Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-03-02
ECLI:NL:RBGEL:2026:5771
RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/059699-25 Datum uitspraak : 2 maart 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige militaire kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] in [woonplaats] . Raadsvrouw: mr. B.G.T. Fromm, advocaat in Amsterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 23 augustus 2024 te Stavanger, althans in Noorwegen aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten één of meer snijwond(en) in het gezicht en/of de (rechter)hand, welke naar verwachting één of meer blijvend(e) ontsierend(e) litteken(s) zal/zullen opleveren en/of (blijvend) extensorletsel/peesletsel aan een vinger heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (vol) bierglas/bierpul (leeg ongeveer 647,7 gram) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of de hand te slaan en/of te stompen en/of te stoten; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 23 augustus 2024 te Stavanger, althans in Noorwegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal met een (vol) bierglas/bierpul (leeg ongeveer 647,7 gram) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd van die [slachtoffer] en/of de hand van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of gestoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 23 augustus 2024 te Stavanger, althans in Noorwegen, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (vol) bierglas/bierpul (leeg ongeveer 647,7 gram) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of de hand te slaan en/of te stompen en/of te stoten;, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (één of meer snijwond(en) in het gezicht en/of de (rechter)hand, welke naar verwachting één of meer blijvend(e) ontsierend(e) litteken(s) zal/zullen opleveren en/of (blijvend) extensorletsel/peesletsel aan een vinger) ten gevolge had; meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 23 augustus 2024 te Stavanger, althans Noorwegen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig meermalen, althans eenmaal met een (vol) bierglas/bierpul (leeg ongeveer 647,7 gram) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd van die [slachtoffer] en/of de hand van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of gestoten, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meer snijwond(en) in het gezicht en/of de (rechter)hand, welke naar verwachting één of meer blijvend(e) ontsierend(e) litteken(s) zal/zullen opleveren en/of (blijvend) extensorletsel/peesletsel aan een vinger, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair tenlastegelegde. Hoewel het slaan met een volle bierpul een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert, handelde verdachte in een reflex en heeft hij deze kans dus niet bewust aanvaard. Daarom moet verdachte worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Het letsel van [slachtoffer] kan worden gekwalificeerd als zwa Het gaat om meerdere zichtbare littekens met diepte in het gezicht en een lang en diep litteken op een zichtbaar deel van de hand, waardoor het lichaam ernstig wordt ontsierd. Verder heeft verdachte de extensor-pees van de rechtermiddelvinger van [slachtoffer] zodanig beschadigd dat deze is afgescheurd. Hoewel [slachtoffer] hiervoor een operatie heeft ondergaan, heeft zijn hand nog steeds niet dezelfde mobiliteit als vóór het incident. Ook na medisch ingrijpen en inmiddels anderhalf jaar verder is deze beperking nog steeds aanwezig, terwijl er nog geen uitzicht is op volledig herstel. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat de littekens en het letsel aan de extensorpees zwaar lichamelijk letsel zijn. Het opzet van verdachte Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hard in het gezicht slaan met een gevulde bierpul, die leeg al 647,7 gram weegt, met een inhoud van ongeveer een halve liter tot gevolg kan hebben dat het glas zal breken in het gezicht en dat dit zwaar lichamelijk letsel – bijvoorbeeld een ontsierend litteken – op kan leveren. De kans op zwaar lichamelijk letsel is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte voornoemde aanmerkelijke kans niet bewust heeft aanvaard, omdat hij zich, op het moment dat hij [slachtoffer] sloeg, niet bewust was van de bierpul in zijn hand. Verdachte heeft verklaard dat hij de bierpul inclusief inhoud kreeg toen hij de [bar] binnen kwam. Het betreft voorts een glas van 647,7 gram met een inhoud van een halve liter. Het gewicht van het glas en de inhoud daarvan moeten samen dus meer dan een kilo hebben bedragen. Het is dan ook slecht denkbaar dat iemand zich van de aanwezigheid van zo’n glas niet bewust is. Over de wijze waarop verdachte heeft geslagen, zegt een getuige dat het eruit zag alsof verdachte waterpolo/handbal speelde. De militaire kamer heeft op verzoek van de verdediging de camerabeelden in raadkamer bekeken en daarop gezien dat verdachte vol uithaalt met zijn gestrekte arm, terwijl hij de bierpul in zijn hand heeft. Onder de genoemde omstandigheden ziet de militaire kamer hier geen onbewuste reflex, zoals door de verdediging is bepleit. