Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-05-06
ECLI:NL:RBGEL:2026:3617
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
15,616 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3617 text/xml public 2026-05-11T12:02:17 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-06 05/184405-24 en 05/184427-24 (gev. ttz) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3617 text/html public 2026-05-06T16:41:15 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3617 Rechtbank Gelderland , 06-05-2026 / 05/184405-24 en 05/184427-24 (gev. ttz) Wettig en overtuigend bewezen: opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Vrijspraak voor de overige ten laste gelegde feiten. Straf: 113 dagen gevangenisstraf, onvoorwaardelijk. Aftrek van voorarrest. Overschrijding redelijke termijn. Beslag: verbeurd verklaring. Artikelen: 33, 33a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht; 2 en 10 van de Opiumwet; 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummers: 05/184405-24 en 05/184427-24 (gev. ttz) Datum uitspraak : 6 mei 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] [woonplaats] . raadsvrouw: mr. P.M. Breukink, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 05/184405-24 1. hij op een of meer tijdstippen in de periode van 25 november 2021 tot en met 20 juni 2023 in de gemeente Zevenaar, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, - een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of - een hoeveelheid van een materiaal bevattende speed, zijnde een middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op of omstreeks 20 juni 2023 te Lathum, gemeente Zevenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] te Lathum) ongeveer 95,25 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3. hij op of omstreeks 20 juni 2023, in de gemeente Zevenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk GSG, type Sig Sauer P226, kaliber 9x19mm zijnde een vuurwapen in de vorm van pistool voorhanden heeft gehad; 4 hij op of omstreeks 20 juni 2023 in de gemeente Zevenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere kogelpatronen van het kaliber 9x19mm voorhanden heeft gehad; 05/184427-24 1. hij op of omstreeks 11 juli 2023 te Lathum, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,17 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 0,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op of omstreeks 11 juli 2023 te Lathum, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 31,34 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3. hij op of omstreeks 11 juli 2023 te Lathum, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 11,500.- euro heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruikt heeft terwijl hij verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf; subsidiair hij op of omstreeks 11 juli 2023 te Lathum, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 11,500.- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of - gebruik heeft gemaakt terwijl hij verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig eigen misdrijf; 4. hij op of omstreeks 11 juli 2023 te Lathum, in de gemeente Zevenaar als particulier, heeft gehandeld in strijd met artikel 5 van de Verordening (EU) 2019/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019, immers heeft verdachte, al dan niet opzettelijk een precursor voor explosieven, te weten kaliumchloraat en/of een mengsel van kaliumchloraat en zwavel, waarvoor een beperking geldt, in bezit gehouden en/of gebruikt. 2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 t/m 4 tenlastegelegde van parketnummer 05/184405-24, in die zin dat zij met betrekking tot feit 1 enkel de periode van 25 november 2021 tot 7 juni 2022 bewezen vindt. De officier van justitie heeft verder gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 t/m 3 tenlastegelegde van parketnummer 05/184427-24. Zij heeft vrijsprak verzocht van het onder 4 van dat parketnummer tenlastegelegde. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft integraal vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 1 van parketnummer 05/184405-24 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende bewijs in het dossier zit om vast te stellen dat er daadwerkelijk transacties hebben plaatsgevonden waarbij is bereid, verkocht, verwerkt, bewerkt, vervoerd of verstrekt. Er zijn zes berichten verstuurd in de periode van 25 november 2021 tot 7 juni 2022 die (zouden kunnen) gaan over verdovende middelen. Subsidiair is verzocht om de periode te beperken tot 7 juni 2022, de datum van het laatste bericht. Ten aanzien van feit 2, 3 en 4 van parketnummer 05/184405-24 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de bewoner van het chalet was en dus ook niet dat hij bewustheid heeft gehad van de drugs, wapen en munitie in het chalet. Ten aanzien van feit 1, 2, 3 en 4 van parketnummer 05/184427-24 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan vastgesteld dat verdachte de vereiste wetenschap en beschikkingsmacht had over de aangetroffen hard- en softdrugs, het geldbedrag en de precursoren in de schuur. Beoordeling door de rechtbank Parketnummer 05/184405-24 Feit 1 Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in de periode van 25 november 2021 tot en met 20 juni 2023 samen met een ander opzettelijk speed en/of cocaïne heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of aanwezig heeft gehad. In het dossier bevinden zich berichten tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), verzonden tussen 25 november 2021 en 9 juli 2022. Er wordt gesproken over het rondrijden met ‘handel’, over het afbetalen van ket (waarmee in straattaal ketamine wordt bedoeld).
