Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-05-07
ECLI:NL:RBGEL:2026:3547
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,282 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3547 text/xml public 2026-05-13T17:00:24 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-07 ARN 24/6952 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3547 text/html public 2026-05-08T09:05:17 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3547 Rechtbank Gelderland , 07-05-2026 / ARN 24/6952 Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van 35 chalets ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van ontheemden voor een periode van maximaal 5 jaar. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. De rechtbank oordeelt dat het college kon besluiten tot verlening van de omgevingsvergunning RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/6952 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3], [eiser 4], [eiser 5], [eiseres], [eiser 6], uit [plaats], eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe (gemachtigde: mr. J.H. Meijer). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats]. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van 35 chalets op de percelen aan de [locatie] in [plaats], kadastraal bekend gemeente Vaassen, sectie [sectie], nummers [nummer 1] en [nummer 2], ten behoeve van de tijdelijke huisvesting voor een periode van maximaal 5 jaar. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Op 30 oktober 2023 heeft de derde-partij een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van 35 chalets op de percelen aan de [locatie] in [plaats] en het tijdelijk huisvesten van oorlogsvluchtelingen uit Oekraïne. Bij besluit van 15 februari 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’, ‘het uitvoeren van een werk of werkzaamheden’ en ‘het handelen in strijd met het bestemmingsplan’. De omgevingsvergunning is verleend voor de duur van maximaal 5 jaar en ziet op maximaal 35 te bouwen chalets. Na het verstrijken van deze termijn mogen de geplaatste chalets niet meer worden gebruikt voor de opvang van ontheemden en moeten de chalets overeenkomstig de geldende bestemming worden gebruikt. 2.1. Eisers wonen nabij de percelen waar de chalets op gerealiseerd worden en hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Daarnaast hebben zij hangende bezwaar verzocht om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 26 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter de omgevingsvergunning bij wijze van voorlopige voorziening geschorst tot 6 weken na de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter was namelijk van oordeel dat er dusdanig veel gebreken aan de omgevingsvergunning kleefden, dat dit wel tot een schorsing moest leiden. 2.2. Bij besluit van 22 augustus 2024 heeft het college de verleende omgevingsvergunning (gewijzigd en onder aanvulling van de motivering) in stand gelaten. Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften toegevoegd, maar er zijn ook enkele voorschriften gewijzigd en geschrapt. Bij besluiten van 10 oktober 2024 en 17 oktober 2024 heeft het college het bestreden besluit gewijzigd. In het besluit van 10 oktober 2024 heeft het college voorschrift 9 van de gewijzigde omgevingsvergunning aldus aangepast dat ‘het bouwen moet geschieden overeenkomstig de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, waarbij moet worden voldaan aan de voorschriften met betrekking tot bestaande bouw’, in plaats van de voorschriften met betrekking tot nieuwbouw. Verder zijn in het besluit van 10 oktober nog een aantal bijlagen bijgevoegd. In de wijziging van 17 oktober 2024 is voorschrift 6, over het parkeren, aangepast met een verwijzing naar de meest recente situatietekening. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht is het beroep dat is ingesteld tegen het bestreden besluit van rechtswege mede gericht tegen de besluiten van 10 oktober 2024 en 17 oktober 2024. 2.3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij uitspraak van 17 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen en het bestreden besluit, enkel voor zover dat besluit betrekking heeft op de activiteit ‘het handelen in strijd met het bestemmingsplan’ geschorst. Bij uitspraak van 27 november 2024 heeft de voorzieningenrechter de ordemaatregel opgeheven. De chalets zijn inmiddels gebouwd en worden nu gebruikt voor de huisvesting van ontheemden. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college en de derde-partij. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). 3.1. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 oktober 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 3.2. Op het perceel was op dat moment het bestemmingsplan ‘Buitengebied Epe’ van toepassing op basis waarvan op de gronden aan de [locatie] de bestemming ‘recreatie – verblijfsrecreatie’ rustte. Het gebruik van de chalets ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van ontheemden is in strijd met het bestemmingsplan. Bouwtechnische eisen 4. Eisers stellen dat sprake is van een innerlijke tegenstrijdigheid tussen het besluit op bezwaar, waarin is geoordeeld dat de chalets vanwege hun tijdelijke karakter niet aan de nieuwbouweisen hoeven te voldoen, en de gewijzigde vergunning, waarin juist is voorgeschreven dat de bouw moet plaatsvinden conform de nieuwbouweisen van het destijds geldende Bouwbesluit 2012. Hierdoor is het bestreden besluit volgens eisers onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Eisers benadrukken het belang van duidelijke bouwtechnische eisen, in het bijzonder op het gebied van brandveiligheid, aangezien omwonenden op korte afstand wonen en er recent branden hebben plaatsgevonden. Eisers stellen zich daarom op het standpunt dat de strengere nieuwbouweisen, zoals opgenomen in de gewijzigde vergunning, gehandhaafd moeten blijven. 4.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat in het wijzigingsbesluit van 10 oktober 2024 door het college is toegelicht dat het bouwen van de chalets dient te geschieden overeenkomstig de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 voor bestaande bouw. Waar in voorschrift 9 van het wijzigingsbesluit omgevingsvergunning van 23 augustus 2024 het woord “nieuwbouw” staat, moet dit worden gelezen als “bestaande bouw”. De rechtbank stelt vast dat met deze aanpassing de onjuistheid in het wijzigingsbesluit van 23 augustus 2024 is hersteld. Het college heeft daarmee duidelijk gemaakt dat het bouwen moet plaatsvinden overeenkomstig de voorschriften voor bestaande bouw, zoals ook is onderbouwd in de beslissing op bezwaar van 23 augustus 2024.