Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-05-13
ECLI:NL:RBGEL:2026:3829
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,726 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3829 text/xml public 2026-05-18T15:52:07 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-13 05/004929-26 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3829 text/html public 2026-05-13T15:39:17 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3829 Rechtbank Gelderland , 13-05-2026 / 05/004929-26 Man veroordeeld wegens diefstal. Oplegging ISD-maatregel. De man toont (ook ter terechtzitting) geen enkel probleembesef, heeft geen hulpvraag en staat niet open voor begeleiding. Het inzetten van reguliere hulpverlening is daarom niet zinvol. Verder hing de oplegging van een ISD-maatregel hem bij zijn vorige rechtszaak al boven het hoofd en had het hem duidelijk moeten zijn dat hem toen een laatste kans werd geboden, maar die waarschuwing heeft hem er niet van weerhouden wederom een strafbaar feit te plegen. Dat is voor de rechtbank een duidelijk signaal dat het de man zonder ISD-maatregel niet zal lukken om tot gedragsverandering te komen en dat er dus geen alternatieven voor de ISD-maatregel zijn. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/004929-26 Datum uitspraak : 13 mei 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Letland), op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] . Raadsman: mr. B. Pernot, advocaat in Wijchen. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 6 januari 2026 te Winssen, gemeente Beuningen een zak met lege blikjes (ter waarde van 95 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan JUMBO, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd. Beoordeling door de rechtbank Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte van 6 januari 2026, p. 5; - het proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2026, p. 19-20; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 april 2026. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 6 januari 2026 te Winssen, gemeente Beuningen een zak met lege blikjes (ter waarde van 95 euro), in elk geval enig goed, dat /die geheel of ten dele aan JUMBO , in elk geval aan een ander toebehoorde (n) , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: diefstal 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt opgelegd voor de duur van twee jaren (hierna: ISD-maatregel). Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair gevraagd geen ISD-maatregel op te leggen, maar een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Bij verdachte is nooit geprobeerd om hulpverlening daadwerkelijk van de grond te laten komen, terwijl oplegging van de ISD-maatregel pas in beeld kan komen als alle andere mogelijkheden niet effectief zijn gebleken. Verder is de verwachting dat verdachte niet zal meewerken aan enige behandeling en is de ISD-maatregel niet passend en zinvol te achten als oplegging daarvan dan zou neerkomen op een langdurige detentie zonder zorg of begeleiding. Daarbij wil de IND dat verdachte Nederland verlaat. Volgens de OM-richtlijn is de invulling van de ISD-maatregel dan gericht op terugkeer naar het land van herkomst, terwijl verdachte geen binding met Letland heeft. Subsidiair is gevraagd de duur van de ISD-maatregel te beperken tot één jaar, het reeds ondergane voorarrest op de duur in mindering te brengen, en daarnaast te bepalen dat na zes maanden de noodzaak van de voortzetting van de ISD-maatregel wordt beoordeeld. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een groot aantal lege blikjes bij Jumbo. Een dergelijk feit is erg vervelend voor Jumbo, nu het niet alleen schade veroorzaakt, maar ook de nodige tijd en overlast. De reclassering schrijft in haar advies van 17 april 2026 onder meer dat het leefgebied financiën als direct delict gerelateerd wordt beschouwd. Verdachte heeft geen stabiel inkomen of werk en heeft aangegeven delicten te plegen ter voorziening in zijn levensonderhoud. Ook het leefgebied houding en gedrag wordt als direct delict gerelateerd ingeschat. Verdachte toont geen probleembesef ten aanzien van zijn handelen en laat een pro-criminele houding zien. Zijn overtuiging dat zijn problemen zijn opgelost zodra hij weer over een identiteitsbewijs beschikt en weer kan werken, wordt door de reclassering niet gedeeld. Ook in perioden waarin hij wel over geldige documenten beschikte, kwam hij herhaaldelijk in beeld voor strafbare feiten. Verdachte staat niet open voor enige vorm van hulpverlening. Hij wordt besproken binnen het veelplegersoverleg in het Zorg- en Veiligheidshuis Nijmegen. Er zijn geen beschermende factoren vast te stellen. De reclassering ziet geen aanknopingspunten om een plan van aanpak op te stellen middels een reclasseringstoezicht. Dat tot op heden geen hulpverlening is ingezet, komt omdat dit volgens de reclassering niet mogelijk is gebleken. Verdachte heeft geen enkel probleembesef en staat niet open voor begeleiding of ondersteuning. Ondanks dat er op dat vlak nog weinig is geprobeerd, acht de reclassering het niet zinvol om eerst reguliere hulpverlening