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3617 text/xml public 2026-05-11T12:02:17 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-06 05/184405-24 en 05/184427-24 (gev. ttz) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3617 text/html public 2026-05-06T16:41:15 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3617 Rechtbank Gelderland , 06-05-2026 / 05/184405-24 en 05/184427-24 (gev. ttz) Wettig en overtuigend bewezen: opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Vrijspraak voor de overige ten laste gelegde feiten. Straf: 113 dagen gevangenisstraf, onvoorwaardelijk. Aftrek van voorarrest. Overschrijding redelijke termijn. Beslag: verbeurd verklaring. Artikelen: 33, 33a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht; 2 en 10 van de Opiumwet; 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummers: 05/184405-24 en 05/184427-24 (gev. ttz) Datum uitspraak : 6 mei 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] [woonplaats] . raadsvrouw: mr. P.M. Breukink, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 05/184405-24 1. hij op een of meer tijdstippen in de periode van 25 november 2021 tot en met 20 juni 2023 in de gemeente Zevenaar, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, - een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of - een hoeveelheid van een materiaal bevattende speed, zijnde een middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op of omstreeks 20 juni 2023 te Lathum, gemeente Zevenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] te Lathum) ongeveer 95,25 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3. hij op of omstreeks 20 juni 2023, in de gemeente Zevenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk GSG, type Sig Sauer P226, kaliber 9x19mm zijnde een vuurwapen in de vorm van pistool voorhanden heeft gehad; 4 hij op of omstreeks 20 juni 2023 in de gemeente Zevenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere kogelpatronen van het kaliber 9x19mm voorhanden heeft gehad; 05/184427-24 1. hij op of omstreeks 11 juli 2023 te Lathum, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,17 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 0,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op of omstreeks 11 juli 2023 te Lathum, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 31,34 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3. hij op of omstreeks 11 juli 2023 te Lathum, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 11,500.- euro heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruikt heeft terwijl hij verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf; subsidiair hij op of omstreeks 11 juli 2023 te Lathum, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 11,500.- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of - gebruik heeft gemaakt terwijl hij verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig eigen misdrijf; 4. hij op of omstreeks 11 juli 2023 te Lathum, in de gemeente Zevenaar als particulier, heeft gehandeld in strijd met artikel 5 van de Verordening (EU) 2019/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019, immers heeft verdachte, al dan niet opzettelijk een precursor voor explosieven, te weten kaliumchloraat en/of een mengsel van kaliumchloraat en zwavel, waarvoor een beperking geldt, in bezit gehouden en/of gebruikt. 2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 t/m 4 tenlastegelegde van parketnummer 05/184405-24, in die zin dat zij met betrekking tot feit 1 enkel de periode van 25 november 2021 tot 7 juni 2022 bewezen vindt. De officier van justitie heeft verder gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 t/m 3 tenlastegelegde van parketnummer 05/184427-24. Zij heeft vrijsprak verzocht van het onder 4 van dat parketnummer tenlastegelegde. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft integraal vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 1 van parketnummer 05/184405-24 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende bewijs in het dossier zit om vast te stellen dat er daadwerkelijk transacties hebben plaatsgevonden waarbij is bereid, verkocht, verwerkt, bewerkt, vervoerd of verstrekt. Er zijn zes berichten verstuurd in de periode van 25 november 2021 tot 7 juni 2022 die (zouden kunnen) gaan over verdovende middelen. Subsidiair is verzocht om de periode te beperken tot 7 juni 2022, de datum van het laatste bericht. Ten aanzien van feit 2, 3 en 4 van parketnummer 05/184405-24 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de bewoner van het chalet was en dus ook niet dat hij bewustheid heeft gehad van de drugs, wapen en munitie in het chalet. Ten aanzien van feit 1, 2, 3 en 4 van parketnummer 05/184427-24 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan vastgesteld dat verdachte de vereiste wetenschap en beschikkingsmacht had over de aangetroffen hard- en softdrugs, het geldbedrag en de precursoren in de schuur. Beoordeling door de rechtbank Parketnummer 05/184405-24 Feit 1 Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in de periode van 25 november 2021 tot en met 20 juni 2023 samen met een ander opzettelijk speed en/of cocaïne heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of aanwezig heeft gehad. In het dossier bevinden zich berichten tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), verzonden tussen 25 november 2021 en 9 juli 2022. Er wordt gesproken over het rondrijden met ‘handel’, over het afbetalen van ket (waarmee in straattaal ketamine wordt bedoeld).
Volledig
Ook wordt gesproken over wiet en een ‘ons’ van die ‘groen’. Er worden prijzen besproken, zodat ze allemaal kunnen ‘eten’. Er wordt gevraagd hoeveel ‘suiker’ er nog ligt en gezegd dat er een kilo ‘suiker’ geregeld wordt (het is de rechtbank ambtshalve bekend dat suiker wordt gebruikt als versnijdingsmiddel voor bepaalde soorten drugs). Er wordt gesproken over poes (waarmee in straattaal 2, 3 of 4-MMC (designerdrugs) wordt bedoeld), cmc (waarmee chloormetcathionen wordt bedoeld, zijnde stoffen voor het maken van de designerdrugs 3 en 4-CMC) en g (waarmee in straattaal GHB wordt bedoeld). De berichten zijn veelal geschreven in versluierd taalgebruik. Ook wordt door [medeverdachte] onder meer opgemerkt, “Bespreken we morgen ochtend. Niet hier”. Uit het voorgaande leidt de rechtbank sterk het vermoeden af dat verdachte samen met een ander heeft gehandeld in (hard- en soft-) drugs. Aan verdachte is echter niet ten laste gelegd dat hij heeft gehandeld in wiet, ketamine, ghb of een van de genoemde designerdrugs (of dat hij deze drugs heeft bewerkt, verwerkt, vervoerd (etc.) of aanwezig heeft gehad). In een bericht van 15 januari 2022 vraagt verdachte aan [medeverdachte] of hij pep (de rechtbank begrijpt: speed) heeft meegenomen bij [naam] , ‘want er mist een halve kilo’, waarop [medeverdachte] reageert “Joo maar! Dr is niks weg ligt bij mij in de vriezer! Helemaal vergeten man kker! Lagen toen geen zakkies dus ff thuis klaar gemaakt alleen nooit meer terug gebracht. Leg t morge weer terug”. Verder wordt in een bericht van 25 november 2021 door verdachte aan [medeverdachte] gevraagd of hij een kilo pep (speed) kan regelen. Een reactie hierop, bevindt zich niet in het dossier. Hoewel de rechtbank sterk het vermoeden heeft dat verdachte samen met een ander heeft gehandeld in speed, zijn de berichten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om vast te stellen dat verdachte daadwerkelijk speed heeft verkocht, bewerkt, verstrekt, vervoerd of aanwezig gehad in de ten laste gelegde periode, niet in samenhang met de overige bewijsmiddelen in het dossier. Op grond van de stukken in het dossier kan de rechtbank evenmin vaststellen dat verdachte (al dan niet samen met een ander) cocaïne heeft verkocht, bewerkt, vervoerd (etc.) en/of aanwezig heeft gehad. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het voorgaande. Feit 2, 3 en 4 Op 20 juni 2023 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in een chalet met het kadasternummer [nummer] , gelegen op de camping [naam camping] , gevestigd aan [adres] in Lathum. Tijdens de doorzoeking van het chalet werd in een kartonnen doos in de slaapkamer een witte ingesealde bol aangetroffen met daarin 95,25 gram cocaïne. Verder werd een zwart pistool en 15 stuks munitie aangetroffen in een plastic tas van de Albert Hein, die op het aanrecht lag. Het wapen betreft een pistool van het merk Sig Sauer, model P226 in het kaliber 9x19mm en is geschikt om projectielen door een loop te verschieten. Het pistool heeft een semi- automatische werking. Het pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 in verband met artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie. Het vuurwapen valt niet onder categorie II sub 2, 3 of 6 van de Wet Wapens en Munitie. De munitie betreft 15 kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm en zijn geschikt om met voornoemd pistool te worden verschoten. Het betreft munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie. Betrokkenheid verdachte Ten tijde van de binnentreding in het chalet en de daarop volgende doorzoeking was er niemand aanwezig. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte de cocaïne, het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij op 12 juni 2023 een Audi met kenteken [kenteken] had aangetroffen in de berm naast de parkeerplaats van camping [naam camping] . De auto had schade aan de voorzijde en de kentekenplaat aan de voorzijde ontbrak. In de politiesystemen zag verbalisant [verbalisant 1] dat deze Audi op 6 april 2023 was gecontroleerd en dat bleek dat verdachte de bestuurder van het voertuig was. Daarop had hij de rijbewijsfoto van verdachte bekeken en zag hij dat verdachte een zeer opvallend gezicht had. [verdachte] was licht getint/gebruind en had zeer opvallende ‘flap’ oren. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verder verklaard dat hij van iemand op de camping heeft gehoord dat de bestuurder van de Audi op de camping verbleef, mogelijk in chalet [nummer] of [nummer] . Voornoemde doorzoeking in Chalet [nummer] vond plaats nadat op 20 juni 2023 tijdens een controle op illegale bewoning op voornoemd vakantiepark, meerdere jerrycans werden aangetroffen in een niet afgesloten tuinhuisje bij chalet [nummer] , waarna het vermoeden ontstond dat daarin GBL zat. GBL is een grondstof voor het produceren van GHB. Verbalisant [verbalisant 1] ondersteunde tijdens die controle, die plaats vond in opdracht van de gemeente, de boa’s. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij naar aanleiding van het vermoeden van voorbereidingshandelingen voor het produceren van de harddrugs GHB belde met de forensische opsporing van de politie toen hij aan het begin van het straatje waar het chalet aan gelegen is, verdachte zag lopen. Hij herkende verdachte direct aan zijn zeer opvallende gezicht met zijn herkenbare flaporen. Hij zag dat verdachte van hem weg liep. Hij riep verdachte aan en rende achter hem aan. Hij verloor verdachte uit het oog doordat de weg waarop verdachte liep, een bocht maakte. Nadat verbalisant [verbalisant 1] de bocht door was, zag hij verdachte niet meer. Vervolgens werd het chalet binnengetreden en vond de doorzoeking plaats waarbij zoals gezegd cocaïne, een wapen en munitie werden aangetroffen. In het chalet werd op het aanrecht een geldig Nederlands rijbewijs op naam van verdachte aangetroffen. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat dit rijbewijs onder het witte poeder zat. Op 20 juni 2023 werd verder voornoemde Audi met kenteken [kenteken] in beslag genomen aan [adres] in Lathum. Op 21 juni 2023 meldde een medewerker van het autoverhuurbedrijf zich bij de politie, nadat om reservesleutels was verzocht in verband met de doorzoeking van het voertuig. De Audi werd gehuurd door verdachte. Op 11 juli 2023 werd binnengetreden en vond een doorzoeking plaats in chalet [nummer] . In dit chalet werd verdachte aangetroffen en naar aanleiding van de doorzoeking en het aantreffen van verdovende middelen en een geldbedrag van € 11.400,- aangehouden (ten laste gelegd onder parketnummer 05/184427-24). In dat kader werd de eigenaar van chalet [nummer] gehoord die verklaarde dat hij van zijn zoon had gehoord dat degene die was aangehouden (verdachte), uit zijn eigen chalet was gevlucht. De rechtbank overweegt verder dat verdachte op 20 juni 2023 vlakbij het chalet is gezien en wegrende voor een verbalisant die hem riep terwijl op dat moment meerdere opsporingsambtenaren aanwezig waren bij het chalet. Een getuige verklaart dat de op 11 juli 2023 aangehouden man (verdachte) degene is die eerder is gevlucht uit zijn chalet. De auto, waarvan vast staat dat verdachte deze huurde, is op 20 juni 2023 op het vakantiepark aangetroffen. Verdachte is enkele maanden eerder als bestuurder in dat voertuig gecontroleerd, zijn rijbewijs is op 20 juni 2023 in het chalet aangetroffen en daarvoor heeft hij geen uitleg gegeven. Verdachte heeft zich tijdens het verhoor bij de politie namelijk beroepen op zijn zwijgrecht en tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak was verdachte niet aanwezig. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank dan ook vast dat verdachte op 20 juni 2023 in het chalet verbleef. In dat chalet zijn (een dealerhoeveelheid) cocaïne, een pistool en bijbehorende munitie is aangetroffen. Verdachte heeft ook daarover geen, laat staan een hem vrijpleitende, verklaring afgelegd. In die omstandigheden houdt de rechtbank het ervoor dat verdachte wist dat deze goederen zich in het chalet bevonden en dat in ieder geval hij daarover de beschikkingsmacht had.
