Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-02-18
ECLI:NL:RBGEL:2026:3769
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,080 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3769 text/xml public 2026-05-13T13:56:53 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-02-18 11513582 CV EXPL 25-241 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zutphen Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3769 text/html public 2026-05-13T13:53:49 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3769 Rechtbank Gelderland , 18-02-2026 / 11513582 CV EXPL 25-241 Niet verschenen MB. Onbetaald gelaten facturen voor accountants- en advieswerkzaamheden. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: 11513582 \ CV EXPL 25-241 Vonnis van 18 februari 2026 in de zaak van GS ACCOUNTANTS & ADVISEURS B.V. , te Enschede, eisende partij, hierna te noemen: GS, gemachtigde: mr. M.H. Kreijkes, tegen [naam gedaagd bedrijf] B.V. , te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , procederend bij [vertegenwoordiger gedaagde] . 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 30 april 2025, - de op 3 november 2025 ingekomen akte overlegging producties van GS, - de mondelinge behandeling van 5 februari 2026. [de gedaagde] heeft verzocht een nadere datum vast te stellen voor deze behandeling, maar dit verzoek is afgewezen. [de gedaagde] is niet verschenen. Van de mondelinge behandeling zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. GS heeft op grond van een overeenkomst accountants- en advieswerkzaamheden verricht voor [de gedaagde] en voor de aan [de gedaagde] gelieerde vennootschappen [vennootschap gedaagde 1] B.V. (hierna: [vennootschap gedaagde 1] ) en [vennootschap gedaagde 2] B.V. (hierna: [vennootschap gedaagde 2] ). [de gedaagde] heeft bij het aangaan van de overeenkomst aangegeven bij Mazars onder het horizontaal toezicht te willen blijven vallen, waarna tussen [de gedaagde] en Mazars is afgesproken dat een aantal belastingaangiften door Mazars zou worden verzorgd. 2.2. GS heeft [de gedaagde] twee facturen doen toekomen die niet zijn betaald. De eerste factuur is gedateerd 10 april 2024 en deze heeft betrekking op het samenstellen van de jaarrekening over het boekjaar 2022 en op diverse accountancy advieswerkzaamheden. Het totaalbedrag van de factuur is € 1.120,00 exclusief btw/ € 1.355,20 inclusief btw. Hiervan heeft een deel groot € 950,00 exclusief btw/€ 1.149,50 inclusief btw betrekking op het samenstellen van de jaarrekening. De tweede factuur is gedateerd 24 mei 2024. Deze heeft betrekking op diverse accountancy advieswerkzaamheden en hierbij is verder vermeld: “Vragen Mazars beantwoorden voor VPB 2022” . Bij deze factuur is een bedrag van € 74,11 inclusief btw in rekening gebracht. 2.3. GS heeft verder op 10 april 2024 gedateerde facturen doen toekomen aan [vennootschap gedaagde 1] en [vennootschap gedaagde 2] . Aan deze vennootschappen zijn bedragen van achtereenvolgens € 1.102,50 exclusief btw/ € 1.334,03 inclusief btw en € 950,00 exclusief btw/€ 1.149,50 inclusief btw gefactureerd voor het samenstellen van de jaarrekening over het boekjaar 2022. Ook deze facturen zijn niet betaald. GS heeft genoemde vennootschappen bij dagvaardingen van 21 januari 2025 beide apart gedagvaard en betaling van onder meer de facturen gevorderd, die bij de kantonrechter bekend zijn onder zaakgegevens 11513605 CV EXPL 25-242 en 11513625 CV EXPL 25-243. 2.4. Bij e-mail van 17 april 2024 schrijft [de gedaagde] aan GS onder meer dat de facturen voor alle drie de vennootschappen zijn ontvangen. [de gedaagde] geeft daarbij aan dat de bedragen van “primaire basisbedragen” van twee maal € 950,00 en een maal € 1.102,50 niet in overeenstemming zijn met de gemaakte afspraken. GS reageert hierop bij e-mail van 22 april 2024 als volgt: “De gefactureerde prijzen (…) zijn hoger dan de gefactureerde bedragen voor de werkzaamheden voor de boekjaren 2020 en 2021 hetgeen met name komt door de huidig prijsinflatie welke wij doorberekend hebben. (…)” 3 Het geschil 3.1. GS vordert - samengevat - veroordeling van [de gedaagde] tot betaling van € 1.429,31, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 1.770, 25 vanaf 21 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening. 