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3547 text/xml public 2026-05-13T17:00:24 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-07 ARN 24/6952 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3547 text/html public 2026-05-08T09:05:17 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3547 Rechtbank Gelderland , 07-05-2026 / ARN 24/6952 Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van 35 chalets ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van ontheemden voor een periode van maximaal 5 jaar. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. De rechtbank oordeelt dat het college kon besluiten tot verlening van de omgevingsvergunning RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/6952 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3], [eiser 4], [eiser 5], [eiseres], [eiser 6], uit [plaats], eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe (gemachtigde: mr. J.H. Meijer). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats]. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van 35 chalets op de percelen aan de [locatie] in [plaats], kadastraal bekend gemeente Vaassen, sectie [sectie], nummers [nummer 1] en [nummer 2], ten behoeve van de tijdelijke huisvesting voor een periode van maximaal 5 jaar. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Op 30 oktober 2023 heeft de derde-partij een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van 35 chalets op de percelen aan de [locatie] in [plaats] en het tijdelijk huisvesten van oorlogsvluchtelingen uit Oekraïne. Bij besluit van 15 februari 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’, ‘het uitvoeren van een werk of werkzaamheden’ en ‘het handelen in strijd met het bestemmingsplan’. De omgevingsvergunning is verleend voor de duur van maximaal 5 jaar en ziet op maximaal 35 te bouwen chalets. Na het verstrijken van deze termijn mogen de geplaatste chalets niet meer worden gebruikt voor de opvang van ontheemden en moeten de chalets overeenkomstig de geldende bestemming worden gebruikt. 2.1. Eisers wonen nabij de percelen waar de chalets op gerealiseerd worden en hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Daarnaast hebben zij hangende bezwaar verzocht om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 26 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter de omgevingsvergunning bij wijze van voorlopige voorziening geschorst tot 6 weken na de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter was namelijk van oordeel dat er dusdanig veel gebreken aan de omgevingsvergunning kleefden, dat dit wel tot een schorsing moest leiden. 2.2. Bij besluit van 22 augustus 2024 heeft het college de verleende omgevingsvergunning (gewijzigd en onder aanvulling van de motivering) in stand gelaten. Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften toegevoegd, maar er zijn ook enkele voorschriften gewijzigd en geschrapt. Bij besluiten van 10 oktober 2024 en 17 oktober 2024 heeft het college het bestreden besluit gewijzigd. In het besluit van 10 oktober 2024 heeft het college voorschrift 9 van de gewijzigde omgevingsvergunning aldus aangepast dat ‘het bouwen moet geschieden overeenkomstig de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, waarbij moet worden voldaan aan de voorschriften met betrekking tot bestaande bouw’, in plaats van de voorschriften met betrekking tot nieuwbouw. Verder zijn in het besluit van 10 oktober nog een aantal bijlagen bijgevoegd. In de wijziging van 17 oktober 2024 is voorschrift 6, over het parkeren, aangepast met een verwijzing naar de meest recente situatietekening. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht is het beroep dat is ingesteld tegen het bestreden besluit van rechtswege mede gericht tegen de besluiten van 10 oktober 2024 en 17 oktober 2024. 2.3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij uitspraak van 17 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen en het bestreden besluit, enkel voor zover dat besluit betrekking heeft op de activiteit ‘het handelen in strijd met het bestemmingsplan’ geschorst. Bij uitspraak van 27 november 2024 heeft de voorzieningenrechter de ordemaatregel opgeheven. De chalets zijn inmiddels gebouwd en worden nu gebruikt voor de huisvesting van ontheemden. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college en de derde-partij. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). 3.1. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 oktober 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 3.2. Op het perceel was op dat moment het bestemmingsplan ‘Buitengebied Epe’ van toepassing op basis waarvan op de gronden aan de [locatie] de bestemming ‘recreatie – verblijfsrecreatie’ rustte. Het gebruik van de chalets ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van ontheemden is in strijd met het bestemmingsplan. Bouwtechnische eisen 4. Eisers stellen dat sprake is van een innerlijke tegenstrijdigheid tussen het besluit op bezwaar, waarin is geoordeeld dat de chalets vanwege hun tijdelijke karakter niet aan de nieuwbouweisen hoeven te voldoen, en de gewijzigde vergunning, waarin juist is voorgeschreven dat de bouw moet plaatsvinden conform de nieuwbouweisen van het destijds geldende Bouwbesluit 2012. Hierdoor is het bestreden besluit volgens eisers onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Eisers benadrukken het belang van duidelijke bouwtechnische eisen, in het bijzonder op het gebied van brandveiligheid, aangezien omwonenden op korte afstand wonen en er recent branden hebben plaatsgevonden. Eisers stellen zich daarom op het standpunt dat de strengere nieuwbouweisen, zoals opgenomen in de gewijzigde vergunning, gehandhaafd moeten blijven. 4.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat in het wijzigingsbesluit van 10 oktober 2024 door het college is toegelicht dat het bouwen van de chalets dient te geschieden overeenkomstig de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 voor bestaande bouw. Waar in voorschrift 9 van het wijzigingsbesluit omgevingsvergunning van 23 augustus 2024 het woord “nieuwbouw” staat, moet dit worden gelezen als “bestaande bouw”. De rechtbank stelt vast dat met deze aanpassing de onjuistheid in het wijzigingsbesluit van 23 augustus 2024 is hersteld. Het college heeft daarmee duidelijk gemaakt dat het bouwen moet plaatsvinden overeenkomstig de voorschriften voor bestaande bouw, zoals ook is onderbouwd in de beslissing op bezwaar van 23 augustus 2024.
