Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-08-11
ECLI:NL:RBGEL:2026:6420
De rechtbank veroordeelt een 32-jarige man voor Opiumwetfeiten. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 77 dagen voorwaardelijk, met aftrek, en een taakstraf van 80 uren. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05.114389.26 Datum uitspraak : 11 augustus 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] in [woonplaats] Raadsvrouw: mr. E.H. Houwaard, advocaat in Amsterdam (waarnemend voor kantoorgenoot mr. A. Kilinç. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 februari 2026 tot en met 15 april 2026 te Aalten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 34,17 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 15,53 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-CMC en/of ongeveer 15,20 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne, 4-CMC en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 februari 2026 tot en met 15 april 2026 te Aalten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten ongeveer 992,73 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende N-ethylpentedron aanwezig heeft gehad; 3. hij op of omstreeks 15 april 2026 te Aalten, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen van cocaïne, 4-CMC en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door het voorhanden hebben van een hoeveelheid (vloei)stoffen en/of materialen onder meer - ongeveer 34,17 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, - ongeveer 15,53 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-CMC, - ongeveer 15,20 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, - enige hoeveelheid mannitol (versnijdingsmiddel), - een of meerdere weegscha(a)l(en) en/of - een of meerdere (lege) gripzakje(s), (in elk geval) een of meerdere goederen en/of stoffen ten behoeve van de handel van die cocaïne, 4-CMC en/of MDMA en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I; 4. hij op of omstreeks 15 april 2026 te Aalten, althans in Nederland, om het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten materiaal bevattende N-ethylpentedron voor te bereiden of te bevorderen - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of - een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door/te weten het voorhanden hebben van een (grote) hoeveelheid (vloei)stoffen en/of materialen onder meer - ongeveer 992,73 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende N-ethylpentedron, - enige hoeveelheid mannitol (versnijdingsmiddel), - een of meerdere weegscha(a)l(en) en/of - een of meerdere (lege) gripzakje(s) (in elk geval) een of meerdere goederen en/of stoffen ten behoeve van het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van die N-ethylpentedron en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst Ia. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle vier de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van alle vier de ten laste gelegde feiten. Beoordeling door de rechtbank Doorzoeking in de woning van verdachte Op 15 april 2026 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte aan [adres] te Aalten. De aanleiding voor de doorzoeking was het vermoeden van de politie dat de woning gebruikt werd door medeverdachte [medeverdachte] als stashlocatie voor drugs. Tijdens de doorzoeking is het volgende aangetroffen: - In het tv-meubel werden verschillende drugs gerelateerde goederen aangetroffen, onder andere weegschaaltjes en lege gripzakjes. - In een kastje in de keuken werd een Albert Heijn tas aangetroffen. Deze tas bevatte een plastic zak met daarin grote kristalvormige brokken (goednummer PL0600-2025209385-3680139). Het gewicht van deze brokken was 992,73 gram. Een monster van deze brokken is getest door het NFI. Het resultaat van dit onderzoek was dat de brokken N-ethylpentedron bevatten. - In het keukenkastje bevond zich tevens een plastic zak met daarin mannitol. De politie merkt op dat mannitol gebruikt wordt om harddrugs te versnijden. - In hetzelfde keukenkastje stond een kartonnen doos. Hierin lag een zakje met 35 roze pillen (goednummer PL0600-2025209385-3680149). Het gezamenlijke gewicht van de pillen was 15,20 gram. Deze pillen zijn getest door het NFI. Het resultaat van het onderzoek was dat de pillen MDMA bevatten. - Daarnaast bevond zich in genoemde kartonnen doos een grotere doorzichtige plastic zak met een zip-sluiting, met daarin wit poeder (goednummer PL0600-2025209385-3680147). Het gewicht van het poeder was 28,87 gram. Een monster van het witte moeder is onderzocht door het NFI. Het resultaat van het onderzoek was dat het poeder cocaïne bevatte. - Tevens bevonden zich 6 kleine gripzakjes met daarin wit poeder in de kartonnen doos (goednummer PL0600-2025209385-3682674). Het gezamenlijke gewicht van het poeder was 15,53 gram. Monsters van het poeder zijn onderzocht door het NFI. Het resultaat van het onderzoek was dat het poeder 4-CMC bevatte. - In het keukenkastje werden ook 7 gripzakjes aangetroffen met daarin wit poeder (goednummer PL0600-2025209385-3680155). Het gezamenlijke gewicht van het poeder was 5,30 gram. Monsters van het poeder zijn onderzocht door het NFI. Het resultaat van het onderzoek was dat het poeder cocaïne bevatte. Feiten 1 en 2 Onder de feiten 1 en 2 is het aanwezig hebben van drugs ten laste gelegd. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de aangetroffen drugs. De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat beide ontbraken. De rechtbank overweegt dat degene die de beschikkingsmacht heeft over een woning, in beginsel verantwoordelijk kan worden gehouden voor wat zich in die woning bevindt. Ook kan die persoon in beginsel geacht worden wetenschap te hebben van hetgeen in die woning aanwezig is. Dat kan anders zijn onder bijzondere omstandigheden. De rechtbank overweegt dat verdachte de hoofdbewoner van de woning was, en in feite ook de enige bewoner. Enkel zijn minderjarige dochter woonde (deels) bij hem. De keuken, waar de verdovende middelen zijn aangetroffen, was geen aparte, afgesloten ruimte in de woning, maar bevond zich in dezelfde ruimte als de woonkamer en daarmee dus in het centrale punt van de woning. Verdachte had vrij toegang tot deze woonruimte/keuken. Ook het keukenkastje waarin de drugs zijn aangetroffen was vrij toegankelijk. Omdat de woning aan verdachte toebehoorde en hij de hoofdbewoner was, heeft hij beschikkingsmacht gehad over de aanwezige drugs. Verdachte ontkent dat de aangetroffen drugs van hem zijn en ook dat hij van de aanwezigheid van de drugs af wist. De vraag is van wie de drugs dan wel zouden zijn. De politie vermoedt, en de raadsvrouw betoogt, dat de drugs van medeverdachte [medeverdachte] zouden kunnen zijn. Dit staat echter niet vast. Echter zelfs als de drugs aan een ander zouden hebben toebehoord, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van de aanwezigheid van de drugs moet hebben geweten. De rechtbank wijst daarvoor allereerst op de locatie waar de drugs zijn aangetroffen, zoals hiervoor al is besproken. De drugs die in het keukenkastje werden aangetroffen, betroffen geen geringe hoeveelheid en waren verspreid over een tas, een doos, en kleine en grote gripzakjes. Verdachte heeft bovendien verklaard dat hij vrijwel altijd thuis was. Hij verklaarde dat er meerdere personen beschikken over zijn huissleutel, maar hij verklaarde ook dat er voor zover hij weet mensen niet van zijn woning gebruik maakten wanneer hij er zelf niet was. De kans dat iemand de drugs in zijn woning zou kunnen hebben verstopt zonder medeweten van verdachte, is daarmee uiterst gering. Dit zeker gelet op de plaats, te weten in een keukenkastje, waar ze zijn aangetroffen. Dat er meer mensen over een sleutel van de woning beschikten is niet ongewoon en zelfs vrij gebruikelijk, en dat is dus geen bijzondere omstandigheid te noemen. Uit bovenstaande leidt de rechtbank af dat verdachte zich bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de verdovende middelen. De rechtbank ziet daarom voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de feiten 1 en 2. Feiten 3 en 4 Onder de feiten 3 en 4 zijn voorbereidingshandelingen ten laste gelegd. De rechtbank heeft hierboven al bewezen verklaard dat verdachte cocaïne, 4-CMC, MDMA en N-ethylpentedron aanwezig heeft gehad in zijn woning. Verdachte had wetenschap van en beschikkingsmacht over deze drugs. Daarnaast zijn in de woning producten aangetroffen die te maken hebben met het verwerken van drugs, zoals weegschalen en gripzakjes. Verdachte heeft verklaard dat deze producten van hem waren en dat hij deze gebruikte voor zijn eigen hasj. Op de plek waar de weegschalen en gripzakjes werden aangetroffen (in de televisiekast), werd geen hasj aangetroffen. In de rest van de woning werd overigens ook geen hasj aangetroffen. Het is daarom onwaarschijnlijk dat deze producten voor hasj werden gebruikt. De rechtbank koppelt deze voorwerpen daarom aan de aangetroffen drugs en is van oordeel dat deze gebruikt werden om de drugs klaar te maken voor de verkoop/verstrekking. In het keukenkastje waar de drugs zijn aangetroffen werd tevens een zak mannitol gevonden. De politie verbaliseert dat mannitol wordt gebruikt om harddrugs te versnijden. Verdachte heeft geen alternatieve verklaring gegeven voor het feit dat hij een zak mannitol in zijn huis had. