Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-08-19
ECLI:NL:RBGEL:2026:6466
Het UWV heeft een loonsanctie opgelegd aan eiseres. De arbeidsdeskundigen hebben op inhoudelijk overtuigende wijze gemotiveerd dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest, omdat het tweede spoor te laat is opgestart en niet voldoende adequaat is geweest. Geen deugdelijke grond waarom onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Beroep ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/4630 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. J. Welles), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: mr. O. Kaya-Yazici). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een loonsanctie die door het UWV aan eiseres is opgelegd. Volgens het UWV heeft eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de loonsanctie terecht heeft opgelegd. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV een juiste beslissing heeft genomen en terecht een loonsanctie heeft opgelegd. De re-integratie-inspanningen van eiseres zijn onvoldoende geweest, omdat het tweede spoortraject te laat is ingezet en daarnaast niet adequaat is vormgegeven. Voor dit verzuim bestaat geen deugdelijke grond. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 11 december 2023 heeft het UWV besloten dat eiseres het loon van werknemer moet doorbetalen (loonsanctie) tot 13 januari 2025. Met het bestreden besluit van 5 juni 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres haar gemachtigde en de heer [persoon 1] en de gemachtigde van het UWV. Beoordeling door de rechtbank Medische gegevens 3. De rechtbank stelt bij de beoordeling van het beroep voorop dat zij de medische omstandigheden van de zaak niet expliciet kan bespreken, nu werknemer geen toestemming heeft gegeven om medische gegevens te delen met eiseres. Totstandkoming van het bestreden besluit 4. Werknemer was werkzaam als productiemedewerker bij eiseres. Hij heeft zich op 17 januari 2022 ziekgemeld. 4.1. Op 28 september 2023 heeft werknemer een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) bij het UWV ingediend. Naar aanleiding van die aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 22 november 2023 gesteld dat de bedrijfsarts ten onrechte is uitgegaan van een situatie van geen benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. De werknemer is wel belastbaar voor re-integratie. De verzekeringsarts heeft een zogeheten functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld die geldt vanaf 22 november 2023. Een arbeidsdeskundige heeft op 6 december 2023 een rapport uitgebracht. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat, omdat de werknemer niet structureel werkt in passend werk dat aansluit bij zijn resterende functionele mogelijkheden. De re-integratie-inspanningen van eiseres zijn onvoldoende geweest, omdat het tweede spoor te laat is opgestart en niet adequaat is vormgegeven. Eiseres had daarvoor geen deugdelijke grond. Met het besluit van 11 december 2023 heeft het UWV vervolgens een loonsanctie opgelegd aan eiseres. 4.2. Met het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het loonsanctiebesluit ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 8 mei 2024 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (b&b) van 4 juni 2024 ten grondslag. De verzekeringsarts b&b heeft in de FML van 8 mei 2024 nog enkele beperkingen aangenomen in de rubriek persoonlijk functioneren. De arbeidsdeskundige b&b heeft geconcludeerd dat de verzekeringsarts b&b wat aanvullende beperkingen heeft aangenomen, maar dat dat alsnog minder verdergaande beperkingen zijn dan de bedrijfsarts heeft aangenomen. De arbeidsdeskundige b&b kan de conclusies van de arbeidsdeskundige volgen. Spoor twee is te laat opgestart, waardoor er re-integratie kansen gemist. Daarnaast is niet gezocht naar passende en geschikte functies voor werknemer. Toetsingskader 5. In artikel 25, negende lid, van de Wet WIA is, kort samengevat, bepaald dat het UWV het tijdvak waarover de werkgever het loon van de werknemer moet doorbetalen gedurende ten hoogste 52 weken verlengt, indien de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. 5.1. Artikel 65 van de Wet WIA bepaalt dat het UWV beoordeelt of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. 5.2. In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Beleidsregels) heeft het UWV een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Volgens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is, maar het UWV de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. In de uitspraken van 28 oktober 2009 en 18 november 2009 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dit beleid niet onredelijk geoordeeld. 5.3. Daarnaast is de Werkwijzer Poortwachter, versie 1 augustus 2022 (Werkwijzer) van belang, waarmee het UWV aan werkgevers duidelijkheid probeert te bieden over wat van hen bij de re-integratie van een werknemer wordt verwacht. 5.4. De Werkwijzer bepaalt dat zodra er geen zicht (meer) bestaat op een structurele hervatting binnen de eigen organisatie, er een adequaat tweede spoortraject moet worden gestart om de hervattingskansen van de arbeidsongeschikte werknemer zo veel mogelijk te vergroten. Een tweede spoortraject moet uiterlijk binnen zes weken na de Eerstejaarsevaluatie (in de 52e verzuimweek) worden gestart. 