3.2. GS legt aan haar vordering ten grondslag dat [de gedaagde] de facturen moet betalen. [de gedaagde] is een bedrag van € 126,54 aan wettelijke handelsrente verschuldigd geworden omdat de vervaldatum van de facturen is verstreken. De gemachtigde van GS heeft buitengerechtelijke werkzaamheden verricht. Daarom moet [de gedaagde] buitengerechtelijke incassokosten vergoeden tot een bedrag van € 214,40. 3.3. [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] heeft verzocht gehoord te worden in een mondelinge behandeling. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. [de gedaagde] heeft gesteld dat GS relevante correspondentie ten onrechte niet in het geding heeft gebracht. Zij acht dit in strijd met de goede procesorde en concludeert dat GS niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit verweer wordt verworpen, omdat zelfs al zou moeten worden geoordeeld dat GS relevante correspondentie zou hebben achtergehouden, dit niet betekent dat de vordering niet kan worden beoordeeld. 4.2. Op de mondelinge behandeling heeft GS gesteld dat de (in 2022) afgesproken prijs voor het samenstellen van de jaarrekeningen € 850,00 exclusief btw bedroeg voor [de gedaagde] en [vennootschap gedaagde 2] en € 1.050,00 exclusief btw voor [vennootschap gedaagde 1] . Vast staat dat aan [de gedaagde] in plaats van € 850,00 een bedrag van € 950,00 is gefactureerd. GS heeft bij e-mail van 22 april 2024 aan [de gedaagde] uitgelegd dat dit is gedaan in verband met de prijsinflatie. 4.3. Tijdens de mondelinge behandeling is door GS erkend dat de prijsverhoging niet tussen partijen is overeengekomen. Er is wel gesproken over een door te voeren prijsverhoging (van 6%) maar dit is volgens GS enkel een mededeling van haar geweest. Een afspraak hierover is niet gemaakt. Desgevraagd heeft GS ook aangegeven dat nimmer is overeengekomen dat eenzijdig een prijswijziging zou kunnen worden doorgevoerd. Zo ontbreekt ook een bepaling in de tussen partijen overeengekomen algemene voorwaarden zoals [de gedaagde] terecht heeft gesteld. De conclusie die hieruit volgt is, dat [de gedaagde] de eenzijdig doorgevoerde prijsverhoging niet hoeft te betalen. 4.4. [de gedaagde] heeft voorts verweer gevoerd tegen het in rekening brengen van andere kosten dan die voor het samenstellen van de jaarrekening. Ook hierin wordt [de gedaagde] gevolgd. Partijen hebben een afspraak gemaakt voor het samenstellen van de jaarrekening. Dat er afspraken gemaakt zijn over het verrichten van andere werkzaamheden is niet gesteld of gebleken en door [de gedaagde] betwist. 4.5. Uit het bovenstaande volgt dat [de gedaagde] van de factuur van 10 april 2024 een bedrag van € 850,00 exclusief btw, dus € 1.028,50,00 inclusief btw moet betalen. Het bedrag dat bij de factuur van 24 mei 2024 in rekening is gebracht, is niet verschuldigd. 4.6. [de gedaagde] is de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf 24 april 2024, de vervaldatum van de factuur. Berekend tot de datum van dagvaarding beloopt deze € 93,51, zodat dit bedrag zal worden toegewezen. 4.7. Vast staat dat door de gemachtigde van GS buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Daarom is [de gedaagde] hiervoor een vergoeding verschuldigd. [de gedaagde] heeft echter terecht aangevoerd, dat het niet nodig is geweest om alle drie de vennootschappen apart aan te schrijven. De kantonrechter is van oordeel dat [de gedaagde] slechts één maal de buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd. Voor de berekening daarvan wordt het totaalbedrag genomen dat in deze zaak en de andere twee zaken (met kenmerk 11513605 CV EXPL 25-242 en 11513625 CV EXPL 25-243) aan hoofdsom vermeerderd met rente is toegewezen. Dit bedrag is € 3.409,53, zodat aan buitengerechtelijke kosten het bedrag van € 465,95 verschuldigd is. In deze zaak zal van dit bedrag 1/3e deel, dus € 155,31 (exclusief btw) worden toegewezen. 