Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-19
ECLI:NL:RBGEL:2026:3661
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,053 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3661 text/xml public 2026-05-12T10:20:37 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-19 C/05/393635 / FA RK 21-3158 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3661 text/html public 2026-05-12T10:20:19 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3661 Rechtbank Gelderland , 19-03-2026 / C/05/393635 / FA RK 21-3158 Verzoek om omgangsregeling vast te stellen afgewezen. Na lang traject met eerst opgebouwde en later weer afgebouwde begeleide omgang is er momenteel geen contact tussen de vader en de kinderen. Onvoldoende inzet van de vader voor hulpverlening voor zijn eigen aandeel. beschikking RECHTBANK GELDERLAND Familie- en jeugdrecht Zittingsplaats Arnhem Zaakgegevens: C/05/393635 / FA RK 21-3158 Datum uitspraak: 19 maart 2026 beschikking over een omgangsregeling in de zaak van [naam vader] (hierna: de vader), wonend in [woonplaats] , advocaat mr. L.E. Toet in Utrecht, tegen [naam moeder] (hierna: de moeder), wonend op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. J. Burema in Wenum-Wiesel. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank heeft in deze zaak tussenbeschikkingen gegeven op 7 januari 2022, 19 december 2022, 7 juli 2023, 19 februari 2024 en 25 februari 2025. 1.2. Het procesverloop blijkt sindsdien uit de volgende stukken: - de brief van mr. Toet van 6 november 2025; - het F9-formulier met bijlage van mr. Burema van 26 februari 2026. 1.3. De verzoeken zijn verder besproken tijdens de zitting van 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader met zijn advocaat; - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). 1.4. In de beschikking van 25 februari 2025 is de voorlopige omgangsregeling die in de beschikking van 19 februari 2024 was vastgesteld met betrekking tot de kinderen: - [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , en - [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , gewijzigd en en is bepaald dat er geen omgang(sregeling) is tussen de vader en de kinderen, in afwachting van de therapie en hulpverlening voor de kinderen en de vader. Iedere verdere beslissing is aangehouden. 2 De nadere standpunten 2.1. De vader heeft aangegeven dat op de vorige zitting is besproken dat de kinderen met therapie zouden gaan starten. Zodra dit mogelijk zou zijn, zou de vader bij de therapie betrokken gaan worden. Tot nu toe heeft de vader daar nog niets over vernomen en weet dus niet wat de stand van zaken is. Hulpverlening voor de vader zelf is niet van de grond gekomen, omdat de vader vindt dat hij die niet nodig heeft en dus geen hulpvraag heeft. Overigens gaat het momenteel, los van het verdriet om het verlies van het contact met de kinderen, goed met hem. Tot slot heeft de vader, zoals afgesproken, een kaartje aan de kinderen gestuurd. Hij vindt het moeilijk om kaartjes te sturen omdat hij niet goed weet wat hij moet schrijven en ook niet zeker weet of de kinderen de kaartjes wel ontvangen. De vader wil betrokken worden in de hulpverlening voor de kinderen. In afwachting daarvan zou de procedure opnieuw aangehouden moeten worden. Beëindiging van de procedure brengt het risico mee dat de vader niet meer wordt geïnformeerd. 2.2. De moeder heeft aangevoerd dat zij eerst verdere hulpverlening voor zichzelf nodig had om de trauma’s die zij tijdens de relatie met de vader heeft opgelopen te verwerken. Zij moet namelijk een stabiele basis aan de kinderen kunnen geven. Deze hulpverlening loopt inmiddels en nu kan er gestart worden met hulpverlening voor de kinderen. Dit is nog in de inventariserende fase. [kind 1] zal EMDR gaan krijgen, voor [kind 2] is het nog niet duidelijk. Sinds er geen omgang meer is, gaat het beter met de kinderen, maar de mogelijkheid dat er toch weer omgang gaat komen, drukt nog altijd op ze. Deze procedure geeft ook druk voor