Volledig
Ook wordt gesproken over wiet en een ‘ons’ van die ‘groen’. Er worden prijzen besproken, zodat ze allemaal kunnen ‘eten’. Er wordt gevraagd hoeveel ‘suiker’ er nog ligt en gezegd dat er een kilo ‘suiker’ geregeld wordt (het is de rechtbank ambtshalve bekend dat suiker wordt gebruikt als versnijdingsmiddel voor bepaalde soorten drugs). Er wordt gesproken over poes (waarmee in straattaal 2, 3 of 4-MMC (designerdrugs) wordt bedoeld), cmc (waarmee chloormetcathionen wordt bedoeld, zijnde stoffen voor het maken van de designerdrugs 3 en 4-CMC) en g (waarmee in straattaal GHB wordt bedoeld). De berichten zijn veelal geschreven in versluierd taalgebruik. Ook wordt door [medeverdachte] onder meer opgemerkt, “Bespreken we morgen ochtend. Niet hier”. Uit het voorgaande leidt de rechtbank sterk het vermoeden af dat verdachte samen met een ander heeft gehandeld in (hard- en soft-) drugs. Aan verdachte is echter niet ten laste gelegd dat hij heeft gehandeld in wiet, ketamine, ghb of een van de genoemde designerdrugs (of dat hij deze drugs heeft bewerkt, verwerkt, vervoerd (etc.) of aanwezig heeft gehad). In een bericht van 15 januari 2022 vraagt verdachte aan [medeverdachte] of hij pep (de rechtbank begrijpt: speed) heeft meegenomen bij [naam] , ‘want er mist een halve kilo’, waarop [medeverdachte] reageert “Joo maar! Dr is niks weg ligt bij mij in de vriezer! Helemaal vergeten man kker! Lagen toen geen zakkies dus ff thuis klaar gemaakt alleen nooit meer terug gebracht. Leg t morge weer terug”. Verder wordt in een bericht van 25 november 2021 door verdachte aan [medeverdachte] gevraagd of hij een kilo pep (speed) kan regelen. Een reactie hierop, bevindt zich niet in het dossier. Hoewel de rechtbank sterk het vermoeden heeft dat verdachte samen met een ander heeft gehandeld in speed, zijn de berichten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om vast te stellen dat verdachte daadwerkelijk speed heeft verkocht, bewerkt, verstrekt, vervoerd of aanwezig gehad in de ten laste gelegde periode, niet in samenhang met de overige bewijsmiddelen in het dossier. Op grond van de stukken in het dossier kan de rechtbank evenmin vaststellen dat verdachte (al dan niet samen met een ander) cocaïne heeft verkocht, bewerkt, vervoerd (etc.) en/of aanwezig heeft gehad. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het voorgaande. Feit 2, 3 en 4 Op 20 juni 2023 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in een chalet met het kadasternummer [nummer] , gelegen op de camping [naam camping] , gevestigd aan [adres] in Lathum. Tijdens de doorzoeking van het chalet werd in een kartonnen doos in de slaapkamer een witte ingesealde bol aangetroffen met daarin 95,25 gram cocaïne. Verder werd een zwart pistool en 15 stuks munitie aangetroffen in een plastic tas van de Albert Hein, die op het aanrecht lag. Het wapen betreft een pistool van het merk Sig Sauer, model P226 in het kaliber 9x19mm en is geschikt om projectielen door een loop te verschieten. Het pistool heeft een semi- automatische werking. Het pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 in verband met artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie. Het vuurwapen valt niet onder categorie II sub 2, 3 of 6 van de Wet Wapens en Munitie. De munitie betreft 15 kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm en zijn geschikt om met voornoemd pistool te worden verschoten. Het betreft munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie. Betrokkenheid verdachte Ten tijde van de binnentreding in het chalet en de daarop volgende doorzoeking was er niemand aanwezig. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte de cocaïne, het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij op 12 juni 2023 een Audi met kenteken [kenteken] had aangetroffen in de berm naast de parkeerplaats van camping [naam camping] . De auto had schade aan de voorzijde en de kentekenplaat aan de voorzijde ontbrak. In de politiesystemen zag verbalisant [verbalisant 1] dat deze Audi op 6 april 2023 was gecontroleerd en dat bleek dat verdachte de bestuurder van het voertuig was. Daarop had hij de rijbewijsfoto van verdachte bekeken en zag hij dat verdachte een zeer opvallend gezicht had. [verdachte] was licht getint/gebruind en had zeer opvallende ‘flap’ oren. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verder verklaard dat hij van iemand op de camping heeft gehoord dat de bestuurder van de Audi op de camping verbleef, mogelijk in chalet [nummer] of [nummer] . Voornoemde doorzoeking in Chalet [nummer] vond plaats nadat op 20 juni 2023 tijdens een controle op illegale bewoning op voornoemd vakantiepark, meerdere jerrycans werden aangetroffen in een niet afgesloten tuinhuisje bij chalet [nummer] , waarna het vermoeden ontstond dat daarin GBL zat. GBL is een grondstof voor het produceren van GHB. Verbalisant [verbalisant 1] ondersteunde tijdens die controle, die plaats vond in opdracht van de gemeente, de boa’s. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij naar aanleiding van het vermoeden van voorbereidingshandelingen voor het produceren van de harddrugs GHB belde met de forensische opsporing van de politie toen hij aan het begin van het straatje waar het chalet aan gelegen is, verdachte zag lopen. Hij herkende verdachte direct aan zijn zeer opvallende gezicht met zijn herkenbare flaporen. Hij zag dat verdachte van hem weg liep. Hij riep verdachte aan en rende achter hem aan. Hij verloor verdachte uit het oog doordat de weg waarop verdachte liep, een bocht maakte. Nadat verbalisant [verbalisant 1] de bocht door was, zag hij verdachte niet meer. Vervolgens werd het chalet binnengetreden en vond de doorzoeking plaats waarbij zoals gezegd cocaïne, een wapen en munitie werden aangetroffen. In het chalet werd op het aanrecht een geldig Nederlands rijbewijs op naam van verdachte aangetroffen. