Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-11
ECLI:NL:RBGEL:2026:3105
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
8,065 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3105 text/xml public 2026-05-06T12:58:19 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-11 11911396 \ CV EXPL 25-8063 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3105 text/html public 2026-04-30T12:54:38 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3105 Rechtbank Gelderland , 11-03-2026 / 11911396 \ CV EXPL 25-8063 Huurrecht, drugs en contant geld aangetroffen, geen ontbinding en ontruiming na belangenafweging RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 11911396 \ CV EXPL 25-8063 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van de stichting WONINGSTICHTING WAGENINGEN , gevestigd te Wageningen, eisende partij, hierna te noemen: Woningstichting Wageningen, gemachtigde: mr. C.J.P. Schellekens, tegen [naam gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , gemachtigde: mr. C.P. Visser. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 7 januari 2026 en de daarin genoemde processtukken. 1.2. Op 11 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Woningstichting Wageningen waren [vertegenwoordiger eiser 1] en [vertegenwoordiger eiser 2] aanwezig, bijgestaan door mr. C.J.P. Schellekens. [naam gedaagde] was in persoon aanwezig, bijgestaan door mr. C.P. Visser. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, mr. C.P. Visser heeft tevens spreekaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de mondelinge behandeling. 1.3. Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen. 2 De feiten 2.1. [de gedaagde] huurt sinds 8 januari 2021 van Woningstichting Wageningen een woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: het gehuurde). De algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte van 2017 zijn van toepassing en hierin is, voor zover relevant, het volgende vastgelegd: “2.1 Huurder is – zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder – niet bevoegd het gehuurde geheel of gedeeltelijk in huur, onderhuur of gebruik aan derden af te staan, daaronder begrepen het verhuren van kamers, het verlenen van pension, het (tijdelijk) in gebruik geven (zoals via AirBnB of een daarmee vergelijkbare organisatie) of het doen van afstand van huur. Een door of vanwege huurder gegeven toestemming is eenmalig en geldt niet voor andere of opvolgende gevallen. 14.3 Het is huurder niet toegestaan: (…) c. (…) Het is huurder evenmin toegestaan om in het gehuurde, in de gemeenschappelijke ruimten en/of delen daarvan dan wel in de directe omgeving van het gehuurde qat, soft drugs, hard drugs of andere verboden middelen te verhandelen, te produceren of in groepsverband te gebruiken, te laten gebruiken, of aanwezig te hebben. (…) Het handelen in strijd met dit verbod is dermate ernstig dat dit ontbinding van de huurovereenkomst op de kortst mogelijke termijn rechtvaardigt. 14.6 Huurder zal zich gedragen en het gehuurde gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt.” 2.2. Sinds september 2023 wonen [broer gedaagde 1] en [broer gedaagde 2] , de broers van [de gedaagde] , in het gehuurde. Sinds september 2024 woont ook mevrouw [collega gedaagde] , een collega van [de gedaagde] , in het gehuurde. In de periode van 20 april 2024 tot 2 mei 2025 heeft [broer gedaagde 1] in de gevangenis gezeten. 2.3. Op 21 mei 2025 viel een arrestatieteam het gehuurde binnen. In het gehuurde was onder andere een handelshoeveelheid harddrugs (ongeveer 104 gram cocaïne) aanwezig en een geldbedrag van € 54.220,00. De twee broers van [de gedaagde] zijn gearresteerd door de politie. 2.4. Partijen gingen op 18 juni 2025 met elkaar in gesprek over de politie-inval. [de gedaagde] lichtte toe dat zij op dat moment op vakantie was en niet wist van de aanwezigheid van de drugs. 2.5 Kort na de politie-inval heeft [de gedaagde] haar broers laten uitschrijven van haar adres. Ook mevrouw [collega gedaagde] is vertrokken. Sindsdien woont [de gedaagde] alleen in de woning. 3 Het geschil 3.1. Woningstichting Wageningen vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij uitvoerbaarheid bij voorraad te verklaren vonnis: de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde ontbindt, [de gedaagde] veroordeelt tot ontruiming van het gehuurde onder afgifte van alle sleutels en het gehuurde geheel vrij ter beschikking van Woningstichting Wageningen stelt, [de gedaagde] veroordeelt in de proceskosten. 