de therapie van de kinderen. De moeder meent dat het nog wel een paar jaar kan duren voordat de kinderen toe zijn aan omgang. Daarom geeft zij er de voorkeur aan dat het verzoek van de vader wordt afgewezen. De vader heeft zich in de tussentijd niet gehouden aan de afspraak om kaartjes te sturen. Hij heeft er één of twee gestuurd. De kinderen willen ze niet lezen, maar de moeder bewaart ze wel. 3 Het standpunt van de Raad 3.1. De Raad heeft geconstateerd dat er wel wordt gewerkt, maar nog niet veel is veranderd. Het is jammer dat er discussie is over de kaartjes, daar was een duidelijke afspraak over. Of ze nu worden gelezen of niet, het is belangrijk dat die kaartjes wel worden gestuurd. Dat is de verantwoordelijkheid die de vader kan nemen en zo kan hij in beeld blijven. Dit kan met de verjaardagen, maar ook bijvoorbeeld elke eerste van de maand. Dat kan op den duur bijdragen aan herstel van het contact. Ook bij de hulpverlening zal de vader betrokken moeten worden. Het is wel belangrijk dat de kinderen erkenning krijgen voor hun beleving. Het kan nuttig zijn dat er een vinger aan de pols wordt gehouden, en dat is ook voor de Raad prettig, omdat deze niet op andere wijze wordt geïnformeerd. Het is niet gezegd dat afwijzing van het verzoek meer rust geeft dan aanhouding. Er zijn veel verschillende scenario’s mogelijk. 4 De verdere beoordeling 4.1. De vader heeft de rechtbank verzocht om een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag 16.30 uur tot zondag 16.00 uur bij hem zullen verblijven en welke omgangsregeling geleidelijk zal worden opgebouwd. In de eerste fase van de procedure is er geleidelijk een opbouw geweest van de omgang, telkens onder begeleiding. Nadat iedereen het erover eens was dat een contact van vier uur per keer, met telkens een activiteit, erg lang was, is geprobeerd in te zetten op kortere maar meer inhoudelijke omgangscontacten. Vanaf dat moment is de weerstand van de kinderen geleidelijk gegroeid en is er bij hen het nodige naar boven gekomen. Dat heeft ertoe geleid dat de rechtbank in de beschikking van 25 februari 2025 heeft bepaald dat er voorlopig geen omgang zal zijn, in afwachting van de therapie en de hulpverlening van de kinderen en de vader. 4.2. Inmiddels is er weer een jaar verstreken. Aan de kant van de moeder zijn stapjes gezet, maar de hulpverlening voor de kinderen is nog niet echt begonnen. De weerstand tegen contact met de vader is nog niet afgenomen. Hoewel te hopen valt dat daarin op termijn verbetering komt, is dat proces nog nauwelijks op gang gekomen en is een concreet tijdspad hiervoor niet te geven. Op zichzelf genomen is de rechtbank het met de Raad eens dat het er niet op lijkt dat de kinderen erg lijden onder het feit dat deze procedure nog loopt, omdat het feit dat zij nu geen contact met de vader “hoeven” hebben al rust geeft. 4.3. In de vorige twee tussenbeschikkingen is echter ook benoemd dat er van de vader wordt verwacht dat hij verantwoordelijkheid toont voor zijn houding ten opzichte van het huiselijk geweld en dat hij hiervoor hulpverlening zoekt. Een jaar geleden heeft de vader verteld dat hij het lastig vond een passende hulpverlener te vinden. Tijdens de vorige mondelinge behandeling is de vader opnieuw uitgelegd dat hij op zoek moet gaan naar passende hulp voor het geven van erkenning aan de kinderen (voor wat er in het verleden is gebeurd en hoe zij dat hebben ervaren) en dat de vader hulp en handvatten moet krijgen hoe om te gaan met de signalen die de kinderen uiten. Niet gebleken is dat de vader vervolgens pogingen heeft gedaan om hulpverlening aan te gaan. De rechtbank acht dit onbegrijpelijk, gelet op de vorige twee tussenbeschikkingen. De vader lijkt geen afstand te kunnen nemen van zijn eigen invulling van de gebeurtenissen, waarin er niets aan de hand is, en daardoor niet tot een juiste hulpvraag te kunnen komen. Dat is nu juist waar hij hulp voor had moeten zoeken, te weten: zich te leren verplaatsen in de kinderen en leren begrip te tonen voor hun gevoeligheden, ook als hij die zelf niet ervaart.