Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-05-07
ECLI:NL:RBGEL:2026:3695
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,656 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3695 text/xml public 2026-05-11T17:00:20 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-07 NL26.16390 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3695 text/html public 2026-05-08T11:59:04 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3695 Rechtbank Gelderland , 07-05-2026 / NL26.16390 Dublin Kroatië; arrest Tarakhel; arrest C.K.; art. 17 Dvo; ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.16390 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. Y. Verheugt). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser omdat Kroatië verantwoordelijk is. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 1 november 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag. 2.1. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening , op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het besluit 3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 30 december 2025 aanvaard. Had de minister eiser als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel moeten aanmerken en individuele garanties moeten vragen? 4. Eiser betoogt dat hij als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt in de zin van het arrest Tarakhel. Hij voert aan dat hij een mentaal fragiele man is en dat uit het overlegde GZA-rapport blijkt dat sprake is van psychische problematiek, traumatische ervaringen in Kroatië, suïcidale gedachten en het gebruik van antidepressiva en antipsychotica. Volgens eiser had de minister voorafgaand aan het nemen van het besluit beter moeten onderzoeken of overdracht aan Kroatië verantwoord is en of eiser daar adequate opvang en medische zorg zal krijgen. In dat kader had de minister individuele garanties moeten vragen aan de Kroatische autoriteiten. 4.1. Hoewel het interstatelijk vertrouwensbeginsel in deze procedure als zodanig niet in geschil is, overweegt de rechtbank dat uit rechtspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 , die daarna meerdere keren is bevestigd , volgt dat de minister nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Dit betekent dat de minister in beginsel ervan uit mag gaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete en objectieve gegevens aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van dit beginsel kan worden uitgegaan en dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een dergelijke behandeling. Dit uitgangspunt betrekt de rechtbank bij de beoordeling van de beroepsgronden van eiser. 4.2. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest Tarakhel is overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien aannemelijk is gemaakt dat zonder die garanties geen toereikende opvang- en zorgvoorzieningen beschikbaar zullen zijn. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 volgt dat het arrest Tarakhel ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen, waarbij onder meer de gezondheidstoestand van belang kan zijn. De bewijslast dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid rust op eiser. 4.3. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bijzonder kwetsbaar is in de zin van het arrest Tarakhel. De minister heeft daarbij voldoende gemotiveerd dat uit het overgelegde GZA-rapport weliswaar blijkt dat eiser psychische klachten ervaart en medicatie gebruikt, maar niet volgt niet dat eiser zonder individuele garanties geen adequate opvang of medische zorg in Kroatië zal krijgen. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag worden uitgegaan dat de reguliere medische voorzieningen in Kroatië beschikbaar zijn voor eiser. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het GZA-rapport niet volgt dat een behandelaar heeft vastgesteld dat sprake is van een zodanig kwetsbare situatie dat individuele garanties noodzakelijk zijn. Dat eiser psychische klachten ervaart en medicatie gebruikt, maakt hem nog niet bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel. Eiser heeft verder niet met objectieve gegevens onderbouwd dat hij zonder aanvullende garanties geen passende opvang of medische zorg zal krijgen in Kroatië. De beroepsgrond slaagt niet. Leidt overdracht aan Kroatië, gelet op het arrest C.K., tot een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van eisers gezondheidstoestand? 5. Eiser betoogt dat hij ernstige psychische problemen heeft en dat overdracht aan Kroatië zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand in de zin van het arrest C.K. Hij wijst op het GZA-rapport en voert aan dat de onderbouwing van deze grond dezelfde als bij het beroep op het arrest Tarakhel. Eiser heeft ter zitting verder aangevoerd dat in Dublinprocedures vaak nog geen uitgebreid behandeltraject is opgestart en dat daarom moeilijk medische prognoses kunnen worden overgelegd. Volgens eiser brengt de samenwerkingsverplichting mee dat de minister in deze situatie een onderzoek door het Bureau Medische Advisering (BMA) had moeten laten verrichten, omdat deskundigheid nodig is om de gevolgen van overdracht te beoordelen. 5.1. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht achterwege moet blijven indien deze leidt tot een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van de vreemdeling. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Uit de Werkinstructie 2021/3 volgt dat de vreemdeling daarnaast vanwege de ernstige mentale of lichamelijke aandoening onder actieve medische behandeling van een behandelaar of specialist moet staan. In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister door middel van een BMA onderzoek de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van de vreemdeling wegneemt. 5.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat van een situatie zoals bedoeld in het arrest C.K. niet is gebleken. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit had eiser geen medische stukken overgelegd waaruit de gestelde psychische problematiek bleek.