Rechtspraak Rechtbank Limburg 2017-11-22
ECLI:NL:RBLIM:2017:11399
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 04/991508-12 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 22 november 2017 in de strafzaak tegen [verdachte] , gevestigd te [adresgegevens verdachte] . 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 19, 20 en 21 januari 2016, 22, 23, 24 en 31 mei 2017 en 25 en 26 oktober 2017. De verdachte wordt bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen en mr. M.J.J.E. Stassen, beiden advocaat kantoorhoudend te Tilburg. De vertegenwoordiger van de verdachte is met uitzondering van 31 mei 2017 telkens verschenen. Mr. Th.J.H.M. Linssen is telkens ter terechtzitting verschenen. Mr. M.J.J.E. Stassen is, met uitzondering van 31 mei 2017 en 26 oktober 2017, eveneens telkens ter terechtzitting verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2 Inleiding Om inzichtelijk te maken waar het in deze strafzaak om gaat, wordt op deze plaats in het kort beschreven waarop het strafrechtelijk onderzoek zicht richtte en wat daaraan vooraf ging. Het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak richtte zich op de activiteiten die op het bedrijfsterrein aan de [adres] te Heel, gemeente Maasgouw, plaatsvonden. Op het bedrijfsterrein waren een tweetal bedrijven gevestigd, te weten [verdachte] (hierna te noemen: [verdachte] ) en [medeverdachte 5] (hierna te noemen: [medeverdachte 5] ). [verdachte] hield zich van oudsher bezig met het verwerken van afvalstoffen en de productie van verf. De activiteiten met betrekking tot verf zijn in de loop der jaren overgenomen door [medeverdachte 5] . Daarnaast bestaat er een vestiging van [verdachte] in België, te weten [medeverdachte 2] . (hierna te noemen: [medeverdachte 2] ). Dit bedrijf houdt zich eveneens bezig met de verwerking van afvalstoffen en was handelspartner van [verdachte] . Zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] zijn door de bestuurder van de verdachte opgericht. [verdachte] is nog steeds het bedrijf van de bestuurder van de verdachte, maar [medeverdachte 2] wordt inmiddels geleid door zijn zoon [medeverdachte 7] . In het bedrijf [medeverdachte 5] waarvan zijn echtgenote directeur is, heeft de bestuurder van de verdachte formeel geen rol, maar in de praktijk bleek hij de drijvende kracht te zijn. [verdachte] heeft lange tijd een vergunning gehad op grond van de Wet milieubeheer voor het opslaan, be- en verwerken van hoog problematische (gevaarlijke) afvalstoffen en niet-gevaarlijke afvalstoffen, afkomstig van bijvoorbeeld fotografische bedrijven en laboratoria. Het verwerken van de verschillende afvalstoffen was gericht op het bereiken van de zogenaamde 0-optie met als doel om afvalstoffen maximaal te scheiden in voor hergebruik geschikte materialen. De technologie is ontwikkeld door de bestuurder van de verdachte. De vergunning is in 2004 verlopen. Op 16 november 2004 heeft de provincie Limburg (hierna te noemen: de Provincie) bestuursdwang toegepast, gericht op beëindiging van de activiteiten op het bedrijfsterrein van [verdachte] . Vervolgens is de inrichting stilgelegd. Op 4 februari 2005 heeft de Provincie [verdachte] meegedeeld dat het beheer, het onderhoud en de verzorging van het terrein na de stillegging geheel voor rekening en risico van het bedrijf blijft, evenals het waterbeheer. In de jaren die volgen, diende [verdachte] meermalen nieuwe aanvragen in voor verlening van een milieuvergunning dan wel een omgevingsvergunning. Deze aanvragen hebben, ook na beroep op de bestuursrechter, niet geleid tot verlening van een vergunning. In de jaren na de stillegging van het bedrijf en de verzegeling van het terrein hebben toezichthouders van de Provincie en nadien de gemeente Maasgouw (hierna te noemen: de Gemeente) frequent het terrein bezocht om de staat van het terrein te controleren op gevaarzettende situaties. Ook het Waterschap voerde inspecties uit. Naar aanleiding van controles heeft de Provincie in 2006 (onder meer) [verdachte] o De Provincie is als bestuursorgaan immers niet gevrijwaard van strafrechtelijke vervolging. Voor onderzoek naar de rol van de Provincie was aanleiding, omdat zij betrokken was bij een ‘feitelijk normidentiek gedragingscomplex’. Zij heeft een beheersopdracht gegeven voor het doen voortbestaan van een situatie die de oorzaak van strafbare feiten zou kunnen zijn. De officier van justitie heeft afgezien van een strafrechtelijk onderzoek naar en vervolging van de provincie Limburg, zonder daarvoor een rechtvaardiging te geven. In de tweede plaats is vervolging in strijd met het fair trial beginsel. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat de officier van justitie zonder eigen nader onderzoek is uitgegaan van onjuiste informatie van de Provincie. Deze heeft de zaak aantoonbaar aangedikt. Er zou acuut gevaar zijn voor mens en milieu, wat achteraf niet waar bleek te zijn. Door van deze informatie uit te gaan, is het belang van de verdachte dermate geschaad, dat de officier van justitie het recht op vervolging van de verdachte ontnomen dient te worden. In de derde plaats heeft de verdediging aangevoerd dat vervolging in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Het openbaar ministerie had al sinds het jaar 2000 de beschikking over controlerapporten met betrekking tot [verdachte] en is in al die jaren nooit tot enige actie overgegaan. Reeds hierom heeft zij niet het recht om, na zoveel jaren waarin zij op de hoogte was van de situatie ter plekke, de vervolging van de verdachte in te zetten. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat ook door de Provincie gedurende een groot aantal jaren geen actie is ondernomen om een einde te maken aan de situatie zoals die bestond op het bedrijfsterrein van [verdachte] , terwijl zij ervan op de hoogte was dat op dit terrein activiteiten plaatsvonden zonder de benodigde vergunningen en er frequent door of namens haar controles plaatsvonden waardoor zij de situatie ter plaatse kende en welke stoffen er lagen opgeslagen. Volgens de verdediging was er hierdoor sprake van een zogenaamde “putatieve vergunning”: “ alles bij elkaar was de toestand onwettig, maar niet zó onrechtmatig en schadelijk, dat de toestand per direct door finaal ingrijpen beëindigd moest worden. [verdachte] kon denken: wat ik hier doe en laat voortbestaan, mág .” 4.1.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is ontvankelijk. Zij stelt zich t en eerste op het standpunt dat, indien al zóu zijn gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de provincie Limburg niet te vervolgen, dat vormverzuim niet onherstelbaar is. Alleen al daarom kan dit niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Daarnaast is de belangenafweging over al dan niet vervolging niet ter beoordeling van de rechtbank. Het vervolgingsrecht op grond van het opportuniteitsbeginsel is zowel volgens de wet als volgens de heersende jurisprudentie exclusief aan het openbaar ministerie toebedeeld. In deze zaak heeft het openbaar ministerie geoordeeld dat de provincie Limburg geen bijdrage heeft geleverd aan de strafbare gedragingen zoals die in de tenlastelegging van de verdachte zijn opgenomen. De Provincie voerde slechts haar handhavingstaak uit en vervolging is daarom niet aan de orde. Ten tweede is door de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie is uitgegaan van onjuiste informatie zonder nader onderzoek te verrichten. Deze aanname van de verdediging is niet juist. Nadat door de Provincie aangifte was gedaan heeft de officier van justitie zelfstandig onderzoek verricht door het horen van getuigen en het doen verrichten van onderzoeken door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Daaruit bleek dat de aangifte van de Provincie in voldoende