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat de gedragingen van verdachte, met een gevulde glazen bierpul in zijn hand vol uithalen richting het hoofd van [slachtoffer] , naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de militaire kamer niet gebleken. De militaire kamer is van oordeel dat verdachte opzet in voorwaardelijke zin had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . Conclusie De militaire kamer is van oordeel dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te wete Er kan geen geslaagd beroep op noodweerexces worden gedaan, omdat er geen sprake was van een noodweersituatie en verdachte ook niet heeft voldaan aan de subsidiariteitseis. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. Verdachte ervaarde pijn, gevolgd door een kopstoot en een klap. Dit veroorzaakte een onmiddellijke en hevige gemoedsbeweging. Verdachte handelde vanuit schrik, pijn en instinct, volledig ingegeven door de directe aanval en de noodzaak zichzelf te verdedigen. De beoordeling door de militaire kamer De militaire kamer heeft hiervoor geoordeeld dat geen sprake was van een noodweersituatie. Alleen al om die reden kan het beroep op noodweerexces niet slagen. Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld voor het meer subsidiaire feit tot een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft de militaire kamer verzocht om bij een eventuele strafoplegging de zogenoemde VGB-grens niet te overschrijden. De beoordeling door de militaire kamer De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. De ernst van het feit Verdachte heeft het slachtoffer, een collega, tijdens het uitgaan zwaar mishandeld door hem in de [bar] in Stavanger met een volle, zware bierpul in het gezicht te slaan, ‘alsof hij waterpolo/handbal speelde’, aldus een getuige. Hierdoor heeft het slachtoffer letsel opgelopen dat hij de rest van zijn leven met zich zal meedragen, bestaande uit zichtbare en ontsierende littekens in zijn gezicht en op zijn hand en een peesbeschadiging, waardoor hij minder mobiliteit heeft in zijn hand. Het slachtoffer wordt dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van het handelen van verdachte, bijvoorbeeld als hij in de spiegel kijkt of als mensen hem vragen hoe hij aan de littekens komt. Verder heeft het slachtoffer door het incident PTSS opgelopen, waarvoor hij EMDR-therapie moest ondergaan. Daarbij komt dat zowel verdachte als het slachtoffer als militair werkzaam waren op hetzelfde schip. Zij waren in Noorwegen in het kader van hun werk. Verdachte heeft het vertrouwen dat het slachtoffer als collega in hem mocht hebben ernstig geschaad. Verdachte heeft een stoeipartijtje volledig laten escaleren, wat leidde tot een volstrekt ongerechtvaardigde geweldsexplosie vanuit zijn kant. Dit gedrag is een militair onwaardig. Daarnaast heeft verdachte het delict gepleegd op zaterdagnacht, midden in een drukbezochte horecagelegenheid. Daardoor waren er veel mensen getuige van een heftig incident dat tot ernstig letsel heeft geleid. Daarbij denkt de militaire kamer niet alleen aan mensen die de mishandeling zelf hebben zien gebeuren, maar ook aan mensen die buiten op straat zijn geconfronteerd met het letsel van het slachtoffer of het bloedspoor dat van het slachtoffer terug naar de bar liep. Dat veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Verder straalt dit gedrag bijzonder slecht af op Defensie, juist omdat op dat moment de Koninklijke Marine presentie gaf in een buitenlandse haven. Tot slot constateert de militaire kamer dat verdachte vanaf zijn verhoor door de Noorse politie tot aan de terechtzitting geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn excessieve handelen, maar vooral naar het slachtoffer wijst door vast te blijven houden aan zijn verklaring dat het slachtoffer hem fysiek beperkte en bedreigde en hij zich dus moest verdedigen. Daarnaast heeft verdachte geen enkele moeite gedaan om contac De beoordeling door de militaire kamer Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. De militaire kamer overweegt ten aanzien van de reiskosten dat het niet verplicht is om hiervoor een dienstreis aan te vragen. Dat een dienstreis mogelijk was geweest, is niet hetzelfde als een schadebeperkingsplicht, omdat het aanvragen van een dienstreis de schade enkel verplaatst naar Defensie. Het is aan de benadeelde partij om te kiezen waar hij de kosten neerlegt. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de militaire kamer van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen. Smartengeld Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de militaire kamer vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door het feit heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van meerdere ontsierende littekens in het gezicht en op de rechterhand, evenals een beschadigde extensor-pees, en geestelijk letsel in de vorm van een posttraumatische stressstoornis opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De militaire kamer houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 9.000,- vaststellen. Wettelijke rente Verdachte is vanaf 23 augustus 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Schadevergoedingsmaatregel De militaire kamer ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht. 10 De beslissing De militaire kamer: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op een taakstraf van 240 uren , met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden ; bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit; veroordeelt verdachte in verband met het primaire feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 742,29 aan materiële schade en € 9.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 724,29 aan materiële schade en € 9.000,-