Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-05-29
ECLI:NL:RBGEL:2026:4299
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
8,139 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:4299 text/xml public 2026-06-03T17:03:49 2026-05-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-29 AWB-26_1492 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Arnhem Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4299 text/html public 2026-06-01T08:07:10 2026-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:4299 Rechtbank Gelderland , 29-05-2026 / AWB-26_1492 Intrekking alcoholwetvergunning; bibob; verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 26/1492 uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen [verzoeker] B.V., uit [plaats], verzoeker (gemachtigde: mr. J. de Graaf), en de burgemeester van de gemeente Nijmegen (gemachtigden: mr. C.J.T. Brunenberg en mr. T.B. Vriesema). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de alcoholwetvergunning van verzoeker in te trekken en hem te gelasten vanaf 25 maart 2026 de inrichting [naam onderneming], [locatie] in [plaats], gesloten te houden voor publiek. Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij verzoekt tevens om een voorlopige voorziening te treffen en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker. 1.2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 9 maart 2026 heeft de burgemeester de aan verzoeker verleende Alcoholwetvergunning ingetrokken en hem een last onder bestuursdwang opgelegd en hem gelast de horecaonderneming [naam onderneming] aan de [locatie] in [plaats] met ingang van 25 maart 2026 voor het publiek gesloten te houden . Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. De burgemeester heeft op 19 maart 2026 beslist de zitting van de voorlopige voorziening af te wachten alvorens tot uitoefening van de opgelegde bestuursdwang over wordt gegaan. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] namens verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, [persoon B], dochter van verzoeker, en de gemachtigden van de burgemeester. Beoordeling door de voorzieningenrechter Totstandkoming van het besluit 3. [persoon A] is bestuurder en enig aandeelhouder van de onderneming [verzoeker] BV. Aan [verzoeker] BV is op 11 februari 2015 een Drank- en Horecawetvergunning voor de horeca-inrichting gevestigd aan de [locatie] te [plaats] verleend. Zijn zoon [persoon C] is leidinggevende op de vergunning. 3.1. Vanaf december 2024 zijn diverse vergunningaanvragen gedaan, door verzoeker maar ook door een beoogd koper van de horecaonderneming [naam onderneming]. Omdat alle aanvragen uiteindelijk zijn ingetrokken heeft de burgemeester aanleiding gezien een Bibob onderzoek uit te laten voeren. De burgemeester heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) om advies gevraagd vanwege twee economische delicten die door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit zijn geconstateerd en omdat hij twijfels heeft over de integriteit van [persoon A]. 3.2. Op 30 oktober 2025 heeft het LBB rapport uitgebracht. Het LBB concludeert dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bibob). Hierbij heeft het LBB betrokken dat uit het onderzoek van de Douane feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die doen vermoeden dat [verzoeker] BV op tijdstippen in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 augustus 2023 heeft gehandeld in strijd met de in artikel 52, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) opgenomen bewaarplicht. Het LBB is van oordeel dat sprake is van een ernstig vermoeden dat [verzoeker] BV dit strafbare feit heeft gepleegd. Omdat er in de afgelopen vijf jaren sprake is van een ernstig vermoeden van het plegen van een strafbaar feit, wordt ook verder teruggekeken. Uit dit onderzoek blijkt dat de bestuurder van verzoeker in de periode van 17 maart 2011 tot en met 20 juni 2011 in België is veroordeeld wegens poging tot oplichting, valsheid in geschrifte en deelname aan een criminele organisatie. 3.3. De burgemeester heeft in het advies van het LBB aanleiding gezien de aan verzoeker verleende Alcoholwetvergunning in te trekken. Hierbij heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat de overtredingen van de Awr zich over meerdere jaren hebben afgespeeld (de volledig onderzochte periode) en het dus niet een eenmalige fout is. Er is jaren achter elkaar stelselmatig een gebrekkige administratie gevoerd, waardoor al vaststaat dat er in ieder geval te weinig accijns is betaald. Bovendien is het volgens de burgemeester ook aannemelijk dat hiermee de omzetbelasting niet op de juiste wijze is berekend. Het niet voldoen aan de bewaarplicht is begaan bij de onderneming waarvoor de Alcoholwetvergunning is verstrekt. De Alcoholwetvergunning maakt het mogelijk om de strafbare feiten als poging tot oplichting, valsheid in geschrifte en deelname aan criminele organisatie te plegen en daardoor voldoen de feiten uit 2011 volgens de burgemeester aan het vereiste dat ze moeten samenhangen met de vergunning. De burgemeester acht intrekking van de alcoholwetvergunning evenredig. Het stellen van voorwaarden aan de vergunning neemt het gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen niet weg. Het algemeen belang om horecabedrijven te weren die mede kunnen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen dient zwaarder te wegen dan het belang van verzoeker om de verleende Alcoholwetvergunning voor het exploiteren van de horecalokaliteit aan het adres [locatie] te [plaats] te behouden. Toetsingskader 4. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob kan een bestuursorgaan, voor zover deze bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid heeft gekregen, een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om: a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of b. strafbare feiten te plegen. In het derde lid is bepaald dat voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van: a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven, b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan, c. de aard van de relatie en d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten. Ingevolge het vierde lid staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien: a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan, (…). 4.1. Op grond van artikel 31, derde lid aanhef onder a Alcoholwet kan een Alcoholwetvergunning door de burgemeester worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 Wet Bibob. Oordeel van de voorzieningenrechter 5. De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van het door de burgemeester overgelegde vertrouwelijke deel van het advies van het LBB. 6. Verzoeker betwist dat op basis van het rapport van de Douane de conclusie kan worden getrokken dat artikel 52, tweede lid van de Awr is overtreden.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:4299 text/xml public 2026-06-03T17:03:49 2026-05-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-29 AWB-26_1492 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Arnhem Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4299 text/html public 2026-06-01T08:07:10 2026-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:4299 Rechtbank Gelderland , 29-05-2026 / AWB-26_1492 Intrekking alcoholwetvergunning; bibob; verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 26/1492 uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen [verzoeker] B.V., uit [plaats], verzoeker (gemachtigde: mr. J. de Graaf), en de burgemeester van de gemeente Nijmegen (gemachtigden: mr. C.J.T. Brunenberg en mr. T.B. Vriesema). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de alcoholwetvergunning van verzoeker in te trekken en hem te gelasten vanaf 25 maart 2026 de inrichting [naam onderneming], [locatie] in [plaats], gesloten te houden voor publiek. Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij verzoekt tevens om een voorlopige voorziening te treffen en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker. 1.2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 9 maart 2026 heeft de burgemeester de aan verzoeker verleende Alcoholwetvergunning ingetrokken en hem een last onder bestuursdwang opgelegd en hem gelast de horecaonderneming [naam onderneming] aan de [locatie] in [plaats] met ingang van 25 maart 2026 voor het publiek gesloten te houden . Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. De burgemeester heeft op 19 maart 2026 beslist de zitting van de voorlopige voorziening af te wachten alvorens tot uitoefening van de opgelegde bestuursdwang over wordt gegaan. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] namens verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, [persoon B], dochter van verzoeker, en de gemachtigden van de burgemeester. Beoordeling door de voorzieningenrechter Totstandkoming van het besluit 3. [persoon A] is bestuurder en enig aandeelhouder van de onderneming [verzoeker] BV. Aan [verzoeker] BV is op 11 februari 2015 een Drank- en Horecawetvergunning voor de horeca-inrichting gevestigd aan de [locatie] te [plaats] verleend. Zijn zoon [persoon C] is leidinggevende op de vergunning. 3.1. Vanaf december 2024 zijn diverse vergunningaanvragen gedaan, door verzoeker maar ook door een beoogd koper van de horecaonderneming [naam onderneming]. Omdat alle aanvragen uiteindelijk zijn ingetrokken heeft de burgemeester aanleiding gezien een Bibob onderzoek uit te laten voeren. De burgemeester heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) om advies gevraagd vanwege twee economische delicten die door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit zijn geconstateerd en omdat hij twijfels heeft over de integriteit van [persoon A]. 3.2. Op 30 oktober 2025 heeft het LBB rapport uitgebracht. Het LBB concludeert dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bibob). Hierbij heeft het LBB betrokken dat uit het onderzoek van de Douane feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die doen vermoeden dat [verzoeker] BV op tijdstippen in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 augustus 2023 heeft gehandeld in strijd met de in artikel 52, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) opgenomen bewaarplicht. Het LBB is van oordeel dat sprake is van een ernstig vermoeden dat [verzoeker] BV dit strafbare feit heeft gepleegd. Omdat er in de afgelopen vijf jaren sprake is van een ernstig vermoeden van het plegen van een strafbaar feit, wordt ook verder teruggekeken. Uit dit onderzoek blijkt dat de bestuurder van verzoeker in de periode van 17 maart 2011 tot en met 20 juni 2011 in België is veroordeeld wegens poging tot oplichting, valsheid in geschrifte en deelname aan een criminele organisatie. 