mate werd gesteund door de bevindingen uit het onderzoek dat door de officier van justitie was verricht. De officier van justitie is dus niet misleid door de aangifte van de Provincie. Zij heeft haar recht tot vervolging dan ook niet verloren. Het is juist dat sinds 2000 con In de tweede plaats heeft de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie is uitgegaan van onjuiste informatie van de Provincie zonder daarnaar nader onderzoek te verrichten. Uit het dossier blijkt dat in opdracht van de officier van justitie op 14 september 2012 een strafrechtelijk onderzoek is gestart. Het onderzoek dat in opdracht van de officier van justitie is verricht bestond onder meer uit doorzoeking van woningen en het bedrijfsterrein, het horen van getuigen en de bestuurder van de verdachte. Ook zijn er op aanvraag van de officier van justitie op het bedrijfsterrein onderzoeken verricht en monsters genomen door het NFI, waarover uitvoerig is gerapporteerd. De stelling dat de officier van justitie geen dan wel onvoldoende eigen onderzoek heeft verricht en zich bij haar vervolgingsbeslissing geheel heeft laten leiden door onjuiste informatie van de Provincie en zodoende in strijd met het fair trial beginsel heeft gehandeld, moet dan ook worden verworpen. Ten derde heeft de raadsman gewezen op het feit dat het openbaar ministerie jarenlang niets heeft gedaan met de informatie in de vorm van controlerapporten, die het ontving van de Provincie en ook door de Provincie jarenlang geen actie is ondernomen om een einde te maken aan de situatie zoals die bestond op het bedrijfsterrein van [verdachte] , zodat vervolging in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Strijd met het vertrouwensbeginsel doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend – zoals ambtenaren van de Provincie Limburg – kan gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend. De situatie dat door het Openbaar Ministerie of door aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen of gedragingen van functionarissen in deze zaak concrete toezeggingen zijn gedaan aan de (mede)verdachten over niet-vervolging ter zake de tenlastegelegde feiten, doet zich in deze strafzaak niet voor. Het is invoelbaar dat de bestuurder van de verdachte en zijn medeverdachten zich overrompeld voelden toen pas na vele jaren na het expireren van de milieuvergunning en vele controles door onder meer de Provincie, door de Provincie is besloten om tot handhaving over te gaan en het doen van aangifte. De vervolgingsbeslissing is mede op basis van het nadien verrichte onderzoek genomen. Deze kan daarom niet worden opgevat als strijdig met een gerechtvaardigd vertrouwen dat niet tot vervolging zou worden gegaan. De rechtbank verwerpt het verweer. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. 4.2 De overige voorvragen Bij het onderzoek ter terechtzitting: is gebleken dat de dagvaarding geldig is; is voorts gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen; zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken. 5 De beoordeling van het bewijs 5.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan de verdachte tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. 5.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van alle tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Afkortingenlijst Ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank de volgende afkortingen hanteren: Afkorting Uitleg BARIM Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer BOR Besluit omgevingsrecht Afdeling De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [medeverdachte 2] [verdac Het standpunt van de officier van justitie is dat de bedrijven [verdachte] en [medeverdachte 5] als één inrichting moeten worden beschouwd op grond van artikel 1.1., vierde lid, tweede volzin, van de Wet milieubeheer, omdat er sprake is van technische, organisatorische en functionele bindingen tussen beide rechtspersonen. Dit standpunt is onder meer gebaseerd op de omstandigheid dat beide bedrijven gebruik maken van hetzelfde terrein, hetzelfde gebouw en dezelfde toegangsweg. Daarnaast had de bestuurder van [verdachte] reële zeggenschap over de werkzaamheden van [medeverdachte 5] en bracht [medeverdachte 5] de beheerskosten voor het terrein in rekening bij [verdachte] . Zo oordeelde ook de Afdeling. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er inderdaad organisatorische, technische en functionele bindingen tussen beiden, en wel in die mate dat [verdachte] en [medeverdachte 5] in het kader van de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen als één inrichting moeten worden aangemerkt, gezien het volgende. Het bedrijfsterrein gelegen aan de [adres] te Heel is grotendeels eigendom van [verdachte] . In een van de bedrijfsgebouwen van [verdachte] zijn een aantal ruimtes in gebruik bij [medeverdachte 5] . De bedrijfsruimtes van [verdachte] en [medeverdachte 5] hebben gezamenlijke installaties voor warmte en stroom. De bedrijfsruimte van [medeverdachte 5] is uitsluitend te bereiken via het bedrijfsterrein en de toegangsweg tot het bedrijfsterrein van [verdachte] . In het gebouw waarin [medeverdachte 5] bedrijfsmatige handelingen heeft verricht, gebouw B in document 252, p. 11848, is een laboratorium gevestigd, waarvan gebruik wordt gemaakt door [verdachte] . In het rapport “ Controle Milieu ” d.d. 14 augustus 2012, opgesteld naar aanleiding van controle bij [verdachte] door de heren [naam rapporteur 1] en [naam rapporteur 2] namens Bureau Handhaving van de Provincie d.d. 8 augustus 2012, is vermeld –zakelijk weergegeven-: ‘ Wij zagen dat het laboratorium nog volledig ingericht was en nog steeds in gebruik was. Het laboratorium is er voor zowel [medeverdachte 5] als voor [verdachte] ’ . In een kantoor in gebouw D is de administratie van [medeverdachte 5] aangetroffen. Dit kantoor wordt in de vergunningaanvraag van 1 juni 2004 beschreven als behorende bij [verdachte] . Verder vond het beheer van het bedrijfsterrein zowel door [verdachte] als door [medeverdachte 5] plaats, hetgeen onder meer blijkt uit de activiteiten die [medeverdachte 3] (zijnde de jongste zoon van de bestuurder van de verdachte en technisch directeur van [medeverdachte 5] ) verrichtte op het terrein in opdracht van de bestuurder van de verdachte en uit de nota van [medeverdachte 5] , gericht aan [verdachte] , betreffende beheerskosten. Deze nota werd door [verdachte] voldaan. Uit bovenstaande blijkt dat beide bedrijven gebruik maakten van gemeenschappelijke voorzieningen en dat er uitwisseling plaatsvond van goederen, personeel en bedrijfsmiddelen. Er is aldus naar het oordeel van de rechtbank sprake van één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer respectievelijk artikel 1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op het bedrijfsterrein aan de [adres] in Panheel wordt dus één inrichting wordt gedreven door [verdachte] en [medeverdachte 5] . 