Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-04-29
ECLI:NL:RBGEL:2026:3367
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/9226 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het (rechtstreeks) beroep van belanghebbende tegen de beschikking van de inspecteur van 30 oktober 2025. Met die beschikking heeft de inspecteur beslist op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.819. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 32 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). Het daartegen ingestelde bezwaar, beroep en hoger beroep is ongegrond verklaard. Het beroep in cassatie is met dagtekening 15 september 2023 niet-ontvankelijk verklaard. Het daartegen gerichte verzoek tot herziening van het arrest is door de Hoge Raad met dagtekening 22 november 2024 niet-ontvankelijk verklaard (met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie). Belanghebbende heeft op 21 oktober 2022 een herziene aangifte IB/PVV over het jaar 2017 ingediend. Deze herziene aangifte is door de inspecteur aangemerkt als een bezwaar tegen de aanslag. Het beroep is behandeld op een regiezitting van 6 december 2024. Omdat de rechtbank tot het oordeel was gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest, heeft zij het onderzoek heropend op 10 januari 2025. Tijdens de zitting heeft de inspecteur het bezwaar alsnog aangemerkt als een verzoek om toepassing van artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Op dat verzoek heeft de inspecteur beslist bij beschikking van 30 oktober 2025. Belanghebbende heeft op 10 november 2025 gereageerd op de beschikking. Deze reactie is, met instemming van partijen, aangemerkt als rechtstreeks beroep in de zin van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B]. De zaak is gelijktijdig en gezamenlijk behandeld met de zaken van belanghebbende met de nummers 24/8548, 24/9227 en 24/9229. Feiten 1. Belanghebbende is woonachtig in [plaats], [locatie]. In onderhavig belastingjaar woonde de vader van belanghebbende, [naam vader], vanaf 6 februari tot en met 31 december op hetzelfde adres als dat van belanghebbende. 2. Belanghebbende heeft op 8 oktober 2018 de eerste aangifte IB/PVV 2017 gedaan. Daarin is het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt samengesteld: Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking € 38.553 Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking € 5.266 Belastbaar inkomen box 1 € 43.819 3. De aanslag IB/PVV 2017 is conform de ingediende aangifte opgelegd. 4. Belanghebbende heeft op 21 oktober 2022 een herziene aangifte IB/PVV 2017 ingediend. 5. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is in de herziene aangifte als volgt samengesteld: Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking € 38.553 Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking € 5.266 Resultaat uit overige werkzaamheden -/- € 3.290 Belastbaar inkomen box 1 € 40.529 6. Het onderdeel “resultaat uit overige werkzaamheden” ten bedrage van per saldo negatief € 3.290 in de herziene aangifte is als volgt opgebouwd: Inkomsten: - vrijwilliger € 0 Aftrekbare kosten: - abonnement en internet € 1.044 - reiskosten € 1.596 - administratieve zaken en zaken m.b.t. UWV en ziekenhuis na hersenoperatie € 650 7. Belanghebbende heeft een vrijwilligersovereenkomst met Radboud Universitair Medisch Centrum (Radboud UMC) gesloten. De overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd, met als ingangsdatum 27 novemb Daarvoor is onder meer vereist dat uit de werkzaamheden redelijkerwijs voordeel is te verwachten. Omdat belanghebbende geen inkomsten uit de werkzaamheden heeft, is een voordeel daaruit niet te verwachten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een bron van inkomen. Er is namelijk per saldo redelijkerwijs geen voordeel uit deze werkzaamheden te verwachten. De inkomsten zijn niet belast bij het ontbreken van een bron van inkomen, hetgeen betekent dat de daarmee samenhangende kosten ook niet aftrekbaar zijn. 21. Bovendien geldt op grond van artikel 3.96, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 onder voorwaarden een vrijstelling voor vergoedingen voor vrijwilligerswerk. De inspecteur heeft de ontvangen reiskostenvergoedingen terecht evenmin tot het resultaat gerekend op grond van deze bepaling, omdat deze niet hoger waren dan de bedragen uit artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. 22. De rechtbank begrijpt de stelling van belanghebbende vervolgens zo dat zij subsidiair betoogt dat zij recht heeft op aftrek als gift, omdat zij heeft afgezien van een vrijwilligersvergoeding. 23. Artikel 6.36 van de Wet IB 2001 regelt dat, voor zover wordt afgezien van vergoedingen waar recht op bestaat, deze vergoedingen onder voorwaarden worden aangemerkt als gift. Giften zijn enkel aftrekbaar als deze zijn gedaan aan een algemeen nut beogende instelling (anbi). Een andere voorwaarde is dat belanghebbende als vrijwilliger aanspraak moet kunnen maken op een vergoeding. En vervolgens moet belanghebbende van die vergoeding hebben afgezien. Op welke vergoeding belanghebbende aanspraak kon maken is niet duidelijk geworden. Uit de vrijwilligersovereenkomst blijkt niet dat belanghebbende een vrijwilligersvergoeding heeft afgesproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen grond bestaat voor aftrek van een gift. Uitgaven wegens specifieke zorgkosten Kosten van medicijnen 24. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij in 2017 € 463 heeft uitgegeven aan kosten voor medicijnen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op aftrek vanwege kosten van medicijnen. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd op grond waarvan aannemelijk is of en zo ja welk deel van de kosten door een arts is voorgeschreven en of deze kosten op belanghebbende hebben gedrukt. Zo heeft belanghebbende geen vergoedingenoverzicht van de zorgverzekeraar overgelegd. Dit overzicht is nodig voor de beoordeling van de vraag of de kosten op belanghebbende hebben gedrukt. Uitgaven voor vervoer en in verband met ziekte en invaliditeit 25. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende vervolgens tegenover de betwisting door de inspecteur geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat zij recht heeft op een hogere aftrek van vervoerskosten dan het reeds door de inspecteur toegekende bedrag van € 1.402. 26. Belanghebbende reisde met het openbaar vervoer. Als betalingsbewijs heeft belanghebbende bankafschriften van de opwaarderingen van haar OV-chipkaart overgelegd. Daaruit is niet te achterhalen welke opwaardering is gebruikt voor vervoer van en naar locaties waar een genees- en heelkundige behandeling plaatsvindt. De inspecteur heeft in het verweerschrift uit de overgelegde afspraakinformatie een aftrek wegens vervoerskosten van € 784 becijferd. Omdat de inspecteur bij de beoordeling van het verzoek om ambtshalve vermindering een aftrek van € 1.402 had berekend, komt hij daar niet op terug. De rechtbank ziet geen aanleiding om de aftrek op een hoger bedrag vast te stellen. Extra uitgaven voor kleding en beddengoed 27. De inspecteur heeft in de beroepsfase alsnog een aftrek wegens extra uitgaven voor kleding en beddengoed van € 300 toegestaan omdat dit ook voor de jaren 2019 en 2020 door de inspecteur is toegestaan. Het beroep is hierdoor gegrond. 28. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heef