in te zetten, gezien de houding van verdachte en het ontbreken van motivatie tot verandering. De reclassering schat het risico op recidive en het onttrekken aan voorwaarden als hoog in. Zij adviseert een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Oplegging ISD-maatregel Aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt de wet een aantal eisen. De rechtbank stelt vast dat het door verdachte begane feit een misdrijf is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verder is verdachte in de vijf jaren voorafgaande aan het bewezenverklaarde feit ten minste drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. Gelet op het aantal feiten waarvoor verdachte onherroepelijk is veroordeeld en het feit dat in dit vonnis tot een bewezenverklaring heeft geleid, is sprake van een actieve veelpleger.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3829 text/xml public 2026-05-18T15:52:07 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-13 05/004929-26 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3829 text/html public 2026-05-13T15:39:17 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3829 Rechtbank Gelderland , 13-05-2026 / 05/004929-26 Man veroordeeld wegens diefstal. Oplegging ISD-maatregel. De man toont (ook ter terechtzitting) geen enkel probleembesef, heeft geen hulpvraag en staat niet open voor begeleiding. Het inzetten van reguliere hulpverlening is daarom niet zinvol. Verder hing de oplegging van een ISD-maatregel hem bij zijn vorige rechtszaak al boven het hoofd en had het hem duidelijk moeten zijn dat hem toen een laatste kans werd geboden, maar die waarschuwing heeft hem er niet van weerhouden wederom een strafbaar feit te plegen. Dat is voor de rechtbank een duidelijk signaal dat het de man zonder ISD-maatregel niet zal lukken om tot gedragsverandering te komen en dat er dus geen alternatieven voor de ISD-maatregel zijn. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/004929-26 Datum uitspraak : 13 mei 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Letland), op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] . Raadsman: mr. B. Pernot, advocaat in Wijchen. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 6 januari 2026 te Winssen, gemeente Beuningen een zak met lege blikjes (ter waarde van 95 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan JUMBO, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd. Beoordeling door de rechtbank Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte van 6 januari 2026, p. 5; - het proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2026, p. 19-20; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 april 2026. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 6 januari 2026 te Winssen, gemeente Beuningen een zak met lege blikjes (ter waarde van 95 euro), in elk geval enig goed, dat /die geheel of ten dele aan JUMBO , in elk geval aan een ander toebehoorde (n) , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: diefstal 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt opgelegd voor de duur van twee jaren (hierna: ISD-maatregel). Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair gevraagd geen ISD-maatregel op te leggen, maar een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Bij verdachte is nooit geprobeerd om hulpverlening daadwerkelijk van de grond te laten komen, terwijl oplegging van de ISD-maatregel pas in beeld kan komen als alle andere mogelijkheden niet effectief zijn gebleken. Verder is de verwachting dat verdachte niet zal meewerken aan enige behandeling en is de ISD-maatregel niet passend en zinvol te achten als oplegging daarvan dan zou neerkomen op een langdurige detentie zonder zorg of begeleiding. Daarbij wil de IND dat verdachte Nederland verlaat. Volgens de OM-richtlijn is de invulling van de ISD-maatregel dan gericht op terugkeer naar het land van herkomst, terwijl verdachte geen binding met Letland heeft. Subsidiair is gevraagd de duur van de ISD-maatregel te beperken tot één jaar, het reeds ondergane voorarrest op de duur in mindering te brengen, en daarnaast te bepalen dat na zes maanden de noodzaak van de voortzetting van de ISD-maatregel wordt beoordeeld. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een groot aantal lege blikjes bij Jumbo. Een dergelijk feit is erg vervelend voor Jumbo, nu het niet alleen schade veroorzaakt, maar ook de nodige tijd en overlast. De reclassering schrijft in haar advies van 17 april 2026 onder meer dat het leefgebied financiën als direct delict gerelateerd wordt beschouwd. Verdachte heeft geen stabiel inkomen of werk en heeft aangegeven delicten te plegen ter voorziening in zijn levensonderhoud. Ook het leefgebied houding en gedrag wordt als direct delict gerelateerd ingeschat. Verdachte toont geen probleembesef ten aanzien van zijn handelen en laat een pro-criminele houding zien. Zijn overtuiging dat zijn problemen zijn opgelost zodra hij weer over een identiteitsbewijs beschikt en weer kan werken, wordt door de reclassering niet gedeeld. Ook in perioden waarin hij wel over geldige documenten beschikte, kwam hij herhaaldelijk