5.3.4. De vergunningplicht van de inrichting Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat [verdachte] en [medeverdachte 5] moeten worden beschouwd als één inrichting, zal de rechtbank ten aanzien van de feiten 1 en 2 nagaan of er vergunningplichtige activiteiten werden ontplooid door de inrichting in de tenlastegelegde periodes. Het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van de feiten 1 en 2 De officier van justitie wijst op de uitspraken van de bestuursrechter die heeft geoordeeld dat de inrichting, dus [verdachte] en [medeverdachte 5] , activiteiten heeft ontplooid die vergunningplichtig zijn. In de periode van 1 januari 2009 tot 1 oktober 2010 vloeide de vergunningplicht voor l De aangetroffen aantekeningen over het ontwikkelen van nieuwe verfproducten duiden daar eveneens op en passen niet bij het slechts gebruiksklaar maken van verf. De verdediging stelt dat er geen sprake is geweest van het vervaardigen van verf, maar enkel van het mengen ervan zonder dat daarbij chemische reacties optraden. De (beperkte) productie van de basisverven, coatings en kitten vindt sinds de stillegging van [verdachte] in 2005 plaats bij [medeverdachte 2] . Ook de vertegenwoordiger van de verdachte heeft ter zitting verklaard dat er in Panheel geen verf werd vervaardigd. De eerste vraag die in dit kader beantwoording behoeft is wat volgens de wet dient te worden verstaan onder ‘vervaardigen’. Volgens het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit milieubeheer en het daarop gebaseerde BOR is vervaardigen het tot stand brengen van een stof of product uit grondstoffen of halffabrikaten. Veelal zullen dat synthetische activiteiten zijn. Het Barim hanteert geen aparte definitie van ‘vervaardigen’. Anders dan door de verdediging is betoogd, is het niet zo dat alleen van vervaardiging gesproken wordt bij een productieproces waarin een chemische omzetting plaats vindt en niet bij het alleen maar mengen, roeren of afvullen. Deze door de verdediging gepresenteerde definitie van vervaardigen is afkomstig uit de Nota van toelichting bij het BARIM en heeft geen betrekking op het vervaardigen van verf maar op de “gevaarlijke stoffen”. Want categorie i luidde toen: ‘inrichtingen voor het vervaardigen van gevaarlijke stoffen of stoffen die bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten zijn ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen of voor het vervaardigen van verf, lak, drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen;’ In de toelichting bij deze categorie stond onder meer: ‘(…) Gezien de definitie van gevaarlijke stof vallen hieronder niet alleen stoffen maar ook voorwerpen. Door de brede definitie valt hieronder niet alleen de productie van basischemicaliën en producten die als gevaarlijke stoffen zijn ingedeeld, maar ook de productie van halffabrikaten, farmaceutica, en dergelijke. Relevant is dat alleen van vervaardiging gesproken wordt bij een productieproces waarin een chemische omzetting plaats vindt, niet alleen maar mengen, roeren of afvullen. Bij categorie i zijn enkele specifieke producten zoals verf, apart genoemd . Het gaat hier om producten die vaak, maar niet altijd, vallen onder het begrip «gevaarlijke stoffen» of onder de etiketteringsplicht van de Wet milieugevaarlijke stoffen. Aangezien voor deze productieprocessen specifieke voorschriften nodig zijn, zijn ze hier expliciet benoemd, zodat duidelijk is dat ze vergunningplichtig blijven.’ De rechtbank stelt vast dat verschillende grondstoffen voor de productie van verf door [medeverdachte 5] zijn aangekocht en dat er tanks met roerwerk om grondstoffen te kunnen mengen op het bedrijfsterrein zijn aangetroffen. Uit de aangetroffen situatie bij [medeverdachte 5] is bovendien gebleken dat vaten met ftalaten en andere grondstoffen aangebroken waren en blijkbaar gebruikt werden om verf te produceren. Bovendien is uit notities gebleken dat er ook nieuwe verfproducten werden ontwikkeld. De rechtbank stelt ook vast dat in de administratie van zowel [verdachte] als [medeverdachte 5] geen steun is aangetroffen voor de stelling van de verdediging dat de werkelijke productie van verf elders, te weten bij [medeverdachte 2] , zou plaatsvinden en dat bij [medeverdachte 5] slechts de halffabricaten en grondstoffen werden afgeleverd en bewaard en het eindproduct werd verkocht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat door [medeverdachte 5] verf is vervaardigd. Het aanwezig hebben van een laboratorium Bewijsmiddelen In het rapport “Controle Milieu” d.d. 14-08-2012, opgesteld naar aanleiding van controle d.d. 08-08-2012 bij het bedrijf [verdachte] De bestuurder van de verdachte was volgens de getuige altijd aan het pompen. In de tenlastegelegde periode was er ook nog een grondwaterpomp in gebruik. Op grond van deze bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat er binnen de inrichting sprake was van het opslaan, behandelen en reinigen van afvalwater, omdat het afvalwater niet alleen werd opgeslagen maar door het toevoegen van chemische materialen werd behandeld. Het verweer van de verdediging dat de handelingen met betrekking tot het water moeten worden gezien als een vorm van beheer van het terrein doet daar niet aan af. Afvalstoffen Bewijsmiddelen Volgens de definitie in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer zijn afvalstoffen: 'alle stoffen, preparaten of producten, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen '. De rechtbank stelt vast dat op het bedrijfsterrein en in de gebouwen, nadat in 2004 de vergunning voor het verwerken van afvalstoffen is vervallen en deze activiteit is gestaakt, grote hoeveelheden in het kader van die afvalverwerking aangevoerde, gebruikte en ontstane stoffen zijn achtergebleven. Gedurende de ongeveer acht jaren die zijn verstreken tussen het beëindigen van de afvalverwerking en het opleggen van de lasten is slechts een deel van deze stoffen afgevoerd. De achtergebleven stoffen zijn in deze context zonder twijfel aan te merken als stoffen waarvan de houders voornemens waren zich te ontdoen dan wel zich moesten ontdoen, en zijn dus afvalstoffen. Op de afvalinventarisatielijst van [naam 1] van week 40 in 2008 staan onder meer de volgende afvalstoffen vermeld: latex coagulaat was opgeslagen bij de locaties I, II en III latex (sludge- en uitgehard) in IBC’s met een geschat gewicht van 799 ton, zijnde 1022 kubieke meter; bluspoeder was opgeslagen in IBC’s met een volume van 7 kubieke meter; gaswasvloeistof was opgeslagen bij de locaties 1A tot en met 1D, II en III met een geschatte totale hoeveelheid van 1680 ton; gaswasslurry was opgeslagen in bigbags met een geschat gewicht van 25 ton; obsidiaan was op de locaties 1, 2 en 3 aanwezig, zowel los gestort als in IBC’s opgeslagen, met een totaal volume van 3.642 ton; geconditioneerd gips was los gestort aanwezig op het terrein, met een volume van 521 ton; ongeconditioneerd gips was op de locaties A en B los gestort, met een volume van in totaal 2.081 ton; indampresten fixeer waren opgeslagen in IBC’s met een totaal gewicht van 40 ton; zwavelslib was los gestort aanwezig met een totaal gewicht van 470 ton; gaswasvloeistof was op de locaties 1A, 1B, 1C, 1D, II en III aanwezig, met een totaal gewicht van 1680 ton. In week 32 van 2012 heeft [naam 1] een nieuwe afvalinventarisatielijst opgesteld betreffende de situatie op het terrein van [verdachte] in 2012. Deze is gebaseerd op de inventarisatielijst die is opgesteld in 2008 en mede gebaseerd op een schouwing d.d. 8 augustus 2012 samen met vertegenwoordigers van de provincie Limburg. Hierop staat onder meer het volgende vermeld: de opslag latexcoagulaat is ten opzichte van 2008 ongewijzigd gebleven; de opslag bluspoeder is ten opzichte van 2008 ongewijzigd gebleven; de opslag gaswasvloeistof is ten opzichte van 2008 ongewijzigd gebleven; de opslag obsidiaan is ten opzichte van 2008 afgenomen tot 2677 ton; de opslag geconditioneerd gips is ten opzichte van 2008 ongewijzigd gebleven; de opslag ongeconditioneerd gips is ten opzichte van 2008 ongewijzigd gebleven; de opslag indampresten fixeer is ten opzichte van 2008 ongewijzigd gebleven; de opslag zwavelslib is ten opzichte van 2008 ongewijzigd gebleven; de opslag gaswasvloeistof is ten opzichte van 2008 ongewijzigd gebleven. Niet gevaarlijke afvalstoffen: het opslaan van meer dan 35 kubieke meter van buiten de inrichting afkomstige, niet gevaarlijke afvalstoffen Latexcoagulaat De vertegenwoordiger van de verdachte heeft verklaard –zakelijk weergegeven- dat in de tenlastegelegde periode als genoemd onder de feiten 1 en 2 op het