Volledig
Eisers hebben niet gemotiveerd onderbouwd waarom het bouwen van de chalets zou moeten plaatsvinden volgens de voorschriften voor nieuwbouw in plaats van bestaande bouw. 4.2. Verder oordeelt de rechtbank dat eisers ook niet onderbouwd hebben dat er niet voldaan zou worden aan bouwtechnische eisen met betrekking tot brandveiligheid. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit het door eisers aangehaalde nieuwsbericht volgt dat de branden op de camping in 2023 hebben plaatsgevonden, dus vóór de plaatsing en ingebruikneming van de chalets. Zij hebben ook niet gesteld dat deze branden hebben geleid tot gevaar voor hun percelen. Goede ruimtelijke ordening: aantal bewoners 5. Eisers stellen dat het huidige voorschrift ten onrechte niet uitsluit dat meer dan één gezin in één chalet wordt gehuisvest. Hierdoor kan het aantal bewoners aanzienlijk toenemen, bijvoorbeeld tot bijna 300 personen indien in meerdere chalets twee gezinnen van vijf personen zouden wonen. Ook bij kleinere gezinssamenstellingen, zoals twee gezinnen van drie personen per chalet, kan het totaal oplopen tot circa 188 personen. Dit zou gevolgen hebben voor overlast, toezicht, verkeersdrukte en parkeerproblemen in de omgeving. 5.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat in de gewijzigde vergunning is bepaald dat van de te plaatsen 35 chalets, in het kader van de tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan, één chalet zal worden gebruikt door de beheerder. Ten minste 26 chalets zullen worden gebruikt voor de opvang van gezinnen, waaronder ook worden verstaan moeders of vaders of andere alleenstaanden met kinderen. Maximaal acht chalets mogen worden gebruikt voor de opvang van ontheemden buiten een gezinsverband (bijvoorbeeld vier individuele personen die geen gezin vormen). Voorts mogen per chalet maximaal vier personen worden gehuisvest. De enige uitzondering hierop geldt in het geval van de opvang van een gezin dat bestaat uit vijf personen, te weten twee volwassenen met drie kinderen of één volwassene met vier kinderen. Hiermee is voldoende duidelijk dat slechts één gezin per chalet wordt gehuisvest en dat de door eisers geschetste aantallen van zes tot tien personen in één chalet niet bereikt mogen worden. Goede ruimtelijke ordening: parkeren 6. Eisers stellen dat het college bij het vaststellen van de parkeernorm verwijst naar de Nota Parkeernormen 2024 en informatie van Goudappel, waarbij wordt uitgegaan van 1,3 parkeerplaats per chalet, vergelijkbaar met sociale huurwoningen. Volgens eisers is deze vergelijking niet passend, met name voor de acht chalets waarin meerdere personen kunnen wonen die ieder mogelijk over een auto beschikken. Daarnaast is de opvanglocatie slecht bereikbaar met het openbaar vervoer, waardoor het autogebruik naar verwachting hoger zal zijn. Ook is niet expliciet vastgelegd dat per chalet slechts één huishouden wordt gehuisvest, zodat meerdere gezinnen per chalet mogelijk blijven, hetgeen de parkeerbehoefte vergroot. Eisers vrezen dat bewoners langs de [locatie] zullen parkeren, wat tot overlast zal leiden. Verder wijzen eisers erop dat de Nota Parkeernormen 2024 de eerdere versie uit 2018 vervangt, waarin een hogere norm gold (1,6 parkeerplaats per sociale huurwoning). Volgens eisers is onvoldoende gemotiveerd waarom deze verlaging is doorgevoerd en lijkt deze specifiek op deze situatie te zijn toegesneden. Tot slot stellen eisers dat een deel van de chalets niet voldoet aan de maximale loopafstand tot parkeervoorzieningen zoals opgenomen in de Nota. 6.1. De rechtbank stelt voorop dat het college in de beslissing op bezwaar terecht aansluiting heeft gezocht bij de Nota Parkeernormen 2024 (parkeernota), omdat een bestuursorgaan in bezwaar een besluit ex nunc heroverweegt. Dat de norm in de parkeernota tussen het primaire besluit en de beslissing op bezwaar is gewijzigd ten gunste van de aanvrager, doet hier niet aan af. Uit de parkeernota volgt dat aansluiting is gezocht bij de parkeernormen van het Kennisplatform CROW, eisers hebben niet onderbouwd dat dit ten onrechte