Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-04
ECLI:NL:RBGEL:2026:3841
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,121 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3841 text/xml public 2026-05-19T15:27:00 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-04 461342 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Zutphen Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3841 text/html public 2026-05-19T12:29:57 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3841 Rechtbank Gelderland , 04-03-2026 / 461342 Kort geding. Verkoop voormalig echtelijke woning. Gedaagde heeft onvoldoende (tijdig) aannemelijk gemaakt dat hij de woning kan overnemen. Vordering om mee te werken aan verkoop wordt daarom toegewezen. RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: C/05/461342 / KZ ZA 25-214 Vonnis in kort geding van 4 maart 2026 in de zaak van [naam eiser] , te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , advocaat: mr. M.M.H. Ceelen, tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , verschenen in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties - de e-mail van [de gedaagde] van 6 januari 2026 met 6 bijlagen - de brief van mr. Ceelen van 7 januari 2026 met de producties 12 t/m 14 - de brief van mr. Ceelen van 8 januari 2026 met productie 15 - de mondelinge behandeling van 9 januari 2026 - het bericht van de rechtbank van 9 januari 2026 - de e-mail van 14 januari 2026 van [de gedaagde] met twee bijlagen - de reactie van mr. Ceelen op voorgaand bericht van 14 januari 2026 - het bericht van de rechtbank van 16 januari 2026 - het bericht van mr. Ceelen van 10 februari 2026 - het bericht van de rechtbank aan [de gedaagde] van 10 februari 2026 - de e-mail van [de gedaagde] van 16 februari 2026 met bijlagen - de reactie van mr. Ceelen van 17 februari 2026 met productie 17. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn van 2016 tot 2023 gehuwd geweest. In 2023 zijn partijen gescheiden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 23 juni 2023 in de registers van de burgerlijke stand. Onderdeel van de huwelijksgemeenschap was de woning aan de [adres] (hierna: de woning). De woning is nog niet verdeeld. 2.2. Partijen hebben op 8 juni 2023 een echtscheidingsconvenant gesloten. Ten aanzien van de woning is, voor zover van belang in deze zaak, het volgende in het convenant opgenomen: “ 3.2 De (…) onroerende zaak wordt voor de daaraan volgens het taxatierapport van makelaar [makelaardij] toegekende waarde van € 340.000,00 toegedeeld aan de man, onder de opschortende voorwaarde zoals vermeld in art. 3.5. (…) 3.5 Toedeling van de (…) woning aan de man geschiedt onder de opschortende voorwaarde dat de in art. 3.4 genoemde hypotheeknemer de vrouw ontslaat uit haar hoofdelijke verplichting met betrekking tot de genoemde hypotheekschuld. 3.6 Voor het geval de bank niet bereid zou zijn om de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan, zullen partijen de woning binnen 8 weken na de weigering van de bank te koop zetten bij een nog te kiezen makelaar tegen een door de makelaar te bepalen vraag- en laatprijs. (…) 3.8 Partijen geven hierbij opdracht aan notaris mr. [notaris] te [plaatsnaam] of diens plaatsvervanger om, zo mogelijk binnen één maand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, een notariële akte te verlijden waarbij de in art. 3.1 genoemde onroerende zaak goederenrechtelijk aan de man geleverd worden. (…)” 3 Het geschil 3.1. [de eiser] vordert -samengevat- dat de voorzieningenrechter, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair: I. [de eiser] machtigt op voet van artikel 3:174 BW de woning te gelde te maken; Subsidiair: [de gedaagde] veroordeelt om binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis: I. opdracht te geven aan Heutinck makelaardij activiteiten te ontplooien om tot verkoop van de woning over te gaan tegen een door deze makelaar geadviseerde vraagprijs en