bedrijfsterrein latexcoagulaat was opgesl Gaswasslurry De administratie van [verdachte] bevatte facturen betreffende de verkoop van gaswasslurry aan [medeverdachte 2] in 2009, 2010 en 2011. Gelet op de inventarisatie van [naam 1] en deze facturen acht de rechtbank bewezen dat er gaswasslurry op het terrein werd opgeslagen en bewerkt. Slib Betreffende het slib heeft de vertegenwoordiger van de verdachte verklaard dat in de bassins A, B, C en D nog een restant slib aanwezig was. Dit slib liet hij op lekplaten dan wel in big bags ontwateren. Jaarlijks werd hiervan een gedeelte afgevoerd. Het NFI heeft op 24 oktober 2012 de volgende monsters genomen uit de bassins I, IV en VII: uit bassin I: AACB8774NL (B1A), nabij een IBC met natriumhypochloriet; uit bassin IV: AACB8776NL (B4A), met roerwerk; uit bassin VII: AACB8778NL (B7A) met drijfplateau. Uit onderzoek bleek dat deze monsters water en slib bevatten. Gelet op de inventarisatie van [naam 1] , de bevindingen van het NFI en de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting acht de rechtbank bewezen dat er slib op het terrein werd opgeslagen en bewerkt. Het storten of anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen Uit het hiervoor vermelde met betrekking tot de stoffen indampresten fixeer, obsidiaan, latexcoagulaat, ongeconditioneerd en geconditioneerd gips en zwavelslib is gebleken dat deze stoffen op het bedrijfsterrein van [verdachte] en [medeverdachte 5] opgeslagen waren. Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de in de tenlastelegging genoemde afvalstoffen op het terrein van [verdachte] en [medeverdachte 5] waren gestort. Nu echter niet kan worden vastgesteld dat deze afvalstoffen gedurende de tenlastegelegde periode als vergunningsplichtige activiteit zijn gestort, is er geen bewijs voor dit onderdeel van de tenlastelegging. Conclusie ten aanzien van de activiteiten Samenvattend acht de rechtbank bewezen dat op het terrein te Panheel in de tenlastegelegde periode: verf is vervaardigd; een laboratorium aanwezig is geweest; afvalwater is opgeslagen, behandeld en gereinigd; meer dan 35 kubieke meter van buiten de inrichting afkomstige, niet gevaarlijke afvalstoffen waren opgeslagen, te weten: - latexcoagulaat; - bluspoeder; - de volgende afvalstoffen zijn opgeslagen en of bewerkt en of verwerkt: - gaswasslurry; - slib. De vergunningsplicht voor bovengenoemde activiteiten in de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 september 2010 (feit 1) Naar het oordeel van de rechtbank staat – gelet op het bovenstaande en het wettelijk kader (5.3.2) – vast dat de inrichting vanwege het verrichten van de hiervoor vermelde activiteiten, vergunningplichtig was. Nu geen vergunning aanwezig was in de tenlastegelegde periode, staat vast dat artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is overtreden. (Mede-)plegen? De vraag die in dit kader beantwoording behoeft, is of de verdachte als rechtspersoon door bovenstaande activiteiten kan worden aangemerkt als pleger c.q. medepleger. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2003 kan een rechtspersoon als dader worden aangemerkt indien de strafbare gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Of een (verboden) gedraging in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Bij de vraag naar de toerekening is vervolgens een belangrijk oriëntatiepunt of een gedraging plaats vond of is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Ingevolge het hiervoor genoemd arrest zou sprake kunnen zijn van handelen in de sfeer van de rechtspersoon als zich ‘ een of meer ’ van de volgende omstandigheden voordoen: - het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon; - de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon; - de gedraging is de rechtspe Reeds in 1987 is door het toenmalige ministerie van VROM erkend dat er geen sprake is van een afvalstof, maar van een zelfstandig en verhandelbaar glasproduct, dat is opgenomen op de uitzonderingslijst van de toenmalige Wet Chemische Afvalstoffen. De Afdeling heeft eveneens bij uitspraak van 15 juni 1995 vastgesteld dat obsidiaan geen afvalstof betreft. De verdediging heeft voorts verwezen naar de uitleg van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting van 19 januari 2017, waarbij de vertegenwoordiger van de verdachte uit de doeken heeft gedaan hoe het obsidiaan ontstond. Na de sluiting van [verdachte] is een grote hoeveelheid obsidiaan op het bedrijfsterrein achtergebleven, van welke achtergebleven stof de inrichting voornemens was zich te ontdoen dan wel zich moest ontdoen (van de Provincie). De vertegenwoordiger van de verdachte heeft verklaard dat obsidiaan een fantastisch product is, gelijk aan natuurlijk obsidiaan, wat zich leent en zal lenen voor vele mogelijke toepassingen. Uit de inventarisatie van [naam 1] in 2012 blijkt echter dat de opgeslagen hoeveelheid in vergelijking tot 2008 nog grotendeels op het terrein aanwezig is. Daaruit blijkt niet dat obsidiaan in de praktijk nuttig kan worden toegepast, noch dat deze als grondstof is verhandeld in de periode waarnaar onderzoek is gedaan. Alleen al hierom merkt de rechtbank obsidiaan aan als een afvalstof. Vergunningplicht in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 26 september 2012 (feit 2) Gelet op het wettelijk kader (5.3.2) en ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van het BOR samen met bijlage I, onderdeel C, categorie 4.4, aanhef en onder b, en categorie 28.10, aanhef en onder 2, zijn deze inrichtingen vergunningplichtig. Naar het oordeel van de rechtbank staat – gelet op het bovenstaande – vast dat de inrichting moet worden beschouwd als een in werking zijnde vergunningplichtige inrichting. Nu geen vergunning aanwezig is, staat vast dat artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, is overtreden. (Mede-)plegen? De rechtbank komt op grond van de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen en overwegingen bij feit 1 en 2 tot de conclusie dat bewezen is dat de verdachte samen met anderen zonder de benodigde vergunning opzettelijk een project heeft uitgevoerd, geheel of gedeeltelijk bestaande uit het in werking hebben van een op het perceel [adres] gevestigde vergunningplichtige inrichting samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] . 5.3.3c feit 3 Aan de verdachte is onder dit feit tenlastegelegd – kort gezegd – dat zij niet heeft voldaan aan de verplichting om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd om bodemverontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel de directe gevolgen daarvan te beperken en/of zoveel mogelijk ongedaan te maken, welke verplichting is vastgelegd in artikel 13 van de Wet bodembescherming. Volgens de tenlastelegging heeft de verdachte: 1. stoffen die de bodem konden verontreinigen of aantasten op of in de bodem gebracht teneinde deze daar te laten door deze op te slaan; 2. afvalstoffen op of in de bodem gebracht; 3. verontreinigd water en/of slib op of in de bodem doen uitstromen en/of slib ontwaterd. Het standpunt van de officier van justitie Naar het oordeel van de officier van justitie staat vast dat er geruime tijd op milieuhygiënisch onverantwoorde wijze is gehandeld met al dan niet gevaarlijke afvalstoffen en ernstig verontreinigd afvalwater. Ook staat volgens haar vast dat er op het bedrijfsterrein sprake is van bodemverontreiniging. Er is sprake van eenzelfde verontreiniging van het grondwater met stoffen die direct kunnen worden gerelateerd aan de binnen de inrichting verrichte activiteiten. Dit terwijl de bodembeschermende voorzieningen niet afdoende waren om risico’s op bodemverontreiniging af te wenden, dan wel te minimaliseren. Dat de mate van gevaarlijkheid van de afvalstoffen zou kunnen worden genuanceerd en er