of onjuist is gebeurd. In de parkeernota is geen norm opgenomen voor de opvang van ontheemden, het college heeft daarom aanleiding gezien om aan te sluiten bij de parkeernorm voor sociale huurwoningen in het buitengebied. De rechtbank acht dit niet onbegrijpelijk, omdat niet valt in te zien waarom de opvang van Oekraïense gezinnen in chalets, althans voor wat betreft de parkeerbehoefte, een wezenlijk andere ruimtelijke uitstraling zou hebben dan reguliere gezinnen in (kleine) sociale huurwoningen. Zoals het college ook heeft aangegeven, adviseert Goudappel op haar website om voor Oekraïense vluchtelingen aansluiting te zoeken bij de parkeerbehoefte van sociale huurders. Hoewel dit algemene informatie betreft en geen concreet advies, acht de rechtbank het begrijpelijk dat het college hierop heeft gesteund, mede omdat nog weinig gegevens beschikbaar zijn over het autobezit van deze doelgroep en Goudappel deskundig is op het gebied van parkeren. Voor zover eisers betogen dat de gemeente speciaal voor deze tijdelijke opvang de parkeernormen voor sociale huurwoningen in het gehele buitengebied van de gemeente Epe zou hebben verlaagd, acht de rechtbank dat ook onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk. 6.2. Ten aanzien van de stelling dat per chalet meerdere gezinnen kunnen worden gehuisvest en dat de parkeernorm daarom te laag is, stelt de rechtbank vast dat per chalet slechts één gezin wordt gehuisvest. Voor zover eisers menen dat de parkeernorm te laag is vanwege de acht chalets waarin geen gezinnen worden gehuisvest, overweegt de rechtbank dat deze grond evenmin slaagt. Ook bij sociale huurwoningen in het buitengebied komt het voor dat woningen worden bewoond door meerdere personen die geen gezin vormen maar wel één woning delen. Ook in dat opzicht is aansluiting bij de norm voor sociale huurwoningen niet onbegrijpelijk of onjuist. Ten aanzien van de gevreesde overlast in verband met parkeren langs de weg stelt de rechtbank vast dat eisers niet hebben onderbouwd dat daadwerkelijk langs de weg wordt geparkeerd en dat dit tot overlast leidt. Verder kan uit de stukken en plattegronden niet worden afgeleid dat de parkeerplaatsen onacceptabel ver van de chalets liggen. Eisers hebben bovendien geen deskundigenrapporten laten opstellen. Toezicht 7. Eisers stellen dat in de gewijzigde vergunning weliswaar een toezichtvoorziening is opgenomen via voorschrift 7, maar dat een verwijzing naar bijlage IV ontbreekt, waardoor onvoldoende zekerheid bestaat over adequaat toezicht. Indien wordt gedoeld op de Notitie Beheer opvanglocatie, is volgens eisers onduidelijk welke huisregels gelden en blijkt dat slechts gedurende een niet nader omschreven opbouwfase van zes maanden overdag een locatiecoördinator aanwezig is. Eisers stellen dat permanent toezicht noodzakelijk is, ook ’s nachts en na afloop van de opbouwfase. Daarnaast is onduidelijk hoeveel personen onder “beveiliging” vallen en of fysiek toezicht daadwerkelijk is gegarandeerd. Volgens eisers zou ten minste één beveiliger continu fysiek aanwezig moeten zijn. De notitie is volgens hen te vaag en onvoldoende handhaafbaar. 7.1. De beroepsgrond slaagt niet. De Notitie Beheer opvanglocatie, waarnaar wordt verwezen in de voorwaarde is voldoende concreet om als voorwaarde in een vergunning te gelden. Uit de notitie volgt dat tijdens de opbouwfase overdag een locatiecoördinator aanwezig moet zijn, maar nadien niet meer. Eiser vrezen wel voor overlast maar uit vaste rechtspraak volgt dat (gevreesde) overlast in de vorm van criminaliteit of diefstal geen ruimtelijk relevant aspect vormt. Dit betreft een kwestie van handhaving van de openbare orde, die niet aan de orde komt bij de beoordeling van ruimtelijke besluiten. Er is geen reden om daar in dit geval anders over te oordelen. Groene haag 8. Eisers stellen dat de kapvergunning wel het kappen van bomen regelt, maar geen duidelijke voorschriften bevat over de aanleg, inrichting en het onderhoud van de groenstrook die de opvanglocatie moet afschermen. Hierdoor is voorschrift 8 volgens eisers onvoldoende concreet.