te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de opdrachtverstrekking, indien [de gedaagde] binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis aan [de gedaagde] hiertoe in gebreke blijft; II. zijn medewerking te verlenen aan bezichtigingen van de woning en ervoor te zorgen dat het huis netjes is wanneer er bezichtigingen zullen plaatsvinden, een en andere op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke keer dat de makelaar het huis wenst te bezichtigen met aspirant-kopers en [de gedaagde] daaraan zijn medewerking onthoudt; III. zijn medewerking te verlenen aan het sluiten van een koopovereenkomst door een door deze makelaar geadviseerde verkoopprijs met bepaling dat het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [de gedaagde] aan het sluiten van deze overeenkomst c.q. in de plaats treedt van zijn handtekening; zowel primair als subsidiair [de gedaagde] veroordeelt: I zijn medewerking te verlenen aan de tijdige levering van de woning aan de derde(n), met bepaling dat het vonnis in de plaats kan treden van de daartoe vereiste medewerking van [de gedaagde] , indien hij daartoe in gebreke blijft; II. de woning uiterlijk een week voor de overdracht te ontruimen, ontruimd te houden en te verlaten; III. de sleutels ten tijde van de overdracht aan de koper(s) te overhandigen; IV. tot betaling van een dwangsom van € 500,00 voor ieder dag of dagdeel dat [de gedaagde] weigert aan het vorenstaande te voldoen dan wel het verkoopproces op andere wijze frustreert; V. met veroordeling van [de gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.2. [de eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Uit artikel 3.8 van het convenant blijkt dat [de eiser] zo mogelijk binnen vier weken na inschrijving van de echtscheiding door [de gedaagde] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid zou worden ontslagen. Tot op heden is dat nog niet gebeurd. [de gedaagde] is er al jaren niet in geslaagd om de woning over te nemen. [de gedaagde] houdt [de eiser] al 2,5 jaar aan het lijntje door steeds aan te geven dat het bijna rond is of helemaal rond is. [de eiser] heeft [de gedaagde] herhaaldelijk gesommeerd om haar te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. [de gedaagde] geeft wisselende verklaringen. In juli 2024 eist [de gedaagde] dat [de eiser] akkoord gaat met een bedrag van € 30.000,00 minder zodat [de gedaagde] de hypotheek rond kan krijgen. Hiermee is [de eiser] niet akkoord gegaan. Op 31 mei 2025 geeft [de gedaagde] aan dat hij gedoe met de bank heeft en de transacties op zijn rekening moet verklaren. Maar de bank zou volgens [de gedaagde] ermee bezig zijn en het zou binnenkort rond zijn. Dat zou volgens [de gedaagde] moeten lukken omdat de bank anders zoals de vorige keer direct zou zeggen dat het niet zou lukken. [de eiser] leidt hieruit af dat [de gedaagde] al een keer een afwijzing heeft gehad. In dat geval had de woning volgens het convenant al verkocht moeten worden. In september 2025 laat [de gedaagde] weten dat hij al een renteaanbod en goedkeuring van de bank heeft ontvangen. Dit bleek later toch niet waar te zijn. Op 17 oktober 2025 bericht de hypotheekadviseur van [de gedaagde] dat het dossier compleet is en binnen een week een renteaanbod wordt verwacht. Op 5 november 2025 geeft [de gedaagde] telefonisch akkoord op de verkoop. [de eiser] heeft [de gedaagde] nog een laatste maal in de gelegenheid gesteld om de woning uiterlijk voor januari 2026 over te nemen. Het is [de eiser] nog steeds niet gelukt om de woning over te nemen. De woning moet daarom verkocht worden. [de eiser] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen. [de eiser] zit al sinds juli 2023 financieel vast aan de woning door de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening en kan niet verder met haar leven. [de eiser] wil met haar nieuwe partner een woning kopen die geschikt is voor haar, haar nieuwe partner en de kinderen van beide. Bovendien valt de woning inmiddels in box 3 en blijft de huizenprijs stijgen. [de eiser] wordt dus ook financieel benadeeld. 