Rechtspraak
Rechtbank Haarlem
2012-11-27
ECLI:NL:RBHAA:2012:BY4229
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
2,735 tokens
Inleiding
RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
zaaknummers: AWB 12 - 4691 (voorlopige voorziening) en 12 - 4943 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 november 2012
in de zaken van:
Dreef Beheer B.V. en Deka Supermarkten B.V.,
gevestigd te Heemstede,
verzoekers/eisers (hierna: eisers),
gemachtigde: mr. O.H. Minjon, advocaat te Opmeer,
tegen:
het college van burgemeester en wethouders van Heemstede,
verweerder,
derde partijen,
Albert Heijn B.V.,
Ahold Europe Real Estate & Construction B.V.,
gemachtigde: mr. J.C. van Oosten, advocaat te Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 19 juli 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan De Jong Heemstede B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het project “het wijzigen van de functie winkel kantooropslag naar afhaalstation voor goederen, het plaatsen van een erfafscheiding, luifel en 3 vlaggenmasten”.
Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 26 september 2012 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 30 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 30 oktober 2012 beroep ingesteld. Als gevolg van het instellen van dit beroep wordt het reeds op 15 oktober 2012 gedane verzoek om een voorlopige voorziening gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep (artikel 8:81, vijfde lid, Algemene wet bestuursrecht).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 19 november 2012, alwaar eiseres Deka Supermarkten B.V. is vertegenwoordigd door A. Breed, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. drs. M.R. Staller en L. Wijker, beiden werkzaam bij de gemeente Heemstede. De derde partijen zijn vertegenwoordigd door F.T.A. Hendriks en J. Jansen, bijgestaan door de gemachtigde.
Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.
2.2 In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijk gestelde termijn van zes weken na bekendmaking van het primaire besluit is ingediend. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is volgens verweerder geen sprake, nu de publicatie volgens verweerder juist is. Zoals gebruikelijk is de omschrijving die de aanvrager in de aanvraag om een omgevingsvergunning heeft gegeven overgenomen, waarmee een omschrijving van de activiteiten is gegeven en is de locatie vermeld. De naam van de aanvrager wordt niet in een publicatie vermeld, aldus verweerder. Daarnaast heeft verweerder er ter zitting nog op gewezen dat eisers op de hoogte konden zijn van ontwikkelingen op het bedrijventerrein met betrekking tot zogenaamde pick up points in zijn algemeenheid. Ter onderbouwing heeft verweerder gewezen op het rapport van Ecorys dat van 9 juni 2012 tot en met 19 juli 2012 ter inzage heeft gelegen.
2.3 Eisers hebben aangevoerd dat zij weliswaar te laat bezwaar hebben gemaakt, maar dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. De publicatie van de verleende omgevingsvergunning maakt uitsluitend melding van een afhaalstation voor goederen, aldus eisers. Eerst naar aanleiding van een krantenartikel in het Haarlems Dagblad werd volgens eisers duidelijk dat het daadwerkelijk ging om de vestiging van een nieuwe supermarkt van Albert Heijn. Dit kon uit de publicatie van de omgevingsvergunning niet worden afgeleid volgens eisers. Na verschijning van het krantenartikel op 14 september 2012 hebben eisers naar eigen zeggen zo snel mogelijk – in ieder geval binnen twee weken – bezwaar gemaakt.
2.4 Artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) luidt, voor zover hier van belang:
Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking:
a. doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.
2.5 Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2.6 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder met de publicatie van de verleende omgevingsvergunning voldaan aan het vereiste in artikel 3.9 van de Wabo. Aan een publicatie als bedoeld in dit artikel worden geen specifieke eisen gesteld. Met de vermelding “Cruquiusweg 31 het wijzigen van de functie winkel kantooropslag naar afhaalstation voor goederen, het plaatsen van een erfafscheiding, luifel en 3 vlaggenmasten” in ‘de Heemsteder’ is mededeling gedaan van de verleende vergunning.