discussie is over historische verontreinig door derden, maakt dit niet ander Aard en hoeveelheden van die afvalstoffen zijn geïnventariseerd door [naam 1] en hiervoor bij de bespreking van de feiten 1 en 2 aangegeven, te weten: afvalwater; latexcoagulaat; bluspoeder; geconditioneerd gips; indampresten fixeer; ongeconditioneerd gips; zwavelslib; gaswasvloeistof; gaswasslurry; slib; obsidiaan. De Inspectie voor de Leefomgeving en Transport heeft de op de [adres] te Panheel aanwezige bassins geïnspecteerd. Geconstateerd werd het volgende. Een van deze bassins was bekleed met worteldoek en omgeven door betonblokken. Deze betonblokken hadden aan de onderzijde een tweetal openingen. Een ander bassin stond leeg en in de bekleding van dit bassin zaten meerdere gaten. Door deze gaten was de aarden wal zichtbaar. Op meerdere locaties waren kunststof IBC’s, stalen drums en kunststof vaten gevuld met vloeistof en/of een pasta-achtige substantie. Veel IBC’s verkeerden in een slechte staat van onderhoud en waren voorzien van onduidelijke opschriften over de inhoud. De slechte staat van onderhoud blijkt uit de volgende punten, er stonden: kapotte of al dan niet weggerotte pallets die zich gebruikelijk onder een kunststof vat bevinden. Een aantal IBC’s was hierdoor doorgezakt of stond scheef; verroeste en doorgeroeste verstevigingen, die zich gebruikelijk om of onder het kunststof vat bevinden. Een aantal IBC’s had hierdoor de stevigheid verloren die van een IBC mag worden verwacht; verweerde en daardoor gescheurde kunststof vaten. Een aantal IBC’s had hierdoor de stevigheid verloren die van een IBC mag worden verwacht en is hierdoor niet meer tegen inregenen beschermd; IBC’s waren niet meer voorzien van de gebruikelijke afsluitdop. Deze IBC’s waren aldus niet meer tegen inregenen beschermd; verschillende IBC’s hadden waarschijnlijk gelekt. Voorts werd waargenomen dat verschillende 200-litervaten in zodanige slechte staat waren dat de inhoud daarvan goed zichtbaar was en kon uitstromen. Dit betrof dan veelal vast materiaal dat niet meer tegen inregenen beschermd was. In twee gevallen werd gezien dat het vat volledig was weggeroest en voorzien was van scheuren zodat het niet meer de functie van een vat kon uitoefenen. In één geval werd waargenomen dat het vat gesitueerd was boven op een groene pasta-achtige slurry, die was uitgestroomd. Verbalisant [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat er op 26 september 2012 bij locatie 2 verscheidene IBC’s stonden, waarvan een aantal IBC’s was beschadigd. De IBC’s waren gevuld met vloeistoffen en slib. Bij locatie 5 was een gedeelte van de klinkerverharding verwijderd. De zandlaag onder de klinkerverharding was donker gekleurd en rook naar olie of diesel. Bij locatie 3 was een opslag van zwart gekleurd materiaal, in het brandveiligheidsplan aangeduid als obsidiaan. De opslag vond plaats op een betonnen verharding, aan één zijde eindigend aan een groenstrook zonder opstaande rand. Tussen het obsidiaan en de groenstrook zag hij op de betonnen verharding diverse groen gekleurde sporen. Het NFI heeft op 26 september 2012 geassisteerd bij het onderzoek op het bedrijfsterrein en het nemen van monsters. De bedoeling was om de aanwezige (gevaarlijke) afvalstoffen te inventariseren, alsmede het inventariseren van lopende/huidige activiteiten op het bedrijfsterrein. Bij locatie 2 waren IBC’s met vermoedelijk fotografisch afval gesitueerd. Op deze locatie zijn 5 IBC’s geselecteerd. Eén daarvan was zichtbaar lek. Bij locatie 7 stonden diverse vaten opgeslagen, te weten: een vat met grijs/wit vast materiaal. Dit betreft een roestig vat geheel gevuld met grijs/wit vast materiaal. Het vat was van boven open; een groen vat met uitgelopen groene viskeuze stof. Op deze locatie stond een groen roestig vat op een verharding. Rond het vat lag een dikke laag groene substantie. Er is indicatief onderzoek uitgevoerd met een draagbaar XRF-apparaat (= een soort scan), waaruit bleek dat het monster veel lood bevatte; een weggeroest vat met wit materiaal. Op deze locatie stonden enkele voor een groot deel wegge Er is aan de buitenzijde geen bron aan te wijzen, het toestromende grondwater wordt pas op het terrein ernstig verontreinigd en vóór [verdachte] hebben in het verleden geen andere bedrijven activiteiten op het terrein uitgevoerd. Historisch is bekend dat sprake was van een voormalige trambaan en twee gasleidingen. Eén gasleiding is nog steeds aanwezig. Het onderzoeksbureau heeft geen specifieke verontreinigingen en ook geen specifieke bodemvreemde materialen aangetroffen die een invloed van deze activiteiten zouden kunnen verklaren. De aanwezigheid van bromide heeft sowieso niets van doen met deze voormalige trambaan of gasleidingen. Het NFI heeft op verschillende locaties op het terrein onderzoeken verricht. De rechtbank zal de bevindingen van het NFI per locatie bespreken. Locatie 1 In de bodem van locatie 1 zijn zilver, broom/bromide, chloride, lood, natrium en sulfaat aangetroffen in concentraties die zijn verhoogd ten opzichte van referentieniveaus voor deze stoffen in bodemmonsters die direct naast het terrein van [verdachte] zijn genomen. Deze stoffen zijn naar aard bodembedreigend en bodembelasting met deze stoffen moet worden voorkomen. Op 24 oktober 2012 is door het NFI archeologisch veldonderzoek van de bodem van de vloei- en infiltratievelden op locatie 1 verricht. Hiertoe werden sleuven gegraven tot op een onverstoorde bodemlaag. Bij locatie 1 bevond zich op 25 à 35 centimeter diepte een puinlaag waar niet handmatig doorheen gegraven kon worden. Beneden 26,9 meter diepte boven NAP had de bodem een blauwe kleur. Locatie 2 Het NFI heeft op locatie 2 ongeveer 30 IBC’s aangetroffen. Door het NFI is een monster uit een IBC op locatie 2 genomen. Het monster, dat genomen is uit een gescheurde IBC, bevat in vergelijking met Nederlandse bodemnormen hoge concentraties van koper, tin, zilver en zink. Ook de concentraties anionen in het monster zijn veel hoger dan de concentraties die van nature in de Nederlandse bodem aanwezig zijn. Wanneer de bemonsterde substantie in de bodem terecht komt, kan dit bijdragen aan het ontstaan van een bodemverontreiniging. Dit monster bevat verschillende stoffen die ook aanwezig zijn in afvalstoffen van de fotografische industrie. Gezien de samenstelling kan dit monster een (gebruikt) fotografisch bad zijn. Gezien de samenstelling bevat dit monster fixeer(afval) dat vermengd is met andere fotografische baden en stoffen. Hierbij kan worden opgemerkt dat de samenstelling vermoedelijk is veranderd door de wijze van opslag (de IBC’s staan langdurig buiten en zijn door weer en wind verweerd en/of gebarsten.) Locatie 3 Aan het NFI is verzocht aan te geven wat de samenstelling is van een aantal monsters, genomen bij locatie 3 bij de opslag van obsidiaan. Op de route van het obsidiaan naar de groenstrook is een groenkleurig spoor op het beton aangetroffen. Van het groene spoor en op twee plekken op de bodem zijn monsters genomen, alsmede van het obsidiaan. Geconcludeerd is dat de monsters obsidiaan en betonspoor globaal overeen komen. Het monster betonspoor kan percolaat zijn, getreden vanuit de berg opgeslagen obsidiaan. Elementen in enkele bodemmonsters komen overeen met het patroon van die elementen in het obsidiaanmonster en het monster van het betonspoor. De bodembelasting met deze elementen kan het gevolg zijn van uitloging van deze elementen uit het nabij opgeslagen obsidiaan. Een van de bodemmonsters is ernstig verontreinigd met koper, nikkel, lood en zink, een tweede monster is ernstig verontreinigd met koper, nikkel en zink en een derde monster met nikkel. Het NFI heeft geconcludeerd dat obsidiaan een materiaal is dat rijk is aan zware metalen. Opslag van