3.3. [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen. 3.4. [de gedaagde] voert het volgende aan.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3841 text/xml public 2026-05-19T15:27:00 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-04 461342 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Zutphen Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3841 text/html public 2026-05-19T12:29:57 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3841 Rechtbank Gelderland , 04-03-2026 / 461342 Kort geding. Verkoop voormalig echtelijke woning. Gedaagde heeft onvoldoende (tijdig) aannemelijk gemaakt dat hij de woning kan overnemen. Vordering om mee te werken aan verkoop wordt daarom toegewezen. RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: C/05/461342 / KZ ZA 25-214 Vonnis in kort geding van 4 maart 2026 in de zaak van [naam eiser] , te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , advocaat: mr. M.M.H. Ceelen, tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , verschenen in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties - de e-mail van [de gedaagde] van 6 januari 2026 met 6 bijlagen - de brief van mr. Ceelen van 7 januari 2026 met de producties 12 t/m 14 - de brief van mr. Ceelen van 8 januari 2026 met productie 15 - de mondelinge behandeling van 9 januari 2026 - het bericht van de rechtbank van 9 januari 2026 - de e-mail van 14 januari 2026 van [de gedaagde] met twee bijlagen - de reactie van mr. Ceelen op voorgaand bericht van 14 januari 2026 - het bericht van de rechtbank van 16 januari 2026 - het bericht van mr. Ceelen van 10 februari 2026 - het bericht van de rechtbank aan [de gedaagde] van 10 februari 2026 - de e-mail van [de gedaagde] van 16 februari 2026 met bijlagen - de reactie van mr. Ceelen van 17 februari 2026 met productie 17. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn van 2016 tot 2023 gehuwd geweest. In 2023 zijn partijen gescheiden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 23 juni 2023 in de registers van de burgerlijke stand. Onderdeel van de huwelijksgemeenschap was de woning aan de [adres] (hierna: de woning). De woning is nog niet verdeeld. 2.2. Partijen hebben op 8 juni 2023 een echtscheidingsconvenant gesloten. Ten aanzien van de woning is, voor zover van belang in deze zaak, het volgende in het convenant opgenomen: “ 3.2 De (…) onroerende zaak wordt voor de daaraan volgens het taxatierapport van makelaar [makelaardij] toegekende waarde van € 340.000,00 toegedeeld aan de man, onder de opschortende voorwaarde zoals vermeld in art. 3.5. (…) 3.5 Toedeling van de (…) woning aan de man geschiedt onder de opschortende voorwaarde dat de in art. 3.4 genoemde hypotheeknemer de vrouw ontslaat uit haar hoofdelijke verplichting met betrekking tot de genoemde hypotheekschuld. 3.6 Voor het geval de bank niet bereid zou zijn om de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan, zullen partijen de woning binnen 8 weken na de weigering van de bank te koop zetten bij een nog te kiezen makelaar tegen een door de makelaar te bepalen vraag- en laatprijs. (…) 3.8 Partijen geven hierbij opdracht aan notaris mr. [notaris] te [plaatsnaam] of diens plaatsvervanger om, zo mogelijk binnen één maand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, een notariële akte te verlijden waarbij de in art. 3.1 genoemde onroerende zaak goederenrechtelijk aan de man geleverd worden. (…)” 3 Het geschil 3.1. [de eiser] vordert -samengevat- dat de voorzieningenrechter, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair: I. [de eiser] machtigt op voet van artikel 3:174 BW de woning te gelde te maken; Subsidiair: [de gedaagde] veroordeelt om binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis: I. opdracht te geven aan Heutinck makelaardij activiteiten te ontplooien om tot verkoop van de woning over te gaan tegen een