Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-14
ECLI:NL:RBGEL:2026:3197
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
3,681 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3197 text/xml public 2026-05-07T14:27:51 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-14 12126138 Uitspraak Kort geding Verstek NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3197 text/html public 2026-05-07T14:27:25 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3197 Rechtbank Gelderland , 14-04-2026 / 12126138 Kort geding. Verstek. Eiser wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 12126138 \ VV EXPL 26-26 Vonnis in kort geding van 14 april 2026 in de zaak van [naam eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , procederend in persoon, tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 9 maart 2026 met producties 1 t/m 15 - producties 16 en 17 van [de eiser] - de verstekverlening ter zitting tegen de niet verschenen [de gedaagde] . 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026, waarbij [de eiser] het woord heeft gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Van wat partijen verder hebben verklaard, heeft de griffier aantekeningen gemaakt. 1.3. Vervolgens is bepaald dat vandaag een vonnis wordt gewezen. 2 Het geschil 2.1. [de eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair: de veroordeling van [de gedaagde] tot: I. nakoming van de overeenkomst, meer in het bijzonder: a. het metselen van het vijfde (laatste) muurtje conform de offerte; b. het volledig afwerken van het voegwerk bij de grens met de naastgelegen woning (muurtje 1) en op alle overige muurtjes, waarbij [de gedaagde] gehouden is de reeds gevoegde helft van muurtje 1 uit de krabben en de volledige muur in één doorgang en in één kleur opnieuw te voegen, teneinde een egaal eindresultaat te waarborgen; c. het definitief vastzetten van de paalmutsen op alle vier de gemetselde muurtjes en op de vijfde nog te metselen muur; d. het terugbrengen van het bakje Radix uitvulplaatjes meegenomen op 15 november 2025; e. alle overige afwerkzaamheden zoals omschreven in de e-mail van [de eiser] van 2 januari 2026; II. volledige afronding van de onder I genoemde werkzaamheden binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis; III. betaling van een dwangsom van € 500,00 per (gedeelte van een) dag dat [de gedaagde] in gebreke blijft met nakoming van het onder I en II gevorderde, tot een maximum van € 25.000,00; subsidiair: IV. ontbinding van de overeenkomst van 30 juli 2025 en de veroordeling van [de gedaagde] tot vergoeding van de door [de eiser] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; primair en subsidiair: V. de veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten, waaronder: a. het griffierecht; b. explootkosten; c. de kosten van de aangetekende verzending van de ingebrekestelling van 24 februari 2026; d. de buitengerechtelijke incassokosten; e. de nakosten. 2.2. [de eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij [de gedaagde] heeft gevonden via Werkspot en vervolgens heeft ingeschakeld voor het metselen van vijf (tuin)muren, stelwerk voor twintig profielen, het plaatsen en vastzetten van paalmutsen, voegwerk, en levering van stelhout. Partijen zijn hiervoor een aanneemsom van € 6.815,72 overeengekomen (inclusief meerwerk), waarvan een bedrag van € 1.000,00 opeisbaar is bij volledige oplevering van het werk. Van de aanneemsom heeft [de eiser] een bedrag van € 5.315,72 voldaan aan [de gedaagde] . [de gedaagde] heeft het werk niet voltooid. 3 De beoordeling 3.1. [de gedaagde] is op 31 maart 2026 zonder bericht van verhindering niet op de mondelinge behandeling verschenen. Aan hem is daarom verstek verleend. Dit brengt mee dat, bij gebreke van verweer tegen de door [de eiser] ingestelde vorderingen, deze vorderingen toewijsbaar zijn, tenzij deze de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. 3.2. De kantonrechter stelt voorop dat toewijzing van de vorderingen van [de eiser] alleen in kort geding mogelijk is, als daarbij voldoende spoedeisend belang is. Hiervan is sprake indien een onverwijlde voorziening is geboden en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daarnaast moet het voorshands voldoende aannemelijk zijn dat de bodemrechter zal oordelen dat [de gedaagde] gehouden is tot het voltooien van de onder 2.1 genoemde werkzaamheden. Het ligt in dit geval op de weg van [de eiser] om te stellen en te onderbouwen dat hij een spoedeisend belang heeft bij de vorderingen die hij instelt. 