5.5. Om als adequaat te kunnen worden beschouwd, moet volgens de Werkwijzer het tweede spoortraject bestaan uit een logisch samenhangende reeks van elkaar opvolgende, flankerende en/of overlappende activiteiten die de afstand tussen de tevoren vastgestelde uitgangspositie van de arbeidsongeschikte werknemer (het persoonsprofiel) en het vooraf bepaalde einddoel (het zoekprofiel), gericht op een structurele verwerving van een geschikte functie buiten de eigen onderneming, via de kortst mogelijke route, zo snel en zo veel mogelijk opheft of verkleint en die, om adequaat te blijven, direct wordt gewijzigd als de situatie daartoe aanleiding geeft. Tweede spoor 6. In geschil is of het UWV terecht heeft bepaald dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, omdat het tweede spoortraject te laat is ingezet en daarnaast niet adequaat is vormgegeven en of eiseres als dat het geval is, daarvoor een deugdelijke grond had. 6.1. Eiseres heeft aangevoerd dat het UWV ten onrechte heeft aangenomen dat er verwijtbaar te laat een tweede spoortraject is opgestart en dat het tweede spoortraject niet adequaat is vormgegeven. Eiseres is van mening dat voldoende re-integratie inspanningen zijn verricht. Eiseres heeft een bedrijfsarts ingeschakeld die de werknemer heeft begeleid. Deze heeft de beperkingen van werknemer zwaarder ingeschat dan de verzekeringsarts. Eiseres mocht van de bedrijfsarts uitgaan, want hij was deskundig. Eiseres had ook geen toegang tot de medische stukken en kon niet anders dan de adviezen volgen. Daarnaast heeft eiseres een professionele partij ingeschakeld voor de begeleiding in het tweede spoortraject. Eiseres mocht op deze adviezen vertrouwen. Het duurt enige tijd voordat een tweede spoortraject kan worden opgestart. Dat staat niet in verhouding tot een loonsanctie van één jaar. Eiseres heeft ook nog aangevoerd dat de arbeidsdeskundige b&b zijn advies onvoldoende heeft onderbouwd. 6.2. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de arbeidsdeskundigen op inhoudelijk overtuigende wijze gemotiveerd dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest, omdat het tweede spoor te laat is opgestart en niet voldoende adequaat is geweest. Op 31 maart 2023 heeft de door eiseres ingeschakelde arbeidsdeskundige geadviseerd om spoor twee op te starten. Werknemer is vervolgens op 16 mei 2023 aangemeld en pas op 20 juni 2023 heeft een intakegesprek plaatsgevonden met werknemer en is het traject gestart. Dat is ruim elf weken na het advies van de arbeidsdeskundige om het tweede spoortraject op te starten. Dat de arbeidsdeskundige heeft opgemerkt dat het tweede spoor in eerste instantie een procesmatig karakter zal hebben maakt dat niet anders. 6.3. Naar het oordeel van de rechtbank kan de conclusie dat geen sprake was van een adequaat tweede spoor traject ook worden gevolgd. Er is een zoekprofiel opgesteld zonder daarbij een afweging te maken of die functies wel aansloten bij de belastbaarheid van de werknemer op dat moment. Er is alleen benoemd dat binnenkort nog een ingreep plaats zal gaan vinden die de belastbaarheid van werknemer enorm zal verbeteren. Daarnaast blijkt uit het telefoongesprek dat de verzekeringsarts op 4 december 2023 met de bedrijfsarts had, dat er tot op dat moment ten onrechte van was uitgegaan dat sprake was van geen duurzame mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. In juli 2023 had namelijk herstel plaatsgevonden na intensieve behandelingen. De belastbaarheid van werknemer had volgens de verzekeringsarts daarom per juli 2023 moeten worden bijgesteld door de bedrijfsarts. Dat had ook een verschil kunnen maken voor de arbeidsmogelijkheden van werknemer in het tweede spoor. 6.4. Er is geen sprake van een deugdelijke grond waarom onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Het volgen van onjuiste adviezen van de bedrijfsarts en de door eiseres ingeschakelde re-integratiebegeleiders komt voor het risico van eiseres. Hoewel de rechtbank bekend is dat de ministerraad ermee heeft ingestemd om een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer te sturen, waarin het advies van de bedrijfsarts een andere waarde heeft, kan de rechtbank hier niet op vooruitlopen, omdat niet zeker is of de wet er zal komen en wat er in zal staan. 6.5. De stelling van eiseres dat de opgelegde loonsanctie van 52 weken niet proportioneel is, slaagt ook niet. Zoals de CRvB eerder heeft overwogen heeft de wetgever gekozen voor een systeem waarin de duur van de sanctie wordt afgestemd op de tijd die nodig is om bepaalde, achterwege gebleven activiteiten alsnog te verrichten of bepaalde omissies te herstellen. Hierbij heeft hem voor ogen gestaan dat een opgelegde loonsanctie doorloopt totdat de werkgever alsnog de benodigde inspanningen heeft verricht of alsnog de benodigde ontbrekende stukken heeft ingediend, met dien verstande dat de loonsanctie maximaal 52 weken bedraagt. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G. Cornelisse, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 28 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1570 en 18 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3717. Paragraaf 4.3.1 van de Werkwijzer. Pagina 39 van de Werkwijzer. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1583.