door deze makelaar geadviseerde vraagprijs en te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de opdrachtverstrekking, indien [de gedaagde] binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis aan [de gedaagde] hiertoe in gebreke blijft; II. zijn medewerking te verlenen aan bezichtigingen van de woning en ervoor te zorgen dat het huis netjes is wanneer er bezichtigingen zullen plaatsvinden, een en andere op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke keer dat de makelaar het huis wenst te bezichtigen met aspirant-kopers en [de gedaagde] daaraan zijn medewerking onthoudt; III. zijn medewerking te verlenen aan het sluiten van een koopovereenkomst door een door deze makelaar geadviseerde verkoopprijs met bepaling dat het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [de gedaagde] aan het sluiten van deze overeenkomst c.q. in de plaats treedt van zijn handtekening; zowel primair als subsidiair [de gedaagde] veroordeelt: I zijn medewerking te verlenen aan de tijdige levering van de woning aan de derde(n), met bepaling dat het vonnis in de plaats kan treden van de daartoe vereiste medewerking van [de gedaagde] , indien hij daartoe in gebreke blijft; II. de woning uiterlijk een week voor de overdracht te ontruimen, ontruimd te houden en te verlaten; III. de sleutels ten tijde van de overdracht aan de koper(s) te overhandigen; IV. tot betaling van een dwangsom van € 500,00 voor ieder dag of dagdeel dat [de gedaagde] weigert aan het vorenstaande te voldoen dan wel het verkoopproces op andere wijze frustreert; V. met veroordeling van [de gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.2. [de eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Uit artikel 3.8 van het convenant blijkt dat [de eiser] zo mogelijk binnen vier weken na inschrijving van de echtscheiding door [de gedaagde] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid zou worden ontslagen. Tot op heden is dat nog niet gebeurd. [de gedaagde] is er al jaren niet in geslaagd om de woning over te nemen. [de gedaagde] houdt [de eiser] al 2,5 jaar aan het lijntje door steeds aan te geven dat het bijna rond is of helemaal rond is. [de eiser] heeft [de gedaagde] herhaaldelijk gesommeerd om haar te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. [de gedaagde] geeft wisselende verklaringen. In juli 2024 eist [de gedaagde] dat [de eiser] akkoord gaat met een bedrag van € 30.000,00 minder zodat [de gedaagde] de hypotheek rond kan krijgen. Hiermee is [de eiser] niet akkoord gegaan. Op 31 mei 2025 geeft [de gedaagde] aan dat hij gedoe met de bank heeft en de transacties op zijn rekening moet verklaren. Maar de bank zou volgens [de gedaagde] ermee bezig zijn en het zou binnenkort rond zijn. Dat zou volgens [de gedaagde] moeten lukken omdat de bank anders zoals de vorige keer direct zou zeggen dat het niet zou lukken. [de eiser] leidt hieruit af dat [de gedaagde] al een keer een afwijzing heeft gehad. In dat geval had de woning volgens het convenant al verkocht moeten worden. In september 2025 laat [de gedaagde] weten dat hij al een renteaanbod en goedkeuring van de bank heeft ontvangen. Dit bleek later toch niet waar te zijn. Op 17 oktober 2025 bericht de hypotheekadviseur van [de gedaagde] dat het dossier compleet is en binnen een week een renteaanbod wordt verwacht. Op 5 november 2025 geeft [de gedaagde] telefonisch akkoord op de verkoop. [de eiser] heeft [de gedaagde] nog een laatste maal in de gelegenheid gesteld om de woning uiterlijk voor januari 2026 over te nemen. Het is [de eiser] nog steeds niet gelukt om de woning over te nemen. De woning moet daarom verkocht worden. [de eiser] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen. [de eiser] zit al sinds juli 2023 financieel vast aan de woning door de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening en kan niet verder met haar leven. [de eiser] wil met haar nieuwe partner een woning kopen die geschikt is voor haar, haar nieuwe partner en de kinderen van beide. Bovendien valt de woning inmiddels in box 3 en blijft de huizenprijs stijgen. [de eiser] wordt dus ook financieel benadeeld. 3.3. [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen. 3.4. [de gedaagde] voert het volgende aan.
