Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-01
ECLI:NL:RBGEL:2026:2971
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,983 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2971 text/xml public 2026-04-30T09:40:46 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-01 12104595 \ HA VERZ 26-34 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2971 text/html public 2026-04-30T09:40:29 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2971 Rechtbank Gelderland , 01-04-2026 / 12104595 \ HA VERZ 26-34 Verzoek tot uitbetaling van achterstallig loon, opgebouwde maar niet genoten vakanatie-uren en de transitievergoeding. Verweerster is niet verschenen en verzoekster heeft haar verzoek ter mondelinge behandeling gewijzigd/vermeerderd. Uit artikel 130 lid 3 Rv volgt dat indien een partij niet in het geding is verschenen, een verandering of vermeerdering van eis tegen die partij is uitgesloten, tenzij de eiser de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. De kantonrechter ziet gelet hierop aanleiding om verzoekster alsnog in de gelegenheid te stellen om het door haar gewijzigde verzoek aan verweerster te betekenen onder vermelding dat zij daarop nog schritelijk kan reageren. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer / rekestnummer: 12104595 \ HA VERZ 26-34 Beschikking van 1 april 2026 in de zaak van [naam verzoeker] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [de verzoeker] , gemachtigde: mr. R.A.D. Koppelaar, tegen [naam verweerder] , H.O.D.N. [naam verwerend bedrijf] , te [woonplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [de verweerder] , h.o.d.n. [naam verwerend bedrijf] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Op 17 februari 2026 heeft mr. Koppelaar namens [de verzoeker] een verzoekschrift ingediend met producties KL 1 tot en met KL 5. 1.2. [de verweerder] is door de rechtbank bij zowel per gewone als per aangetekende post verzonden brief van 2 maart 2026 opgeroepen om te verschijnen op de mondelinge behandeling van het verzoek op 18 maart 2026 om 11.00 uur. De per aangetekende post verzonden brief is door de rechtbank nadien retour ontvangen. Ook is [de verweerder] door mr. Koppelaar bij deurwaardersexploot van 11 maart 2026 opgeroepen om te verschijnen op de mondelinge behandeling van het verzoek. 1.3. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026 gelijktijdig met het bij de rechtbank eveneens jegens [de verweerder] ingediende (en grotendeels gelijkluidende) verzoek, bij de rechtbank bekend onder zaaknummer 12104595 / HA VERZ 26-34. [de verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. Koppelaar en mevrouw [tolk] als tolk. [de verweerder] is, ondanks dat zij daartoe deugdelijk is opgeroepen, niet verschenen. Van de mondelinge behandeling is door de griffier aantekening gemaakt. 1.4. Vervolgens is de beschikking bepaald op 15 april 2026 en vervroegd uitgesproken op vandaag. 2 Het verzoek 2.1. [de verzoeker] verzoekt in haar verzoekschrift bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: I. [de verweerder] te veroordelen tot betaling van: a. het netto equivalent van het bedrag van € 5.556,69 aan achterstallig bruto loon over de periode 1 oktober 2025 tot en met 29 december 2025, met emolumenten; b. het netto equivalent van het tegoed van 167,46 opgebouwde maar niet genoten wettelijke en buitenwettelijke vakantie-uren en het netto equivalent van de pro rato verschuldigde vakantietoeslag per 31 december 2025; c. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over het onder a opgenomen bedrag; d. de wettelijke rente over het onder a opgenomen bedrag vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening; e. de transitievergoeding van € 554,12 bruto; f. de buitengerechtelijke incassokosten van € 472,24 exclusief btw; g. de proceskosten; II. aan [de verzoeker] een bruto/netto specificatie te verstrekken waarin de bij het einde van het dienstverband nog verschuldigde looncomponenten zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 5.000,-; 2.2. Aan het verzoek heeft [de verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. [de verzoeker] is met ingang van 7 februari 2025 voor bepaalde tijd bij [de verweerder] in dienst getreden in de functie van kok, voor een gemiddelde arbeidstijd van 32 uur per week. Het loon bedroeg laatstelijk € 14.40 bruto per uur en 8% vakantietoeslag. De arbeidsovereenkomst is met voorafgaande mededeling na afloop daarvan op 31 december 2025 niet voortgezet, zodat de arbeidsovereenkomst op deze datum van rechtswege is geëindigd. 