3.3. De burgemeester heeft in het advies van het LBB aanleiding gezien de aan verzoeker verleende Alcoholwetvergunning in te trekken. Hierbij heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat de overtredingen van de Awr zich over meerdere jaren hebben afgespeeld (de volledig onderzochte periode) en het dus niet een eenmalige fout is. Er is jaren achter elkaar stelselmatig een gebrekkige administratie gevoerd, waardoor al vaststaat dat er in ieder geval te weinig accijns is betaald. Bovendien is het volgens de burgemeester ook aannemelijk dat hiermee de omzetbelasting niet op de juiste wijze is berekend. Het niet voldoen aan de bewaarplicht is begaan bij de onderneming waarvoor de Alcoholwetvergunning is verstrekt. De Alcoholwetvergunning maakt het mogelijk om de strafbare feiten als poging tot oplichting, valsheid in geschrifte en deelname aan criminele organisatie te plegen en daardoor voldoen de feiten uit 2011 volgens de burgemeester aan het vereiste dat ze moeten samenhangen met de vergunning. De burgemeester acht intrekking van de alcoholwetvergunning evenredig. Het stellen van voorwaarden aan de vergunning neemt het gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen niet weg. Het algemeen belang om horecabedrijven te weren die mede kunnen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen dient zwaarder te wegen dan het belang van verzoeker om de verleende Alcoholwetvergunning voor het exploiteren van de horecalokaliteit aan het adres [locatie] te [plaats] te behouden. Toetsingskader 4. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob kan een bestuursorgaan, voor zover deze bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid heeft gekregen, een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om: a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of b. strafbare feiten te plegen. In het derde lid is bepaald dat voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van: a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven, b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan, c. de aard van de relatie en d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten. Ingevolge het vierde lid staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien: a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan, (…). 4.1. Op grond van artikel 31, derde lid aanhef onder a Alcoholwet kan een Alcoholwetvergunning door de burgemeester worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 Wet Bibob. Oordeel van de voorzieningenrechter 5. De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van het door de burgemeester overgelegde vertrouwelijke deel van het advies van het LBB. 6. Verzoeker betwist dat op basis van het rapport van de Douane de conclusie kan worden getrokken dat artikel 52, tweede lid van de Awr is overtreden.
Volledig
In het rapport wordt namelijk gesteld dat het erop lijkt dat de bewaarplicht is geschonden. Er is dan ook niet meer dan een vermoeden. Dat vast zou staan dat in de afgelopen 5 jaren over een langere periode meermaals overtredingen van de Awr zijn gepleegd is niet onderbouwd. Bovendien is door de Douane geen rekening gehouden met de omstandigheden waaronder het onderzoek heeft plaatsgevonden, hoe de omzet van verzoeker wordt behaald, dat de controleperiode niet alleen inkopen en verkopen kent, maar tevens een begin- en eindvoorraad en dat uit het verbruik van Shisha-kooltjes niet één op één de omzet van waterpijptabak is te achterhalen. Verder heeft verzoeker betoogd dat het gevaar voor herhaling niet meer aanwezig is omdat hij inmiddels een nieuwe boekhouder heeft. Hierbij verwijst verzoeker naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2016. Verzoeker betwist bovendien dat er reden is om verder terug te kijken en stelt dat de burgemeester ten onrechte niet onderbouwt waarom deze feiten op dit moment nog steeds een ernstig gevaar zouden opleveren dat de vergunning gebruikt zou worden om strafbare feiten te plegen. Hij had ook maar een beperkte rol. Tenslotte betoogt verzoeker dat het intrekken van de alcoholwetvergunning grote financiële gevolgen zal hebben en hij zowel zakelijk als privé failliet zal gaan. Heeft de burgemeester zich op het standpunt kunnen stellen dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede gebruikt zal worden om strafbare feiten te plegen? 7. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat in beginsel dient te worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal. Dit geldt eveneens voor op ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportages. Het is verder vaste rechtspraak van de Afdeling dat de burgemeester in beginsel van het advies van het LBB mag uitgaan, gelet op de expertise van dit bureau. De burgemeester moet zich er wel van vergewissen dat het advies en het onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en de feiten de conclusies kunnen dragen. 7.1. Bij de beoordeling komt de burgemeester beoordelingsruimte toe. De rechter mag de uitoefening van die ruimte slechts terughoudend toetsen. 7.2. Het LBB heeft vastgesteld dat verzoeker in de periode 2019-2023 in strijd heeft gehandeld met de in de Awr opgenomen bewaarplicht en dat de bestuurder van verzoeker in 2011 in België is veroordeeld wegens poging tot oplichting, valsheid in geschrifte en deelname aan een criminele organisatie en dat er een ernstig gevaar bestaat dat de alcoholwetvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. 7.3. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester zich op het standpunt kunnen stellen dat het advies van het LBB zorgvuldig tot stand is gekomen, inhoudelijk concludent is en niet zodanige gebreken bevat, dat dit advies niet aan het bestreden besluit ten grondslag zou mogen worden gelegd. 7.4. De burgemeester heeft de overtredingen van de Awr naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij de beoordeling kunnen betrekken. Dat in de rapporten van de Douane wordt gesteld dat het slechts lijkt dat verzoeker de Awr heeft overtreden en dat de Douane bepaalde omstandigheden niet bij de beoordeling zou hebben betrokken maakt – wat daar ook van zij – dat niet anders. De beslissing van de Douane heeft formele rechtskracht verkregen en de burgemeester mag hier dan ook vanuit gaan. 7.5. Verder heeft de burgemeester de veroordeling in België bij de beoordeling kunnen betrekken. De vermelding van strafbare feiten in de justitiële registraties wordt na een bepaald tijdsverloop verwijderd. Zoals ook blijkt uit de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2000/01, 26 883, nr. 5, blz. 41) ontleent het LBB zijn gegevens aan deze registraties. Zolang een strafbaar feit in de registers is opgenomen mag dit feit in het bibob-onderzoek worden betrokken. Nu ten tijde in geding de veroordeling uit 2011 nog in de registers was vermeld, is er geen reden voor het oordeel dat de burgemeester deze veroordeling niet heeft mogen betrekken bij zijn besluitvorming. 7.6. Voor zover verzoeker onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2016 heeft gesteld dat herhaling van de feiten niet te verwachten is overweegt de voorzieningenrechter dat deze uitspraak niet van overeenkomstige toepassing is. Aan verzoeker is allereerst niet – zoals in de uitspraak wel het geval was – verscherpt toezicht door de Belastingdienst opgelegd. Bovendien heeft de burgemeester aan zijn standpunt dat ernstig gevaar bestaat dat de alcoholwetvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, niet alleen het handelen in strijd met belastingwetgeving ten grondslag gelegd, maar ook de veroordeling van de bestuurder en enig aandeelhouder van verzoeker door de Belgische strafrechter uit 2011 wegens poging oplichting, valsheid in geschrifte en deelname aan een criminele organisatie. Dit zijn bovendien ernstige feiten door verzoeker en de bestuurder gepleegd. Het handelen in strijd met de Awr heeft bovendien plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van het horecabedrijf waar deze alcoholwetvergunning op ziet. De burgemeester heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker in relatie staat tot de strafbare feiten die zijn gepleegd. 7.6. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de burgemeester zich dan ook onder verwijzing naar het advies van het LBB in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het betoog slaagt daarom niet. Evenredigheid 8. Artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob bepaalt dat de weigering of intrekking van een vergunning mag plaatsvinden als die evenredig is met de mate van het gevaar en, voor zover het om een intrekking op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob gaat, de ernst van de strafbare feiten. 8.1. Bij het antwoord op de vraag of de weigering of intrekking van een vergunning op grond van de Wet Bibob evenredig is, spelen de geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van de weigering of intrekking een rol. Dit zijn dezelfde elementen als bij de toetsing aan art. 3:4, tweede lid, van de Awb. De geschiktheid van de intrekking en weigering volgt in beginsel uit de Wet Bibob. De wetgever heeft immers bij een ernstig gevaar de intrekking of weigering van een vergunning in algemene zin een geschikt middel geacht om te voorkomen dat een vergunning wordt gebruikt om uit strafbare feiten verkregen voordelen te benutten dan wel om strafbare feiten te plegen. Voor de beoordeling van de noodzakelijkheid geeft de Wet Bibob in beginsel ook het toetsingskader. De wetgever heeft in het kader van de noodzakelijkheid immers onder ogen gezien dat een minder vergaande maatregel kan worden toegepast. Daarbij wordt gewezen op artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob, dat het mogelijk maakt om voorschriften aan een vergunning te verbinden om het gevaar weg te nemen of te beperken. In artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob ligt tenslotte ook besloten dat de evenwichtigheid van de intrekking of de weigering moet worden getoetst als onderdeel van de beoordeling van de evenredigheid. De wijze waarop die beoordeling moet worden uitgevoerd is gelijk aan de manier waarop dat op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb moet gebeuren. Daarbij moeten de individuele gevolgen van het besluit worden betrokken. 8.2. Verzoeker stelt dat het intrekken van de alcoholwetvergunning naar verwachting tot faillissement van zowel de onderneming als van verzoeker in privé zal leiden. Hij exploiteert de huidige onderneming al 28 jaar zonder problemen. Dat hij privé en zakelijk failliet zal gaan, maakt dat het bestreden besluit niet evenwichtig is. 8.3. De voorzieningenrechter volgt dit niet. De burgemeester dient met het besluit tot het intrekken van de alcoholwetvergunning het algemeen belang. Dat ziet in deze op het voorkomen dat hij met de vergunningen zal faciliteren dat deze vergunning mede gebruikt zal worden om strafbare feiten te plegen.
