van oordeel dat ook uit het feit dat de bewindvoerder is gemachtigd een tegemoetkoming van de (geschatte) bewindvoerdersvergoeding te incasseren, bezien in samenhang met de hiervoor genoemde jurisprudentie, volgt dat die kosten zich vanaf de benoeming voordoen. Dat andere gemeenten in soortgelijke gevallen anders beslissen, zoals eiser met de in beroep overgelegde besluiten heeft aangetoond, maakt niet dat het standpunt van verweerder onjuist is, noch dat verweerder zou moeten beslissen in afwijking van de vigerende jurisprudentie.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Smeets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 12 december 2019
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.