Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-05-13
ECLI:NL:RBGEL:2026:3776
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,503 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3776 text/xml public 2026-05-20T17:00:13 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-13 ARN 25/2512 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zutphen Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3776 text/html public 2026-05-12T13:47:16 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3776 Rechtbank Gelderland , 13-05-2026 / ARN 25/2512 Aanvraag herbeoordeling arbeidsongeschiktheid ex-werknemer. Beroep ongegrond. Het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen is zorgvuldig geweest. De verzekeringsarts b&b heeft deugdelijk gemotiveerd dat de beperkingen van de ex-werknemer per datum in geding er niet toe leiden dat eiser volledig (en duurzaam) arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Ook voldoet eiser niet aan de criteria van gbm. Verzoek benoemen onafhankelijk deskundige is afgewezen. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Zutphen Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/2512 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats], eiseres (gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: R.V. Gerritsen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de herbeoordeling van de belastbaarheid van de (ex-) werknemer van eiseres (de (ex-)werknemer), op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de uitkomst van de herbeoordeling. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus daarom geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 30 mei 2023 een herbeoordeling aangevraagd van de belastbaarheid van de (ex-)werknemer. Met het besluit van 26 juli 2024 is de (ex-) werknemer volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt geacht. Met het bestreden besluit van 15 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De (ex-)werknemer heeft geen toestemming gegeven om medische gegevens te delen met zijn ex-werkgever, eiseres. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist dat alleen [gemachtigde 1] van de medische stukken kennis mag nemen. De rechtbank zal in de uitspraak geen medische informatie opnemen, om te voorkomen dat eiseres alsnog kennisneemt van de medische situatie van de (ex-)werknemer. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde 2] eiseres en de gemachtigde van het UWV. Beoordeling door de rechtbank De feiten 3. De (ex-)werknemer heeft gedurende gemiddeld 40 uur per week gewerkt als technisch merchandiser. Hij is op 17 juni 2019 uitgevallen voor dit werk wegens gezondheidsklachten. Na 104 weken arbeidsongeschiktheid heeft de werknemer een WIA-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 15 juni 2021 is aan de (ex-)werknemer met ingang van 14 juni 2021, einde wachttijd (EWT), een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend, omdat hij geen benutbare mogelijkheden (gbm) heeft. De medische situatie is niet duurzaam geacht door de verzekeringsarts. Met het besluit van 6 januari 2023 is de WIA-uitkering van de (ex-)werknemer met ingang van 1 maart 2023 omgezet in een loonaanvullingsuitkering. Totstandkoming van het (bestreden) besluit 4. Met het besluit van 26 juli 2024 wijzigt het UWV de uitkering van de (ex-werknemer) niet. De mogelijkheden van de (ex-)werknemer om te werken zijn namelijk per EWT doorlopend tot en met 26 juli 2024, zijnde de datum van de beoordeling door de verzekeringsarts, niet gewijzigd. De (ex-)werknemer heeft in de genoemde periode onverminderd gbm en deze situatie is nog steeds niet duurzaam. Aan het besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag van de verzekeringsarts. De bevindingen van de verzekeringsarts zijn vastgelegd in de rapportage van 26 juli 2024. 4.1. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 juli 2024. 4.2. Met het besluit van 15 januari 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Aan het besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b). Zij heeft haar bevindingen vastgelegd in de rapportages van 11 december 2024 en 8 januari 2025. De verzekeringsarts b&b ziet geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts dat er per 26 juli 2024 sprake is van een situatie van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden, die niet duurzaam is. Aanvullend overweegt de verzekeringsarts b&b dat er op 30 mei 2023, zijnde de datum van de aanvraag van de herbeoordeling, sprake is van een situatie van gbm, die eveneens niet duurzaam van aard is. De (ex-)werknemer heeft daarom geen recht op een IVA -uitkering. 5. Eiseres heeft – kort gezegd – aangevoerd dat de (ex-)werknemer per 26 juli 2024 duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is. Door de verzekeringsartsen is niet deugdelijk gemotiveerd dat er per 26 juli 2024 geen sprake is van een duurzame (medische) situatie. Voorts is het medisch onderzoek van de verzekeringsarts niet zorgvuldig geweest. Eiseres kan zelf geen medische informatie inbrengen en daarom had het UWV, ten behoeve van de equality of arms, informatie moeten opvragen bij de behandelaar van de (ex)-werknemer. Dat is ten onrechte niet gebeurd. Het had bovendien in de rede gelegen om een medisch onderzoek te verrichten voor het nemen van het besluit van 6 januari 2023 waarmee de loongerelateerde uitkering van de (ex-)werknemer is omgezet in een loonaanvullingsuitkering. Eiseres heeft bovendien verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen. 5.1. Het UWV heeft – kort gezegd – aangevoerd dat hetgeen bij beroepschrift naar voren is gebracht geen aanleiding geeft om het standpunt te wijzigen. 