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat dit rijbewijs onder het witte poeder zat. Op 20 juni 2023 werd verder voornoemde Audi met kenteken [kenteken] in beslag genomen aan [adres] in Lathum. Op 21 juni 2023 meldde een medewerker van het autoverhuurbedrijf zich bij de politie, nadat om reservesleutels was verzocht in verband met de doorzoeking van het voertuig. De Audi werd gehuurd door verdachte. Op 11 juli 2023 werd binnengetreden en vond een doorzoeking plaats in chalet [nummer] . In dit chalet werd verdachte aangetroffen en naar aanleiding van de doorzoeking en het aantreffen van verdovende middelen en een geldbedrag van € 11.400,- aangehouden (ten laste gelegd onder parketnummer 05/184427-24). In dat kader werd de eigenaar van chalet [nummer] gehoord die verklaarde dat hij van zijn zoon had gehoord dat degene die was aangehouden (verdachte), uit zijn eigen chalet was gevlucht. De rechtbank overweegt verder dat verdachte op 20 juni 2023 vlakbij het chalet is gezien en wegrende voor een verbalisant die hem riep terwijl op dat moment meerdere opsporingsambtenaren aanwezig waren bij het chalet. Een getuige verklaart dat de op 11 juli 2023 aangehouden man (verdachte) degene is die eerder is gevlucht uit zijn chalet. De auto, waarvan vast staat dat verdachte deze huurde, is op 20 juni 2023 op het vakantiepark aangetroffen. Verdachte is enkele maanden eerder als bestuurder in dat voertuig gecontroleerd, zijn rijbewijs is op 20 juni 2023 in het chalet aangetroffen en daarvoor heeft hij geen uitleg gegeven. Verdachte heeft zich tijdens het verhoor bij de politie namelijk beroepen op zijn zwijgrecht en tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak was verdachte niet aanwezig. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank dan ook vast dat verdachte op 20 juni 2023 in het chalet verbleef. In dat chalet zijn (een dealerhoeveelheid) cocaïne, een pistool en bijbehorende munitie is aangetroffen. Verdachte heeft ook daarover geen, laat staan een hem vrijpleitende, verklaring afgelegd. In die omstandigheden houdt de rechtbank het ervoor dat verdachte wist dat deze goederen zich in het chalet bevonden en dat in ieder geval hij daarover de beschikkingsmacht had.
Volledig
Of er anderen waren met wetenschap en beschikkingsmacht over deze goederen, kan de rechtbank niet vaststellen. Hiervoor zijn geen bewijsmiddelen in het dossier. Het bewijs voor het opzettelijk aanwezig hebben van de cocaïne en het voorhanden hebben van de overige goederen door verdachte is er, maar in elk van die gevallen uitsluitend voor het (alleen) plegen, en niet voor het medeplegen daarvan. Conclusie De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 20 juni 2023 in Lathum 95,25 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad (feit 2) en voorts dat hij op diezelfde datum en plaats het pistool (feit 3) en de kogelpatronen (feit 4) voorhanden heeft gehad. Van het medeplegen van deze feiten zal verdachte worden vrijgesproken. Parketnummer 05/184427-24 Feit 1, 2 en 3 De rechtbank is -anders dan de officier van justitie- van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte zich bewust was van de op 11 juli 2023 aanwezige cocaïne, mdma, hasj en het geldbedrag van € 11.400,- in het chalet van [medeverdachte] en dat hij daar beschikkingsmacht over had. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het chalet door [medeverdachte] werd bewoond, uit de verklaring van [medeverdachte] volgt dat verdachte daar op bezoek was, dat [medeverdachte] over de gripzakjes op de salontafel (met daarin cocaïne en MDMA-poeder) en de pillen in het sigarettendoosje heeft verklaard dat deze van hem kunnen zijn. Verder neemt zij in aanmerking dat de MDMA-pillen en de brok hasj van ruim 30 gram in het sigarettendoosje zaten en dat de andere MDMA-pillen in de dressoirkast lagen en deze daarmee voor het oog niet direct zichtbaar waren. Dit geldt ook voor het aangetroffen geldbedrag van € 11.400,-. Dit geld lag weliswaar op de salontafel, maar zat in een plastic Jumbo tas en zonder de tas te openen was de inhoud (het grote geldbedrag) niet zichtbaar. Verdachte heeft bovendien ontkend dat hij wist dat er drugs en geld in het chalet lagen. Dat verdachte (tezamen en in vereniging met een ander) het aangetroffen geldbedrag voorhanden heeft gehad kan dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen. De rechtbank zal daarom verdachte vrijspreken van het medeplegen van opzettelijk witwassen (primair) en eenvoudig witwassen (subsidiair) van een geldbedrag van € 11.400,-. Feit 4 Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 4 van parketnummer 05/184427-24 tenlastegelegde heeft begaan, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist van de aanwezigheid van de precursoren voor explosieven in de schuur. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2, 3 en 4 van parketnummer 05/184405-24 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 2. hij op of omstreeks 20 juni 2023 te Lathum, gemeente Zevenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] te Lathum) ongeveer 95,25 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3. hij op of omstreeks 20 juni 2023, in de gemeente Zevenaar , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk GSG, type Sig Sauer P226, kaliber 9x19mm zijnde een vuurwapen in de vorm van pistool voorhanden heeft gehad; 4 hij op of omstreeks 20 juni 2023 in de gemeente Zevenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere kogelpatronen van het kaliber 9x19mm voorhanden heeft gehad. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: parketnummer 05/184405-24, feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; parketnummer 05/184405-24, feit 3 en 4, telkens: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. 5 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de ouderdom van de zaak en om maatwerk te leveren. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte in het verleden veel drugs gebruikt heeft, wat heeft geleid tot de veroordeling op zijn strafblad. Inmiddels heeft hij werk en onderdak en daarmee zijn leven op orde. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit doorkruisen. De raadsvrouw heeft voorgesteld om een gevangenisstraf conform het voorarrest op te leggen in combinatie met een taakstraf. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een handelshoeveelheid cocaïne (bijna 100 gram). Het is algemeen bekend dat verdovende middelen, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. De samenleving ondervindt daarbij ook overlast van de handel in en het gebruik van harddrugs, omdat hierdoor veelal weer nieuwe strafbare feiten worden gegenereerd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij aan deze drugscriminaliteit een bijdrage heeft geleverd. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool en bijbehorende munitie in een woning. Er is daarmee sprake geweest van ongecontroleerd bezit van een wapen en munitie. Dit brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Die angst is bepaald niet ongegrond: het bezit van een vuurwapen, zeker in combinatie met munitie, leidt niet zelden tot het gebruik daarvan. Dat laat de grote aandacht in de media voor fors geweld met vuurwapens wel zien. Voor dergelijke feiten dient een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het uitgangspunt te zijn. Strafblad Uit het uittreksel van de justitiële documentatie van 13 maart 2026 betreffende verdachte volgt dat hij voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten niet eerder (onherroepelijk) is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Wel is verdachte voor Opiumwetfeiten veroordeeld na het begaan van de bewezenverklaarde feiten. Artikel 63 van het wetboek van Strafrecht is daarom van toepassing en de rechtbank houdt hier rekening mee bij de bepaling van de straf. Oriëntatiepunten LOVS Voor de bepaling van de straf heeft de rechtbank onder meer gekeken naar wat rechters vaak opleggen voor dit soort feiten. De ‘Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)’vormen daarvan een weerslag. Daarin wordtvoor het aanwezig hebben van harddrugs tot 100 gram wordt een onvoorwaardelijke taakstraf tussen de 150 en 240 uur als uitgangspunt genomen.