Volledig
In het rapport wordt namelijk gesteld dat het erop lijkt dat de bewaarplicht is geschonden. Er is dan ook niet meer dan een vermoeden. Dat vast zou staan dat in de afgelopen 5 jaren over een langere periode meermaals overtredingen van de Awr zijn gepleegd is niet onderbouwd. Bovendien is door de Douane geen rekening gehouden met de omstandigheden waaronder het onderzoek heeft plaatsgevonden, hoe de omzet van verzoeker wordt behaald, dat de controleperiode niet alleen inkopen en verkopen kent, maar tevens een begin- en eindvoorraad en dat uit het verbruik van Shisha-kooltjes niet één op één de omzet van waterpijptabak is te achterhalen. Verder heeft verzoeker betoogd dat het gevaar voor herhaling niet meer aanwezig is omdat hij inmiddels een nieuwe boekhouder heeft. Hierbij verwijst verzoeker naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2016. Verzoeker betwist bovendien dat er reden is om verder terug te kijken en stelt dat de burgemeester ten onrechte niet onderbouwt waarom deze feiten op dit moment nog steeds een ernstig gevaar zouden opleveren dat de vergunning gebruikt zou worden om strafbare feiten te plegen. Hij had ook maar een beperkte rol. Tenslotte betoogt verzoeker dat het intrekken van de alcoholwetvergunning grote financiële gevolgen zal hebben en hij zowel zakelijk als privé failliet zal gaan. Heeft de burgemeester zich op het standpunt kunnen stellen dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede gebruikt zal worden om strafbare feiten te plegen? 7. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat in beginsel dient te worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal. Dit geldt eveneens voor op ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportages. Het is verder vaste rechtspraak van de Afdeling dat de burgemeester in beginsel van het advies van het LBB mag uitgaan, gelet op de expertise van dit bureau. De burgemeester moet zich er wel van vergewissen dat het advies en het onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en de feiten de conclusies kunnen dragen. 7.1. Bij de beoordeling komt de burgemeester beoordelingsruimte toe. De rechter mag de uitoefening van die ruimte slechts terughoudend toetsen. 7.2. Het LBB heeft vastgesteld dat verzoeker in de periode 2019-2023 in strijd heeft gehandeld met de in de Awr opgenomen bewaarplicht en dat de bestuurder van verzoeker in 2011 in België is veroordeeld wegens poging tot oplichting, valsheid in geschrifte en deelname aan een criminele organisatie en dat er een ernstig gevaar bestaat dat de alcoholwetvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. 7.3. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester zich op het standpunt kunnen stellen dat het advies van het LBB zorgvuldig tot stand is gekomen, inhoudelijk concludent is en niet zodanige gebreken bevat, dat dit advies niet aan het bestreden besluit ten grondslag zou mogen worden gelegd. 7.4. De burgemeester heeft de overtredingen van de Awr naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij de beoordeling kunnen betrekken. Dat in de rapporten van de Douane wordt gesteld dat het slechts lijkt dat verzoeker de Awr heeft overtreden en dat de Douane bepaalde omstandigheden niet bij de beoordeling zou hebben betrokken maakt – wat daar ook van zij – dat niet anders. De beslissing van de Douane heeft formele rechtskracht verkregen en de burgemeester mag hier dan ook vanuit gaan. 7.5. Verder heeft de burgemeester de veroordeling in België bij de beoordeling kunnen betrekken. De vermelding van strafbare feiten in de justitiële registraties wordt na een bepaald tijdsverloop verwijderd. Zoals ook blijkt uit de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2000/01, 26 883, nr. 5, blz. 41) ontleent het LBB zijn gegevens aan deze registraties. Zolang een strafbaar feit in de registers is opgenomen mag dit feit in het bibob-onderzoek worden betrokken. Nu ten tijde in geding de veroordeling uit 2011 nog in de registers was vermeld, is er geen reden voor het oordeel dat de burgemeester deze veroordeling niet heeft mogen betrekken bij zijn besluitvorming. 