5.2. ( (Ex-)werknemer heeft verschillende aandoeningen. Er is sprake van klachten aan een onderdeel van het bewegingsapparaat, die de rechtbank zal aanduiden als ‘ziekte 1’. Daarnaast is sprake van een andere fysieke aandoening en geestelijke problemen, die de rechtbank respectievelijk zal aanduiden als ‘ziekte 2’ en ‘ziekte 3’. 5.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de (ex-)werknemer met ingang van 26 juli 2024 volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is op grond van ziekte 1. In geschil is of ziekte 2 en/of ziekte 3 per 26 juli 2024 grond geven voor het aannemen van een situatie van gbm. Bovendien is in geschil of de klachten voortvloeiend uit ziektes 2 en 3 duurzaam van aard zijn. Is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest? 6. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest. Het onderzoek in de primaire fase is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese en – op verzoek van de (ex-)werknemer – een telefonisch spreekuur met de verzekeringsarts. De door (ex-)werknemer naar voren gebrachte klachten zijn op een zorgvuldige en duidelijke wijze betrokken bij de medische beoordeling. De verzekeringsarts b&b heeft kennisgenomen van het dossier en van de in bezwaar nog nader ingebrachte medische stukken die betrekking hebben de diverse ziektes. Al die stukken zijn ook bij de beoordeling betrokken. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van de (ex-)werknemer hebben gemist. 6.1. Het standpunt van eiseres, dat er ten onrechte geen informatie bij de behandelaar van ziekte 3 is opgevraagd en dat het medisch onderzoek daardoor onzorgvuldig is geweest, wordt niet gevolgd.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3776 text/xml public 2026-05-20T17:00:13 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-13 ARN 25/2512 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zutphen Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3776 text/html public 2026-05-12T13:47:16 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3776 Rechtbank Gelderland , 13-05-2026 / ARN 25/2512 Aanvraag herbeoordeling arbeidsongeschiktheid ex-werknemer. Beroep ongegrond. Het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen is zorgvuldig geweest. De verzekeringsarts b&b heeft deugdelijk gemotiveerd dat de beperkingen van de ex-werknemer per datum in geding er niet toe leiden dat eiser volledig (en duurzaam) arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Ook voldoet eiser niet aan de criteria van gbm. Verzoek benoemen onafhankelijk deskundige is afgewezen. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Zutphen Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/2512 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats], eiseres (gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: R.V. Gerritsen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de herbeoordeling van de belastbaarheid van de (ex-) werknemer van eiseres (de (ex-)werknemer), op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de uitkomst van de herbeoordeling. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus daarom geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 30 mei 2023 een herbeoordeling aangevraagd van de belastbaarheid van de (ex-)werknemer. Met het besluit van 26 juli 2024 is de (ex-) werknemer volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt geacht. Met het bestreden besluit van 15 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De (ex-)werknemer heeft geen toestemming gegeven om medische gegevens te delen met zijn ex-werkgever, eiseres. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist dat alleen [gemachtigde 1] van de medische stukken kennis mag nemen. De rechtbank zal in de uitspraak geen medische informatie opnemen, om te voorkomen dat eiseres alsnog kennisneemt van de medische situatie van de (ex-)werknemer. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde 2] eiseres en de gemachtigde van het UWV. Beoordeling door de rechtbank De feiten 3. De (ex-)werknemer heeft gedurende gemiddeld 40 uur per week gewerkt als technisch merchandiser. Hij is op 17 juni 2019 uitgevallen voor dit werk wegens gezondheidsklachten. Na 104 weken arbeidsongeschiktheid heeft de werknemer een WIA-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 15 juni 2021 is aan de (ex-)werknemer met ingang van 14 juni 2021, einde wachttijd (EWT), een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend, omdat hij geen benutbare mogelijkheden (gbm) heeft. De medische situatie is niet duurzaam geacht door de verzekeringsarts. Met het besluit van 6 januari 2023 is de WIA-uitkering van de (ex-)werknemer met ingang van 1 maart 2023 omgezet in een loonaanvullingsuitkering. Totstandkoming van het (bestreden) besluit 4. Met het besluit van 26 juli 2024 wijzigt het UWV de uitkering van de (ex-werknemer) niet. De mogelijkheden van de (ex-)werknemer om te werken zijn namelijk per EWT doorlopend tot en met 26 juli 2024, zijnde de datum van de beoordeling door de verzekeringsarts, niet gewijzigd. De (ex-)werknemer heeft in de genoemde periode onverminderd gbm en deze situatie is nog steeds niet duurzaam. Aan het besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag van de verzekeringsarts. De bevindingen van de verzekeringsarts zijn vastgelegd in de rapportage van 26 juli 2024. 4.1. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 juli 2024. 