in beeld voor strafbare feiten. Verdachte staat niet open voor enige vorm van hulpverlening. Hij wordt besproken binnen het veelplegersoverleg in het Zorg- en Veiligheidshuis Nijmegen. Er zijn geen beschermende factoren vast te stellen. De reclassering ziet geen aanknopingspunten om een plan van aanpak op te stellen middels een reclasseringstoezicht. Dat tot op heden geen hulpverlening is ingezet, komt omdat dit volgens de reclassering niet mogelijk is gebleken. Verdachte heeft geen enkel probleembesef en staat niet open voor begeleiding of ondersteuning. Ondanks dat er op dat vlak nog weinig is geprobeerd, acht de reclassering het niet zinvol om eerst reguliere hulpverlening in te zetten, gezien de houding van verdachte en het ontbreken van motivatie tot verandering. De reclassering schat het risico op recidive en het onttrekken aan voorwaarden als hoog in. Zij adviseert een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Oplegging ISD-maatregel Aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt de wet een aantal eisen. De rechtbank stelt vast dat het door verdachte begane feit een misdrijf is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verder is verdachte in de vijf jaren voorafgaande aan het bewezenverklaarde feit ten minste drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. Gelet op het aantal feiten waarvoor verdachte onherroepelijk is veroordeeld en het feit dat in dit vonnis tot een bewezenverklaring heeft geleid, is sprake van een actieve veelpleger.
Volledig
Tegen hem zijn over een periode van vijf jaren processen-verbaal opgemaakt voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf. Daarmee stelt de rechtbank vast dat ook is voldaan aan de vereisten, gesteld in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, waaraan het Openbaar Ministerie is gebonden bij het vorderen van de ISD-maatregel. De rechtbank stelt verder vast dat verdachte veelvuldig recidiveert en de kans op verdere recidive als hoog wordt ingeschat. De vraag is of er – anders dan de ISD-maatregel – nog mogelijkheden zijn om gedragsverandering bij verdachte te bewerkstelligen om zo de recidive te beperken. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Verdachte is een notoire veelpleger. Hij heeft geen vaste verblijfplaats, geen werk of uitkering en dus geen inkomen, en pleegt delicten om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Verdachte toont (ook ter terechtzitting) geen enkel probleembesef, heeft geen hulpvraag en staat niet open voor begeleiding. Het inzetten van reguliere hulpverlening is daarom niet zinvol. Verder hing de oplegging van een ISD-maatregel verdachte bij zijn vorige rechtszaak al boven het hoofd en had het hem duidelijk moeten zijn dat hem toen een laatste kans werd geboden, maar die waarschuwing heeft hem er niet van weerhouden wederom een strafbaar feit te plegen. Dat is voor de rechtbank een duidelijk signaal dat het verdachte zonder ISD-maatregel niet zal lukken om tot gedragsverandering te komen en dat er dus geen alternatieven voor de ISD-maatregel zijn. De vraag of verdachte gaat meewerken aan de invulling van de ISD-maatregel, is naar het oordeel van de rechtbank op voorhand niet te beantwoorden. Daar kan dus niet op vooruit worden gelopen. De omstandigheid dat verdachte op dit moment geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en mogelijk op enig moment naar Letland zal moeten terugkeren, maakt dat in dat geval de invulling van de ISD-maatregel mogelijk gericht zal zijn op terugkeer naar het land van herkomst. Dit is geen contra-indicatie voor het opleggen van een ISD-maatregel. Dat verdachte stelt geen binding met Letland te hebben, maakt niet dat niet anders. Deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd. Hulp en begeleiding bij terugkeer naar Letland binnen de ISD-maatregel kan dan ook zinvol zijn. Voorts wordt door het gedwongen kader van de ISD-maatregel in ieder geval de maatschappij beveiligd en krijgt verdachte - als hij daarvoor open staat - een kans om hulp en begeleiding te krijgen en aan zijn problematiek te werken. Gelet op de problematiek van verdachte en het feit dat deze problematiek direct samenhangt met het bewezenverklaarde feit, moet er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal plegen, zodat de veiligheid van personen en goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist. De maatregel strekt daarom tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte. Daarmee is aan de formele vereisten voor oplegging van de ISD-maatregel voldaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is. Gelet op het belang van beveiliging van de maatschappij en van beëindiging van de recidive van verdachte, en ook om tot een optimale oplossing van de problematiek van verdachte te komen, zal de rechtbank de ISD-maatregel voor de (maximale) duur van twee jaren opleggen. Er is immers nog niets opgestart en verdachte heeft al te kennen gegeven niet te willen meewerken. Om die reden ziet de rechtbank ook geen aanleiding om nu te bepalen dat een tussentijdse toets zal moeten plaatsvinden. De rechtbank zal verder de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht niet aftrekken van de duur van de maatregel, nu ook daartoe geen aanleiding is en dit afdoet aan de doelmatigheid van de maatregel. 8 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht. 9 De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaar . Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Veldhuizen (voorzitter), mr. J.J.H. van Laethem en mr. S. Jansen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Benbouazza, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 mei 2026. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] , hoofdagent bij de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026008276, gesloten op 7 januari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Volledig
