Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2016-01-12
ECLI:NL:RBLIM:2016:172
Bestuursrecht
Bodemzaak
1,892 tokens
Inleiding
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB/ROE 15/930
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2016 in de zaak tussen
[naam] te [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade, verweerder
(gemachtigde: Th. Mertens).
Procesverloop
Bij besluit van 27 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder een eerder op 4 juni 2014 genomen verkeersbesluit, waarbij een parkeerverbod werd ingesteld, ingetrokken.
Bij besluit van 25 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2016.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Uit de gedingstukken leidt de rechtbank af dat verweerder op 4 juni 2014 (en niet 2013, zoals hier en daar in de stukken staat vermeld) heeft besloten tot het instellen van een parkeerverbod over een lengte van circa 10 meter in de [straatnaam]. Naar aanleiding van hiertegen ingediende bezwaren is verweerder tot het inzicht gekomen dat de verkeersmaatregel bij nader inzien toch niet juist is geweest, waarop bij het primaire besluit is besloten om het besluit tot het instellen van het parkeerverbod in te trekken.
2. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Na ongegrondverklaring van de bezwaren heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
3. Eiser voert in beroep, samengevat, aan hij zich niet kan verenigen met het bestreden besluit en meer in het bijzonder met het advies van Antea dat daaraan door verweerder mede ten grondslag is gelegd. In beroep heeft hij een notitie overgelegd van VAGN. Eiser merkt nog op dat de kern van het beroep is gelegen in het parkeergedrag van sommige bewoners, die hun (grote) voertuigen op een zodanige wijze parkeren dat anderen in de M.L. Kingstraat daardoor moeilijk kunnen uitwegen.
4. Verweerder wijst er in het verweerschrift op dat tijdens de behandeling van de bezwaren is besloten om een onafhankelijk deskundige de zaak te laten beoordelen. Hierop is de keuze op Antea gevallen. Verweerder twijfelt niet aan de objectiviteit waarmee het advies tot stand is gekomen en werpt de daartegen gerichte opmerkingen van eiser terzijde. Daarnaast geeft verweerder aan dat eiser ten onrechte doet voorkomen alsof er sprake is van een structureel probleem wat betreft het parkeren in de [straatnaam] Verweerder stelt zich tenslotte op het standpunt dat met het instellen van een parkeerverbod geen belangen worden gediend in de zin van artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994).
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser zelf niet woonachtig is in de [straatnaam] Wel is hij eigenaar (en verhuurder) van een in deze straat gelegen woning, die is gelegen in het gebied waar het gevraagde parkeerverbod betrekking op zou moeten hebben. Nu voldoende aannemelijk is dat de mogelijkheid van zo onbelemmerd mogelijk parkeren de commerciële belangen van eiser als eigenaar van het pand raakt, is de rechtbank van oordeel dat eiser als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 september 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU2619.
7. Vervolgens wijst de rechtbank op vaste rechtspraak bij het nemen van verkeersbesluiten (waartoe de rechtbank ook het intrekken van deze besluiten rekent), bijvoorbeeld de uitspraak van 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8933. Hierbij komt aan verweerder bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de begrippen 'veiligheid op de weg', 'bruikbaarheid (van de weg)' en 'vrijheid van het verkeer'. Voorts is het aan het verweerder om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een dergelijk besluit tegen elkaar af te wegen om te beoordelen wanneer de in artikel 2 van de Wvw 1994 vermelde belangen het nemen van welke verkeersmaatregel vergen. De rechter dient zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend op te stellen en te toetsen of de uitleg die het bestuur aan voormelde begrippen heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften en of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat het college niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.
8. De rechtbank komt tot de conclusie dat van een onevenwichtigheid of onredelijkheid bij het intrekken van het eerder ingestelde parkeerverbod niet is gebleken. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat het instellen van een parkeerverbod naar zijn aard een vrij ingrijpende maatregel is. Dat verweerder daarbij de belangen die pleiten voor en tegen het instellen van het parkeerverbod (af)weegt, mede in het licht van de parkeersituatie ter plaatse, acht de rechtbank niet onjuist of onredelijk.
9. Voorts stelt de rechtbank nog vast dat eiser, zoals ter zitting desgevraagd is bevestigd, bij wijze van het inbrengen van een contra-advies VAGN heeft ingeschakeld. Aan dit advies kan evenwel niet de waarde worden toegekend die eiser daaraan toegekend wenst te zien, nu met deze notitie niet aannemelijk is gemaakt dat het advies van Antea (waarin is ingegaan op verkeerskundige en juridische gronden) onjuist of onvolledig is. Ook van enige vooringenomenheid bij het opstellen van het advies van Antea is de rechtbank niet gebleken, daargelaten overigens dat eiser de in dit kader opgeworpen stelling in het geheel niet heeft onderbouwd.
10. Tenslotte wijst de rechtbank eiser erop dat de parkeeroverlast waarover eiser rept ook een kwestie van handhaving van de verkeersvoorschriften betreft. Hierover kan eiser zich tot bijvoorbeeld de politie wenden. Dit staat echter los van (de rechtmatigheid van) het onderhavige bestreden besluit.
11. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de door verweerder gemaakte belangenafweging niet onevenwichtig is, zodat verweerder in redelijkheid tot het besluit tot intrekking van het parkeerverbod heeft kunnen komen.
12. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van
M.B.G. Cox-Vorage, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2016.
w.g. M.B.G. Cox-Vorage,
griffier
w.g. E.J. Govaers,
rechter
Voor eensluidend afschrift:
de griffier,
Afschrift verzonden aan partijen op: 12 januari 2016
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.