4.2. Met het besluit van 15 januari 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Aan het besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b). Zij heeft haar bevindingen vastgelegd in de rapportages van 11 december 2024 en 8 januari 2025. De verzekeringsarts b&b ziet geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts dat er per 26 juli 2024 sprake is van een situatie van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden, die niet duurzaam is. Aanvullend overweegt de verzekeringsarts b&b dat er op 30 mei 2023, zijnde de datum van de aanvraag van de herbeoordeling, sprake is van een situatie van gbm, die eveneens niet duurzaam van aard is. De (ex-)werknemer heeft daarom geen recht op een IVA -uitkering. 5. Eiseres heeft – kort gezegd – aangevoerd dat de (ex-)werknemer per 26 juli 2024 duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is. Door de verzekeringsartsen is niet deugdelijk gemotiveerd dat er per 26 juli 2024 geen sprake is van een duurzame (medische) situatie. Voorts is het medisch onderzoek van de verzekeringsarts niet zorgvuldig geweest. Eiseres kan zelf geen medische informatie inbrengen en daarom had het UWV, ten behoeve van de equality of arms, informatie moeten opvragen bij de behandelaar van de (ex)-werknemer. Dat is ten onrechte niet gebeurd. Het had bovendien in de rede gelegen om een medisch onderzoek te verrichten voor het nemen van het besluit van 6 januari 2023 waarmee de loongerelateerde uitkering van de (ex-)werknemer is omgezet in een loonaanvullingsuitkering. Eiseres heeft bovendien verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen. 5.1. Het UWV heeft – kort gezegd – aangevoerd dat hetgeen bij beroepschrift naar voren is gebracht geen aanleiding geeft om het standpunt te wijzigen. 5.2. ( (Ex-)werknemer heeft verschillende aandoeningen. Er is sprake van klachten aan een onderdeel van het bewegingsapparaat, die de rechtbank zal aanduiden als ‘ziekte 1’. Daarnaast is sprake van een andere fysieke aandoening en geestelijke problemen, die de rechtbank respectievelijk zal aanduiden als ‘ziekte 2’ en ‘ziekte 3’. 5.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de (ex-)werknemer met ingang van 26 juli 2024 volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is op grond van ziekte 1. In geschil is of ziekte 2 en/of ziekte 3 per 26 juli 2024 grond geven voor het aannemen van een situatie van gbm. Bovendien is in geschil of de klachten voortvloeiend uit ziektes 2 en 3 duurzaam van aard zijn. Is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest? 6. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest. Het onderzoek in de primaire fase is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese en – op verzoek van de (ex-)werknemer – een telefonisch spreekuur met de verzekeringsarts. De door (ex-)werknemer naar voren gebrachte klachten zijn op een zorgvuldige en duidelijke wijze betrokken bij de medische beoordeling. De verzekeringsarts b&b heeft kennisgenomen van het dossier en van de in bezwaar nog nader ingebrachte medische stukken die betrekking hebben de diverse ziektes. Al die stukken zijn ook bij de beoordeling betrokken. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van de (ex-)werknemer hebben gemist. 6.1. Het standpunt van eiseres, dat er ten onrechte geen informatie bij de behandelaar van ziekte 3 is opgevraagd en dat het medisch onderzoek daardoor onzorgvuldig is geweest, wordt niet gevolgd.
Volledig
Uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de werkgever in geschillen over de arbeidsongeschiktheidswetten niet op geheel gelijke voet kan deelnemen aan het geding als het UWV, omdat zij niet de mogelijkheid heeft om medische informatie in te brengen. De werkgever kan niet veel anders dan trachten aannemelijk te maken dat het onderzoek van het UWV onvoldoende is geweest of dat de door het UWV gegeven motivering de beslissing niet kan dragen. De aard van de betrokken belangen brengt mee dat het UWV het besluit over de arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren. De rechtbank kan vervolgens die motivering toetsen. Uit de jurisprudentie volgt niet dat het UWV gehouden is om informatie bij de behandelaar van de werknemer op te vragen opdat de werkgever zijn standpunt kan onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank was de verzekeringsarts b&b niet gehouden om (meer) informatie bij de behandelaar op te vragen. De verzekeringsarts b&b heeft op 16 oktober 2024 informatie opgevraagd bij de huisarts. Er is toen informatie ontvangen en die informatie omvat ook brieven van de behandelaars van ziekte 3. Het gaat om brieven van 20 juli 2023, 20 september 2023, 3 november 2023 en 11 januari 2024. Deze bevinden zich in het dossier en de (gemachtigde) van de werkgever is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om de medische grondslag van de besluitvorming van het UWV aan te vechten. En aangezien er dus informatie beschikbaar was van de behandelaars, valt niet in te zien waarom de verzekeringsarts b&b daarnaast nog rechtstreeks informatie bij hen had moeten opvragen. De verzekeringsarts b&b heeft ook voldoende en inzichtelijk gemotiveerd hoe zij, mede aan de hand van die informatie, tot haar medisch oordeel is gekomen. De beroepsgrond slaagt niet. 6.2. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat de (ex-)werknemer ten onrechte niet medisch is onderzocht bij de ‘omzettingsbeslissing’ en dat daarom het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, kan deze beroepsgrond niet slagen. Het besluit van 6 januari 2023, en daarmee de zorgvuldigheid van het onderzoek dat ten grondslag ligt aan dat besluit, ligt in deze procedure namelijk niet ter toetsing voor (eiseres heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen dat besluit). Zijn de arbeidsbeperkingen van de (ex-)werknemer per 26 juli 2024 duurzaam? Ziekte 2 7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b deugdelijk gemotiveerd dat de beperkingen die de (ex-)werknemer per 26 juli 2024 ondervond vanwege ziekte 2 er niet toe leiden dat hij volledig (en duurzaam) arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. De verzekeringsarts b&b heeft in de rapportage van 11 december 2024 en de aanvullende rapportage van 15 december 2025, overgelegd in beroep, op inzichtelijke en overtuigende wijze onderbouwd dat uit de informatie van de curatieve sector volgt dat de klachten die hij ondervond op de datum in geding zeer beperkt waren. De (ex-)werknemer is uiteindelijk ontslagen uit controle, nadat de klachten beperkt bleven en stabiel waren. De verzekeringsarts b&b heeft het standpunt van eiseres, dat de (ex-)werknemer wegens ziekte 2 volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht, ook gemotiveerd weerlegd. De rechtbank volgt de verzekeringsarts b&b in die motivering. Daarbij acht de rechtbank van belang dat door eiseres ingebrachte medische informatie, waaruit volgt dat ziekte 2 tot forse beperkingen kan leiden, algemene informatie betreft en niet is toegespitst op de (ex-) werknemer. Dit is door de gemachtigde van eiseres tijdens de zitting ook erkend. Hij heeft daarnaast op de zitting aangeven dat hij niet nader kan toelichten waaruit volgt dat de ingebrachte informatie over ziekte 2 van toepassing is op de situatie van de (ex-) werknemer. 7.1. Eiseres heeft verder naar voren gebracht dat de ex-werknemer voldoet aan de criteria van gbm, omdat hij sterk wisselende mogelijkheden heeft. Het standpunt van eiseres, dat bij de ex-werknemer sprake is van een sterk wisselende belastbaarheid over een aanzienlijke periode, wordt niet gevolgd. Van een wisselende belastbaarheid bij de ex-werknemer is niet gebleken. 7.2. Omdat geen sprake is van een situatie van volledige arbeidsongeschiktheid, behoeven de beroepsgronden die zien op de duurzaamheid van de medische beperkingen geen bespreking. Ziekte 3 8. Voorts heeft de verzekeringsarts b&b deugdelijk gemotiveerd dat de (ex-)werknemer per 26 juli 2024 op grond van ziekte 3 niet volledig (en duurzaam) arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. De rechtbank legt dat hieronder uit. De verzekeringsarts b&b heeft onder meer overwogen: “Per 30-5-2023 (…) is er reden om uit te gaan van ‘geen benutbare mogelijkheden als gevolg van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren door een ernstige psychische stoornis en opname in een ziekenhuis. Cliënt was op 30-5-2023 daadwerkelijk opgenomen maar dit was voor korte duur. Los van de opname was er op dat moment zoals beschreven een ernstige ontregeling waarvoor intensieve (klinische) behandeling was aangewezen waardoor client sterk disfunctioneerde op persoonlijk en sociaal vlak. Per 30-5-2023 was er echter geen reden om uit te gaan van een duurzame situatie. Behandeling was gericht op verbetering van de situatie waarbij het doel was (...). Uiteindelijk is behandeling (door niet op afspraken verschijnen door client) niet goed van de grond gekomen. Dit maakt echter de inschatting van de kans op verbetering (…) niet uit. Per 30-5-2023 was er middels intensieve herstel gerichte behandeling een meer dan geringe kans op verbetering van mogelijkheden op redelijke termijn (…). Hoewel er in april 2024 nog een terugval was (…) was er enige tijd hiervoor en hierna al geen behandeling meer voor (…). Er waren in deze periode ook geen aanwijzingen voor ernstige psychische ontregeling (zoals eerder het geval was) en er was ook geen wens voor behandeling. (…) Hoewel er aanleiding is om te vermoeden dat er per 26-7-2024 nog psychische ziekte in enge zin was gezien de voorgeschiedenis, is er, gezien de correspondentie van de huisarts, geen reden meer om uit te gaan van een ernstige psychische stoornis waardoor er een onvermogen was tot persoonlijk en sociaal functioneren per 26-7-2024. Het is verder aannemelijk dat wat de beperkingen (…) nog wel verbetering te verwachten was. Behandeling voor (…) was niet meer acuut en zeer intensief nodig gezien (…) maar onderhoudstherapie (zoals voorgeschreven door (…) was nog altijd van toepassing te achten. Verder was het volgens (…) van belang om aandacht te hebben voor de uitwerking van persoonlijke problematiek tijdens verdere behandeling(…).” “(…) Cliënt heeft de afgelopen jaren behandeling niet adequaat gevolgd. Psychische behandeling is door het niet goed meewerken van cliënt in 2023 en 2024 niet goed van de grond gekomen. Verder is er nog immer reden om behandeling gericht op verbetering in te zetten gezien de situatie (zie hiervoor de brieven van de psychologen waaruit geen medische contra indicatie voor behandeling blijkt) en cliënt is ook recent weer verwezen voor behandeling gericht op (…). Benoemd moet nog worden dat zeker in casu de (…) niet op zichzelf staan. Onderliggende problematiek zullen deze zeker luxeren (…). Deze onderliggende (…) dient onderzocht te worden en vervolgens behandeld te worden om de vicieuze cirkel (…) adequaat te doorbreken(…).” De rechtbank acht die motivering inzichtelijk en navolgbaar. Hierna zal specifiek worden ingegaan op de beroepsgronden van eiseres ten aanzien van ziekte 3. 8.1. Eiseres heeft aangevoerd dat de (ex-)werknemer al vijf jaar (adequaat) in behandeling is en dat de behandeling (inmiddels) gericht is op stabilisatie en niet (langer) op herstel. Daarom is er sprake van een duurzame situatie van gbm en heeft de verzekeringsarts b&b ten onrechte overwogen dat dit niet zo is. Ook is het stappenplan van de CRvB niet (goed) gevolgd. 8.1.1. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. De verzekeringsarts b&b heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van een (duurzame) situatie van gbm.