3.2. Woningstichting Wageningen legt aan haar vordering (samengevat) ten grondslag dat in het gehuurde een grote handelshoeveelheid harddrugs en een groot geldbedrag aanwezig was. Volgens Woningstichting Wageningen schiet [de gedaagde] daarmee tekort in haar verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst en de algemene bepalingen. Zelfs als [de gedaagde] geen wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs, had zij meer toezicht moeten houden op haar broers en had zij kunnen en moeten weten dat zij zich bezighielden met criminele activiteiten. Ook heeft [de gedaagde] gedurende een langere periode het gehuurde aan derden in gebruik gegeven, zonder toestemming van Woningstichting Wageningen. Deze tekortkomingen rechtvaardigen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, aldus Woningstichting Wageningen. 3.3. [de gedaagde] erkent dat er een handelshoeveelheid drugs en een groot geldbedrag in het gehuurde is gevonden, maar voert aan dat dit geen tekortkoming oplevert omdat zij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs. Zij heeft dus niet zelf in strijd met de huurovereenkomst en de algemene bepalingen gehandeld en haar kan geen persoonlijk verwijt gemaakt worden. Als er wel sprake is van een tekortkoming, dan voert [de gedaagde] aan dat dit de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt. Zij was immers op vakantie tijdens de politie-inval. De drugs waren van (een van) haar broers die ook zijn aangehouden. [de gedaagde] voert aan dat zij nooit verdachte is geweest in het strafrechtelijk onderzoek en zij heeft na de politie-inval haar broers uitgeschreven op het adres van het gehuurde. Hoewel er een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen, wijst volgens [de gedaagde] niets erop dat er is gehandeld vanuit het gehuurde of dat het op andere wijze overlast of een negatieve invloed heeft gehad op de woonomgeving. Daarnaast voert [de gedaagde] aan dat er geen sprake is van het in gebruik geven van het gehuurde aan derden. Volgens [de gedaagde] heeft zij altijd haar hoofdverblijf in het gehuurde gehouden en slechts tijdelijk haar broers en een collega bij haar in laten wonen om hen te helpen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Verzoek inzage stukken 4.1. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Woningstichting Wageningen verzocht om de bestuurlijke rapportage van de politie of andere informatie van de politie. Woningstichting Wageningen stelt namelijk dat uit de gedetailleerde beschrijving van de feiten in de conclusie van antwoord blijkt dat [de gedaagde] meer informatie heeft over de politie-inval dan is overgelegd. 4.2. Voor het recht op inzage moet, op grond van artikel 194 Rv, aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt is partij bij een rechtsbetrekking en de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet een partij voldoende belang hebben bij het informatieverzoek en moet degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken. 4.3. Uit het verzoek van Woningstichting Wageningen blijkt onvoldoende duidelijk welk belang zij heeft bij het ontvangen van nadere politie-informatie over de inval. De aanwezigheid van de handelshoeveelheid drugs en het contante geld wordt door [de gedaagde] immers erkend. Daarnaast is [de gedaagde] niet als verdachte aangemerkt in de strafrechtelijke procedure. De politie-informatie zal daardoor hoogstwaarschijnlijk geen verdere bijdrage leveren aan deze procedure.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3105 text/xml public 2026-05-06T12:58:19 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-11 11911396 \ CV EXPL 25-8063 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3105 text/html public 2026-04-30T12:54:38 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3105 Rechtbank Gelderland , 11-03-2026 / 11911396 \ CV EXPL 25-8063 Huurrecht, drugs en contant geld aangetroffen, geen ontbinding en ontruiming na belangenafweging RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 11911396 \ CV EXPL 25-8063 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van de stichting WONINGSTICHTING WAGENINGEN , gevestigd te Wageningen, eisende partij, hierna te noemen: Woningstichting Wageningen, gemachtigde: mr. C.J.P. Schellekens, tegen [naam gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , gemachtigde: mr. C.P. Visser. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 7 januari 2026 en de daarin genoemde processtukken. 1.2. Op 11 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Woningstichting Wageningen waren [vertegenwoordiger eiser 1] en [vertegenwoordiger eiser 2] aanwezig, bijgestaan door mr. C.J.P. Schellekens. [naam gedaagde] was in persoon aanwezig, bijgestaan door mr. C.P. Visser. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, mr. C.P. Visser heeft tevens spreekaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de mondelinge behandeling. 1.3. Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen. 2 De feiten 2.1. [de gedaagde] huurt sinds 8 januari 2021 van Woningstichting Wageningen een woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: het gehuurde). De algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte van 2017 zijn van toepassing en hierin is, voor zover relevant, het volgende vastgelegd: “2.1 Huurder is – zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder – niet bevoegd het gehuurde geheel of gedeeltelijk in huur, onderhuur of gebruik aan derden af te staan, daaronder begrepen het verhuren van kamers, het verlenen van pension, het (tijdelijk) in gebruik geven (zoals via AirBnB of een daarmee vergelijkbare organisatie) of het doen van afstand van huur. Een door of vanwege huurder gegeven toestemming is eenmalig en geldt niet voor andere of opvolgende gevallen. 14.3 Het is huurder niet toegestaan: (…) c. (…) Het is huurder evenmin toegestaan om in het gehuurde, in de gemeenschappelijke ruimten en/of delen daarvan dan wel in de directe omgeving van het gehuurde qat, soft drugs, hard drugs of andere verboden middelen te verhandelen, te produceren of in groepsverband te gebruiken, te laten gebruiken, of aanwezig te hebben. (…) Het handelen in strijd met dit verbod is dermate ernstig dat dit ontbinding van de huurovereenkomst op de kortst mogelijke termijn rechtvaardigt. 14.6 Huurder zal zich gedragen en het gehuurde gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt.” 2.2. Sinds september 2023 wonen [broer gedaagde 1] en [broer gedaagde 2] , de broers van [de gedaagde] , in het gehuurde. Sinds september 2024 woont ook mevrouw [collega gedaagde] , een collega van [de gedaagde] , in het gehuurde. In de periode van 20 april 2024 tot 2 mei 2025 heeft [broer gedaagde 1] in de gevangenis gezeten. 2.3. Op 21 mei 2025 viel een arrestatieteam het gehuurde binnen. In het gehuurde was onder andere een handelshoeveelheid harddrugs (ongeveer 104 gram cocaïne) aanwezig en een geldbedrag van € 54.220,00. De twee broers van [de gedaagde] zijn gearresteerd door de politie. 2.4. Partijen gingen op 18 juni 2025 met elkaar in gesprek over de politie-inval. [de gedaagde] lichtte toe dat zij op dat moment op vakantie was en niet wist van de aanwezigheid van de drugs. 2.5 Kort na de politie-inval heeft [de gedaagde] haar broers laten uitschrijven van haar adres. Ook mevrouw [collega gedaagde] is vertrokken. Sindsdien woont [de gedaagde] alleen in de woning. 3 Het geschil 3.1. Woningstichting Wageningen vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij uitvoerbaarheid bij voorraad te verklaren vonnis: de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde ontbindt, [de gedaagde] veroordeelt tot ontruiming van het gehuurde onder afgifte van alle sleutels en het gehuurde geheel vrij ter beschikking van Woningstichting Wageningen stelt, [de gedaagde] veroordeelt in de proceskosten. 3.2. Woningstichting Wageningen legt aan haar vordering (samengevat) ten grondslag dat in het gehuurde een grote handelshoeveelheid harddrugs en een groot geldbedrag aanwezig was. Volgens Woningstichting Wageningen schiet [de gedaagde] daarmee tekort in haar verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst en de algemene bepalingen. Zelfs als [de gedaagde] geen wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs, had zij meer toezicht moeten houden op haar broers en had zij kunnen en moeten weten dat zij zich bezighielden met criminele activiteiten. Ook heeft [de gedaagde] gedurende een langere periode het gehuurde aan derden in gebruik gegeven, zonder toestemming van Woningstichting Wageningen. Deze tekortkomingen rechtvaardigen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, aldus Woningstichting Wageningen. 