De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat in dit geval redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eisers in verzuim zijn geweest. De in artikel 3.9 van de Wabo vervatte publicatieverplichting geldt als waarborg voor (derde)belanghebbenden. Gelet op de inhoud van de publicatie valt in dit geval niet uit te sluiten dat eisers hebben afgezien van het indienen van een bezwaarschrift, waartoe zij wel zouden hebben besloten indien de publicatie een vermelding bevatte van de aard van de af te halen goederen of de naam van Albert Heijn. Eisers hebben voorts, nadat zij kennis hebben genomen van het krantenartikel van 14 september 2012 in het Haarlems Dagblad en zodoende ermee bekend raakten dat het afhaalstation een zogenoemd ‘pick up point’ van Albert Heijn betrof, alsnog binnen twee weken bezwaar aangetekend. De voorzieningenrechter acht de termijnoverschrijding in dit geval dan ook verschoonbaar. Verweerder heeft het bezwaar van eisers derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
2.7 Gelet op het vorenstaande zal de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen. Hiermee valt de bezwaarfase weer open.
2.8 In het bezwaarschrift, het verzoek om voorlopige voorziening en ter zitting hebben eisers aangevoerd dat het project in strijd is met artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan ‘Haven’ (hierna: het bestemmingsplan). Het afhaalstation moet worden aangemerkt als een vorm van detailhandel, zoals gedefinieerd in artikel 1.14 van het bestemmingsplan. Uit artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften volgt volgens eisers dat ter plaatse slechts detailhandel in volumineuze goederen is toegestaan. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, aldus eisers. Nu feitelijk een detailhandelsvestiging is vergund, is de verleende omgevingsvergunning volgens eisers ontoereikend. Het gebruik is in strijd met het vigerende bestemmingsplan nu voor gebruik in strijd met artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften geen afwijkingsprocedure is gevolgd.
2.9 Artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften luidt:
Op de in lid 1 bedoelde gronden zijn toelaatbaar:
a. niet voor bewoning bestemde gebouwen ten dienste van bedrijven die zijn genoemd in de categorieën 1, 2, en 3 van de bij deze voorschriften behorende Staat van Inrichtingen;
b. gebouwen ten dienste van kantoren;
c. niet voor bewoning bestemde gebouwen ten dienste van opslag van materialen en goederen;
d. gebouwen ten dienste van detailhandels in volumineuze goederen en een dierenspeciaalzaak;
e. bouwwerken, geen gebouw zijnde;
f. bedrijfsterreinen en tuinen bij de gebouwen.
Artikel 6, zesde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften luidt:
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 2, onder a, voor:
b. de vestiging van bedrijven welke naar aard en omvang van de te verrichten bedrijfsactiviteiten en naar invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijven genoemd in de categorieën 1, 2, 3 en 4 van de bij deze voorschriften behorende Staat van Inrichtingen, met dien verstande dat geen vrijstelling mag worden verleend, dan nadat de Inspecteur van de Volksgezondheid voor de Hygiëne van het Milieu omtrent het verzoek om vrijstelling om advies is gevraagd; indien dit advies strekt to weigering, wordt gevraagde vrijstelling slechts verleend, nadat van gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar is ontvangen.
2.10 Verweerder heeft het project in strijd geacht met artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften en heeft met gebruikmaking van zijn bevoegdheid uit artikel 6, zesde lid, onder b, van de planvoorschriften vrijstelling verleend van het bepaalde in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a van de planvoorschriften, omdat de bedrijfsactiviteit ‘afhaalstation voor goederen’ naar aard, omvang en invloed op de omgeving niet meer belastend is dan bijvoorbeeld een autoshowroom met werkplaats uit categorie 2 van de Staat van Inrichtingen. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften in dit geval niet relevant is.
Dictum
De voorzieningenrechter:
3.1 verklaart het beroep gegrond;
3.2 vernietigt het bestreden besluit van 30 oktober 2012;
3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
3.4 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 620,- (2 x € 310,- voor indiening van zowel het beroepschrift als het verzoekschrift) aan eisers te vergoeden;
3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1311,-, te betalen aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2012.
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.