Volledig
Uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de werkgever in geschillen over de arbeidsongeschiktheidswetten niet op geheel gelijke voet kan deelnemen aan het geding als het UWV, omdat zij niet de mogelijkheid heeft om medische informatie in te brengen. De werkgever kan niet veel anders dan trachten aannemelijk te maken dat het onderzoek van het UWV onvoldoende is geweest of dat de door het UWV gegeven motivering de beslissing niet kan dragen. De aard van de betrokken belangen brengt mee dat het UWV het besluit over de arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren. De rechtbank kan vervolgens die motivering toetsen. Uit de jurisprudentie volgt niet dat het UWV gehouden is om informatie bij de behandelaar van de werknemer op te vragen opdat de werkgever zijn standpunt kan onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank was de verzekeringsarts b&b niet gehouden om (meer) informatie bij de behandelaar op te vragen. De verzekeringsarts b&b heeft op 16 oktober 2024 informatie opgevraagd bij de huisarts. Er is toen informatie ontvangen en die informatie omvat ook brieven van de behandelaars van ziekte 3. Het gaat om brieven van 20 juli 2023, 20 september 2023, 3 november 2023 en 11 januari 2024. Deze bevinden zich in het dossier en de (gemachtigde) van de werkgever is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om de medische grondslag van de besluitvorming van het UWV aan te vechten. En aangezien er dus informatie beschikbaar was van de behandelaars, valt niet in te zien waarom de verzekeringsarts b&b daarnaast nog rechtstreeks informatie bij hen had moeten opvragen. De verzekeringsarts b&b heeft ook voldoende en inzichtelijk gemotiveerd hoe zij, mede aan de hand van die informatie, tot haar medisch oordeel is gekomen. De beroepsgrond slaagt niet. 6.2. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat de (ex-)werknemer ten onrechte niet medisch is onderzocht bij de ‘omzettingsbeslissing’ en dat daarom het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, kan deze beroepsgrond niet slagen. Het besluit van 6 januari 2023, en daarmee de zorgvuldigheid van het onderzoek dat ten grondslag ligt aan dat besluit, ligt in deze procedure namelijk niet ter toetsing voor (eiseres heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen dat besluit). Zijn de arbeidsbeperkingen van de (ex-)werknemer per 26 juli 2024 duurzaam? Ziekte 2 7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b deugdelijk gemotiveerd dat de beperkingen die de (ex-)werknemer per 26 juli 2024 ondervond vanwege ziekte 2 er niet toe leiden dat hij volledig (en duurzaam) arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. De verzekeringsarts b&b heeft in de rapportage van 11 december 2024 en de aanvullende rapportage van 15 december 2025, overgelegd in beroep, op inzichtelijke en overtuigende wijze onderbouwd dat uit de informatie van de curatieve sector volgt dat de klachten die hij ondervond op de datum in geding zeer beperkt waren. De (ex-)werknemer is uiteindelijk ontslagen uit controle, nadat de klachten beperkt bleven en stabiel waren. De verzekeringsarts b&b heeft het standpunt van eiseres, dat de (ex-)werknemer wegens ziekte 2 volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht, ook gemotiveerd weerlegd. De rechtbank volgt de verzekeringsarts b&b in die motivering. Daarbij acht de rechtbank van belang dat door eiseres ingebrachte medische informatie, waaruit volgt dat ziekte 2 tot forse beperkingen kan leiden, algemene informatie betreft en niet is toegespitst op de (ex-) werknemer. Dit is door de gemachtigde van eiseres tijdens de zitting ook erkend. Hij heeft daarnaast op de zitting aangeven dat hij niet nader kan toelichten waaruit volgt dat de ingebrachte informatie over ziekte 2 van toepassing is op de situatie van de (ex-) werknemer. 7.1. Eiseres heeft verder naar voren gebracht dat de ex-werknemer voldoet aan de criteria van gbm, omdat hij sterk wisselende mogelijkheden heeft. Het standpunt van eiseres, dat bij de ex-werknemer sprake is van een sterk wisselende belastbaarheid over een aanzienlijke periode, wordt niet gevolgd. Van een wisselende belastbaarheid bij de ex-werknemer is niet gebleken. 