Volledig
Of er anderen waren met wetenschap en beschikkingsmacht over deze goederen, kan de rechtbank niet vaststellen. Hiervoor zijn geen bewijsmiddelen in het dossier. Het bewijs voor het opzettelijk aanwezig hebben van de cocaïne en het voorhanden hebben van de overige goederen door verdachte is er, maar in elk van die gevallen uitsluitend voor het (alleen) plegen, en niet voor het medeplegen daarvan. Conclusie De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 20 juni 2023 in Lathum 95,25 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad (feit 2) en voorts dat hij op diezelfde datum en plaats het pistool (feit 3) en de kogelpatronen (feit 4) voorhanden heeft gehad. Van het medeplegen van deze feiten zal verdachte worden vrijgesproken. Parketnummer 05/184427-24 Feit 1, 2 en 3 De rechtbank is -anders dan de officier van justitie- van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte zich bewust was van de op 11 juli 2023 aanwezige cocaïne, mdma, hasj en het geldbedrag van € 11.400,- in het chalet van [medeverdachte] en dat hij daar beschikkingsmacht over had. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het chalet door [medeverdachte] werd bewoond, uit de verklaring van [medeverdachte] volgt dat verdachte daar op bezoek was, dat [medeverdachte] over de gripzakjes op de salontafel (met daarin cocaïne en MDMA-poeder) en de pillen in het sigarettendoosje heeft verklaard dat deze van hem kunnen zijn. Verder neemt zij in aanmerking dat de MDMA-pillen en de brok hasj van ruim 30 gram in het sigarettendoosje zaten en dat de andere MDMA-pillen in de dressoirkast lagen en deze daarmee voor het oog niet direct zichtbaar waren. Dit geldt ook voor het aangetroffen geldbedrag van € 11.400,-. Dit geld lag weliswaar op de salontafel, maar zat in een plastic Jumbo tas en zonder de tas te openen was de inhoud (het grote geldbedrag) niet zichtbaar. Verdachte heeft bovendien ontkend dat hij wist dat er drugs en geld in het chalet lagen. Dat verdachte (tezamen en in vereniging met een ander) het aangetroffen geldbedrag voorhanden heeft gehad kan dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen. De rechtbank zal daarom verdachte vrijspreken van het medeplegen van opzettelijk witwassen (primair) en eenvoudig witwassen (subsidiair) van een geldbedrag van € 11.400,-. Feit 4 Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 4 van parketnummer 05/184427-24 tenlastegelegde heeft begaan, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist van de aanwezigheid van de precursoren voor explosieven in de schuur. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2, 3 en 4 van parketnummer 05/184405-24 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 2. hij op of omstreeks 20 juni 2023 te Lathum, gemeente Zevenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] te Lathum) ongeveer 95,25 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3. hij op of omstreeks 20 juni 2023, in de gemeente Zevenaar , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk GSG, type Sig Sauer P226, kaliber 9x19mm zijnde een vuurwapen in de vorm van pistool voorhanden heeft gehad; 4 hij op of omstreeks 20 juni 2023 in de gemeente Zevenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere kogelpatronen van het kaliber 9x19mm voorhanden heeft gehad. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: parketnummer 05/184405-24, feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; parketnummer 05/184405-24, feit 3 en 4, telkens: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. 5 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de ouderdom van de zaak en om maatwerk te leveren. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte in het verleden veel drugs gebruikt heeft, wat heeft geleid tot de veroordeling op zijn strafblad. Inmiddels heeft hij werk en onderdak en daarmee zijn leven op orde. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit doorkruisen. De raadsvrouw heeft voorgesteld om een gevangenisstraf conform het voorarrest op te leggen in combinatie met een taakstraf. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een handelshoeveelheid cocaïne (bijna 100 gram). Het is algemeen bekend dat verdovende middelen, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. De samenleving ondervindt daarbij ook overlast van de handel in en het gebruik van harddrugs, omdat hierdoor veelal weer nieuwe strafbare feiten worden gegenereerd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij aan deze drugscriminaliteit een bijdrage heeft geleverd. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool en bijbehorende munitie in een woning. Er is daarmee sprake geweest van ongecontroleerd bezit van een wapen en munitie. Dit brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Die angst is bepaald niet ongegrond: het bezit van een vuurwapen, zeker in combinatie met munitie, leidt niet zelden tot het gebruik daarvan. Dat laat de grote aandacht in de media voor fors geweld met vuurwapens wel zien. Voor dergelijke feiten dient een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het uitgangspunt te zijn. Strafblad Uit het uittreksel van de justitiële documentatie van 13 maart 2026 betreffende verdachte volgt dat hij voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten niet eerder (onherroepelijk) is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Wel is verdachte voor Opiumwetfeiten veroordeeld na het begaan van de bewezenverklaarde feiten. Artikel 63 van het wetboek van Strafrecht is daarom van toepassing en de rechtbank houdt hier rekening mee bij de bepaling van de straf. Oriëntatiepunten LOVS Voor de bepaling van de straf heeft de rechtbank onder meer gekeken naar wat rechters vaak opleggen voor dit soort feiten. De ‘Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)’vormen daarvan een weerslag. Daarin wordtvoor het aanwezig hebben van harddrugs tot 100 gram wordt een onvoorwaardelijke taakstraf tussen de 150 en 240 uur als uitgangspunt genomen.