Volledig
[de gedaagde] heeft altijd zijn best gedaan om de woning over te kunnen nemen. [de gedaagde] baalt er ook van dat het nog niet geregeld is. Maar het is niet aan [de gedaagde] te wijten dat de overname nog niet rond is. Het duurde langer omdat [de gedaagde] flexwerker was, dat is nu niet meer het geval. In augustus is [de gedaagde] overgestapt van hypotheekadviseur omdat de voormalige hypotheekadviseur niet goed zijn werk deed. Zijn nieuwe werkgever wilde in eerste instantie niet de benodigde werkgeversverklaring afgeven, maar dit is uiteindelijk 11 december 2025 toch gelukt. Vlak voor kerst heeft BLG Wonen (hierna: BLG), waar de hypotheek is aangevraagd, nog een stuk opgevraagd om het arbeidsverleden van [de gedaagde] in te kunnen zien. Het dossier was vlak voor kerst compleet, het is nu alleen nog wachten op een renteaanbod. De impact van de verkoop van de woning is voor [de gedaagde] groot. Hij heeft niet de mogelijkheid om een andere woning te kopen. Verkoop zou betekenen dat [de gedaagde] geen woningruimte meer heeft, terwijl [de gedaagde] wel in staat is om de woning over te nemen. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. spoedeisend belang 4.2. [de eiser] heeft toegelicht dat van haar niet langer verwacht kan worden dat zij in onverdeeldheid blijft. Het is voor haar niet mogelijk om een eigen woning te kopen. Al eerder heeft zij een woning niet kunnen kopen omdat zij ondanks de toezeggingen van [de gedaagde] niet uit de hoofdelijke aansprakelijkheid was ontslagen. Verder leidt [de eiser] voortdurend financiële schade. Daarmee heeft [de eiser] voldoende spoedeisend belang bij haar vordering. het verloop van de procedure na de zitting 4.3. Ter zitting heeft [de gedaagde] aangevoerd dat hij elk moment een renteaanbod van BLG verwachtte. [de eiser] voerde als verweer aan dat zij al herhaaldelijk de toezegging heeft gehad dat het bijna geregeld was, maar dat dit elke keer toch niet waar bleek te zijn. Er is door de voorzieningenrechter daarom bepaald dat vonnis zou worden gewezen, maar dat als [de gedaagde] voor de vonnisdatum een renteaanbod zou ontvangen hij dit aanbod kon toesturen naar de voorzieningenrechter. Op 14 januari 2026 heeft [de gedaagde] een document met rentenaanbod van BLG doorgestuurd naar deze rechtbank. Op dezelfde dag heeft mr. Ceelen namens [de eiser] gereageerd dat uit het renteaanbod blijkt dat [de gedaagde] nog diverse documenten moet indienen, dat BLG de aanvraag pas kan beoordelen als zij al deze documenten heeft, dat deze beoordeling nog enkele maanden kan duren en dat dus uit dit stuk niet blijkt dat [de gedaagde] de hypotheekofferte krijgt. De voorzieningenrechter heeft vervolgens op 16 januari 2026 bepaald dat [de gedaagde] uiterlijk 9 februari 2026 stukken aan mr. Ceelen moet verstrekken waaruit blijkt dat [de gedaagde] het renteaanbod heeft geaccepteerd en dat hij alle documenten die BLG nodig heeft al heeft verstrekt bij het accepteren van het aanbod. Op 10 februari 2026 heeft mr. Ceelen de rechtbank geïnformeerd dat zij geen stukken heeft ontvangen van [de gedaagde] . De voorzieningenrechter heeft [de gedaagde] verzocht om uiterlijk 17 februari 2026 te reageren. Op 16 februari 2026 heeft [de gedaagde] het renteaanbod zoals door hem ingevuld aan de rechtbank toegestuurd en een door hem en [de gedaagde] op 26 januari 2026 ondertekend document voor het aanvragen van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid bij SVn. [de gedaagde] heeft onvoldoende aangetoond dat hij [de eiser] kan ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid 4.4. De vraag in deze zaak is of van [de eiser] verwacht kan worden dat zij nog langer afwacht of [de gedaagde] in staat is om haar te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet het geval, hieronder wordt dat nader toegelicht. 