3.3. [de gedaagde] erkent dat er een handelshoeveelheid drugs en een groot geldbedrag in het gehuurde is gevonden, maar voert aan dat dit geen tekortkoming oplevert omdat zij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs. Zij heeft dus niet zelf in strijd met de huurovereenkomst en de algemene bepalingen gehandeld en haar kan geen persoonlijk verwijt gemaakt worden. Als er wel sprake is van een tekortkoming, dan voert [de gedaagde] aan dat dit de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt. Zij was immers op vakantie tijdens de politie-inval. De drugs waren van (een van) haar broers die ook zijn aangehouden. [de gedaagde] voert aan dat zij nooit verdachte is geweest in het strafrechtelijk onderzoek en zij heeft na de politie-inval haar broers uitgeschreven op het adres van het gehuurde. Hoewel er een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen, wijst volgens [de gedaagde] niets erop dat er is gehandeld vanuit het gehuurde of dat het op andere wijze overlast of een negatieve invloed heeft gehad op de woonomgeving. Daarnaast voert [de gedaagde] aan dat er geen sprake is van het in gebruik geven van het gehuurde aan derden. Volgens [de gedaagde] heeft zij altijd haar hoofdverblijf in het gehuurde gehouden en slechts tijdelijk haar broers en een collega bij haar in laten wonen om hen te helpen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Verzoek inzage stukken 4.1. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Woningstichting Wageningen verzocht om de bestuurlijke rapportage van de politie of andere informatie van de politie. Woningstichting Wageningen stelt namelijk dat uit de gedetailleerde beschrijving van de feiten in de conclusie van antwoord blijkt dat [de gedaagde] meer informatie heeft over de politie-inval dan is overgelegd. 4.2. Voor het recht op inzage moet, op grond van artikel 194 Rv, aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt is partij bij een rechtsbetrekking en de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet een partij voldoende belang hebben bij het informatieverzoek en moet degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken. 4.3. Uit het verzoek van Woningstichting Wageningen blijkt onvoldoende duidelijk welk belang zij heeft bij het ontvangen van nadere politie-informatie over de inval. De aanwezigheid van de handelshoeveelheid drugs en het contante geld wordt door [de gedaagde] immers erkend. Daarnaast is [de gedaagde] niet als verdachte aangemerkt in de strafrechtelijke procedure. De politie-informatie zal daardoor hoogstwaarschijnlijk geen verdere bijdrage leveren aan deze procedure.
Volledig
De kantonrechter is dus van oordeel dat niet voldaan is aan de eisen van artikel 194 Rv en wijst daarom het verzoek af. Inwoning broers en collega 4.4. Tussen partijen staat vast dat twee broers en een collega van [de gedaagde] voor een bepaalde periode bij haar hebben ingewoond. Woningstichting Wageningen stelt dat [de gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit hoofde van de huurovereenkomst door het gehuurde (deels) in gebruik te geven aan derden. Woningstichting Wageningen stelt dat [de gedaagde] de benodigde toestemming niet heeft gevraagd. [de gedaagde] voert aan dat zij altijd haar hoofdverblijf heeft gehad in het gehuurde en haar broers en collega’s slechts heeft willen helpen. Ook is er geen toestemming van Woningstichting Wageningen vereist volgens [de gedaagde] en is inwoning toegestaan, zolang de persoon ingeschreven staat op het adres van het gehuurde. [de gedaagde] heeft iedereen zich laten inschrijven bij het bevolkingsregister, waardoor er naar haar mening geen sprake is van een tekortkoming. Ook zijn alle drie de personen inmiddels uit het gehuurde vertrokken en woont [de gedaagde] dus (weer) alleen in het gehuurde. 