3.3. [de eiser] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen en baseert dit op de volgende gronden: de gemeentelijke bouwvergunning loopt af; er is sprake van vochtschade door open voegen; er is mogelijk letselgevaar door losliggende paalmutsen; er is een veiligheidsrisico ontstaan door het ontbreken van een sluitmuurtje; r is voortschrijdende schade aan taxusstruiken; de zomerperiode nadert en in die periode is [de eiser] veelvuldig afwezig; de hekwerkenleverancier kan niet overgaan tot definitieve montage, zolang het voegwerk niet is afgerond; de tuinman kan zijn werkzaamheden pas starten, nadat het vijfde muurtje is gemetseld; de druppelslangen bij muur 1 kunnen pas worden aangelegd, nadat de taxusstruiken zijn ingeplant en de taxusstruiken kunnen pas worden ingeplant, nadat het voegwerk bij muur 1 volledig is afgerond. 3.4. De kantonrechter overweegt dat gelet op de aangevoerde redenen onder a, b en e t/m i, niet kan worden ingezien dat van [de eiser] niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Het belang dat [de eiser] hieraan kan ontlenen, ontstijgt niet het gebruikelijke belang dat een opdrachtgever heeft bij afronding van opgedragen werkzaamheden. Voor wat betreft het mogelijk letselgevaar (c) en het ontstane veiligheidsrisico (d) heeft [de eiser] onvoldoende onderbouwd dat daarvan daadwerkelijk sprake is. Het had bovendien op zijn weg gelegen om – zo daarvan al sprake zou zijn – daartegen de nodige (tijdelijke) voorzorgsmaatregelen te treffen. Daar komt bij dat in de dagvaarding wordt gesteld dat [de eiser] gedurende zes maanden herhaaldelijk heeft geprobeerd om [de gedaagde] te bewegen tot het verrichten van werkzaamheden, maar dat hij pas op 9 maart 2026 dit kort geding aanhangig heeft gemaakt. Ook dit tijdbestek maakt dat het spoedeisend belang ontbreekt. 3.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [de eiser] vanwege het ontbreken van spoedeisend belang niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vorderingen. 3.6. [de eiser] wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Nu [de gedaagde] niet in het geding is verschenen, worden de kosten aan zijn zijde begroot op nihil. 4 De beslissing De kantonrechter rechtdoende als voorzieningenrechter 4.1. verklaart [de eiser] niet ontvankelijk in zijn vorderingen, 4.2. veroordeelt [de eiser] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [de gedaagde] tot en met vandaag vaststelt op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026. 46409/53331
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3197 text/xml public 2026-05-07T14:27:51 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-14 12126138 Uitspraak Kort geding Verstek NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3197 text/html public 2026-05-07T14:27:25 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3197 Rechtbank Gelderland , 14-04-2026 / 12126138 Kort geding. Verstek. Eiser wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 12126138 \ VV EXPL 26-26 Vonnis in kort geding van 14 april 2026 in de zaak van [naam eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , procederend in persoon, tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 9 maart 2026 met producties 1 t/m 15 - producties 16 en 17 van [de eiser] - de verstekverlening ter zitting tegen de niet verschenen [de gedaagde] . 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026, waarbij [de eiser] het woord heeft gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Van wat partijen verder hebben verklaard, heeft de griffier aantekeningen gemaakt. 1.3. Vervolgens is bepaald dat vandaag een vonnis wordt gewezen. 2 Het geschil 2.1. [de eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair: de veroordeling van [de gedaagde] tot: I. nakoming van de overeenkomst, meer in het bijzonder: a. het metselen van het vijfde (laatste) muurtje conform de offerte; b. het volledig afwerken van het voegwerk bij de grens met de naastgelegen woning (muurtje 1) en op alle overige muurtjes, waarbij [de gedaagde] gehouden is de reeds gevoegde helft van muurtje 1 uit de krabben en de volledige muur in één doorgang en in één kleur opnieuw te voegen, teneinde een egaal eindresultaat te waarborgen; c. het definitief vastzetten van de paalmutsen op alle vier de gemetselde muurtjes en op de vijfde nog te metselen muur; d. het terugbrengen van het bakje Radix uitvulplaatjes meegenomen op 15 november 2025; e. alle overige afwerkzaamheden zoals omschreven in de e-mail van [de eiser] van 2 januari 2026; II. volledige afronding van de onder I genoemde werkzaamheden binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis; III. betaling van een dwangsom van € 500,00 per (gedeelte van een) dag dat [de gedaagde] in gebreke blijft met nakoming van het onder I en II gevorderde, tot een maximum van € 25.000,00; subsidiair: IV. ontbinding van de overeenkomst van 30 juli 2025 en de veroordeling van [de gedaagde] tot vergoeding van de door [de eiser] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; primair en subsidiair: V. de veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten, waaronder: a. het griffierecht; b. explootkosten; c. de kosten van de aangetekende verzending van de ingebrekestelling van 24 februari 2026; d. de buitengerechtelijke incassokosten; e. de nakosten. 