Volledig
Eisers hebben niet gemotiveerd onderbouwd waarom het bouwen van de chalets zou moeten plaatsvinden volgens de voorschriften voor nieuwbouw in plaats van bestaande bouw. 4.2. Verder oordeelt de rechtbank dat eisers ook niet onderbouwd hebben dat er niet voldaan zou worden aan bouwtechnische eisen met betrekking tot brandveiligheid. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit het door eisers aangehaalde nieuwsbericht volgt dat de branden op de camping in 2023 hebben plaatsgevonden, dus vóór de plaatsing en ingebruikneming van de chalets. Zij hebben ook niet gesteld dat deze branden hebben geleid tot gevaar voor hun percelen. Goede ruimtelijke ordening: aantal bewoners 5. Eisers stellen dat het huidige voorschrift ten onrechte niet uitsluit dat meer dan één gezin in één chalet wordt gehuisvest. Hierdoor kan het aantal bewoners aanzienlijk toenemen, bijvoorbeeld tot bijna 300 personen indien in meerdere chalets twee gezinnen van vijf personen zouden wonen. Ook bij kleinere gezinssamenstellingen, zoals twee gezinnen van drie personen per chalet, kan het totaal oplopen tot circa 188 personen. Dit zou gevolgen hebben voor overlast, toezicht, verkeersdrukte en parkeerproblemen in de omgeving. 5.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat in de gewijzigde vergunning is bepaald dat van de te plaatsen 35 chalets, in het kader van de tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan, één chalet zal worden gebruikt door de beheerder. Ten minste 26 chalets zullen worden gebruikt voor de opvang van gezinnen, waaronder ook worden verstaan moeders of vaders of andere alleenstaanden met kinderen. Maximaal acht chalets mogen worden gebruikt voor de opvang van ontheemden buiten een gezinsverband (bijvoorbeeld vier individuele personen die geen gezin vormen). Voorts mogen per chalet maximaal vier personen worden gehuisvest. De enige uitzondering hierop geldt in het geval van de opvang van een gezin dat bestaat uit vijf personen, te weten twee volwassenen met drie kinderen of één volwassene met vier kinderen. Hiermee is voldoende duidelijk dat slechts één gezin per chalet wordt gehuisvest en dat de door eisers geschetste aantallen van zes tot tien personen in één chalet niet bereikt mogen worden. Goede ruimtelijke ordening: parkeren 6. Eisers stellen dat het college bij het vaststellen van de parkeernorm verwijst naar de Nota Parkeernormen 2024 en informatie van Goudappel, waarbij wordt uitgegaan van 1,3 parkeerplaats per chalet, vergelijkbaar met sociale huurwoningen. Volgens eisers is deze vergelijking niet passend, met name voor de acht chalets waarin meerdere personen kunnen wonen die ieder mogelijk over een auto beschikken. Daarnaast is de opvanglocatie slecht bereikbaar met het openbaar vervoer, waardoor het autogebruik naar verwachting hoger zal zijn. Ook is niet expliciet vastgelegd dat per chalet slechts één huishouden wordt gehuisvest, zodat meerdere gezinnen per chalet mogelijk blijven, hetgeen de parkeerbehoefte vergroot. Eisers vrezen dat bewoners langs de [locatie] zullen parkeren, wat tot overlast zal leiden. Verder wijzen eisers erop dat de Nota Parkeernormen 2024 de eerdere versie uit 2018 vervangt, waarin een hogere norm gold (1,6 parkeerplaats per sociale huurwoning). Volgens eisers is onvoldoende gemotiveerd waarom deze verlaging is doorgevoerd en lijkt deze specifiek op deze situatie te zijn toegesneden. Tot slot stellen eisers dat een deel van de chalets niet voldoet aan de maximale loopafstand tot parkeervoorzieningen zoals opgenomen in de Nota. 6.1. De rechtbank stelt voorop dat het college in de beslissing op bezwaar terecht aansluiting heeft gezocht bij de Nota Parkeernormen 2024 (parkeernota), omdat een bestuursorgaan in bezwaar een besluit ex nunc heroverweegt. Dat de norm in de parkeernota tussen het primaire besluit en de beslissing op bezwaar is gewijzigd ten gunste van de aanvrager, doet hier niet aan af. Uit de parkeernota volgt dat aansluiting is gezocht bij de parkeernormen van het Kennisplatform CROW, eisers hebben niet onderbouwd dat dit ten onrechte