Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2018-08-29
ECLI:NL:RBLIM:2018:8106
Bestuursrecht
Bodemzaak
2,528 tokens
Inleiding
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB/ROE 17/1260
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 augustus 2018 in de zaak tussen
Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., te Nijmegen,
Vereniging Leefmilieu, te Nijmegen, eiseressen
(gemachtigde: mr. V. Wösten),
en
het college van Gedeputeerde Staten van Limburg, verweerder.
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] , te [plaats] .
Procesverloop
Bij besluit van 9 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan [naam] (vergunninghouder) een vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het wijzigen, uitbreiden en exploiteren van een varkenshouderij aan de [straat] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] te [plaats] .
Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2018. Eiseressen zijn met bericht van verhindering van 15 maart 2018 niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W.M. Horbach. Vergunninghouder is niet verschenen.
Overwegingen
1. Vergunninghouder heeft op 22 augustus 2011 twee aanvragen ingediend om vergunningen als bedoeld in artikel 16/19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) voor het wijzigen, uitbreiden en exploiteren van varkenshouderijen aan de [straat] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] te [plaats] . Op 14 september 2011 heeft vergunninghouder verzocht beide aanvragen samen te voegen omdat de bedrijven aan de [straat] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] vanaf 1999 in het kader van de Wet milieubeheer als één locatie zijn aangemerkt.
De inrichting van vergunninghouder is gelegen nabij de Natura 2000-gebieden ‘Boschhuizerbergen’ (op 3,9 km afstand) en ‘Maasduinen’ (op 5 km afstand). De aanvraag heeft betrekking op het exploiteren van een varkenshouderij met 2.380 gespeende biggen, 180 kraamzeugen, 35+589+40 (guste en dragende) zeugen, 2 dekberen, 34 opfokzeugen en 720+728 vleesvarkens. Voor de inrichting is op 12 januari 2012 een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor de activiteit milieu verleend, waarmee ten opzichte van de daarvoor bestaande situatie een lagere ammoniakemissie is vergund.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan vergunninghouder de gevraagde Wnb-vergunning verleend voor het exploiteren van de op 12 januari 2012 vergunde varkenshouderij. Daarbij heeft verweerder zich, onder verwijzing naar de met AAgro-Stacks berekende stikstofdepositie, op het standpunt gesteld dat gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende Natura 2000-gebieden de door vergunninghouder aangevraagde activiteit geen (significante) negatieve effecten zullen veroorzaken op de Natura 2000-gebieden ‘Boschhuizerbergen’ en ‘Maasduinen’. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat de door eiseressen ingediende zienswijze geen aanleiding geeft tot wijziging van het eerdere ter inzage gelegde ontwerpbesluit.
3. In beroep is aangevoerd dat verweerder heeft nagelaten een onderzoek te doen naar verval van rechten zodat ten onrechte is geconcludeerd dat er geen depositietoename is.
Voorts is aangevoerd dat verweerder buiten het Programma Aanpak Stikstof (PAS) om vergunningen verleent zonder dat duidelijk is hoe de daarbij betrokken deposities zich verhouden tot het PAS en niet duidelijk is waarom beide stelsels gelijktijdig naast elkaar kunnen bestaan. Tot slot wordt aangevoerd dat het bestreden besluit wel verband houdt met het PAS en verweerder ten onrechte de ingediende zienswijzen buiten behandeling heeft gelaten.
4. Op 1 juli 2015 is het PAS in werking getreden en is in de Nbw 1998 overgangsrecht opgenomen voor vergunningaanvragen die vóór 1 juli 2015 zijn ingediend. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft over het overgangsrecht dat was neergelegd in de artikelen 19km, vierde lid, en 67a van de Nbw 1998 geoordeeld in de uitspraken van
14 en 28 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3327 en ECLI:NL:RVS:2016:3489).
5. Op 1 januari 2017 is de Wnb in werking getreden. In artikel 9.10, eerste lid, van de Wnb is bepaald dat de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige procedures tot het nemen van een besluit krachtens de Nbw 1998, de Flora- en faunawet of de Boswet, aanhangig zijn in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en dat die aanvragen vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wnb worden behandeld.