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3661 text/xml public 2026-05-12T10:20:37 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-19 C/05/393635 / FA RK 21-3158 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3661 text/html public 2026-05-12T10:20:19 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3661 Rechtbank Gelderland , 19-03-2026 / C/05/393635 / FA RK 21-3158 Verzoek om omgangsregeling vast te stellen afgewezen. Na lang traject met eerst opgebouwde en later weer afgebouwde begeleide omgang is er momenteel geen contact tussen de vader en de kinderen. Onvoldoende inzet van de vader voor hulpverlening voor zijn eigen aandeel. beschikking RECHTBANK GELDERLAND Familie- en jeugdrecht Zittingsplaats Arnhem Zaakgegevens: C/05/393635 / FA RK 21-3158 Datum uitspraak: 19 maart 2026 beschikking over een omgangsregeling in de zaak van [naam vader] (hierna: de vader), wonend in [woonplaats] , advocaat mr. L.E. Toet in Utrecht, tegen [naam moeder] (hierna: de moeder), wonend op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. J. Burema in Wenum-Wiesel. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank heeft in deze zaak tussenbeschikkingen gegeven op 7 januari 2022, 19 december 2022, 7 juli 2023, 19 februari 2024 en 25 februari 2025. 1.2. Het procesverloop blijkt sindsdien uit de volgende stukken: - de brief van mr. Toet van 6 november 2025; - het F9-formulier met bijlage van mr. Burema van 26 februari 2026. 1.3. De verzoeken zijn verder besproken tijdens de zitting van 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader met zijn advocaat; - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). 1.4. In de beschikking van 25 februari 2025 is de voorlopige omgangsregeling die in de beschikking van 19 februari 2024 was vastgesteld met betrekking tot de kinderen: - [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , en - [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , gewijzigd en en is bepaald dat er geen omgang(sregeling) is tussen de vader en de kinderen, in afwachting van de therapie en hulpverlening voor de kinderen en de vader. Iedere verdere beslissing is aangehouden. 2 De nadere standpunten 2.1. De vader heeft aangegeven dat op de vorige zitting is besproken dat de kinderen met therapie zouden gaan starten. Zodra dit mogelijk zou zijn, zou de vader bij de therapie betrokken gaan worden. Tot nu toe heeft de vader daar nog niets over vernomen en weet dus niet wat de stand van zaken is. Hulpverlening voor de vader zelf is niet van de grond gekomen, omdat de vader vindt dat hij die niet nodig heeft en dus geen hulpvraag heeft. Overigens gaat het momenteel, los van het verdriet om het verlies van het contact met de kinderen, goed met hem. Tot slot heeft de vader, zoals afgesproken, een kaartje aan de kinderen gestuurd. Hij vindt het moeilijk om kaartjes te sturen omdat hij niet goed weet wat hij moet schrijven en ook niet zeker weet of de kinderen de kaartjes wel ontvangen. De vader wil betrokken worden in de hulpverlening voor de kinderen. In afwachting daarvan zou de procedure opnieuw aangehouden moeten worden. Beëindiging van de procedure brengt het risico mee dat de vader niet meer wordt geïnformeerd. 2.2. De moeder heeft aangevoerd dat zij eerst verdere hulpverlening voor zichzelf nodig had om de trauma’s die zij tijdens de relatie met de vader heeft opgelopen te verwerken. Zij moet namelijk een stabiele basis aan de kinderen kunnen geven. Deze hulpverlening loopt inmiddels en nu kan er gestart worden met hulpverlening voor de kinderen. Dit is nog in de inventariserende fase. [kind 1] zal EMDR gaan krijgen, voor [kind 2] is het nog niet duidelijk. Sinds er geen omgang meer is, gaat het beter met de kinderen, maar de mogelijkheid dat er toch weer omgang gaat komen, drukt nog altijd op ze. Deze procedure geeft ook druk voor de therapie van de kinderen. De moeder meent dat het nog wel een paar