of onjuist is gebeurd. In de parkeernota is geen norm opgenomen voor de opvang van ontheemden, het college heeft daarom aanleiding gezien om aan te sluiten bij de parkeernorm voor sociale huurwoningen in het buitengebied. De rechtbank acht dit niet onbegrijpelijk, omdat niet valt in te zien waarom de opvang van Oekraïense gezinnen in chalets, althans voor wat betreft de parkeerbehoefte, een wezenlijk andere ruimtelijke uitstraling zou hebben dan reguliere gezinnen in (kleine) sociale huurwoningen. Zoals het college ook heeft aangegeven, adviseert Goudappel op haar website om voor Oekraïense vluchtelingen aansluiting te zoeken bij de parkeerbehoefte van sociale huurders. Hoewel dit algemene informatie betreft en geen concreet advies, acht de rechtbank het begrijpelijk dat het college hierop heeft gesteund, mede omdat nog weinig gegevens beschikbaar zijn over het autobezit van deze doelgroep en Goudappel deskundig is op het gebied van parkeren. Voor zover eisers betogen dat de gemeente speciaal voor deze tijdelijke opvang de parkeernormen voor sociale huurwoningen in het gehele buitengebied van de gemeente Epe zou hebben verlaagd, acht de rechtbank dat ook onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk. 6.2. Ten aanzien van de stelling dat per chalet meerdere gezinnen kunnen worden gehuisvest en dat de parkeernorm daarom te laag is, stelt de rechtbank vast dat per chalet slechts één gezin wordt gehuisvest. Voor zover eisers menen dat de parkeernorm te laag is vanwege de acht chalets waarin geen gezinnen worden gehuisvest, overweegt de rechtbank dat deze grond evenmin slaagt. Ook bij sociale huurwoningen in het buitengebied komt het voor dat woningen worden bewoond door meerdere personen die geen gezin vormen maar wel één woning delen. Ook in dat opzicht is aansluiting bij de norm voor sociale huurwoningen niet onbegrijpelijk of onjuist. Ten aanzien van de gevreesde overlast in verband met parkeren langs de weg stelt de rechtbank vast dat eisers niet hebben onderbouwd dat daadwerkelijk langs de weg wordt geparkeerd en dat dit tot overlast leidt. Verder kan uit de stukken en plattegronden niet worden afgeleid dat de parkeerplaatsen onacceptabel ver van de chalets liggen. Eisers hebben bovendien geen deskundigenrapporten laten opstellen. Toezicht 7. Eisers stellen dat in de gewijzigde vergunning weliswaar een toezichtvoorziening is opgenomen via voorschrift 7, maar dat een verwijzing naar bijlage IV ontbreekt, waardoor onvoldoende zekerheid bestaat over adequaat toezicht. Indien wordt gedoeld op de Notitie Beheer opvanglocatie, is volgens eisers onduidelijk welke huisregels gelden en blijkt dat slechts gedurende een niet nader omschreven opbouwfase van zes maanden overdag een locatiecoördinator aanwezig is. Eisers stellen dat permanent toezicht noodzakelijk is, ook ’s nachts en na afloop van de opbouwfase. Daarnaast is onduidelijk hoeveel personen onder “beveiliging” vallen en of fysiek toezicht daadwerkelijk is gegarandeerd. Volgens eisers zou ten minste één beveiliger continu fysiek aanwezig moeten zijn. De notitie is volgens hen te vaag en onvoldoende handhaafbaar. 7.1. De beroepsgrond slaagt niet. De Notitie Beheer opvanglocatie, waarnaar wordt verwezen in de voorwaarde is voldoende concreet om als voorwaarde in een vergunning te gelden. Uit de notitie volgt dat tijdens de opbouwfase overdag een locatiecoördinator aanwezig moet zijn, maar nadien niet meer. Eiser vrezen wel voor overlast maar uit vaste rechtspraak volgt dat (gevreesde) overlast in de vorm van criminaliteit of diefstal geen ruimtelijk relevant aspect vormt. Dit betreft een kwestie van handhaving van de openbare orde, die niet aan de orde komt bij de beoordeling van ruimtelijke besluiten. Er is geen reden om daar in dit geval anders over te oordelen. Groene haag 8. Eisers stellen dat de kapvergunning wel het kappen van bomen regelt, maar geen duidelijke voorschriften bevat over de aanleg, inrichting en het onderhoud van de groenstrook die de opvanglocatie moet afschermen. Hierdoor is voorschrift 8 volgens eisers onvoldoende concreet.