Op grond van artikel 9.4, eerste lid van de Wnb gelden vergunningen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 als vergunningen als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid. De aanvraag van vergunninghouder van 22 augustus 2011 is daarom aangemerkt als aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb.
6. Het PAS is sinds 1 januari 2017 neergelegd in de Wnb, het Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb), alsmede in het betrokken programma voor de periode 2015-2021 (het Programma PAS 2015-2021). De artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van het Bnb zien op het toekennen van ontwikkelingsruimte, de grondslag van het PAS.
In artikel 5.13 van de Bnb is het overgangsrecht voor het PAS neergelegd: het eerste lid van dat artikel komt overeen met het oude artikel 19km, vierde lid, van de Nbw 1998 en het tweede lid met artikel 67a van de Nbw 1998.
Uit artikel 5.13, tweede lid, van het Bnb volgt dat de artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van de Bnb, als wordt voldaan aan voorwaarden, niet van toepassing zijn op aanvragen die zijn ingediend voor 1 juli 2015.
7. Voor zover eiseressen hebben aangevoerd dat hun zienswijze ten onrechte buiten behandeling is gelaten, overweegt de rechtbank dat deze zienswijze -kort gezegd- inhield dat het ontwerpbesluit niet in overeenstemming met het PAS is genomen en dat verweerder in het PAS ten onrechte geen grondslag heeft gezien om het ontwerpbesluit aan te passen. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat het PAS ingevolge het overgangsrecht niet van toepassing is op de aanvraag. Daarmee is de zienswijze niet buiten behandeling gelaten, zoals eiseressen nu stellen, maar is de zienswijze niet gegrond geacht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Eiseressen hebben betoogd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het PAS niet (geheel) van toepassing is en dat verweerder over is gegaan tot vergunningverlening buiten het PAS om. Eiseressen zijn van mening dat ten onrechte overgangsrecht geldt voor de toepassing van het PAS omdat de stikstofbelasting van de Natura-2000 gebieden zodanig is dat ter bescherming van die gebieden aan het PAS onmiddellijke werking dient toe te komen. Eiseressen hebben betoogd dat ten onrechte overgangsrecht geldt op grond waarvan belangrijke elementen van het PAS op aanvragen van voor 1 juli 2015 buiten toepassing worden gelaten.
9. Voor zover eiseressen hebben betoogd dat aan het PAS onmiddellijke werking dient toe te komen, overweegt de rechtbank het volgende. Door de wetgever is, weliswaar niet in het oorspronkelijke wetsontwerp maar via een amendement, overgangsrecht in het leven geroepen en is aan het PAS geen onmiddellijke werking toegekend. De rechter kan in de beoordeling daarvan niet treden op grond van artikel 120 van de Grondwet, tenzij moet worden geconcludeerd dat de het overgangsrecht als zodanig niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Voor die conclusie is echter geen steun te vinden in hetgeen eiseressen hebben aangevoerd en de rechtbank ziet daarvoor ook overigens geen grond. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
10. Voor zover eiseressen hebben beoogd te betogen dat aan het overgangsrecht van artikel 5.13, tweede lid, van de Nbw niet is voldaan en dat daarom dient te worden getoetst aan de artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van het Bnb waarin belangrijke uitgangspunten van het PAS zijn neergelegd, overweegt de rechtbank als volgt.
11. Artikel 5.13, tweede lid, van het Bnb luidt als volgt:
De artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 zijn niet van toepassing op projecten, plannen en andere handelingen die stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied veroorzaken indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. voor het project, het plan of de andere handeling was vóór 1 juli 2015 een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, in voorbereiding bij het desbetreffende bestuursorgaan;
b. de voor het nemen van het desbetreffende besluit beschikbare gegevens en bescheiden zijn naar het oordeel van het desbetreffende bestuursorgaan voldoende voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van het desbetreffende besluit en bovendien, ingeval het besluit betrekking heeft op een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, van de wet, is een volledige passende beoordeling als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van de wet gemaakt, en
c.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, voorzitter, en mr. R.J.G.H. Seerden en mr. R.M.M. Kleijkers, leden, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2018.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op: 29 augustus 2018
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.