4.8.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3769 text/xml public 2026-05-13T13:56:53 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-02-18 11513582 CV EXPL 25-241 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zutphen Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3769 text/html public 2026-05-13T13:53:49 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3769 Rechtbank Gelderland , 18-02-2026 / 11513582 CV EXPL 25-241 Niet verschenen MB. Onbetaald gelaten facturen voor accountants- en advieswerkzaamheden. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: 11513582 \ CV EXPL 25-241 Vonnis van 18 februari 2026 in de zaak van GS ACCOUNTANTS & ADVISEURS B.V. , te Enschede, eisende partij, hierna te noemen: GS, gemachtigde: mr. M.H. Kreijkes, tegen [naam gedaagd bedrijf] B.V. , te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , procederend bij [vertegenwoordiger gedaagde] . 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 30 april 2025, - de op 3 november 2025 ingekomen akte overlegging producties van GS, - de mondelinge behandeling van 5 februari 2026. [de gedaagde] heeft verzocht een nadere datum vast te stellen voor deze behandeling, maar dit verzoek is afgewezen. [de gedaagde] is niet verschenen. Van de mondelinge behandeling zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. GS heeft op grond van een overeenkomst accountants- en advieswerkzaamheden verricht voor [de gedaagde] en voor de aan [de gedaagde] gelieerde vennootschappen [vennootschap gedaagde 1] B.V. (hierna: [vennootschap gedaagde 1] ) en [vennootschap gedaagde 2] B.V. (hierna: [vennootschap gedaagde 2] ). [de gedaagde] heeft bij het aangaan van de overeenkomst aangegeven bij Mazars onder het horizontaal toezicht te willen blijven vallen, waarna tussen [de gedaagde] en Mazars is afgesproken dat een aantal belastingaangiften door Mazars zou worden verzorgd. 2.2. GS heeft [de gedaagde] twee facturen doen toekomen die niet zijn betaald. De eerste factuur is gedateerd 10 april 2024 en deze heeft betrekking op het samenstellen van de jaarrekening over het boekjaar 2022 en op diverse accountancy advieswerkzaamheden. Het totaalbedrag van de factuur is € 1.120,00 exclusief btw/ € 1.355,20 inclusief btw. Hiervan heeft een deel groot € 950,00 exclusief btw/€ 1.149,50 inclusief btw betrekking op het samenstellen van de jaarrekening. De tweede factuur is gedateerd 24 mei 2024. Deze heeft betrekking op diverse accountancy advieswerkzaamheden en hierbij is verder vermeld: “Vragen Mazars beantwoorden voor VPB 2022” . Bij deze factuur is een bedrag van € 74,11 inclusief btw in rekening gebracht. 2.3. GS heeft verder op 10 april 2024 gedateerde facturen doen toekomen aan [vennootschap gedaagde 1] en [vennootschap gedaagde 2] . Aan deze vennootschappen zijn bedragen van achtereenvolgens € 1.102,50 exclusief btw/ € 1.334,03 inclusief btw en € 950,00 exclusief btw/€ 1.149,50 inclusief btw gefactureerd voor het samenstellen van de jaarrekening over het boekjaar 2022. Ook deze facturen zijn niet betaald. GS heeft genoemde vennootschappen bij dagvaardingen van 21 januari 2025 beide apart gedagvaard en betaling van onder meer de facturen gevorderd, die bij de kantonrechter bekend zijn onder zaakgegevens 11513605 CV EXPL 25-242 en 11513625 CV EXPL 25-243. 2.4. Bij e-mail van 17 april 2024 schrijft [de gedaagde] aan GS onder meer dat de facturen voor alle drie de vennootschappen zijn ontvangen. [de gedaagde] geeft daarbij aan dat de bedragen van “primaire basisbedragen” van twee maal € 950,00 en een maal € 1.102,50 niet in overeenstemming zijn met de gemaakte afspraken. GS reageert hierop bij e-mail van 22 april 2024 als volgt: “De gefactureerde prijzen (…) zijn hoger dan de gefactureerde bedragen voor de werkzaamheden voor de boekjaren 2020 en 2021 hetgeen met name komt door de huidig prijsinflatie welke wij doorberekend hebben. (…)” 3 Het geschil 3.1. GS vordert - samengevat - veroordeling van [de gedaagde] tot betaling van € 1.429,31, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 1.770, 25 vanaf 21 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening. 