obsidiaan op de onbeschermde bodem kan de bodem verontreinigen doordat elementen, waaronder (zware) metalen, uit het materiaal logen en de bodem indringen. Bij de opslag van obsidiaan moeten daarom bodembeschermende maatregelen worden genomen, bijvoorbeeld een vloeistofdichte vloer met kerende wanden en bovenafdekking om inregenen te voork Hierin is onderzocht of de in de onderzochte bassins (bassin I, II, III, IV en VII) aangetroffen stoffen afkomstig zijn van onder meer de verwerking van fotografische gevaarlijke afvalstoffen en of de bodem bij de locaties 1, 8 en 12 is verontreinigd of aangetast met specifiek bij de verwerking van fotografisch gevaarlijke afvalstoffen betrokken stoffen die buiten het bedrijfsterrein niet of niet verhoogd in de bodem zijn aangetroffen. Gebleken is dat alle stoffen die in fotografisch afval voorkomen, ook voorkomen in de monsters van de verschillende bassins. Vooral het slib van de bassins was verontreinigd met hoge concentraties (zware) metalen waaronder zilver. Achter bassin II en links achter bassin III zijn oppervlakte-bodemmonsters genomen. Uit onderzoek bleek dat de referentieniveaus van zilver (achter bassin II), broom, bromide, chloride, lood, natrium en sulfaat zijn overschreden. Broom en natrium zijn belangrijke elementen bij zilverwinning uit hoofdzakelijk fotografisch afval. Achter en links achter bassin III zijn sleuven gegraven tot op diverse diepten, waaruit diepere bodemmonsters zijn genomen. Het monster, genomen uit sleuf 1A vertoonde een overschrijding van de referentieniveaus van zilver, lood, broom en natrium, het monster uit sleuf 1C vertoonde een overschrijding van de referentieniveaus van broom en chroom en het monster uit sleuf 2 vertoonde een overschrijding van de referentieniveaus van broom en natrium. Volgens de stoffenlijst uit de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (hierna te noemen: NRB) zijn bromide, chloride, lood intrinsiek bodembedreigend. Sulfaat kan in de bodem worden omgezet in sulfide, hetgeen ook op de stoffenlijst van de NRB voorkomt. Zilver is een bodembedreigende stof, natrium kan de structuurstabiliteit van de bodem aantasten. Alle elementen en ionen die in de bodemmonsters van de locaties 1, 8, 12 zijn aangetroffen in concentraties die zijn verhoogd ten opzichte van de referentieniveaus zijn naar aard bodembedreigend en bodembelasting met deze stoffen moet worden voorkomen. Datering bodemverontreiniging? Het NFI heeft de aangetroffen bodemverontreiniging niet kunnen dateren. Wel is duidelijk dat op de data van de onderzoeken op het terrein een actuele bron van ernstige bodemverontreiniging aanwezig was, namelijk de opslag van een vloeistofoplossing die veel bodembedreigende elementen bevat en als geheel van zodanige aard is dat vastlegging van elementen aan de vaste fase van de bodem wordt tegengegaan. Vloeistoffen als in de bassins II en III moeten zodanig worden opgeslagen dat deze niet in de bodem kunnen geraken. In een ondeugdelijk (lekkend) bassin en bij open opslag, waarbij door inregenen overstroming kan optreden, is dit niet het geval. De voortgaande aanwezigheid van de onderhavige opslag vormt een actuele bodembedreiging. Bodembelasting door lekkage en overstroming kan (zijn) op(ge)treden, zowel in het recente verleden als in de nabije toekomst. Tussenconclusie: risico op bodemverontreiniging? De in artikel 13 van de Wb vervatte zorgplicht is mede gericht op het voorkomen van verontreiniging of aantasting van de bodem. Voor een overtreding van deze bepaling is niet vereist dat de bodem door de desbetreffende handelingen daadwerkelijk is verontreinigd. De rechtbank is echter van oordeel dat op basis van de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de bodem van het perceel [adres] te Panheel daadwerkelijk is verontreinigd en aangetast. Op basis van voornoemde bewijsmiddelen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat afvalstoffen op het terrein aanwezig waren die naar hun aard bodembedreigend zijn. Voorts blijkt uit het voorgaande dat door hiaten in de bedrijfsvoering in het kader van de bodembescherming risico’s op bodemverontreiniging aanwezig waren. Niet alleen bestond het risico op bodemverontreiniging door de wijze van opslag van verschillende afvalstoffen en de erbarmelijke staat van e Verbalisant [verbalisant 4] heeft tijdens een onderzoek op 24 oktober 2012 bij locatie 2 een folie onder de klinkerbestrating aangetroffen die onderbroken was, waardoor er geen aaneengesloten vloeistofkerende laag aanwezig was. Deze onderbreking lag in het verlengde van de onderbreking bij locatie 1. Om te controleren of er nog dieper in de bodem folie aanwezig was, heeft de verbalisant in de opening van de folie tot op 1 meter diepte gegraven. Hier werd geen folie meer aangetroffen. Het NFI heeft nabij het ontwateringsbassin een sleuf gegraven, tot een diepte van circa 1 meter. Op een diepte van ca 60 centimeter is een zwarte kunststof folie aangetroffen. Nabij de trottoirband loopt de folie omhoog. Op een afstand van 0,5 meter van de trottoirband is geen folie aangetroffen. Op een afstand van 0,8 meter wel. Bij locatie 3, aan de noordoostzijde van het bedrijfsterrein, ligt obsidiaan opgeslagen in vakken, die voorzien zijn van een betonverharding. Ook aan de voorzijde van de vakken is een betonverharding aanwezig. Op de bodem direct naast de verharding zijn sleuven gegraven en monsters genomen. Op de eerste plek is direct onder het beton een zwarte folie aangetroffen. Die eindigt circa 10 cm van de betonrand. Op de tweede plek is geen folie aangetroffen. De verharding op de tweede plek bestaat uit twee verhardingslagen, een bovenlaag van beton, met een dikte van circa 25 cm, met weinig obsidiaan en een onderlaag van beton met een dikte van circa 10 cm met zeer veel obsidiaan. Op 1 meter onder de verharding is geen folie aangetroffen. In opdracht van de Provincie zijn op het terrein door Oranjewoud (Antea Group) , 45 peilbuizen geplaatst. In 15 gaten is folie aangetroffen, in de andere 30 niet. Na de stillegging van het terrein is [verdachte] gemaand de afvalstoffen op een verantwoorde wijze af te voeren. [verdachte] heeft aan deze vordering van de Provincie niet voldaan. Conclusie over bodembeschermende maatregelen De rechtbank concludeert op basis van bovenstaande bewijsmiddelen dat van adequate bodembeschermende voorzieningen, die de nadelige gevolgen die konden ontstaan door opslag van afvalstoffen, konden voorkomen, beperken of ongedaan maken, geen sprake was. (Mede-)plegen? De vraag die in dit kader beantwoording behoeft is of de verdachte als rechtspersoon door bovenstaande activiteiten kan worden aangemerkt als pleger c.q. medepleger. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Ingevolge het eerder vermelde arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2003 bij de vraag naar de toerekening is vervolgens een belangrijk oriëntatiepunt of een gedraging plaats vond of is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. De rechtbank stelt vast dat de hierboven opgesomde activiteiten zijn verricht door of onder leiding van de bestuurder van [verdachte] . De gedragingen passen in de normale bedrijfsvoering van [verdachte] en de gedragingen zijn de rechtspersoon dienstig geweest. Voorts kon de rechtspersoon bepalen of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden, nu de bestuurder van de verdachte, zeker gelet op zijn betrokkenheid, deskundigheid, kennis en ervaring wist, dat door een dergelijke staat van de opslag van afvalstoffen op het terrein de bodem zou kunnen worden verontreinigd en aangetast. De bestuurder van de verdachte heeft ten onrechte niet die maatregelen getroffen die het risico zo klein mogelijk zouden maken of die (mogelijke) verontreiniging of aantasting ongedaan zouden kunnen maken. De rechtbank wijst in dit verband allereerst op het niet voortvarend afvoeren van de afvalstoffen inclusief het zwaar verontreinigd afvalwater op het terrein, maar ook op het ontbreken van folie op diverse locaties en op het achterstallig onderhoud van bestaande bodembeschermende voorzieningen. Hierdoor zou bodemverontreiniging kunnen plaatsvinden. De bestuurder van de verdachte heeft het risico hierop op de koop toe genomen. Hij was immers bekend met het bedrijfsterrein, de waterhuishouding, de opslag van de afvalstoffen en de door hem getroffen 6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: feit 1 medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan feit 2 medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan feit 3 medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 7 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 8 De straf 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een geldboete ter hoogte van € 125.000,00. De officier van justitie heeft voor haar eis aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor fraude, een pleegperiode van ruim drie jaar, de veroorzaakte milieuschade en de hoge bedragen die met een sanering gepaard gaan. De officier van justitie verwijt de verdachte en de medeverdachten in de eerste plaats het in werking hebben van een inrichting waarin potentieel milieubedreigende activiteiten worden verricht zonder vergunning. In de tweede plaats verwijt de officier van justitie de verdachte het verrichten van bodembedreigende handelingen waarvan deze wist of had moeten weten dat daardoor de bodem kon worden verontreinigd en aangetast zonder maatregelen ter preventie, beperking of herstel daarvan. De nul-optie met haar ‘waste-to-waste’ principe is een zeer interessante manier om het afvalprobleem op te kunnen lossen. De wijze waarop deze methode is toegepast heeft echter geleid tot milieuschade. Vergunningplicht beoogt door middel van vergunningsvoorwaarden het milieu te beschermen. De bij de bedrijfsvoering te verwachten risico’s voor mens en milieu zijn volstrekt onvoldoende serieus genomen. Zo is structureel nagelaten in de tenlastegelegde periode om een fatsoenlijk begin te maken met het opruimen van en treffen van noodzakelijke voorzorgsmaatregelen. Zelfs elementaire veiligheidsbevorderende maatregelen zoals stabiel stapeling van verpakkingen, voorkomen van lekken van verpakkingen, het creëren van opstaande randen, het maken van vloeistofdichte platen, werden niet afdoende toegepast, aangebracht en onderhouden. Binnen de inrichting is een uiterst risicovolle en gevaarlijke situatie gecreëerd, die geruime tijd in stand is gehouden. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich geheel subsidiair ten aanzien van de strafmaat op het standpunt gesteld dat bij de strafoplegging rekening gehouden dient te worden met het tijdsverloop in onderhavige strafzaak. Bij de strafoplegging dient naar het oordeel van de verdediging voorts rekening te worden gehouden met de volgende punten: de toezichthouders waren volledig op de hoogte van de situatie op het bedrijfsterrein maar hebben de bestuurder van de verdachte nooit aangesproken wegens het bestaan van een eventueel onhoudbare situatie; het OM was eveneens op de hoogte van de bestaande situatie; de verdachte heeft enkel het terrein, water, bassins en afvalstoffen beheerd sinds de stillegging, zoals was opgedragen. De verdachte heeft daarbij telkens gehandeld overeenkomstig de door het bevoegde gezag gegeven instructies; het bevoegd gezag (Provincie) heeft in 2012 de aanleiding geforceerd om bestuursrechtelijk disproportioneel door te pakken. Van een calamiteit of wat dan ook was geen sprake; het terrein is sinds de toepassing van de bestuursdwang en het vervolg daarvan leeg en schoon. [verdachte] , [medeverdachte 5] en hun bestuurders moeten ruim € 1.300.000,- betalen aan de kosten van het opruimen en de bestuursdwang. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aa Dat de Provincie geen deadline heeft gesteld door een termijn te stellen waarbinnen het bedrijf ontmanteld moest zijn en de afvalstoffen van het terrein moesten zijn verwijderd, kan er echter niet toe leiden dat de bestuurder van de verdachte ervan uit kon gaan dat hij zijn activiteiten - zonder vergunning – mocht voortzetten. De rechtbank merkt daarbij op dat de Provincie eerder had kunnen optreden, maar blijkbaar een eigen belangenafwegingen maakte en op grond daarvan kennelijk heeft besloten niet eerder in te grijpen. Dit doet echter niet af aan de verantwoordelijkheid van de verdachte om het bedrijfsterrein voortvarend te doen opruimen, nu de wet werd overtreden door te handelen zonder vergunning. De rechtbank concludeert dat de bestuurder van de verdachte onvoldoende werk heeft gemaakt van het verwijderen van de afvalstoffen. Dat volgens de bestuurder van de verdachte een snellere afvoer van de (deels gevaarlijke) afvalstoffen niet mogelijk was leidt niet tot een ander oordeel. Dat een deel van de aangetroffen verontreiniging (mogelijk) niet is veroorzaakt door de bedrijfsvoering van de verdachte maar al in de bodem aanwezig was op het moment dat het terrein werd aangekocht, gaat er geheel aan voorbij dat de verontreinigingen met de bedrijfsprocessen van [verdachte] en de opslagen afvalstoffen in verband kunnen worden gebracht en dat de zorgplicht ook inhoud dat (verdere) schade zo veel mogelijk voorkomen moet worden. Omdat het bedrijfsterrein geen optimale bodembescherming bood, heeft de verdachte een groot risico genomen op verdere vervuiling van de bodem. De beheersopdracht mocht de verdachte niet zien als vrijbrief om de afvalstoffen te laten liggen totdat het hem schikte om deze af te voeren. De rechtbank ziet de beheersopdracht niet als strafverminderende omstandigheid. De rechtbank zal bij de strafoplegging wel in strafverminderende zin rekening houden met het feit dat naar aanleiding van de controles die op het bedrijfsterrein plaatsvonden in verband met de beheersopdracht door de controlerende overheden nimmer consequenties zijn verbonden aan het te langzaam afvoeren van de op het bedrijfsterrein aanwezige afvalstoffen. Dat de bestuurder van de verdachte daaruit kon afleiden dat zijn handelingen waren toegestaan op grond van een “putatieve vergunning” zoals de verdediging dit noemt, acht de rechtbank echter ten onrechte. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat de onvoortvarende opschoning van het bedrijfsterrein geen oorzaak vond in het eventueel maken van geldelijk gewin. De bestuurder van de verdachte heeft verklaard dat hij de opbrengst die hij genereerde met de verkoop van afvalstoffen aanwendde om de verdere ontmanteling van het bedrijf mee te bekostigen. De rechtbank gelooft de bestuurder van de verdachte in diens verklaring. De rechtbank houdt bij de strafoplegging in het voordeel van de verdachte voorts rekening met het tijdsverloop in deze zaak. De tenlastelegging ziet op feiten in de periode 1 januari 2009 tot en met 26 september 2012 en waarvoor de verdachte pas op 26 februari 2015 werd gedagvaard. Ook de behandeling ter terechtzitting liep ruim een jaar vertraging op door omstandigheden die niet aan de verdachte zijn te wijten. Verder merkt de rechtbank op dat zij de indruk heeft gekregen dat de verhouding tussen de Provincie en de verdachte in de loop der jaren ernstig verstoord is geraakt en dat dit aan het vinden van (andere) oplossingen voor de sanering van het bedrijfsterrein in de weg heeft gestaan omdat het vertrouwen in elkaar doodeenvoudig ontbrak. Dit heeft ertoe geleid dat de milieubedreigende situatie op het bedrijfsterrein heel erg lang is blijven voortbestaan. Ten slotte houdt de rechtbank rekening met het feit dat de - hoge - rekening