Volledig
Er had een plattegrond moeten worden toegevoegd waarop de haag is ingetekend en het voorschrift had expliciet eisen moeten stellen aan aanleg, instandhouding, breedte en hoogte van de haag. Dit is volgens eisers nagelaten, terwijl het college zelf het belang van de groenstrook voor een goede ruimtelijke ordening erkent. 8.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat in de gewijzigde vergunning als voorschrift is opgenomen dat ‘de groene haag rondom de locatie, zoals die conform de bestemming aanwezig zal zijn na uitdunning en opschoning van deze haag conform de verleende kapvergunning van 16 januari 2024, gehandhaafd zal blijven, in ieder geval zo lang de omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de tijdelijke opvang van de ontheemden geldt.’ De rechtbank acht dit voorschrift op zichzelf voldoende duidelijk. Partijen hebben bovendien ter zitting van 16 oktober 2024 afgestemd dat ter verduidelijking in de uitspraak van de voorzieningenrechter wordt bevestigd dat de groenstrook een breedte van vijf meter moet hebben. Voor zover eisers stellen dat de haag onvoldoende wordt onderhouden en gaten vertoont, overweegt de rechtbank dat dit (eventueel) een handhavingskwestie betreft. Niet is gebleken dat het voorschrift om die reden onrechtmatig is. Tijdelijkheid 9. Eisers stellen dat, hoewel duidelijk is dat de vergunning een maximale geldigheidsduur van vijf jaar heeft, in het gewijzigde voorschrift 3 zowel wordt gesproken over een maximale duur van vijf jaar als over een concrete einddatum, terwijl het woord “maximaal” wordt gehandhaafd. Hierdoor zou onduidelijkheid ontstaan over de vergunningsduur, hetgeen strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel. 9.1. De beroepsgrond slaagt niet. In de uiteindelijke vergunning is opgenomen: ‘De omgevingsvergunning, voorzover die ziet op het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan, geldt enkel zo lang de huurovereenkomst, bijgevoegd als bijlage II, loopt en, uiteraard, maximaal voor 5 jaar, derhalve tot maximaal 15 februari 2029. Zodra de geldigheid van de omgevingsvergunning, voor zover die ziet op het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan, is geëindigd, dient het gebruik van de chalets voor de opvang van ontheemden te zijn beëindigd.’ Voor de rechtbank valt niet in te zien wat hier onduidelijk aan is en evenmin waarom eisers nadelig zouden worden beïnvloed indien minder dan de maximale termijn benut zou worden. Propaanopslag 10. Eisers stellen dat op de vergunningstekening een propaantank en een tijdelijke opstelplaats voor vrachtwagens zijn opgenomen en dat de brandveiligheid daarvan uitsluitend is beoordeeld op basis van een advies van de bezwarencommissie en een summiere reactie van de Veiligheidsregio (VNOG). Volgens eisers is deze beoordeling onvoldoende, omdat de reactie van de VNOG slechts een korte bevestiging zonder nadere motivering bevat en een melding bij de Omgevingsdienst geen formeel besluit is. Gezien de nabijheid van woningen vrezen eisers brand- en explosiegevaar en mogelijke domino-effecten. Daarnaast stellen zij dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de propaantank onvoldoende is gemotiveerd in de vergunning en dat dit niet alleen in het milieuspoor, maar ook planologisch had moeten worden beoordeeld. 10.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de propaantank is beoordeeld door de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) en voldoet aan de geldende regels op het gebied van brandveiligheid. Daarnaast is bij de Omgevingsdienst Veluwe IJssel (OVIJ) een melding ingediend, waaruit volgt dat wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot het explosieaandachtsgebied en het brandaandachtsgebied. Het college heeft ter zitting toegelicht dat een extra melding is gedaan omdat de gastank vaker dan vijf keer per jaar moet worden bijgevuld. De rechtbank oordeelt dat hiermee is voldaan aan de veiligheidsvoorschriften en de meldingsplicht. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2024, zoals gewijzigd in de besluiten van 10 en 17 oktober 2024, is ongegrond. Dat betekent dat het college kon besluiten tot verlening van de omgevingsvergunning. Omdat het college op 10 en 17 oktober 2024 wijzigingsbesluiten heeft genomen en daarmee ook heeft erkend dat het aanvankelijke besluit op onderdelen onjuist was, bestaat wel aanleiding om het college in de proceskosten aan de zijde van eiser te veroordelen. Eisers krijgen daarom het griffierecht terug. Zij krijgen ook een vergoeding van € 934,- aan proceskosten omdat het beroepschrift is opgesteld door een rechtsbijstandverlener. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,00 aan eisers moet vergoeden; veroordeelt het college tot betaling van € 934,00 aan proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. van Oosterhout, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, onderdeel 11, bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). ECLI:NL:RBGEL:2024:1669 ECLI:NL:RBGEL:2024:7075 ECLI:NL:RBGEL:2024:8315 [website 1] Een lokale parkeernorm voor flexwoningen bepalen - zo pakt u het aan | Goudappel ([website 2]). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 maart 2016 ECLI:NL:RVS-2016:704. en de uitspraak van 20 november 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3917). ECLI:NL:RBGEL:2024:8315, r.o. 9.1.