7.2. Omdat geen sprake is van een situatie van volledige arbeidsongeschiktheid, behoeven de beroepsgronden die zien op de duurzaamheid van de medische beperkingen geen bespreking. Ziekte 3 8. Voorts heeft de verzekeringsarts b&b deugdelijk gemotiveerd dat de (ex-)werknemer per 26 juli 2024 op grond van ziekte 3 niet volledig (en duurzaam) arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. De rechtbank legt dat hieronder uit. De verzekeringsarts b&b heeft onder meer overwogen: “Per 30-5-2023 (…) is er reden om uit te gaan van ‘geen benutbare mogelijkheden als gevolg van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren door een ernstige psychische stoornis en opname in een ziekenhuis. Cliënt was op 30-5-2023 daadwerkelijk opgenomen maar dit was voor korte duur. Los van de opname was er op dat moment zoals beschreven een ernstige ontregeling waarvoor intensieve (klinische) behandeling was aangewezen waardoor client sterk disfunctioneerde op persoonlijk en sociaal vlak. Per 30-5-2023 was er echter geen reden om uit te gaan van een duurzame situatie. Behandeling was gericht op verbetering van de situatie waarbij het doel was (...). Uiteindelijk is behandeling (door niet op afspraken verschijnen door client) niet goed van de grond gekomen. Dit maakt echter de inschatting van de kans op verbetering (…) niet uit. Per 30-5-2023 was er middels intensieve herstel gerichte behandeling een meer dan geringe kans op verbetering van mogelijkheden op redelijke termijn (…). Hoewel er in april 2024 nog een terugval was (…) was er enige tijd hiervoor en hierna al geen behandeling meer voor (…). Er waren in deze periode ook geen aanwijzingen voor ernstige psychische ontregeling (zoals eerder het geval was) en er was ook geen wens voor behandeling. (…) Hoewel er aanleiding is om te vermoeden dat er per 26-7-2024 nog psychische ziekte in enge zin was gezien de voorgeschiedenis, is er, gezien de correspondentie van de huisarts, geen reden meer om uit te gaan van een ernstige psychische stoornis waardoor er een onvermogen was tot persoonlijk en sociaal functioneren per 26-7-2024. Het is verder aannemelijk dat wat de beperkingen (…) nog wel verbetering te verwachten was. Behandeling voor (…) was niet meer acuut en zeer intensief nodig gezien (…) maar onderhoudstherapie (zoals voorgeschreven door (…) was nog altijd van toepassing te achten. Verder was het volgens (…) van belang om aandacht te hebben voor de uitwerking van persoonlijke problematiek tijdens verdere behandeling(…).” “(…) Cliënt heeft de afgelopen jaren behandeling niet adequaat gevolgd. Psychische behandeling is door het niet goed meewerken van cliënt in 2023 en 2024 niet goed van de grond gekomen. Verder is er nog immer reden om behandeling gericht op verbetering in te zetten gezien de situatie (zie hiervoor de brieven van de psychologen waaruit geen medische contra indicatie voor behandeling blijkt) en cliënt is ook recent weer verwezen voor behandeling gericht op (…). Benoemd moet nog worden dat zeker in casu de (…) niet op zichzelf staan. Onderliggende problematiek zullen deze zeker luxeren (…). Deze onderliggende (…) dient onderzocht te worden en vervolgens behandeld te worden om de vicieuze cirkel (…) adequaat te doorbreken(…).” De rechtbank acht die motivering inzichtelijk en navolgbaar. Hierna zal specifiek worden ingegaan op de beroepsgronden van eiseres ten aanzien van ziekte 3. 8.1. Eiseres heeft aangevoerd dat de (ex-)werknemer al vijf jaar (adequaat) in behandeling is en dat de behandeling (inmiddels) gericht is op stabilisatie en niet (langer) op herstel. Daarom is er sprake van een duurzame situatie van gbm en heeft de verzekeringsarts b&b ten onrechte overwogen dat dit niet zo is. Ook is het stappenplan van de CRvB niet (goed) gevolgd. 8.1.1. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. De verzekeringsarts b&b heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van een (duurzame) situatie van gbm.