van de sanering van het bedrijfsterrein van onder meer bij de (bestuurder van) verdachte zal worden gelegd. De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 augustus 2017, waaruit blijkt dat ve zij in de periode 1 oktober 2010 tot en met 26 september 2012 te Heel, gemeente Maasgouw tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, geheel of gedeeltelijk bestaande uit het in werking hebben van een op het perceel [adres] gevestigde inrichting -voor het vervaardigen van verf en/of lak en/of -voor nuttige toepassing en/of verwijdering van afvalstoffen, te weten afvalwater en/of latex cogulaat en/of bluspoeder en/of geconditioneerd gips en/of indampresten fixeer en/of ongeconditioneerd gips en/of zwavelslib en/of vloeibare fotografische en/of vloeibare galvanische afvalstoffen en/of gaswasvloeistof en/of gaswasslurry en/of slib en/of obsidiaan, zijnde genoemde inrichting een inrichting, aangewezen in Onderdeel C categorie 4.4 en/of 28.10 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, in elk geval aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht; 3. zij in de periode 1 januari 2009 tot en met 26 september 2012 te Heel, gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, terwijl zij en/of haar mededader(s) op en/of in de bodem van perceel [adres] (een) handeling(en), als bedoeld in artikel 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming heeft/hebben verricht, te weten handelingen, waarbij stoffen die de bodem konden verontreinigen of aantasten, op of in de bodem werden gebracht teneinde deze daar te laten, te weten het (ter bewaring) op of in de bodem opslaan van afvalwater en/of latex cogulaat en/of bluspoeder en/of geconditioneerd gips en/of indampresten fixeer en/of ongeconditioneerd gips en/of zwavelslib en/of vloeibare fotografische en/of vloeibare galvanische afvalstoffen en/of gaswasvloeistof en/of gaswasslurry en/of slib en/of obsidiaan en/of het op of in de bodem brengen van afvalstoffen, te weten afvalwater en/of latex cogulaat en/of bluspoeder en/of geconditioneerd gips en/of indampresten fixeer en/of ongeconditioneerd gips en/of zwavelslib en/of vloeibare fotografische en/of vloeibare galvanische afvalstoffen en/of gaswasvloeistof en/of gaswasslurry en/of slib en/of obsidiaan en/of het op of in de bodem doen uitstromen van verontreinigd water en/of slib en/of het uitvoeren van de ontwatering van slibben terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, toen al dan niet opzettelijk niet aan haar/hun verplichting heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar/hen kon worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Het uittreksel van de Kamer van Koophandel, pagina 8942. Het uittreksel van de Kamer van Koophandel, pagina 8944. [medeverdachte 2] Identificatie, pagina 12045. Besluit van de gedeputeerde staten van Limburg van 16 november 2004, pagina 7470 tot en met 7474. Een schrijven van de provincie Limburg d.d. 4 februari 2005, pagina 7398. Een schrijven van de provincie Limburg d.d. 4 december 2006, pagina 7245 en 7246. Een schrijven van de provincie Limburg d.d. 14 april 2009, verzonden 20 april 2009, pagina 7877 en 7878. Bezoeksrapportage d.d. 14 augustus 2012, betreffende de “Controle Milieu” van de provincie Limburg d.d. 8 augustus 2012, pagina 7016 tot en met 7030. Uitspraak van de Afdeling Raad van State 20-4-2016; ECLI: NL:RVS:2016:1044. Af te leiden uit productie 19 overgelegd door de verdediging. Aangifte door de provincie Limburg d.d. 28 augustus 2012, pagina 7001 en 7002 en de brieven van provincie Limburg gericht aan de verdachte en de medeverdachten, pagina 7003 tot en met 7042. Zoals in Hoge Raad 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280 en Hoge Raad 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23. Waar hie Het proces-verbaal van verbalisant [naam 4] , proces-verbaalnummer 60-060642, pagina 12132 tot en met 12137, pagina 12136. Het proces-verbaal van verbalisant [naam 4] , proces-verbaalnummer 60-060642, pagina 12132 tot en met 12137, pagina 12136. De verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, afgelegd op 23 mei 2017. Factuur d.d. 8 september 2009, pagina’s 11000, factuur d.d. 30 december 2010 pagina 11986, factuur van 67 juli 2011, pagina 11990, factuur van 15 november 2011, pagina 11989. De verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting van 23 mei 2017. Onderzoek [verdachte] aanvraag 10, onderzoek naar de samenstelling van de bassins I, IV en VII, pagina 15. Vindplaats: NJ 2006, 328. Proces-verbaal van bevindingen, AMB 008, pagina’s 12132 tot en met 12137. Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 11158 tot en met 11162. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 22 januari 2013 “Onderzoek [verdachte] , verslag van monsterneming uitgevoerd op 26 september 2012”, pagina’s 8673 tot en met 8683A. DOC 37, pagina 4005 en 4006, AMB 069. Proces-verbaal van bevindingen, AMB 069, pagina’s 12524 tot en met 12529. Rapport ‘Nader bodemonderzoek [verdachte] ’, opgesteld door Antea Group, pagina 63. Rapport ‘Nader bodemonderzoek [verdachte] ’, opgesteld door Antea Group, pagina 950. Verklaring getuige [getuige 2] pagina 13106 en DOC 27c. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 26 september 2013 ‘Onderzoek [verdachte] ’, pagina 13. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 22 januari 2013 “Onderzoek [verdachte] , verslag van monsterneming uitgevoerd op 26 september 2012”, pagina’s 9 en 12 en noot 5 van het rapport. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 10 juni 2013 ‘Onderzoek [verdachte] aanvraag 006, onderzoek naar de samenstelling van de inhoud van IBC’s en vaten’, pagina’s 11 en 12. Het onderzoek [verdachte] aanvraag 7, bodemverontreiniging door de opslag van een partij ‘Obsidiaan’, rapport d.d. 14 juni 2013. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 14 juni 2013 ‘Onderzoek [verdachte] aanvraag 7, bodemverontreiniging door de opslag van een partij ‘Obsidiaan’, pagina’s 14 en 15 van het rapport. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 10 juni 2013 ‘Onderzoek [verdachte] aanvraag 006, onderzoek naar de samenstelling van de inhoud van IBC’s en vaten’, pagina 15. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 10 juni 2013 ‘Onderzoek [verdachte] aanvraag 006, onderzoek naar de samenstelling van de inhoud van IBC’s en vaten’, pagina’s 16 en 17. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 26 september 2013 ‘Onderzoek [verdachte] ’, pagina 13. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 26 september 2013 ‘Onderzoek [verdachte] ’, pagina 13. (sinnummers AACB8784NL, AACB8782NL en AACB8780NL) (sinnummer AADX0207NL), (sinnummers AAED5158NL tot en met AAED5166NL) (sinnummer AAED0209NL) (sinnummer AAFA9546NL). Onderzoek [verdachte] aanvraag 12, Onderzoek bodemverontreiniging door de opslag van vloeistof in twee bassins en van slibkoekresten (deellocaties 8 en 12), Rapport NFI d.d. 13 augustus 2013. Onderzoek [verdachte] aanvraag 12, Onderzoek bodemverontreiniging door de opslag van vloeistof in twee bassins en van slibkoekresten (deellocaties 8 en 12), Rapport NFI d.d. 13 augustus 2013, pagina 21 + bijlagen. Rapport van het Nederlands Forensisch instituut d.d. 26 september 2013 ‘Onderzoek [verdachte] ’ (aanvraag 15) Rapport van het Nederlands Forensisch instituut d.d. 26 september 2013 ‘Onderzoek [verdachte] ’ (aanvraag 15) en AMB 081. Rapport van het Nederlands Forensisch instituut d.d. 26 september 2013 ‘Onderzoek [verdachte] ’ (aanvraag 15) en forensisch archeologisch onderzoek d.d. 21-1-2013. Onderzoek [verdachte] aanvraag 15. Rapport d.d. 26 september 2013. Onderzoek [verdachte] aanvraag 9, Onderzoek naar de samenstelling van zwavelslib naar aanleiding van de monsterneming op 1 okto