4.5. Niet gesteld noch gebleken is dat [de gedaagde] een gedeelte van het gehuurde onderverhuurd heeft. Van onderhuur is daarmee geen sprake. Van ingebruikgeving is sprake als de huurder het gehuurde niet meer geheel of gedeeltelijk zelf gebruikt en dat het directe beheer en toezicht op een ander zijn overgegaan. Partijen twisten er niet over dat [de gedaagde] altijd haar hoofdverblijf heeft gehad in het gehuurde. Hierdoor is het beheer en toezicht niet op een ander overgegaan. De kantonrechter is van oordeel dat het inwonen van de drie personen geen ingebruikgeving is van het gehuurde. [de gedaagde] heeft dan ook niet gehandeld in strijd met de algemene bepalingen over ingebruikgeving en van een tekortkoming is daarom geen sprake. Aanwezigheid drugs en contant geld 4.6. Tussen partijen staat vast dat er in het gehuurde een handelshoeveelheid drugs (iets meer dan 100 gram cocaïne) en contant geld is aangetroffen. In artikel 14.3 sub c van de algemene bepalingen is vastgelegd dat het verboden is om drugs in het gehuurde aanwezig te hebben. De aanwezigheid van de drugs, los van de wetenschap van [de gedaagde] daarvan, levert naar oordeel van de kantonrechter dus een tekortkoming op. Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. De vordering van Woningstichting Wageningen tot ontbinding van de huurovereenkomst is daarmee in beginsel toewijsbaar, tenzij het verweer van [de gedaagde] dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt, slaagt. 4.7. Woningstichting Wageningen heeft er belang bij om op te treden tegen druggerelateerde activiteiten in haar huurwoningen en een zerotolerancebeleid te hanteren. Dit geeft aan de andere huurders ook een signaal af dat dergelijke ernstige tekortkomingen niet getolereerd worden en om zo een veilige en prettige leefomgeving voor alle bewoners te waarborgen. Daartegenover staat het belang van [de gedaagde] bij voortzetting van de huurovereenkomst en het behoud van haar woning. Naar oordeel van de kantonrechter weegt het belang van [de gedaagde] bij voortzetting van de huurovereenkomst in dit geval zwaarder dan de belangen van Woningstichting Wageningen bij de ontbinding daarvan. De kantonrechter betrekt daarbij de volgende omstandigheden. 4.8. Woningstichting Wageningen stelt dat [de gedaagde] onvoldoende toezicht heeft gehouden en had kunnen en moet weten van de aanwezigheid van de drugs en het contante geld. De kantonrechter is van oordeel dat niet kan komen vast te staan dat [de gedaagde] wist, dan wel redenen had om te vermoeden dat haar broers betrokken waren bij drugshandel. Het staat namelijk tussen partijen vast dat [de gedaagde] ten tijde van de politie-inval op een korte periode op vakantie was. Ook lichtte [de gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling toe dat zij nooit eerder iets verdachts in het gehuurde heeft aangetroffen en dat zij op alle kamers in het gehuurde kwam, omdat zij het gehuurde schoon hield. Hoewel uit het reclasseringsadvies over [broer gedaagde 2] (één van haar broers) blijkt dat hij zich al langere tijd bezighield met druggerelateerde activiteiten, blijkt uit ditzelfde advies dat [broer gedaagde 2] dit verborgen heeft gehouden voor zijn familie. Ook leefde hij een ‘normaal’ leven als student en waren er geen signalen dat hij betrokken was bij criminele activiteiten. Het ligt dan ook niet voor de hand dat [de gedaagde] hiervan op de hoogte is geweest. Hoewel [broer gedaagde 1] (één van haar broers) net een gevangenisstraf van ruim een jaar had uitgezeten, is niet gesteld noch gebleken dat deze straf is opgelegd voor druggerelateerde activiteiten. Ook is [de gedaagde] nooit verdachte geweest in het strafonderzoek en heeft zij na de politie-inval haar broers enkele dagen daarna uitgeschreven waardoor zij niet langer in het gehuurde wonen, ook in de toekomst niet. 4.9. Verder wijst Woningstichting Wageningen op het feit van algemene bekendheid dat drugshandel mogelijk kan zorgen voor overlast, verloedering en/of gevaarzetting. Echter blijkt niet dat er sprake is geweest van meldingen van omwonenden wat erop wijst dat dit ook daadwerkelijk het geval is geweest. Niet gesteld nog gebleken is dat er na de politie-inval nog incidenten zijn geweest met betrekking tot het gehuurde waardoor eventueel gevaar voor de toekomst is weggenomen. Ook zijn er geen aanknopingspunten en/of aanwijzingen dat er drugs is gedeald vanuit het gehuurde. Als er sprake zou zijn geweest van drugshandel vanuit het gehuurde, dan zou het voor de hand liggen dat er bijvoorbeeld aanloop van derden zou zijn geweest, wat omwonenden zou zijn opgevallen. Tot slot blijkt niet dat er eerder meldingen over [de gedaagde] zijn geweest bij Woningstichting Wageningen en heeft zij zich, los van dit incident, altijd als goed huurder gedragen. 