Rechtspraak Rechtbank Limburg 2017-12-15
ECLI:NL:RBLIM:2017:12333
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: AWB 17 / 298, AWB 17 / 359, AWB 17 / 360 en AWB 17 / 362 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2017 in de zaken tussen [eiser 1] , eiser 1 (gemachtigde: mr. S. Oord), [eiser 2] , eiser 2, [eiser 3] , eiser 3, en [eiser 4] , eiser 4, (gemachtigde: mr. N.A. Rijsterborgh), hierna gezamenlijk te noemen: eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, verweerder (gemachtigden: mr. C. Tielen en P.J.J.M. van Lierop). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster] (gemachtigde: mr. G.J.A. van Dinter). Procesverloop Bij besluit van 19 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan [vergunninghoudster] (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een vervangende bedrijfswoning op het perceel gelegen aan [adres] . Eisers hebben tegen het bestreden besluit afzonderlijk beroep ingesteld. Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank vergunninghoudster in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt. Verweerder heeft de stukken die op de zaken betrekking hebben ingezonden en heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [naam 1] , [naam 2] en haar gemachtigde, verschenen. Overwegingen 1. Vergunninghoudster drijft op het perceel gelegen aan [adres] een onderneming die zich richt op de verhuur van vakantieappartementen, het exploiteren van een kraan waarmee boten uit de Maas kunnen worden geheven, het opslaan van boten, het uitstallen van te koop aangeboden boten, het repareren van boten en het exploiteren van een haven- en dokfaciliteit. 2. Vergunninghoudster heeft op 26 november 2015 een aanvraag ingediend voor het bouwen van een vervangende bedrijfswoning. Zij is voornemens om op het noordelijkste deel van haar perceel een tweede bedrijfswoning, die in de plaats komt van één van de twee bedrijfswoningen in het hoofdgebouw, met een bouwhoogte van 9,6 meter en een inhoud van 1137 m³ te realiseren. 3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder conform de aanvraag een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo). 4. Verweerder heeft in zijn besluitvorming toegelicht waarom het onderhavige bouwplan, ondanks dat op 11 juni 2013 al de bereidheid was getoond om (onder meer) hieraan medewerking te verlenen (de zogenoemde principemedewerking van 11 juni 2013), niet is meegenomen bij de totstandkoming van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “ [H.] ” in september 2014. Omdat dit bestemmingsplan hoofdzakelijk consoliderend en actualiserend van aard is en ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan nog niet was voldaan aan de in de principemedewerking opgenomen voorwaarden waaronder medewerking zou worden verleend, is gekozen voor het niet betrekken van het bouwplan. Verweerder heeft voor wat betreft die voorwaarden met name gewezen op de, nu de voorziene woning is gesitueerd in het waterbergend rivierbed van de Maas, vereiste toestemming van de rivierbeheerder en de in dat kader te treffen compensatiemaatregelen. Rijkswaterstaat heeft op 10 november 2015 positief geadviseerd en op 18 oktober 2016 is een watervergunning verleend. Voorts was ten tijde van de totstandkoming van het bestemmingsplan nog niet duidelijk of het bouwplan in overeenstemming is met de redelijke eisen van welstand. 5. Niet in geschil is dat het onderhavige bouwplan in strijd is met het ter plaa Aan het door eisers 2 tot en met 4 gestelde ontbreken van een verklaring van geen bedenkingen dient, aldus vergunninghoudster, nu van een benadeling van belanghebbenden geen sprake is, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb voorbij te worden gegaan. Tussen de bouwtekening bij de aanvraag en de definitieve situatietekening ten behoeve van de Watervergunning bestaat geen verschil in bouwhoogte. Eisers 2 tot en met 4 baseren dit verschil ten onrechte op een voorlopige tekening bij de Waterwetvergunning. Tot slot is in de visie van vergunninghoudster van een onredelijke belangenafweging geen sprake. Vergunninghoudster heeft bij brief van 14 november 2017 het vorenstaande aangevuld met foto’s, genomen vanuit de woningen van eisers, waarop de te realiseren bedrijfswoning is ingetekend. 9. Verweerder heeft in zijn in de procedure van eiser 1 ingebrachte verweerschrift van 16 mei 2017 onder meer het standpunt ingenomen dat niet is gebleken dat aan de advisering van de Commissie Beeldkwaliteit gebreken kleven. De door de Commissie goedgekeurde tekeningen hebben ter inzage gelegen. Na het verlenen van principemedewerking aan de herinrichting van het terrein heeft een volledige ruimtelijk-planologische afweging plaatsgevonden, waarbij rekening is gehouden met de belangen van eiser en een stedenbouwkundige afweging is gemaakt. De principemedewerking maakt geen onderdeel uit van de omgevingsvergunning en heeft daarom niet ter inzage gelegen. Verweerder heeft in de aan eiser 2 tot en met 4 gerichte verweerschriften van 16 mei 2017 onder meer weersproken dat hij vanwege het ontbreken van een verklaring van geen bedenkingen het bestreden besluit onbevoegd heeft genomen. Zo wel sprake zou zijn van een onbevoegdelijk genomen bestreden besluit, kan dit gebrek, zoals verweerder heeft gesteld in het aanvullend verweerschrift van 6 november 2017, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. 