Volledig
Hiervoor wordt verwezen naar het hiervoor vermelde citaat, vooral het tweede deel. Hetgeen de verzekeringsarts b&b daarover schrijft, komt erop neer dat de (ex-)werknemer adequate, succesvolle, behandelingen heeft gehad – ook na een terugval in mei 2023 – en dat die gericht waren op herstel, niet op stabilisatie. Dankzij de behandeling is een deel van ziekte 3 in remissie op de datum in geding. Op dat moment waren er nog wel enige beperkingen maar geen situatie van gbm. Er is nog nadere behandeling nodig én mogelijk, ook voor andere onderdelen van ziekte 3, maar dat kwam (verder) niet van de grond omdat de (ex-)werknemer niet meer op afspraken kwam. De rechtbank leidt uit de rapportage van de verzekeringsarts b&b af, dat zolang de behandeling mogelijk is maar die behandeling niet wordt gevolgd, er geen sprake is van een duurzame situatie. De rechtbank deelt het standpunt van de verzekeringsarts b&b dat als er wel een adequate behandeling mogelijk is maar de (ex-)werknemer die niet volgt, niet geoordeeld kan worden dat de bestaande situatie – of de beperkingen die voorvloeien uit de behandelbare aandoening (ziekte 3) – duurzaam zijn. Dat is mogelijk anders als hij niet in staat is om die behandeling aan te gaan, maar de medische informatie uit het dossier bevat geen aanknopingspunten dat die situatie zich in dit geval voordoet. Uit de rapportages van de verzekeringsarts b&b blijkt ook voldoende dat zij het stappenplan heeft betrokken bij haar beoordeling. 8.1.2. Eiseres heeft ook aangevoerd dat de verzekeringsartsen niet hebben geconcretiseerd welke behandelingen de (ex-)werknemer nog zou kunnen volgen. Dit argument mist feitelijke grondslag. De primaire verzekeringsarts, [naam arts], heeft in zijn rapportage van 26 juli 2024 namelijk aangegeven welke behandelingen de (ex-)werknemer nog zou kunnen volgen. Daarmee is een deugdelijke, voldoende concrete op de situatie van de (ex-)werknemer toegespitste beoordeling verricht. De verzekeringsarts b&b heeft nader geconcretiseerd hoe de behandelopties de functionele beperkingen van de (ex-)werknemer kunnen verbeteren. 8.1.3. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat de therapie ontrouw van de (ex-)werknemer in de weg staat aan behandeling van ziekte 3 en dat de verzekeringsarts b&b daarom ten onrechte geen duurzaamheid van de klachten heeft aangenomen. De beroepsgrond slaagt niet. Uit de rapportage van de verzekeringsarts b&b blijkt dat binnen ziekte 3 er meerdere aspecten zijn die een rol spelen en die er aan bijdragen dat de (ex-)werknemer niet naar de afspraken komt waardoor de behandeling voortijdig wordt gestaakt. Er moet op meerdere fronten behandeling ingezet worden. Hoewel dat niet expliciet wordt benoemd door de verzekeringsarts b&b blijkt uit haar rapportage wel dat zij niet van mening is dat de therapieontrouw, ten gevolge van een deel van de problematiek, in de weg staat aan verdere behandeling en dat ook de behandelend sector die mening kennelijk niet is toegedaan. Dit volgt uit de hiervoor geciteerde zinsnede: “(…) Verder is er nog immer reden om behandeling gericht op verbetering in te zetten gezien de situatie (zie hiervoor de brieven van de psychologen waaruit geen medische contra indicatie voor behandeling blijkt) en cliënt is ook recent weer verwezen voor behandeling gericht op (…).” Daarnaast heeft de verzekeringsarts in haar rapport van 8 januari 2025, mede naar aanleiding van de door eiseres opgeworpen vraag op grond waarvan de verzekeringsarts aanneemt dat het de komende twee jaar beter zal gaan met de (ex-)werknemer dan in de afgelopen jaren, geschreven in haar rapport van 8 januari 2025: “De vraag ligt niet voor of het in de komende 2 jaar beter zal gaan met cliënt. Deze vraag is te breed en er spelen hierbij niet enkel medische factoren een rol. De vraag die voorligt aan mij als arts is of er in het kader van de WIA per 30-5-2023 (…) sprake was van duurzame situatie (…).Gezien de voorliggende informatie was niet het geval in casu en voor de onderbouwing wil ik verwijzen naar mijn rapportage van 11-12-2024 (…).” Er is om die reden geen aanleiding om de motivering van de verzekeringsarts b&b, inhoudende dat een adequate behandeling voor een verbetering in de functionele belastbaarheid kan zorgen en dat de (ex-)werknemer een dergelijke behandeling kan volgen, voor onjuist te houden. Verzoek benoemen onafhankelijk deskundige 9. Eiseres heeft verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen. De rechtbank wijst het verzoek af. In het dossier is een aanzienlijke hoeveelheid medische informatie (van de behandelaars van de (ex-)werknemer) aanwezig. De verzekeringsartsen van het UWV hebben die informatie inzichtelijk bij hun beoordeling betrokken. Eiseres heeft een arts-gemachtigde ingeschakeld om de medische informatie in het dossier te duiden en medische gronden aan te voeren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om op grond van equality of arms een deskundige te benoemen. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Ook bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Uit het dossier volgt en ter zitting is gebleken dat de heer [gemachtigde 2] bedrijfsarts is. Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten. Uitspraak van de CRvB van 1 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD9589 en de uitspraak van 2 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3031. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3181. Rapportage van de verzekeringsarts b&b van 11 december 2024, p.9. Rapportage van de verzekeringsarts b&b van 11 december 2024, p.10. Uitspraak van de CRvB van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896. Uitspraak van de CRvB van 26 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:962.