Volledig
Voor het voorhanden hebben – in een woning – van een pistool (categorie III, onder 1 WWM) wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden als uitgangspunt genomen en voor het voorhanden hebben van munitie (tot 50 patronen) een geldboete tussen de € 180,- en € 240,-. Redelijke termijn Verdachte is op 12 juli 2023 in verzekering gesteld. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen. Een eindvonnis dient vervolgens binnen twee jaren te volgen. In de zaak van verdachte is op 6 mei 2026 vonnis gewezen. Dit is twee jaar, negen maanden en 25 dagen later. Daarmee is de redelijke termijn met negen maanden en 25 dagen overschreden. Deze overschrijding is niet te wijten aan de ingewikkeldheid van de zaak dan wel aan de proceshouding van verdachte of door onderzoekswensen van de verdediging. De op te leggen straf Gezien de ernst van de feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 weken (126 dagen) passend. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank daarop een strafvermindering van 10% toepassen (afgerond dertien dagen). De rechtbank zal daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 113 dagen opleggen. De tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, zal daarop in mindering worden gebracht. 8 De beoordeling van het beslag Onder verdachte zijn geldbedragen in beslag genomen, te weten: - € 736,65 (Omschrijving: PL0600-2023278327-G3000264); - € 4.570,- (Omschrijving: PL0600-2023278327-G3000262). Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft verbeurdverklaring van het totaalbedrag van € 5.306,65- gevorderd. Het geldbedrag heeft volgens de officier van justitie blijkens het dossier geen legale herkomst; het bedrag is uit misdrijf afkomstig. De beoordeling door de rechtbank Verdachte heeft ontkend dat het in beslag genomen geld van hem was. De rechtbank acht bewezen dat verdachte een dealerhoeveelheid cocaïne voorhanden heeft gehad op 20 juni 2023. Ook acht zij bewezen dat hij een pistool en munitie voorhanden heeft gehad. In het chalet dat op 20 juni 2023 is doorzocht werden ook diverse gripzakjes met restanten wit poeder aangetroffen op de eetkamertafel. Het in beslag genomen geldbedrag van € 4.570,- werd aangetroffen in een keukenlade. In het tuinhuisje werden tien jerrycans aangetroffen en de inhoud daarvan testte indicatief positief op GBL, een grondstof voor de productie van GHB. De goederen in samenhang bezien duiden op drugshandel. Verdachte had ten tijde van de doorzoeking geen inkomsten en geen uitkering. Daar komt bij dat verdachte op 11 juli 2023 wordt aangetroffen in een chalet met op de salontafel een tas met een geldbedrag van € 11.400,-. Hoewel de rechtbank verdachte vrijspreekt van het witwassen van dat geldbedrag omdat er onvoldoende bewijs in het dossier zit om vast te stellen dat verdachte zich bewust was van dat geldbedrag, versterkt dit wel het vermoeden dat verdachte zich bezig hield met de handel in drugs. De rechtbank gaat er in dit verband dan ook van uit, nu een verklaring van verdachte ontbreekt over de herkomst van het geld dat is aangetroffen op 20 juni 2023 en het, gelet op de combinatie van de vondst van dit geld en de vondst van drugs en een wapen met munitie, aannemelijk is dat het gaat om handelsgeld of in verband staat met drugsgerelateerde activiteiten. Daarom concludeert de rechtbank dat het inbeslaggenomen geldbedrag van misdrijf afkomstig moet zijn en dat het bestemd is om soortgelijke feiten te plegen. De rechtbank zal daarom het inbeslaggenomen geld dat tot het begaan van het misdrijf onder feit 2 is bestemd verbeurd verklaren. De rechtbank heeft hierbij voor zover mogelijk rekening gehouden met de gebleken draagkracht van verdachte. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen: - 33, 33 a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht; - 2 en 10 van de Opiumwet; - 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 10 De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van de onder 1 van parketnummer 05/184405-24 en de onder 1, 2, 3 en 4 van parketnummer 05/184427-24 ten laste gelegde feiten; verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 113 dagen ; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht ten aanzien van het beslag: verklaart verbeurd de inbeslaggenomen geldbedragen, te weten: o € 736,65 (Omschrijving: PL0600-2023278327-G3000264); o € 4.570,- (Omschrijving: PL0600-2023278327-G3000262). Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld (voorzitter), mr. A. Tegelaar en mr. C.J.M. Vijftigschild, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 mei 2026. mr. A. Tegelaar en mr. C.J.M. Vijftigschild zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023278327, gesloten op 6 juni 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het bewijs is verder terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023316809, gesloten op 6 juni 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van bevindingen, p. 22-25. Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 111; Rapport NFiDENT, p. 118. Proces-verbaal van bevindingen, p. 22-25. Proces-verbaal onderzoek wapen, p. 51. Proces-verbaal van bevindingen, p. 22. Proces-verbaal van bevindingen, p. 22-23. Proces-verbaal van bevindingen, p. 23. Kennisgeving van inbeslagname, p. 147. Proces-verbaal van bevindingen, p. 72. Proces-verbaal van bevindingen, p. 10-13 (dossiernummer PL0600-2023316809); proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 109 (dossiernummer PL0600-2023316809). Proces-verbaal van bevindingen, p. 106.