7.6. Voor zover verzoeker onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2016 heeft gesteld dat herhaling van de feiten niet te verwachten is overweegt de voorzieningenrechter dat deze uitspraak niet van overeenkomstige toepassing is. Aan verzoeker is allereerst niet – zoals in de uitspraak wel het geval was – verscherpt toezicht door de Belastingdienst opgelegd. Bovendien heeft de burgemeester aan zijn standpunt dat ernstig gevaar bestaat dat de alcoholwetvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, niet alleen het handelen in strijd met belastingwetgeving ten grondslag gelegd, maar ook de veroordeling van de bestuurder en enig aandeelhouder van verzoeker door de Belgische strafrechter uit 2011 wegens poging oplichting, valsheid in geschrifte en deelname aan een criminele organisatie. Dit zijn bovendien ernstige feiten door verzoeker en de bestuurder gepleegd. Het handelen in strijd met de Awr heeft bovendien plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van het horecabedrijf waar deze alcoholwetvergunning op ziet. De burgemeester heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker in relatie staat tot de strafbare feiten die zijn gepleegd. 7.6. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de burgemeester zich dan ook onder verwijzing naar het advies van het LBB in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het betoog slaagt daarom niet. Evenredigheid 8. Artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob bepaalt dat de weigering of intrekking van een vergunning mag plaatsvinden als die evenredig is met de mate van het gevaar en, voor zover het om een intrekking op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob gaat, de ernst van de strafbare feiten. 8.1. Bij het antwoord op de vraag of de weigering of intrekking van een vergunning op grond van de Wet Bibob evenredig is, spelen de geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van de weigering of intrekking een rol. Dit zijn dezelfde elementen als bij de toetsing aan art. 3:4, tweede lid, van de Awb. De geschiktheid van de intrekking en weigering volgt in beginsel uit de Wet Bibob. De wetgever heeft immers bij een ernstig gevaar de intrekking of weigering van een vergunning in algemene zin een geschikt middel geacht om te voorkomen dat een vergunning wordt gebruikt om uit strafbare feiten verkregen voordelen te benutten dan wel om strafbare feiten te plegen. Voor de beoordeling van de noodzakelijkheid geeft de Wet Bibob in beginsel ook het toetsingskader. De wetgever heeft in het kader van de noodzakelijkheid immers onder ogen gezien dat een minder vergaande maatregel kan worden toegepast. Daarbij wordt gewezen op artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob, dat het mogelijk maakt om voorschriften aan een vergunning te verbinden om het gevaar weg te nemen of te beperken. In artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob ligt tenslotte ook besloten dat de evenwichtigheid van de intrekking of de weigering moet worden getoetst als onderdeel van de beoordeling van de evenredigheid. De wijze waarop die beoordeling moet worden uitgevoerd is gelijk aan de manier waarop dat op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb moet gebeuren. Daarbij moeten de individuele gevolgen van het besluit worden betrokken. 8.2. Verzoeker stelt dat het intrekken van de alcoholwetvergunning naar verwachting tot faillissement van zowel de onderneming als van verzoeker in privé zal leiden. Hij exploiteert de huidige onderneming al 28 jaar zonder problemen. Dat hij privé en zakelijk failliet zal gaan, maakt dat het bestreden besluit niet evenwichtig is. 8.3. De voorzieningenrechter volgt dit niet. De burgemeester dient met het besluit tot het intrekken van de alcoholwetvergunning het algemeen belang. Dat ziet in deze op het voorkomen dat hij met de vergunningen zal faciliteren dat deze vergunning mede gebruikt zal worden om strafbare feiten te plegen.