Volledig
Hiervoor wordt verwezen naar het hiervoor vermelde citaat, vooral het tweede deel. Hetgeen de verzekeringsarts b&b daarover schrijft, komt erop neer dat de (ex-)werknemer adequate, succesvolle, behandelingen heeft gehad – ook na een terugval in mei 2023 – en dat die gericht waren op herstel, niet op stabilisatie. Dankzij de behandeling is een deel van ziekte 3 in remissie op de datum in geding. Op dat moment waren er nog wel enige beperkingen maar geen situatie van gbm. Er is nog nadere behandeling nodig én mogelijk, ook voor andere onderdelen van ziekte 3, maar dat kwam (verder) niet van de grond omdat de (ex-)werknemer niet meer op afspraken kwam. De rechtbank leidt uit de rapportage van de verzekeringsarts b&b af, dat zolang de behandeling mogelijk is maar die behandeling niet wordt gevolgd, er geen sprake is van een duurzame situatie. De rechtbank deelt het standpunt van de verzekeringsarts b&b dat als er wel een adequate behandeling mogelijk is maar de (ex-)werknemer die niet volgt, niet geoordeeld kan worden dat de bestaande situatie – of de beperkingen die voorvloeien uit de behandelbare aandoening (ziekte 3) – duurzaam zijn. Dat is mogelijk anders als hij niet in staat is om die behandeling aan te gaan, maar de medische informatie uit het dossier bevat geen aanknopingspunten dat die situatie zich in dit geval voordoet. Uit de rapportages van de verzekeringsarts b&b blijkt ook voldoende dat zij het stappenplan heeft betrokken bij haar beoordeling. 8.1.2. Eiseres heeft ook aangevoerd dat de verzekeringsartsen niet hebben geconcretiseerd welke behandelingen de (ex-)werknemer nog zou kunnen volgen. Dit argument mist feitelijke grondslag. De primaire verzekeringsarts, [naam arts], heeft in zijn rapportage van 26 juli 2024 namelijk aangegeven welke behandelingen de (ex-)werknemer nog zou kunnen volgen. Daarmee is een deugdelijke, voldoende concrete op de situatie van de (ex-)werknemer toegespitste beoordeling verricht. De verzekeringsarts b&b heeft nader geconcretiseerd hoe de behandelopties de functionele beperkingen van de (ex-)werknemer kunnen verbeteren. 8.1.3. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat de therapie ontrouw van de (ex-)werknemer in de weg staat aan behandeling van ziekte 3 en dat de verzekeringsarts b&b daarom ten onrechte geen duurzaamheid van de klachten heeft aangenomen. De beroepsgrond slaagt niet. Uit de rapportage van de verzekeringsarts b&b blijkt dat binnen ziekte 3 er meerdere aspecten zijn die een rol spelen en die er aan bijdragen dat de (ex-)werknemer niet naar de afspraken komt waardoor de behandeling voortijdig wordt gestaakt. Er moet op meerdere fronten behandeling ingezet worden. Hoewel dat niet expliciet wordt benoemd door de verzekeringsarts b&b blijkt uit haar rapportage wel dat zij niet van mening is dat de therapieontrouw, ten gevolge van een deel van de problematiek, in de weg staat aan verdere behandeling en dat ook de behandelend sector die mening kennelijk niet is toegedaan. Dit volgt uit de hiervoor geciteerde zinsnede: “(…) Verder is er nog immer reden om behandeling gericht op verbetering in te zetten gezien de situatie (zie hiervoor de brieven van de psychologen waaruit geen medische contra indicatie voor behandeling blijkt) en cliënt is ook recent weer verwezen voor behandeling gericht op (…).” Daarnaast heeft de verzekeringsarts in haar rapport van 8 januari 2025, mede naar aanleiding van de door eiseres opgeworpen vraag op grond waarvan de verzekeringsarts aanneemt dat het de komende twee jaar beter zal gaan met de (ex-)werknemer dan in de afgelopen jaren, geschreven in haar rapport van 8 januari 2025: “De vraag ligt niet voor of het in de komende 2 jaar beter zal gaan met cliënt. Deze vraag is te breed en er spelen hierbij niet enkel medische factoren een rol. De vraag die voorligt aan mij als arts is of er in het kader van de WIA per 30-5-2023 (…) sprake was van duurzame situatie (…).Gezien de voorliggende informatie was niet het geval in casu en voor de onderbouwing wil ik verwijzen naar mijn rapportage van 11-12-2024 (…).” Er is om die reden geen aanleiding om de motivering van de verzekeringsarts b&b, inhoudende dat een adequate behandeling voor een verbetering in de functionele belastbaarheid kan zorgen en dat de (ex-)werknemer een dergelijke behandeling kan volgen, voor onjuist te houden. Verzoek benoemen onafhankelijk deskundige 9. Eiseres heeft verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen. De rechtbank wijst het verzoek af. In het dossier is een aanzienlijke hoeveelheid medische informatie (van de behandelaars van de (ex-)werknemer) aanwezig. De verzekeringsartsen van het UWV hebben die informatie inzichtelijk bij hun beoordeling betrokken. Eiseres heeft een arts-gemachtigde ingeschakeld om de medische informatie in het dossier te duiden en medische gronden aan te voeren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om op grond van equality of arms een deskundige te benoemen. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Ook bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Uit het dossier volgt en ter zitting is gebleken dat de heer [gemachtigde 2] bedrijfsarts is. Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten. Uitspraak van de CRvB van 1 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD9589 en de uitspraak van 2 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3031. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3181. Rapportage van de verzekeringsarts b&b van 11 december 2024, p.9. Rapportage van de verzekeringsarts b&b van 11 december 2024, p.10. Uitspraak van de CRvB van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896. Uitspraak van de CRvB van 26 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:962.