4.5. Op grond van het echtscheidingsconvenant wordt de woning aan [de gedaagde] toegedeeld onder de voorwaarde dat hij [de eiser] kan ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Hoewel partijen geen harde termijn hebben afgesproken, blijkt uit het convenant dat het streven van partijen was dat de toedeling binnen een maand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking gerealiseerd zou worden. Dit betekent dat het de bedoeling was dat de woning uiterlijk in augustus 2023 zou worden toegedeeld aan [de eiser] . Hoewel [de gedaagde] een tijdlijn heeft gegeven voor de aanvraag vanaf augustus 2025 is niet volledig duidelijk geworden waarom het tot die tijd niet is gelukt om [de eiser] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Volgens [de gedaagde] kwam dat omdat hij flexibel werk had, maar dat betekent dat [de gedaagde] in die periode inderdaad niet in staat was om [de eiser] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan. Er is mogelijk geen formele afwijzing van SVn/BLG geweest, maar dat is ook niet mogelijk als [de gedaagde] op basis van de voorspelling dat hij geen hypotheek kon krijgen nooit de aanvraag heeft doorgezet. Ter zitting was niet zeker of [de gedaagde] [de eiser] kon ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. 4.6. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter besproken dat [de eiser] inderdaad al langdurig wacht om ontslagen te worden uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, dat het niet duidelijk is waarom dit nog niet is gebeurd, dat er in mei ook al signalen waren dat het zou lukken en dat het ook niet duidelijk is waarom het sinds augustus 2025 nog niet gelukt is om [de eiser] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. [de eiser] heeft daarom in beginsel recht op verkoop van de woning. 4.7. Omdat [de gedaagde] aangaf dat hij op korte termijn het renteaanbod zou ontvangen, heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [de gedaagde] nog tot de vonnisdatum kon aantonen dat hij de woning kan overnemen. Als het binnen die tijd voor [de gedaagde] niet zou lukken om de woning over te nemen, zou volgens het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter de woning verkocht moeten worden. Aan [de gedaagde] is meegegeven dat hij derhalve alles op alles moet zetten om in die twee weken de woning over te nemen. 4.8. Vervolgens heeft [de gedaagde] wel een renteaanbod ontvangen, maar hieruit bleek nog niet dat [de gedaagde] de woning kon overnemen. Om zowel het belang van [de eiser] te behartigen dat er op korte termijn duidelijkheid komt, als het belang van [de gedaagde] om de woning over te kunnen nemen, heeft de voorzieningenrechter uitstel verleend van de vonnisdatum. [de gedaagde] werd in de gelegenheid gesteld om het renteaanbod te accepteren met gelijktijdige indiening van alle gevraagde stukken. Hierdoor kon BLG op korte termijn een hypotheekofferte aanbieden. [de gedaagde] heeft echter, in strijd met de instructie van de voorzieningenrechter, hiervan geen bewijs verstrekt aan mr. Ceelen. Na sommatie van de rechtbank heeft [de gedaagde] het ingevulde renteaanbod en een ingevuld verzoek om [de eiser] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid verstrekt. Hieruit blijkt echter niet dat [de gedaagde] het renteaanbod met alle gevraagde documenten heeft ingediend bij BLG. [de gedaagde] heeft daarom, ondanks de regie van de voorzieningenrechter, onvoldoende aangetoond dat hij alles op alles heeft gezet om [de eiser] tijdig te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. [de gedaagde] heeft daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij [de eiser] op korte termijn met zekerheid kan ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. 4.9. Voorgaande in acht genomen wordt [de gedaagde] verplicht om mee te werken aan verkoop van de woning. De primaire vordering van [de eiser] om haar op grond van artikel 3:174 BW te machtigen om de woning te gelde te maken wordt afgewezen.