Volledig
Er had een plattegrond moeten worden toegevoegd waarop de haag is ingetekend en het voorschrift had expliciet eisen moeten stellen aan aanleg, instandhouding, breedte en hoogte van de haag. Dit is volgens eisers nagelaten, terwijl het college zelf het belang van de groenstrook voor een goede ruimtelijke ordening erkent. 8.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat in de gewijzigde vergunning als voorschrift is opgenomen dat ‘de groene haag rondom de locatie, zoals die conform de bestemming aanwezig zal zijn na uitdunning en opschoning van deze haag conform de verleende kapvergunning van 16 januari 2024, gehandhaafd zal blijven, in ieder geval zo lang de omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de tijdelijke opvang van de ontheemden geldt.’ De rechtbank acht dit voorschrift op zichzelf voldoende duidelijk. Partijen hebben bovendien ter zitting van 16 oktober 2024 afgestemd dat ter verduidelijking in de uitspraak van de voorzieningenrechter wordt bevestigd dat de groenstrook een breedte van vijf meter moet hebben. Voor zover eisers stellen dat de haag onvoldoende wordt onderhouden en gaten vertoont, overweegt de rechtbank dat dit (eventueel) een handhavingskwestie betreft. Niet is gebleken dat het voorschrift om die reden onrechtmatig is. Tijdelijkheid 9. Eisers stellen dat, hoewel duidelijk is dat de vergunning een maximale geldigheidsduur van vijf jaar heeft, in het gewijzigde voorschrift 3 zowel wordt gesproken over een maximale duur van vijf jaar als over een concrete einddatum, terwijl het woord “maximaal” wordt gehandhaafd. Hierdoor zou onduidelijkheid ontstaan over de vergunningsduur, hetgeen strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel. 9.1. De beroepsgrond slaagt niet. In de uiteindelijke vergunning is opgenomen: ‘De omgevingsvergunning, voorzover die ziet op het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan, geldt enkel zo lang de huurovereenkomst, bijgevoegd als bijlage II, loopt en, uiteraard, maximaal voor 5 jaar, derhalve tot maximaal 15 februari 2029. Zodra de geldigheid van de omgevingsvergunning, voor zover die ziet op het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan, is geëindigd, dient het gebruik van de chalets voor de opvang van ontheemden te zijn beëindigd.’ Voor de rechtbank valt niet in te zien wat hier onduidelijk aan is en evenmin waarom eisers nadelig zouden worden beïnvloed indien minder dan de maximale termijn benut zou worden. Propaanopslag 10. Eisers stellen dat op de vergunningstekening een propaantank en een tijdelijke opstelplaats voor vrachtwagens zijn opgenomen en dat de brandveiligheid daarvan uitsluitend is beoordeeld op basis van een advies van de bezwarencommissie en een summiere reactie van de Veiligheidsregio (VNOG). Volgens eisers is deze beoordeling onvoldoende, omdat de reactie van de VNOG slechts een korte bevestiging zonder nadere motivering bevat en een melding bij de Omgevingsdienst geen formeel besluit is. Gezien de nabijheid van woningen vrezen eisers brand- en explosiegevaar en mogelijke domino-effecten. Daarnaast stellen zij dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de propaantank onvoldoende is gemotiveerd in de vergunning en dat dit niet alleen in het milieuspoor, maar ook planologisch had moeten worden beoordeeld. 10.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de propaantank is beoordeeld door de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) en voldoet aan de geldende regels op het gebied van brandveiligheid. Daarnaast is bij de Omgevingsdienst Veluwe IJssel (OVIJ) een melding ingediend, waaruit volgt dat wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot het explosieaandachtsgebied en het brandaandachtsgebied. Het college heeft ter zitting toegelicht dat een extra melding is gedaan omdat de gastank vaker dan vijf keer per jaar moet worden bijgevuld. De rechtbank oordeelt dat hiermee is voldaan aan de veiligheidsvoorschriften en de meldingsplicht. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2024, zoals gewijzigd in de besluiten van 10 en 17 oktober 2024, is ongegrond. Dat betekent dat het college kon besluiten tot verlening van de omgevingsvergunning. Omdat het college op 10 en 17 oktober 2024 wijzigingsbesluiten heeft genomen en daarmee ook heeft erkend dat het aanvankelijke besluit op onderdelen onjuist was, bestaat wel aanleiding om het college in de proceskosten aan de zijde van eiser te veroordelen. Eisers krijgen daarom het griffierecht terug. Zij krijgen ook een vergoeding van € 934,- aan proceskosten omdat het beroepschrift is opgesteld door een rechtsbijstandverlener. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,00 aan eisers moet vergoeden; veroordeelt het college tot betaling van € 934,00 aan proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. van Oosterhout, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, onderdeel 11, bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). ECLI:NL:RBGEL:2024:1669 ECLI:NL:RBGEL:2024:7075 ECLI:NL:RBGEL:2024:8315 [website 1] Een lokale parkeernorm voor flexwoningen bepalen - zo pakt u het aan | Goudappel ([website 2]). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 maart 2016 ECLI:NL:RVS-2016:704. en de uitspraak van 20 november 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3917). ECLI:NL:RBGEL:2024:8315, r.o. 9.1.