4.10. Voorgaande betekent dat de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst op grond van de gevonden drugs en het contante geld in het gehuurde in dit concrete geval niet gerechtvaardigd is. De kantonrechter zal de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde dus afwijzen. De proceskosten 4.11. Woningstichting Wageningen wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 86,00 (2 punten × € 43,00) - nakosten € 21,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 107,50 Uitvoerbaar bij voorraad 4.12. De veroordeling in dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist. Woningstichting Wageningen heeft verzocht om een uitgebreide motivering omtrent de uitvoerbaarheid bij voorraad gelet op haar belang bij de executie van de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de huurwoning. Aangezien de kantonrechter deze vorderingen van Woningstichting Wageningen zal afwijzen volstaat het uitspreken van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. wijst de vorderingen van Woningstichting Wageningen af, 5.2. veroordeelt Woningstichting Wageningen in de proceskosten van € 107,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Woningstichting Wageningen niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Woningstichting Wageningen ook de kosten van betekening betalen, 5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Verspui, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. 68348
Volledig
De kantonrechter is dus van oordeel dat niet voldaan is aan de eisen van artikel 194 Rv en wijst daarom het verzoek af. Inwoning broers en collega 4.4. Tussen partijen staat vast dat twee broers en een collega van [de gedaagde] voor een bepaalde periode bij haar hebben ingewoond. Woningstichting Wageningen stelt dat [de gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit hoofde van de huurovereenkomst door het gehuurde (deels) in gebruik te geven aan derden. Woningstichting Wageningen stelt dat [de gedaagde] de benodigde toestemming niet heeft gevraagd. [de gedaagde] voert aan dat zij altijd haar hoofdverblijf heeft gehad in het gehuurde en haar broers en collega’s slechts heeft willen helpen. Ook is er geen toestemming van Woningstichting Wageningen vereist volgens [de gedaagde] en is inwoning toegestaan, zolang de persoon ingeschreven staat op het adres van het gehuurde. [de gedaagde] heeft iedereen zich laten inschrijven bij het bevolkingsregister, waardoor er naar haar mening geen sprake is van een tekortkoming. Ook zijn alle drie de personen inmiddels uit het gehuurde vertrokken en woont [de gedaagde] dus (weer) alleen in het gehuurde. 4.5. Niet gesteld noch gebleken is dat [de gedaagde] een gedeelte van het gehuurde onderverhuurd heeft. Van onderhuur is daarmee geen sprake. Van ingebruikgeving is sprake als de huurder het gehuurde niet meer geheel of gedeeltelijk zelf gebruikt en dat het directe beheer en toezicht op een ander zijn overgegaan. Partijen twisten er niet over dat [de gedaagde] altijd haar hoofdverblijf heeft gehad in het gehuurde. Hierdoor is het beheer en toezicht niet op een ander overgegaan. De kantonrechter is van oordeel dat het inwonen van de drie personen geen ingebruikgeving is van het gehuurde. [de gedaagde] heeft dan ook niet gehandeld in strijd met de algemene bepalingen over ingebruikgeving en van een tekortkoming is daarom geen sprake. Aanwezigheid drugs en contant geld 4.6. Tussen partijen staat vast dat er in het gehuurde een handelshoeveelheid drugs (iets meer dan 100 gram cocaïne) en contant geld is aangetroffen. In artikel 14.3 sub c van de algemene bepalingen is vastgelegd dat het verboden is om drugs in het gehuurde aanwezig te hebben. De aanwezigheid van de drugs, los van de wetenschap van [de gedaagde] daarvan, levert naar oordeel van de kantonrechter dus een tekortkoming op. Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. De vordering van Woningstichting Wageningen tot ontbinding van de huurovereenkomst is daarmee in beginsel toewijsbaar, tenzij het verweer van [de gedaagde] dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt, slaagt. 4.7. Woningstichting Wageningen heeft er belang bij om op te treden tegen druggerelateerde activiteiten in haar huurwoningen en een zerotolerancebeleid te hanteren. Dit geeft aan de andere huurders ook een signaal af dat dergelijke ernstige tekortkomingen niet getolereerd worden en om zo een veilige en prettige leefomgeving voor alle bewoners te waarborgen. Daartegenover staat het belang van [de gedaagde] bij voortzetting van de huurovereenkomst en het behoud van haar woning. Naar oordeel van de kantonrechter weegt het belang van [de gedaagde] bij voortzetting van de huurovereenkomst in dit geval zwaarder dan de belangen van Woningstichting Wageningen bij de ontbinding daarvan. De kantonrechter betrekt daarbij de volgende omstandigheden. 