Volledig
[de gedaagde] heeft altijd zijn best gedaan om de woning over te kunnen nemen. [de gedaagde] baalt er ook van dat het nog niet geregeld is. Maar het is niet aan [de gedaagde] te wijten dat de overname nog niet rond is. Het duurde langer omdat [de gedaagde] flexwerker was, dat is nu niet meer het geval. In augustus is [de gedaagde] overgestapt van hypotheekadviseur omdat de voormalige hypotheekadviseur niet goed zijn werk deed. Zijn nieuwe werkgever wilde in eerste instantie niet de benodigde werkgeversverklaring afgeven, maar dit is uiteindelijk 11 december 2025 toch gelukt. Vlak voor kerst heeft BLG Wonen (hierna: BLG), waar de hypotheek is aangevraagd, nog een stuk opgevraagd om het arbeidsverleden van [de gedaagde] in te kunnen zien. Het dossier was vlak voor kerst compleet, het is nu alleen nog wachten op een renteaanbod. De impact van de verkoop van de woning is voor [de gedaagde] groot. Hij heeft niet de mogelijkheid om een andere woning te kopen. Verkoop zou betekenen dat [de gedaagde] geen woningruimte meer heeft, terwijl [de gedaagde] wel in staat is om de woning over te nemen. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. spoedeisend belang 4.2. [de eiser] heeft toegelicht dat van haar niet langer verwacht kan worden dat zij in onverdeeldheid blijft. Het is voor haar niet mogelijk om een eigen woning te kopen. Al eerder heeft zij een woning niet kunnen kopen omdat zij ondanks de toezeggingen van [de gedaagde] niet uit de hoofdelijke aansprakelijkheid was ontslagen. Verder leidt [de eiser] voortdurend financiële schade. Daarmee heeft [de eiser] voldoende spoedeisend belang bij haar vordering. het verloop van de procedure na de zitting 4.3. Ter zitting heeft [de gedaagde] aangevoerd dat hij elk moment een renteaanbod van BLG verwachtte. [de eiser] voerde als verweer aan dat zij al herhaaldelijk de toezegging heeft gehad dat het bijna geregeld was, maar dat dit elke keer toch niet waar bleek te zijn. Er is door de voorzieningenrechter daarom bepaald dat vonnis zou worden gewezen, maar dat als [de gedaagde] voor de vonnisdatum een renteaanbod zou ontvangen hij dit aanbod kon toesturen naar de voorzieningenrechter. Op 14 januari 2026 heeft [de gedaagde] een document met rentenaanbod van BLG doorgestuurd naar deze rechtbank. Op dezelfde dag heeft mr. Ceelen namens [de eiser] gereageerd dat uit het renteaanbod blijkt dat [de gedaagde] nog diverse documenten moet indienen, dat BLG de aanvraag pas kan beoordelen als zij al deze documenten heeft, dat deze beoordeling nog enkele maanden kan duren en dat dus uit dit stuk niet blijkt dat [de gedaagde] de hypotheekofferte krijgt. De voorzieningenrechter heeft vervolgens op 16 januari 2026 bepaald dat [de gedaagde] uiterlijk 9 februari 2026 stukken aan mr. Ceelen moet verstrekken waaruit blijkt dat [de gedaagde] het renteaanbod heeft geaccepteerd en dat hij alle documenten die BLG nodig heeft al heeft verstrekt bij het accepteren van het aanbod. Op 10 februari 2026 heeft mr. Ceelen de rechtbank geïnformeerd dat zij geen stukken heeft ontvangen van [de gedaagde] . De voorzieningenrechter heeft [de gedaagde] verzocht om uiterlijk 17 februari 2026 te reageren. Op 16 februari 2026 heeft [de gedaagde] het renteaanbod zoals door hem ingevuld aan de rechtbank toegestuurd en een door hem en [de gedaagde] op 26 januari 2026 ondertekend document voor het aanvragen van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid bij SVn. [de gedaagde] heeft onvoldoende aangetoond dat hij [de eiser] kan ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid 4.4. De vraag in deze zaak is of van [de eiser] verwacht kan worden dat zij nog langer afwacht of [de gedaagde] in staat is om haar te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet het geval, hieronder wordt dat nader toegelicht. 