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3695 text/xml public 2026-05-11T17:00:20 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-07 NL26.16390 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3695 text/html public 2026-05-08T11:59:04 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3695 Rechtbank Gelderland , 07-05-2026 / NL26.16390 Dublin Kroatië; arrest Tarakhel; arrest C.K.; art. 17 Dvo; ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.16390 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. Y. Verheugt). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser omdat Kroatië verantwoordelijk is. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 1 november 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag. 2.1. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening , op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het besluit 3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 30 december 2025 aanvaard. Had de minister eiser als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel moeten aanmerken en individuele garanties moeten vragen? 4. Eiser betoogt dat hij als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt in de zin van het arrest Tarakhel. Hij voert aan dat hij een mentaal fragiele man is en dat uit het overlegde GZA-rapport blijkt dat sprake is van psychische problematiek, traumatische ervaringen in Kroatië, suïcidale gedachten en het gebruik van antidepressiva en antipsychotica. Volgens eiser had de minister voorafgaand aan het nemen van het besluit beter moeten onderzoeken of overdracht aan Kroatië verantwoord is en of eiser daar adequate opvang en medische zorg zal krijgen. In dat kader had de minister individuele garanties moeten vragen aan de Kroatische autoriteiten. 4.1. Hoewel het interstatelijk vertrouwensbeginsel in deze procedure als zodanig niet in geschil is, overweegt de rechtbank dat uit rechtspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 , die daarna meerdere keren is bevestigd , volgt dat de minister nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Dit betekent dat de minister in beginsel ervan uit mag gaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete en objectieve gegevens aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van dit beginsel kan worden uitgegaan en dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een dergelijke behandeling. Dit uitgangspunt betrekt de rechtbank bij de beoordeling van de beroepsgronden van eiser. 4.2. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest Tarakhel is overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien aannemelijk is gemaakt dat zonder die garanties geen toereikende opvang- en zorgvoorzieningen beschikbaar zullen zijn. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 volgt dat het arrest Tarakhel ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen, waarbij onder meer de gezondheidstoestand van belang kan zijn. De bewijslast dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid rust op eiser. 4.3. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bijzonder kwetsbaar is in de zin van het arrest Tarakhel. De minister heeft daarbij voldoende gemotiveerd dat uit het overgelegde GZA-rapport weliswaar blijkt dat eiser psychische klachten ervaart en medicatie gebruikt, maar niet volgt niet dat eiser zonder individuele garanties geen adequate opvang of medische zorg in Kroatië zal krijgen. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag worden uitgegaan dat de reguliere medische voorzieningen in Kroatië beschikbaar zijn voor eiser. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het GZA-rapport niet volgt dat een behandelaar heeft vastgesteld dat sprake is van een zodanig kwetsbare situatie dat individuele garanties noodzakelijk zijn. Dat eiser psychische klachten ervaart en medicatie gebruikt, maakt hem nog niet bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel. Eiser heeft verder niet met objectieve gegevens onderbouwd dat hij zonder aanvullende garanties geen passende opvang of medische zorg zal krijgen in Kroatië. De beroepsgrond slaagt niet. Leidt overdracht aan Kroatië, gelet op het arrest C.K., tot een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van eisers gezondheidstoestand? 5. Eiser betoogt dat hij ernstige psychische problemen heeft en dat overdracht aan Kroatië zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand in de zin van het arrest C.K. Hij wijst op het GZA-rapport en voert aan dat de onderbouwing van deze grond dezelfde als bij het beroep op het arrest Tarakhel. Eiser heeft ter zitting verder aangevoerd dat in Dublinprocedures vaak nog geen uitgebreid behandeltraject is opgestart en dat daarom moeilijk medische prognoses kunnen worden overgelegd. Volgens eiser brengt de samenwerkingsverplichting mee dat de minister in deze situatie een onderzoek door het Bureau Medische Advisering (BMA) had moeten laten verrichten, omdat deskundigheid nodig is om de gevolgen van overdracht te beoordelen. 5.1. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht achterwege moet blijven indien deze leidt tot een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van de vreemdeling. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Uit de Werkinstructie 2021/3 volgt dat de vreemdeling daarnaast vanwege de ernstige mentale of lichamelijke aandoening onder actieve medische behandeling van een behandelaar of specialist moet staan. In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister door middel van een BMA onderzoek de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van de vreemdeling wegneemt. 5.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat van een situatie zoals bedoeld in het arrest C.K. niet is gebleken. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit had eiser geen medische stukken overgelegd waaruit de gestelde psychische problematiek bleek.