2.2. [de eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij [de gedaagde] heeft gevonden via Werkspot en vervolgens heeft ingeschakeld voor het metselen van vijf (tuin)muren, stelwerk voor twintig profielen, het plaatsen en vastzetten van paalmutsen, voegwerk, en levering van stelhout. Partijen zijn hiervoor een aanneemsom van € 6.815,72 overeengekomen (inclusief meerwerk), waarvan een bedrag van € 1.000,00 opeisbaar is bij volledige oplevering van het werk. Van de aanneemsom heeft [de eiser] een bedrag van € 5.315,72 voldaan aan [de gedaagde] . [de gedaagde] heeft het werk niet voltooid. 3 De beoordeling 3.1. [de gedaagde] is op 31 maart 2026 zonder bericht van verhindering niet op de mondelinge behandeling verschenen. Aan hem is daarom verstek verleend. Dit brengt mee dat, bij gebreke van verweer tegen de door [de eiser] ingestelde vorderingen, deze vorderingen toewijsbaar zijn, tenzij deze de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. 3.2. De kantonrechter stelt voorop dat toewijzing van de vorderingen van [de eiser] alleen in kort geding mogelijk is, als daarbij voldoende spoedeisend belang is. Hiervan is sprake indien een onverwijlde voorziening is geboden en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daarnaast moet het voorshands voldoende aannemelijk zijn dat de bodemrechter zal oordelen dat [de gedaagde] gehouden is tot het voltooien van de onder 2.1 genoemde werkzaamheden. Het ligt in dit geval op de weg van [de eiser] om te stellen en te onderbouwen dat hij een spoedeisend belang heeft bij de vorderingen die hij instelt. 3.3. [de eiser] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen en baseert dit op de volgende gronden: de gemeentelijke bouwvergunning loopt af; er is sprake van vochtschade door open voegen; er is mogelijk letselgevaar door losliggende paalmutsen; er is een veiligheidsrisico ontstaan door het ontbreken van een sluitmuurtje; r is voortschrijdende schade aan taxusstruiken; de zomerperiode nadert en in die periode is [de eiser] veelvuldig afwezig; de hekwerkenleverancier kan niet overgaan tot definitieve montage, zolang het voegwerk niet is afgerond; de tuinman kan zijn werkzaamheden pas starten, nadat het vijfde muurtje is gemetseld; de druppelslangen bij muur 1 kunnen pas worden aangelegd, nadat de taxusstruiken zijn ingeplant en de taxusstruiken kunnen pas worden ingeplant, nadat het voegwerk bij muur 1 volledig is afgerond. 3.4. De kantonrechter overweegt dat gelet op de aangevoerde redenen onder a, b en e t/m i, niet kan worden ingezien dat van [de eiser] niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Het belang dat [de eiser] hieraan kan ontlenen, ontstijgt niet het gebruikelijke belang dat een opdrachtgever heeft bij afronding van opgedragen werkzaamheden. Voor wat betreft het mogelijk letselgevaar (c) en het ontstane veiligheidsrisico (d) heeft [de eiser] onvoldoende onderbouwd dat daarvan daadwerkelijk sprake is. Het had bovendien op zijn weg gelegen om – zo daarvan al sprake zou zijn – daartegen de nodige (tijdelijke) voorzorgsmaatregelen te treffen. Daar komt bij dat in de dagvaarding wordt gesteld dat [de eiser] gedurende zes maanden herhaaldelijk heeft geprobeerd om [de gedaagde] te bewegen tot het verrichten van werkzaamheden, maar dat hij pas op 9 maart 2026 dit kort geding aanhangig heeft gemaakt. Ook dit tijdbestek maakt dat het spoedeisend belang ontbreekt. 3.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [de eiser] vanwege het ontbreken van spoedeisend belang niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vorderingen. 3.6. [de eiser] wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Nu [de gedaagde] niet in het geding is verschenen, worden de kosten aan zijn zijde begroot op nihil. 4 De beslissing De kantonrechter rechtdoende als voorzieningenrechter 4.1. verklaart [de eiser] niet ontvankelijk in zijn vorderingen, 4.2. veroordeelt [de eiser] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [de gedaagde] tot en met vandaag vaststelt op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026. 46409/53331