Volledig
Voor het voorhanden hebben – in een woning – van een pistool (categorie III, onder 1 WWM) wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden als uitgangspunt genomen en voor het voorhanden hebben van munitie (tot 50 patronen) een geldboete tussen de € 180,- en € 240,-. Redelijke termijn Verdachte is op 12 juli 2023 in verzekering gesteld. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen. Een eindvonnis dient vervolgens binnen twee jaren te volgen. In de zaak van verdachte is op 6 mei 2026 vonnis gewezen. Dit is twee jaar, negen maanden en 25 dagen later. Daarmee is de redelijke termijn met negen maanden en 25 dagen overschreden. Deze overschrijding is niet te wijten aan de ingewikkeldheid van de zaak dan wel aan de proceshouding van verdachte of door onderzoekswensen van de verdediging. De op te leggen straf Gezien de ernst van de feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 weken (126 dagen) passend. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank daarop een strafvermindering van 10% toepassen (afgerond dertien dagen). De rechtbank zal daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 113 dagen opleggen. De tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, zal daarop in mindering worden gebracht. 8 De beoordeling van het beslag Onder verdachte zijn geldbedragen in beslag genomen, te weten: - € 736,65 (Omschrijving: PL0600-2023278327-G3000264); - € 4.570,- (Omschrijving: PL0600-2023278327-G3000262). Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft verbeurdverklaring van het totaalbedrag van € 5.306,65- gevorderd. Het geldbedrag heeft volgens de officier van justitie blijkens het dossier geen legale herkomst; het bedrag is uit misdrijf afkomstig. De beoordeling door de rechtbank Verdachte heeft ontkend dat het in beslag genomen geld van hem was. De rechtbank acht bewezen dat verdachte een dealerhoeveelheid cocaïne voorhanden heeft gehad op 20 juni 2023. Ook acht zij bewezen dat hij een pistool en munitie voorhanden heeft gehad. In het chalet dat op 20 juni 2023 is doorzocht werden ook diverse gripzakjes met restanten wit poeder aangetroffen op de eetkamertafel. Het in beslag genomen geldbedrag van € 4.570,- werd aangetroffen in een keukenlade. In het tuinhuisje werden tien jerrycans aangetroffen en de inhoud daarvan testte indicatief positief op GBL, een grondstof voor de productie van GHB. De goederen in samenhang bezien duiden op drugshandel. Verdachte had ten tijde van de doorzoeking geen inkomsten en geen uitkering. Daar komt bij dat verdachte op 11 juli 2023 wordt aangetroffen in een chalet met op de salontafel een tas met een geldbedrag van € 11.400,-. Hoewel de rechtbank verdachte vrijspreekt van het witwassen van dat geldbedrag omdat er onvoldoende bewijs in het dossier zit om vast te stellen dat verdachte zich bewust was van dat geldbedrag, versterkt dit wel het vermoeden dat verdachte zich bezig hield met de handel in drugs. De rechtbank gaat er in dit verband dan ook van uit, nu een verklaring van verdachte ontbreekt over de herkomst van het geld dat is aangetroffen op 20 juni 2023 en het, gelet op de combinatie van de vondst van dit geld en de vondst van drugs en een wapen met munitie, aannemelijk is dat het gaat om handelsgeld of in verband staat met drugsgerelateerde activiteiten. Daarom concludeert de rechtbank dat het inbeslaggenomen geldbedrag van misdrijf afkomstig moet zijn en dat het bestemd is om soortgelijke feiten te plegen. De rechtbank zal daarom het inbeslaggenomen geld dat tot het begaan van het misdrijf onder feit 2 is bestemd verbeurd verklaren. De rechtbank heeft hierbij voor zover mogelijk rekening gehouden met de gebleken draagkracht van verdachte. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen: - 33, 33 a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht; - 2 en 10 van de Opiumwet; - 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 10 De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van de onder 1 van parketnummer 05/184405-24 en de onder 1, 2, 3 en 4 van parketnummer 05/184427-24 ten laste gelegde feiten; verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 113 dagen ; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht ten aanzien van het beslag: verklaart verbeurd de inbeslaggenomen geldbedragen, te weten: o € 736,65 (Omschrijving: PL0600-2023278327-G3000264); o € 4.570,- (Omschrijving: PL0600-2023278327-G3000262). Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld (voorzitter), mr. A. Tegelaar en mr. C.J.M. Vijftigschild, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 mei 2026. mr. A. Tegelaar en mr. C.J.M. Vijftigschild zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023278327, gesloten op 6 juni 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het bewijs is verder terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023316809, gesloten op 6 juni 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van bevindingen, p. 22-25. Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 111; Rapport NFiDENT, p. 118. Proces-verbaal van bevindingen, p. 22-25. Proces-verbaal onderzoek wapen, p. 51. Proces-verbaal van bevindingen, p. 22. Proces-verbaal van bevindingen, p. 22-23. Proces-verbaal van bevindingen, p. 23. Kennisgeving van inbeslagname, p. 147. Proces-verbaal van bevindingen, p. 72. Proces-verbaal van bevindingen, p. 10-13 (dossiernummer PL0600-2023316809); proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 109 (dossiernummer PL0600-2023316809). Proces-verbaal van bevindingen, p. 106.