Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-08-03
ECLI:NL:RBGEL:2026:6213
omgevingsvergunning voor het realiseren en het gebruiken van een radartoren in Herwijnen; verzoek om een voorlopige voorziening; uitspraak op beroep wordt op korte termijn verwacht; geen spoedeisend belang. RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 26/3710 uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [woonplaats] , verzoekers en De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: de minister van Defensie (minister van Defensie) namens de Staat der Nederlanden. Als gemachtigde van de minister en defensie treedt op: mr. D.S.P. Roelands-Fransen. Samenvatting 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de aan defensie verleende omgevingsvergunning voor het realiseren en het gebruiken van een radartoren aan [adres] in [woonplaats] . Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en hebben beroep ingesteld. Dat beroep is op 18 juni 2026 door de rechtbank op zitting behandeld. Op 24 juli 2026 hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen en de omgevingsvergunning in afwachting van de uitspraak op het beroep te schorsen. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. 1.2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De minister heeft met het besluit van 24 februari 2025 aan defensie een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren (bouwen) en het gebruiken van een radartoren aan [adres] in [woonplaats] . 2.1. Tegen dit besluit hebben verzoekers beroep ingesteld. Ook Stichting Niet Nog een Radar in Herwijnen (Stichting) heeft beroep ingesteld. De Stichting heeft de voorzieningenrechter eerder gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft op 21 november 2025 uitspraak gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening en het verzoek van de Stichting afgewezen. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op een zitting behandeld. 2.3. Verzoekers wijzen erop dat de bouw van de toren inmiddels nagenoeg is afgerond. Zij stellen dat iedere verdere investering de feitelijke en maatschappelijke drempel verhoogt om een eventueel onrechtmatig gebleken project later nog daadwerkelijk terug te draaien. Daarnaast vrezen zij dat de radarinstallatie of het radarscherm op de toren worden geplaatst en in gebruik worden genomen voor er uitspraak is gedaan op de beroepen. Zij vrezen dat daardoor gezondheidseffecten zullen intreden. 2.4. Op grond van artikel 8:81, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed dat vereist. Dat is het geval als de uitspraak van de bestuursrechter in de beroepszaak niet kan worden afgewacht. Een uitspraak in de beroepszaak kan niet worden afgewacht als er vóórdat die uitspraak is gedaan onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan. 2.5. Omdat de beroepen op 18 juni 2026 al op zitting inhoudelijk zijn behandeld is de verwachting dat binnen afzienbare termijn uitspraak zal worden gedaan op de beroepen. Het spoedeisend belang is al om die reden beperkt. 2.6. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 21 november 2025 aangenomen dat er spoedeisend belang bestaat ten aanzien van de bouw van de toren. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 21 november 2025 echter ook al een voorlopig rechtmatigheidsoordeel gegeven en geoordeeld dat de omgevingsvergunning, voor zover die betrekking heeft op het feitelijk bouwen, rechtmatig is verleend. Verzoekers hebben - voor zover het de bouw betreft - geen nieuwe argumenten tegen dit voorlopige rechtmatigheidsoordeel aangevoerd. Zij hebben alleen hun belang bij het tussentijds stilleggen van de werkzaamheden toegelicht. Dat is volgens verzoekers gelegen in het feit dat er wordt gewerkt met gemeenschapsgeld waar zij als inwoners van Nederland aan meebetalen. 2.6.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter levert dit indirecte financiële belang voor verzoekers geen spoedeisend belang op. Voor zover de bouwactiviteiten tegen hoge kosten zouden moeten worden teruggedraaid, is niet aannemelijk dat zij daar persoonlijk merkbare gevolgen van zullen ondervinden. Een ander oordeel zou ertoe leiden dat er altijd een spoedeisend belang is als het gaat om bouwactiviteiten die door of namens de overheid worden uitgevoerd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvoor meer nodig is en dat verzoekers een individueel spoedeisend belang moeten hebben bij een ordemaatregel. 2.7. Voor wat betreft de ingebruikname van de radartoren heeft de voorzieningenrechter eerder overwogen dat ingebruikname in Q3 van 2026 is voorzien en dat geen onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan vóórdat de rechtbank een einduitspraak heeft gedaan. De voorzieningenrechter was onder die omstandigheid van oordeel dat er geen sprake was van een spoedeisend belang bij het besluitonderdeel van de omgevingsvergunning dat betrekking heeft op het in werking hebben van de radarinstallatie. Partijen hebben afgesproken dat de minister een week voor de start van de ingebruikname van de radar daarvan melding doet aan de gemachtigde van de stichting, zo overwoog de voorzieningenrechter in de uitspraak van 21 november 2025. 2.7.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de reactie van de minister en de minister van Defensie van 27 juli 2026 blijkt dat ingebruikname niet langer is voorzien in Q3, maar in Q4 van dit jaar. Hoewel op dit moment nog geen uitspraak is gedaan op de beroepen is het wel de verwachting dat voor de start van Q4 uitspraak zal zijn gedaan. Op dit moment is er daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook geen spoedeisend belang bij het besluitonderdeel dat betrekking heeft op het in gebruik nemen van de toren. Daar komt bij dat de minister en de minister van Defensie hebben bevestigd ook verzoekers ten minste een week voor de start van de ingebruikname te zullen informeren als ingebruikname aanstaande is. Dit biedt verzoekers gelegenheid om dan een verzoek om voorlopige voorziening in kunnen dienen. Nu hebben zij daarbij geen spoedeisend belang. Dat verzoekers menen dat de toezegging geen waarborgen biedt, maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding dat de ministers geen woord zullen houden. Ook is er, anders dan verzoekers, hebben gesteld, op voorhand geen aanleiding voor de vrees dat er in dat geval niet tijdig een beslissing zal kunnen worden genomen door de voorzieningenrechter. Ook in zoverre is er op dit moment geen spoedeisend belang. 2.8. Aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek komt de voorzieningenrechter dan ook niet toe. Conclusie 3. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen reden is om een voorlopige voorziening te treffen, omdat er geen spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af als kennelijk ongegrond. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zaaknummer ARN 25/5659. ECLI:NL:RBGEL:2025:10822