Volledig
De minister was daarom op dat moment niet gehouden een BMA-onderzoek te verrichten. Ook in het kader van de ex-nunc toets leidt het overgelegde GZA-rapport niet tot een ander oordeel. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit het GZA-rapport weliswaar blijkt dat eiser psychische klachten ervaart en medicatie gebruikt, maar niet volgt dat overdracht aan Kroatië zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat het rapport geen diagnose, prognose of medische beoordeling van een behandelaar bevat waaruit blijkt dat overdracht medisch onverantwoord is. Evenmin blijkt uit het rapport dat eiser onder actieve specialistische behandeling staat. Dat eiser heeft aangevoerd dat in Dublinprocedures vaak nog geen uitgebreid behandeltraject is opgestart en daarom moeilijk medische prognoses kunnen worden overgelegd, maakt dit niet anders. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de samenwerkingsverplichting in dit geval meebrengt dat de minister een BMA-onderzoek had moeten verrichten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser niet met objectieve medische gegevens heeft onderbouwd dat overdracht een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand oplevert. De beroepsgrond slaagt niet. Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening? 6. Eiser betoogt dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. Hij wijst daarbij op zijn psychische klachten, zijn traumatische ervaringen in Kroatië, zijn kwetsbare situatie en zijn medische omstandigheden zoals beschreven in het GZA-rapport. Daarnaast verwijst eiser naar zijn broer in Nederland. Volgens eiser heeft de minister deze persoonlijke omstandigheden onvoldoende in de besluitvorming betrokken. 6.1. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft de minister een discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. 6.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. De minister heeft de door eiser genoemde persoonlijke omstandigheden voldoende betrokken in de beoordeling. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag worden uitgegaan dat eiser in Kroatië toegang heeft tot adequate opvang en medische zorg. Verder heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als Dublinclaimant opnieuw zal worden geconfronteerd met de omstandigheden die hij eerder in Kroatië heeft ervaren. Van belang is dat Kroatië met het claimakkoord heeft gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen en dat eiser legaal aan Kroatië zal worden overgedragen. Ook heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn gestelde afhankelijkheid van zijn broer in Nederland niet heeft onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. NL26.16391. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712. Zie het GZA-rapport van 13 april 2026. Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037. ABRvS 6 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:919 en ABRvS 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635. Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3806. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K. tegen Slovenië). Afdelingsuitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, onder 7. WI 2021/3 BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.
Volledig
De minister was daarom op dat moment niet gehouden een BMA-onderzoek te verrichten. Ook in het kader van de ex-nunc toets leidt het overgelegde GZA-rapport niet tot een ander oordeel. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit het GZA-rapport weliswaar blijkt dat eiser psychische klachten ervaart en medicatie gebruikt, maar niet volgt dat overdracht aan Kroatië zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat het rapport geen diagnose, prognose of medische beoordeling van een behandelaar bevat waaruit blijkt dat overdracht medisch onverantwoord is. Evenmin blijkt uit het rapport dat eiser onder actieve specialistische behandeling staat. Dat eiser heeft aangevoerd dat in Dublinprocedures vaak nog geen uitgebreid behandeltraject is opgestart en daarom moeilijk medische prognoses kunnen worden overgelegd, maakt dit niet anders. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de samenwerkingsverplichting in dit geval meebrengt dat de minister een BMA-onderzoek had moeten verrichten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser niet met objectieve medische gegevens heeft onderbouwd dat overdracht een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand oplevert. De beroepsgrond slaagt niet. Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening? 6. Eiser betoogt dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. Hij wijst daarbij op zijn psychische klachten, zijn traumatische ervaringen in Kroatië, zijn kwetsbare situatie en zijn medische omstandigheden zoals beschreven in het GZA-rapport. Daarnaast verwijst eiser naar zijn broer in Nederland. Volgens eiser heeft de minister deze persoonlijke omstandigheden onvoldoende in de besluitvorming betrokken. 6.1. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft de minister een discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. 6.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. De minister heeft de door eiser genoemde persoonlijke omstandigheden voldoende betrokken in de beoordeling. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag worden uitgegaan dat eiser in Kroatië toegang heeft tot adequate opvang en medische zorg. Verder heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als Dublinclaimant opnieuw zal worden geconfronteerd met de omstandigheden die hij eerder in Kroatië heeft ervaren. Van belang is dat Kroatië met het claimakkoord heeft gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen en dat eiser legaal aan Kroatië zal worden overgedragen. Ook heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn gestelde afhankelijkheid van zijn broer in Nederland niet heeft onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. NL26.16391. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712. Zie het GZA-rapport van 13 april 2026. Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037. ABRvS 6 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:919 en ABRvS 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635. Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3806. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K. tegen Slovenië). Afdelingsuitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, onder 7. WI 2021/3 BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.