10. Eiser 1 heeft op 14 november 2017 zijn gronden van beroep aangevuld. Daarin heeft eiser 1 bestreden dat de gronden van beroep niet tijdig zijn ingediend en hij niet als belanghebbende is aan te merken. Eiser 1 heeft volhard in zijn standpunt dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel, nu in de visie van eiser 1 een goede ruimtelijke onderbouwing en kenbare zelfstandige belangenafweging ontbreken. Eiser 1 heeft in september 2017 van verweerder een afschrift van de principemedewerking ontvangen. Zijn standpunt dat dit document ter inzage had moeten worden gelegd, heeft eiser 1 gehandhaafd. Verder heeft het advies van de Commissie Beeldkwaliteit van 15 december 2015 niet ter inzage gelegen en ontbreekt dit bij de stukken. Ten onrechte heeft de Commissie Beeldkwaliteit niet getoetst aan de Nota Beeldkwaliteit van januari 2015. Verweerder heeft tot slot ten onrechte de objectieve noodzaak om af te wijken van het bestemmingsplan niet betrokken. 11. De rechtbank overweegt als volgt. De tijdigheid van de gronden van beroep 12. Eiser 1 heeft bij brief van 26 januari 2017 beroep ingesteld. Dit beroepschrift bevat geen gronden. Eiser 1 heeft verzocht om hem een termijn te verlenen om het beroep aan te vullen met gronden. De rechtbank heeft eiser 1 bij brief van 31 januari 2017 verzocht om binnen een termijn van vier weken de gronden van beroep in te dienen. Op 27 februari 2017 heeft eiser 1, derhalve binnen de termijn van vier weken, zijn beroepsgronden aangevuld. Uit het vorenstaande volgt dat eiser 1 tijdig de gronden van beroep heeft ingediend en dat hierin geen reden is gelegen om zijn beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren. 13. Eisers 2 tot en met 4 hebben bij brieven van 1 februari 2017 beroep ingesteld. Die beroepschriften bevatten geen gronden. Eisers 2 tot en met 4 hebben verzocht om hen een termijn van vier weken te verlenen om het beroep aan te vullen met gronden. De rechtbank heeft eisers 2 tot en met 4 bij brief van 6 februari 2017 verzocht om binnen die termijn de gr Ingevolge artikel 6.5, derde lid, van het Bor kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist. 15.2. Zoals de Afdeling meermaals heeft overwogen, zoals bijvoorbeeld in de uitspraken van 27 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1655) en 12 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1889), bevat artikel 6.5, derde lid, van het Bor geen vereisten voor de aanwijzing van categorieën gevallen en houdt het evenmin een beperking in voor de categorieën die opgenomen kunnen worden in de aanwijzing. Dat betekent evenwel niet dat die categorieën ook op een zodanige wijze mogen worden geformuleerd dat aan de aanwijzing geen of nauwelijks nog onderscheidende betekenis meer valt toe te kennen; een dergelijke aanwijzing voldoet niet aan de daaraan uit een oogpunt van rechtszekerheid te stellen eisen en maakt bovendien de in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor neergelegde hoofdregel zinledig. 15.3. De gemeenteraad heeft bij besluit van 10 juni 2010 met toepassing van artikel 6.5, derde lid, van het Bor categorieën van gevallen aangewezen waarin een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 6.5 niet vereist is. Een verklaring van geen bedenkingen is op grond van dit besluit niet vereist in de situatie waarin sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo wordt afgeweken. Dit is alleen anders indien Gedeputeerde Staten of de Minister het bevoegd gezag zijn. 15.4. De rechtbank overweegt dat het besluit van 10 juni 2010 inhoudt dat in alle gevallen waarbij verweerder het bevoegde gezag is en sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo wordt afgeweken, in afwijking van de in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor neergelegde hoofdregel, een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad niet is vereist. Naar het oordeel van de rechtbank getuigt dit niet van het aanwijzen van een categorie van gevallen als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, van het Bor en is het besluit van 10 juni 2010 onverbindend. 15.5. Het voorgaande betekent dat ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Bor een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad was vereist. De rechtbank ziet in het ontbreken hiervan echter geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Hiertoe verwijst de rechtbank naar het besluit van de gemeenteraad van 13 juli 2017. Anders dan het besluit van 10 juni 2010, valt aan de in dit besluit opgenomen aanwijzing onderscheidende betekenis toe te kennen. Het besluit bevat concrete categorieën van gevallen waarin een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 6.5 niet vereist is. Bovendien wordt het besluit van toepassing verklaard op alle omgevingsvergunningen op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo die op 13 juli 2017 nog niet onherroepelijk waren. Het bouwplan van vergunninghoudster kan tot de genoemde categorieën van gevallen worden gerekend en was ten tijde van het nieuwe besluit niet onherroepelijk. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er geen twijfel over mogelijk is dat de gemeenteraad akkoord was en is met verlening van de omgevingsvergunning aan vergunninghoudster en dat daarom in dit geval aan het ontbreken van een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad met toepassing van artikel 6:22 van de Awb voorbij kan worden gegaan. In de omstandigheid dat de specifieke aanvraag van vergunning-houdster niet aan de gemeenteraad is voorgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om in twijfel te trekken dat de gemeenteraad akkoord is met omgevingsvergunningen als de onderhavige en van verweerder te verlangen dat hij alsnog een specifiek op deze aanvraag betrekking hebbende verklaring van geen bede Bij zijn aanvullende gronden van 14 november 2017 heeft eiser 1 (een deel van) de principemedewerking overgelegd. In dit stuk heeft de rechtbank voor wat betreft de thans aan de orde zijnde vervanging van de bedrijfswoning geen ten opzichte van de onderhavige besluitvorming (waaronder begrepen de ruimtelijke onderbouwing en de nota van zienswijzen) nieuwe aspecten aangetroffen. Tegen die achtergrond volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat een zelfstandige en volledige ruimtelijk-planologische afweging heeft plaatsgevonden en dat de onderhavige besluitvorming weliswaar een uitvloeisel is van de principemedewerking, maar de principemedewerking als zodanig geen onderdeel uitmaakt van de besluitvorming. Gelet hierop is niet gebleken van strijdigheid met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. 18.1. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder, anders dan eisers 2 tot en met 4 in hun ter zitting overgelegde pleitnota aanvoeren, niet was gehouden ook de andere van de principemedewerking deel uitmakende ontwikkelingen te betrekken in zijn beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid. Verweerder moet volgens vaste jurisprudentie uitgaan van de aanvraag zoals die is gedaan. Daarbij heeft vergunninghoudster te kennen gegeven dat nog geenszins zeker is of en wanneer zij de resterende onderdelen van de principemedewerking zal kunnen realiseren. Het realiseren van een derde bedrijfswoning 19. Op grond van artikel 6.1, onder d, van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “ [H.] ” zijn de voor “Bedrijf – Watersportbedrijf” aangewezen gronden – voor zover van belang – bestemd voor twee bedrijfswoningen. Ingevolge artikel 6.2 van het bestemmingsplan mogen op de als “Bedrijf – Watersportbedrijf” bestemde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in artikel 6.1 genoemde functies worden gebouwd. 19.1. De rechtbank volgt eiser 1 in zijn standpunt dat, anders dan in de nota van zienswijzen is gesteld, artikel 6.2 in samenhang met artikel 6.1, onder d, van het bestemmingsplan de bouw van een derde bedrijfswoning niet toestaat. De rechtbank is evenwel van oordeel dat zich een dergelijke met het bestemmingsplan strijdige situatie niet voordoet. De verleende omgevingsvergunning maakt het immers niet mogelijk dat een derde (met het bestemmingsplan strijdige) bedrijfswoning wordt gebouwd en in gebruik genomen. De aanvraag alsmede de omgevingsvergunning zien op het vervangen van een bestaande bedrijfswoning (in het bedrijfsgebouw) voor een nieuwe bedrijfswoning elders op het terrein. De te vervangen bedrijfswoning mag alsdan niet meer de functie van bedrijfswoning hebben, hetgeen overigens niet betekent dat die bestaande bedrijfswoning moet worden gesloopt. Om hierover extra zekerheid te geven, heeft verweerder aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbonden dat het, zoals dat ook volgt uit artikel 6.1, onder d, van het bestemmingsplan, niet is toegestaan het vergunde gebouw als bedrijfswoning te gebruiken, indien elders binnen het besluitgebied reeds twee bedrijfswoningen in gebruik zijn. Indien vergunninghoudster zich hier niet aan houdt, betreft dit een handhavingsaspect. Een goede ruimtelijke ordening 20. Eisers hebben betoogd dat verweerder niet in redelijkheid een omgevingsvergunning voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat verweerder hun belang, zijnde de aantasting van het vrije uitzicht over de Maas, onvoldoende in zijn belangenafweging heeft betrokken en verweerder voor wat betreft de noodzaak van de omvang van de bedrijfswoning, het vervangen van de bedrijfswoning, de bedrijfswoning in het algemeen en de locatie van de bedrijfswoning enkel heeft gekeken naar de belangen van vergunninghoudster. Zo ligt de noodzaak in de grote omvang van de bedrijfswoning slechts in de wens van vergunninghoudster en is de omvang bovendien niet in overeenstemming met de definitie van “bedrijfswoning”, neergelegd in artikel 1.14 van het bestemmingsplan. Voor wat betreft de noodzaak van ver