4.5. Op grond van het echtscheidingsconvenant wordt de woning aan [de gedaagde] toegedeeld onder de voorwaarde dat hij [de eiser] kan ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Hoewel partijen geen harde termijn hebben afgesproken, blijkt uit het convenant dat het streven van partijen was dat de toedeling binnen een maand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking gerealiseerd zou worden. Dit betekent dat het de bedoeling was dat de woning uiterlijk in augustus 2023 zou worden toegedeeld aan [de eiser] . Hoewel [de gedaagde] een tijdlijn heeft gegeven voor de aanvraag vanaf augustus 2025 is niet volledig duidelijk geworden waarom het tot die tijd niet is gelukt om [de eiser] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Volgens [de gedaagde] kwam dat omdat hij flexibel werk had, maar dat betekent dat [de gedaagde] in die periode inderdaad niet in staat was om [de eiser] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan. Er is mogelijk geen formele afwijzing van SVn/BLG geweest, maar dat is ook niet mogelijk als [de gedaagde] op basis van de voorspelling dat hij geen hypotheek kon krijgen nooit de aanvraag heeft doorgezet. Ter zitting was niet zeker of [de gedaagde] [de eiser] kon ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. 4.6. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter besproken dat [de eiser] inderdaad al langdurig wacht om ontslagen te worden uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, dat het niet duidelijk is waarom dit nog niet is gebeurd, dat er in mei ook al signalen waren dat het zou lukken en dat het ook niet duidelijk is waarom het sinds augustus 2025 nog niet gelukt is om [de eiser] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. [de eiser] heeft daarom in beginsel recht op verkoop van de woning. 4.7. Omdat [de gedaagde] aangaf dat hij op korte termijn het renteaanbod zou ontvangen, heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [de gedaagde] nog tot de vonnisdatum kon aantonen dat hij de woning kan overnemen. Als het binnen die tijd voor [de gedaagde] niet zou lukken om de woning over te nemen, zou volgens het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter de woning verkocht moeten worden. Aan [de gedaagde] is meegegeven dat hij derhalve alles op alles moet zetten om in die twee weken de woning over te nemen. 4.8. Vervolgens heeft [de gedaagde] wel een renteaanbod ontvangen, maar hieruit bleek nog niet dat [de gedaagde] de woning kon overnemen. Om zowel het belang van [de eiser] te behartigen dat er op korte termijn duidelijkheid komt, als het belang van [de gedaagde] om de woning over te kunnen nemen, heeft de voorzieningenrechter uitstel verleend van de vonnisdatum. [de gedaagde] werd in de gelegenheid gesteld om het renteaanbod te accepteren met gelijktijdige indiening van alle gevraagde stukken. Hierdoor kon BLG op korte termijn een hypotheekofferte aanbieden. [de gedaagde] heeft echter, in strijd met de instructie van de voorzieningenrechter, hiervan geen bewijs verstrekt aan mr. Ceelen. Na sommatie van de rechtbank heeft [de gedaagde] het ingevulde renteaanbod en een ingevuld verzoek om [de eiser] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid verstrekt. Hieruit blijkt echter niet dat [de gedaagde] het renteaanbod met alle gevraagde documenten heeft ingediend bij BLG. [de gedaagde] heeft daarom, ondanks de regie van de voorzieningenrechter, onvoldoende aangetoond dat hij alles op alles heeft gezet om [de eiser] tijdig te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. [de gedaagde] heeft daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij [de eiser] op korte termijn met zekerheid kan ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. 4.9. Voorgaande in acht genomen wordt [de gedaagde] verplicht om mee te werken aan verkoop van de woning. De primaire vordering van [de eiser] om haar op grond van artikel 3:174 BW te machtigen om de woning te gelde te maken wordt afgewezen.