jaar kan duren voordat de kinderen toe zijn aan omgang. Daarom geeft zij er de voorkeur aan dat het verzoek van de vader wordt afgewezen. De vader heeft zich in de tussentijd niet gehouden aan de afspraak om kaartjes te sturen. Hij heeft er één of twee gestuurd. De kinderen willen ze niet lezen, maar de moeder bewaart ze wel. 3 Het standpunt van de Raad 3.1. De Raad heeft geconstateerd dat er wel wordt gewerkt, maar nog niet veel is veranderd. Het is jammer dat er discussie is over de kaartjes, daar was een duidelijke afspraak over. Of ze nu worden gelezen of niet, het is belangrijk dat die kaartjes wel worden gestuurd. Dat is de verantwoordelijkheid die de vader kan nemen en zo kan hij in beeld blijven. Dit kan met de verjaardagen, maar ook bijvoorbeeld elke eerste van de maand. Dat kan op den duur bijdragen aan herstel van het contact. Ook bij de hulpverlening zal de vader betrokken moeten worden. Het is wel belangrijk dat de kinderen erkenning krijgen voor hun beleving. Het kan nuttig zijn dat er een vinger aan de pols wordt gehouden, en dat is ook voor de Raad prettig, omdat deze niet op andere wijze wordt geïnformeerd. Het is niet gezegd dat afwijzing van het verzoek meer rust geeft dan aanhouding. Er zijn veel verschillende scenario’s mogelijk. 4 De verdere beoordeling 4.1. De vader heeft de rechtbank verzocht om een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag 16.30 uur tot zondag 16.00 uur bij hem zullen verblijven en welke omgangsregeling geleidelijk zal worden opgebouwd. In de eerste fase van de procedure is er geleidelijk een opbouw geweest van de omgang, telkens onder begeleiding. Nadat iedereen het erover eens was dat een contact van vier uur per keer, met telkens een activiteit, erg lang was, is geprobeerd in te zetten op kortere maar meer inhoudelijke omgangscontacten. Vanaf dat moment is de weerstand van de kinderen geleidelijk gegroeid en is er bij hen het nodige naar boven gekomen. Dat heeft ertoe geleid dat de rechtbank in de beschikking van 25 februari 2025 heeft bepaald dat er voorlopig geen omgang zal zijn, in afwachting van de therapie en de hulpverlening van de kinderen en de vader. 4.2. Inmiddels is er weer een jaar verstreken. Aan de kant van de moeder zijn stapjes gezet, maar de hulpverlening voor de kinderen is nog niet echt begonnen. De weerstand tegen contact met de vader is nog niet afgenomen. Hoewel te hopen valt dat daarin op termijn verbetering komt, is dat proces nog nauwelijks op gang gekomen en is een concreet tijdspad hiervoor niet te geven. Op zichzelf genomen is de rechtbank het met de Raad eens dat het er niet op lijkt dat de kinderen erg lijden onder het feit dat deze procedure nog loopt, omdat het feit dat zij nu geen contact met de vader “hoeven” hebben al rust geeft. 4.3. In de vorige twee tussenbeschikkingen is echter ook benoemd dat er van de vader wordt verwacht dat hij verantwoordelijkheid toont voor zijn houding ten opzichte van het huiselijk geweld en dat hij hiervoor hulpverlening zoekt. Een jaar geleden heeft de vader verteld dat hij het lastig vond een passende hulpverlener te vinden. Tijdens de vorige mondelinge behandeling is de vader opnieuw uitgelegd dat hij op zoek moet gaan naar passende hulp voor het geven van erkenning aan de kinderen (voor wat er in het verleden is gebeurd en hoe zij dat hebben ervaren) en dat de vader hulp en handvatten moet krijgen hoe om te gaan met de signalen die de kinderen uiten. Niet gebleken is dat de vader vervolgens pogingen heeft gedaan om hulpverlening aan te gaan. De rechtbank acht dit onbegrijpelijk, gelet op de vorige twee tussenbeschikkingen. De vader lijkt geen afstand te kunnen nemen van zijn eigen invulling van de gebeurtenissen, waarin er niets aan de hand is, en daardoor niet tot een juiste hulpvraag te kunnen komen. Dat is nu juist waar hij hulp voor had moeten zoeken, te weten: zich te leren verplaatsen in de kinderen en leren begrip te tonen voor hun gevoeligheden, ook als hij die zelf niet ervaart.