4.8. Woningstichting Wageningen stelt dat [de gedaagde] onvoldoende toezicht heeft gehouden en had kunnen en moet weten van de aanwezigheid van de drugs en het contante geld. De kantonrechter is van oordeel dat niet kan komen vast te staan dat [de gedaagde] wist, dan wel redenen had om te vermoeden dat haar broers betrokken waren bij drugshandel. Het staat namelijk tussen partijen vast dat [de gedaagde] ten tijde van de politie-inval op een korte periode op vakantie was. Ook lichtte [de gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling toe dat zij nooit eerder iets verdachts in het gehuurde heeft aangetroffen en dat zij op alle kamers in het gehuurde kwam, omdat zij het gehuurde schoon hield. Hoewel uit het reclasseringsadvies over [broer gedaagde 2] (één van haar broers) blijkt dat hij zich al langere tijd bezighield met druggerelateerde activiteiten, blijkt uit ditzelfde advies dat [broer gedaagde 2] dit verborgen heeft gehouden voor zijn familie. Ook leefde hij een ‘normaal’ leven als student en waren er geen signalen dat hij betrokken was bij criminele activiteiten. Het ligt dan ook niet voor de hand dat [de gedaagde] hiervan op de hoogte is geweest. Hoewel [broer gedaagde 1] (één van haar broers) net een gevangenisstraf van ruim een jaar had uitgezeten, is niet gesteld noch gebleken dat deze straf is opgelegd voor druggerelateerde activiteiten. Ook is [de gedaagde] nooit verdachte geweest in het strafonderzoek en heeft zij na de politie-inval haar broers enkele dagen daarna uitgeschreven waardoor zij niet langer in het gehuurde wonen, ook in de toekomst niet. 4.9. Verder wijst Woningstichting Wageningen op het feit van algemene bekendheid dat drugshandel mogelijk kan zorgen voor overlast, verloedering en/of gevaarzetting. Echter blijkt niet dat er sprake is geweest van meldingen van omwonenden wat erop wijst dat dit ook daadwerkelijk het geval is geweest. Niet gesteld nog gebleken is dat er na de politie-inval nog incidenten zijn geweest met betrekking tot het gehuurde waardoor eventueel gevaar voor de toekomst is weggenomen. Ook zijn er geen aanknopingspunten en/of aanwijzingen dat er drugs is gedeald vanuit het gehuurde. Als er sprake zou zijn geweest van drugshandel vanuit het gehuurde, dan zou het voor de hand liggen dat er bijvoorbeeld aanloop van derden zou zijn geweest, wat omwonenden zou zijn opgevallen. Tot slot blijkt niet dat er eerder meldingen over [de gedaagde] zijn geweest bij Woningstichting Wageningen en heeft zij zich, los van dit incident, altijd als goed huurder gedragen. 4.10. Voorgaande betekent dat de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst op grond van de gevonden drugs en het contante geld in het gehuurde in dit concrete geval niet gerechtvaardigd is. De kantonrechter zal de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde dus afwijzen. De proceskosten 4.11. Woningstichting Wageningen wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 86,00 (2 punten × € 43,00) - nakosten € 21,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 107,50 Uitvoerbaar bij voorraad 4.12. De veroordeling in dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist. Woningstichting Wageningen heeft verzocht om een uitgebreide motivering omtrent de uitvoerbaarheid bij voorraad gelet op haar belang bij de executie van de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de huurwoning. Aangezien de kantonrechter deze vorderingen van Woningstichting Wageningen zal afwijzen volstaat het uitspreken van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. wijst de vorderingen van Woningstichting Wageningen af, 5.2. veroordeelt Woningstichting Wageningen in de proceskosten van € 107,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Woningstichting Wageningen niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Woningstichting Wageningen ook de kosten van betekening betalen, 5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Verspui, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. 68348