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de mannitol inderdaad gebruikt werd om hardddrugs te versnijden, en dus om de harddrugs te bewerken. Aan deze conclusie draagt bij dat de mannitol in hetzelfde keukenkastje is aangetroffen als waar de drugs lagen. De hoeveelheden waarin de drugs zijn aangetroffen, in het bijzonder de kilo N-ethylpentedron, duiden naar uiterlijke verschijningsvorm en gelet op de context waarin ze werden aangetroffen (met weegschalen, gripzakjes en versnijdingsmiddel) op dealen. De rechtbank laat in het midden wie de drugs dealde. Gelet op het voorgaande had verdachte op zijn minst reden had om te vermoeden dat deze stoffen en producten bestemd waren voor de bewerking, verwerking, verkoop en verstrekking van drugs. De rechtbank is op basis van het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor het verwerken, bewerken, verkopen en verstrekken van drugs die vallen onder de lijst I en Ia van de Opiumwet. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 februari 2026 tot en met 15 april 2026 te Aalten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 34,17 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en /of ongeveer 15,53 gram , in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-CMC en /of ongeveer 15,20 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne, 4-CMC en /of MDMA, ( telkens ) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I , dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 februari 2026 tot en met 15 april 2026 te Aalten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan , te weten ongeveer 992,73 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende N-ethylpentedron aanwezig heeft gehad; 3. hij op of omstreeks 15 april 2026 te Aalten, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, en verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen van cocaïne, 4-CMC en /of MDMA , in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I , dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, en stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door het voorhanden hebben van een hoeveelheid (vloei) stoffen en/of materialen onder meer - ongeveer 34,17 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, - ongeveer 15,53 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-CMC, - ongeveer 15,20 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, - enige hoeveelheid mannitol (versnijdingsmiddel), - een of meerdere weegscha (a) l ( en ) en /of - een of meerdere (lege) gripzakje ( s ) , (in elk geval) een of meerdere goederen en /of stoffen ten behoeve van de handel van die cocaïne, 4-CMC en /of MDMA en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I; 4. hij op of omstreeks 15 april 2026 te Aalten, althans in Nederland, om het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, en verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan , te weten materiaal bevattende N-ethylpentedron voor te bereiden of te bevorderen - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of - een of meer voorwerpen, vervoermiddelen , stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door /te weten het voorhanden hebben van een (grote) hoeveelheid (vloei) stoffen en /of materialen onder meer - ongeveer 992,73 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende N-ethylpentedron, - enige hoeveelheid mannitol (versnijdingsmiddel), - een of meerdere weegscha (a) l ( en ) en /of - een of meerdere (lege) gripzakje ( s ) (in elk geval) een of meerdere goederen en /of stoffen ten behoeve van het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, en verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van die N-ethylpentedron en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst Ia. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: De eendaadse samenloop van: feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en feit 3: Om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen/stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit En de eendaadse samenloop van: feit 2: Opzettelijk handelen in strijd met het onder artikel 2a, eerste lid, onder C/D van de Opiumwet gegeven verbod En feit 4: Om het opzettelijk bewerken/verwerken/verkopen/verstrekken van een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen/stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit 5 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw verzoekt om bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die blijken uit het reclasseringsrapport. Zij verzoekt om een aangepaste taakstraf op te leggen zonder gevangenisstraf, zonder financiële sanctie en zonder bijzondere voorwaarden. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. De verdachte is door zijn handelen medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van harddrugs op gebruikers veroorzaakt. Het is algemeen bekend dat het gebruik van deze drugs een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid vormt en kan leiden tot een verslaving aan het gebruik daarvan. Bovendien leidt de handel in en het gebruik van deze verdovende middelen tot vele vormen van criminaliteit, waaronder delicten die harddrugsgebruikers plegen om aan hun drugs te kunnen komen, maar ook delicten tussen handelaren en producenten onderling. De verdachte heeft hier door zijn handelen aan bijgedragen. De rechtbank heeft bij het bepalen van wat een passende straf is acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het aanwezig hebben van harddrugs van rond de 1 kilo geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van 3 - 5 maanden onvoorwaardelijk. Voor de rest van de bewezenverklaarde feiten bestaan geen oriëntatiepunten. Er is sprake van eendaadse samenloop bij de feiten 1 en 3, en de feiten 2 en 4. Hiermee zal de rechtbank ook rekening houden. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het strafblad van de verdachte, gedateerd 1 juli 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder in aanraking is gekomen met justitie wegens vergelijkbare feiten. Nu recente veroordelingen voor vergelijkbare feiten ontbreken, heeft het strafblad geen invloed op het oordeel welke strafmaat passend is. De reclassering heeft een advies opgesteld over verdachte, gedateerd 9 juli 2026. De reclassering schrijft dat er vrijwel geen problemen op de leefgebieden te noemen zijn. verdachte heeft huisvesting en ontvangt al jaren hulp vanuit een WMO-consulent en ambulante begeleiding. Dit heeft hij op vrijwillige basis aangevraagd en laat zien dat hij gemotiveerd is tot gedragsverandering. Dit wordt gezien als beschermende factor. Aan de andere kant zijn het sociale netwerk van verdachte en zijn (ontkennende) houding wel zorgelijk. De reclassering adviseert om geen gevangenisstraf op te leggen omdat verdachte hierdoor zijn woning kan verliezen en een gevangenisstraf een negatieve invloed kan hebben op het contact met zijn dochter. Ze adviseren positief ten aanzien van een taakstraf. Hierbij dient dan wel rekening gehouden te worden met de fysieke beperkingen van verdachte. De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan de straf die door de officier van justitie is geëist. De rechtbank hecht waarde aan het advies van de reclassering, waarin zij een gevangenisstraf afraden. De rechtbank zal daarom een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, met een lange proeftijd van 3 jaar, en daarnaast een taakstraf. De inhoud van een taakstraf wordt altijd afgestemd op de verdachte, en met de fysieke beperkingen van verdachte zal dan ook rekening gehouden worden. Concluderend legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 77 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 80 uren op. 8 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht; - 2, 2 a, 10, 10a, 10b en 10c van de Opiumwet. 9 De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen; bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 77 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; legt op een taakstraf van 80 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.T. Rademaker, (voorzitter), mr. J.S.W. Lucassen en mr. Y.M.J.I. Baauw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 augustus 2026. Mr. J.S.W. Lucassen en mr. Y.M.J.I. Baauw zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025209385, gesloten op 26 mei 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van bevindingen, p. 210. Proces-verbaal van bevindingen, p. 25-27. Proces-verbaal van bevindingen, p. 211. Proces-verbaal van bevindingen, p. 211. Aanvullend proces-verbaal nr. 134. Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 294. Aanvullend proces-verbaal, rapport NFI, kenmerk AATU7078NL. Proces-verbaal van bevindingen, p. 211. Aanvullend proces-verbaal nr. 134. Rapport NFI, kenmerk AATP0921NL, p. 301. Aanvullend proces-verbaal nr. 134. Rapport NFI, kenmerk AATP0924NL, p. 300. Aanvullend proces-verbaal nr. 134. Rapport NFI, kenmerk AATP0922NL, p. 302. Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 296; Kennisgeving van inbeslagneming nr. 84 (aanvullend). Rapport NFI, kenmerk AATP0923NL, p. 299. Proces-verbaal van bevindingen, p. 195. Verklaring van verdachte ter terechtzitting. Proces-verbaal van bevindingen, p. 211.