3.2. GS legt aan haar vordering ten grondslag dat [de gedaagde] de facturen moet betalen. [de gedaagde] is een bedrag van € 126,54 aan wettelijke handelsrente verschuldigd geworden omdat de vervaldatum van de facturen is verstreken. De gemachtigde van GS heeft buitengerechtelijke werkzaamheden verricht. Daarom moet [de gedaagde] buitengerechtelijke incassokosten vergoeden tot een bedrag van € 214,40. 3.3. [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] heeft verzocht gehoord te worden in een mondelinge behandeling. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. [de gedaagde] heeft gesteld dat GS relevante correspondentie ten onrechte niet in het geding heeft gebracht. Zij acht dit in strijd met de goede procesorde en concludeert dat GS niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit verweer wordt verworpen, omdat zelfs al zou moeten worden geoordeeld dat GS relevante correspondentie zou hebben achtergehouden, dit niet betekent dat de vordering niet kan worden beoordeeld. 4.2. Op de mondelinge behandeling heeft GS gesteld dat de (in 2022) afgesproken prijs voor het samenstellen van de jaarrekeningen € 850,00 exclusief btw bedroeg voor [de gedaagde] en [vennootschap gedaagde 2] en € 1.050,00 exclusief btw voor [vennootschap gedaagde 1] . Vast staat dat aan [de gedaagde] in plaats van € 850,00 een bedrag van € 950,00 is gefactureerd. GS heeft bij e-mail van 22 april 2024 aan [de gedaagde] uitgelegd dat dit is gedaan in verband met de prijsinflatie. 4.3. Tijdens de mondelinge behandeling is door GS erkend dat de prijsverhoging niet tussen partijen is overeengekomen. Er is wel gesproken over een door te voeren prijsverhoging (van 6%) maar dit is volgens GS enkel een mededeling van haar geweest. Een afspraak hierover is niet gemaakt. Desgevraagd heeft GS ook aangegeven dat nimmer is overeengekomen dat eenzijdig een prijswijziging zou kunnen worden doorgevoerd. Zo ontbreekt ook een bepaling in de tussen partijen overeengekomen algemene voorwaarden zoals [de gedaagde] terecht heeft gesteld. De conclusie die hieruit volgt is, dat [de gedaagde] de eenzijdig doorgevoerde prijsverhoging niet hoeft te betalen. 4.4. [de gedaagde] heeft voorts verweer gevoerd tegen het in rekening brengen van andere kosten dan die voor het samenstellen van de jaarrekening. Ook hierin wordt [de gedaagde] gevolgd. Partijen hebben een afspraak gemaakt voor het samenstellen van de jaarrekening. Dat er afspraken gemaakt zijn over het verrichten van andere werkzaamheden is niet gesteld of gebleken en door [de gedaagde] betwist. 4.5. Uit het bovenstaande volgt dat [de gedaagde] van de factuur van 10 april 2024 een bedrag van € 850,00 exclusief btw, dus € 1.028,50,00 inclusief btw moet betalen. Het bedrag dat bij de factuur van 24 mei 2024 in rekening is gebracht, is niet verschuldigd. 4.6. [de gedaagde] is de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf 24 april 2024, de vervaldatum van de factuur. Berekend tot de datum van dagvaarding beloopt deze € 93,51, zodat dit bedrag zal worden toegewezen. 4.7. Vast staat dat door de gemachtigde van GS buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Daarom is [de gedaagde] hiervoor een vergoeding verschuldigd. [de gedaagde] heeft echter terecht aangevoerd, dat het niet nodig is geweest om alle drie de vennootschappen apart aan te schrijven. De kantonrechter is van oordeel dat [de gedaagde] slechts één maal de buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd. Voor de berekening daarvan wordt het totaalbedrag genomen dat in deze zaak en de andere twee zaken (met kenmerk 11513605 CV EXPL 25-242 en 11513625 CV EXPL 25-243) aan hoofdsom vermeerderd met rente is toegewezen. Dit bedrag is € 3.409,53, zodat aan buitengerechtelijke kosten het bedrag van € 465,95 verschuldigd is. In deze zaak zal van dit bedrag 1/3e deel, dus € 155,31 (exclusief btw) worden toegewezen. 4.8.