Tegen hem zijn over een periode van vijf jaren processen-verbaal opgemaakt voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf. Daarmee stelt de rechtbank vast dat ook is voldaan aan de vereisten, gesteld in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, waaraan het Openbaar Ministerie is gebonden bij het vorderen van de ISD-maatregel. De rechtbank stelt verder vast dat verdachte veelvuldig recidiveert en de kans op verdere recidive als hoog wordt ingeschat. De vraag is of er – anders dan de ISD-maatregel – nog mogelijkheden zijn om gedragsverandering bij verdachte te bewerkstelligen om zo de recidive te beperken. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Verdachte is een notoire veelpleger. Hij heeft geen vaste verblijfplaats, geen werk of uitkering en dus geen inkomen, en pleegt delicten om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Verdachte toont (ook ter terechtzitting) geen enkel probleembesef, heeft geen hulpvraag en staat niet open voor begeleiding. Het inzetten van reguliere hulpverlening is daarom niet zinvol. Verder hing de oplegging van een ISD-maatregel verdachte bij zijn vorige rechtszaak al boven het hoofd en had het hem duidelijk moeten zijn dat hem toen een laatste kans werd geboden, maar die waarschuwing heeft hem er niet van weerhouden wederom een strafbaar feit te plegen. Dat is voor de rechtbank een duidelijk signaal dat het verdachte zonder ISD-maatregel niet zal lukken om tot gedragsverandering te komen en dat er dus geen alternatieven voor de ISD-maatregel zijn. De vraag of verdachte gaat meewerken aan de invulling van de ISD-maatregel, is naar het oordeel van de rechtbank op voorhand niet te beantwoorden. Daar kan dus niet op vooruit worden gelopen. De omstandigheid dat verdachte op dit moment geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en mogelijk op enig moment naar Letland zal moeten terugkeren, maakt dat in dat geval de invulling van de ISD-maatregel mogelijk gericht zal zijn op terugkeer naar het land van herkomst. Dit is geen contra-indicatie voor het opleggen van een ISD-maatregel. Dat verdachte stelt geen binding met Letland te hebben, maakt niet dat niet anders. Deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd. Hulp en begeleiding bij terugkeer naar Letland binnen de ISD-maatregel kan dan ook zinvol zijn. Voorts wordt door het gedwongen kader van de ISD-maatregel in ieder geval de maatschappij beveiligd en krijgt verdachte - als hij daarvoor open staat - een kans om hulp en begeleiding te krijgen en aan zijn problematiek te werken. Gelet op de problematiek van verdachte en het feit dat deze problematiek direct samenhangt met het bewezenverklaarde feit, moet er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal plegen, zodat de veiligheid van personen en goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist. De maatregel strekt daarom tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte. Daarmee is aan de formele vereisten voor oplegging van de ISD-maatregel voldaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is. Gelet op het belang van beveiliging van de maatschappij en van beëindiging van de recidive van verdachte, en ook om tot een optimale oplossing van de problematiek van verdachte te komen, zal de rechtbank de ISD-maatregel voor de (maximale) duur van twee jaren opleggen. Er is immers nog niets opgestart en verdachte heeft al te kennen gegeven niet te willen meewerken. Om die reden ziet de rechtbank ook geen aanleiding om nu te bepalen dat een tussentijdse toets zal moeten plaatsvinden. De rechtbank zal verder de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht niet aftrekken van de duur van de maatregel, nu ook daartoe geen aanleiding is en dit afdoet aan de doelmatigheid van de maatregel. 8 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht. 9 De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaar . Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Veldhuizen (voorzitter), mr. J.J.H. van Laethem en mr. S. Jansen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Benbouazza, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 mei 2026. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] , hoofdagent bij de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026008276, gesloten op 7 januari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.