2.3. [de verzoeker] heeft over de periode vanaf 1 oktober 2025 tot en met 31 december 2025 geen betaling ontvangen van de uren gedurende welke zij heeft gewerkt. [de verzoeker] maakt daarom aanspraak op het achterstallig loon over deze periode, waarbij het loon wordt vastgesteld op een bedrag van € 5.556,69 bruto. Daarnaast stelt [de verzoeker] dat er tot op heden evenmin een eindafrekening heeft plaatsgevonden, zodat zij in deze procedure ook aanspraak maakt op afgifte van de eindafrekening en op uitbetaling van het tegoed aan vakantie-uren en vakantietoeslag per 31 december 2025. Ten slotte stelt [de verzoeker] dat [de verweerder] op grond van artikel 7:673 lid 1 BW ook nog een transitievergoeding aan haar verschuldigd is. 3 De beoordeling 3.1. Ter mondelinge behandeling heeft de kantonrechter aan [de verzoeker] voorgehouden dat in het verzoekschrift ten aanzien van het verzoek om achterstallig loon om toekenning van (het netto-equivalent van) bruto bedragen wordt verzocht, terwijl uit de overgelegde loonstroken lijkt te volgen dat dit nettobedragen zijn. Daarnaast is voorgehouden dat bij de berekening van de transitievergoeding is uitgegaan van het op de loonstroken vermeld staande nettoloon, welke door [de verzoeker] in het verzoekschrift als zijnde een bruto loon wordt genoemd. 3.2. Door mr. Koppelaar is op de mondelinge behandeling aangegeven dat een en ander op een vergissing berust en dat zowel ten aanzien van het achterstallige loon als voor de berekening van de transitievergoeding, en dus anders dan in het verzoekschrift staat vermeld, dient te worden uitgegaan van een bruto maandloon van € 1.996,80. Daarnaast heeft mr. Koppelaar erop gewezen dat voor wat betreft de maand december 2025 een loonstrook niet aanwezig is en dat na optelling van het gewerkte aantal uren wordt uitgekomen op een bedrag van € 1.201,10 bruto, hetgeen voor wat betreft die maand neerkomt op een vermindering van het verzoek. 3.3. De voornoemde wijzigingen dienen naar het oordeel van de kantonrechter, in ieder geval voor wat betreft het achterstallige loon over de maanden november en december 2025 alsook de transitievergoeding, als een verandering/vermeerdering van het verzoek te worden aangemerkt. Uit artikel 283 Rv volgt dat zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, de verzoeker bevoegd is het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. Bij uitzondering kan een mondelinge wijziging van het verzoek bij gelegenheid van een mondelinge behandeling echter ook worden geaccepteerd. 3.4. In het geval van verandering of vermeerdering is artikel 130 Rv van overeenkomstige toepassing. Uit lid 3 van laatstgenoemde bepaling volgt dat indien een partij niet in het geding is verschenen, een verandering of vermeerdering van eis tegen die partij is uitgesloten, tenzij de eiser de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. De ratio van artikel 130 lid 3 Rv is dat voorkomen moet worden dat de niet verschenen gedaagde (of in dit geval verweerster) tot iets wordt veroordeeld waarvan hij niet weet en niet kan weten dat het wordt gevorderd. 3.5. [de verweerder] is niet verschenen op de mondelinge behandeling en [de verzoeker] heeft de door haar beoogde wijziging van haar verzoek voorafgaand aan de mondelinge behandeling niet aan [de verweerder] betekend.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2971 text/xml public 2026-04-30T09:40:46 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-01 12104595 \ HA VERZ 26-34 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2971 text/html public 2026-04-30T09:40:29 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2971 Rechtbank Gelderland , 01-04-2026 / 12104595 \ HA VERZ 26-34 Verzoek tot uitbetaling van achterstallig loon, opgebouwde maar niet genoten vakanatie-uren en de transitievergoeding. Verweerster is niet verschenen en verzoekster heeft haar verzoek ter mondelinge behandeling gewijzigd/vermeerderd. Uit artikel 130 lid 3 Rv volgt dat indien een partij niet in het geding is verschenen, een verandering of vermeerdering van eis tegen die partij is uitgesloten, tenzij de eiser de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. De kantonrechter ziet gelet hierop aanleiding om verzoekster alsnog in de gelegenheid te stellen om het door haar gewijzigde verzoek aan verweerster te betekenen onder vermelding dat zij daarop nog schritelijk kan reageren. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer / rekestnummer: 12104595 \ HA VERZ 26-34 Beschikking van 1 april 2026 in de zaak van [naam verzoeker] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [de verzoeker] , gemachtigde: mr. R.A.D. Koppelaar, tegen [naam verweerder] , H.O.D.N. [naam verwerend bedrijf] , te [woonplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [de verweerder] , h.o.d.n. [naam verwerend bedrijf] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Op 17 februari 2026 heeft mr. Koppelaar namens [de verzoeker] een verzoekschrift ingediend met producties KL 1 tot en met KL 5. 1.2. [de verweerder] is door de rechtbank bij zowel per gewone als per aangetekende post verzonden brief van 2 maart 2026 opgeroepen om te verschijnen op de mondelinge behandeling van het verzoek op 18 maart 2026 om 11.00 uur. De per aangetekende post verzonden brief is door de rechtbank nadien retour ontvangen. Ook is [de verweerder] door mr. Koppelaar bij deurwaardersexploot van 11 maart 2026 opgeroepen om te verschijnen op de mondelinge behandeling van het verzoek. 1.3. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026 gelijktijdig met het bij de rechtbank eveneens jegens [de verweerder] ingediende (en grotendeels gelijkluidende) verzoek, bij de rechtbank bekend onder zaaknummer 12104595 / HA VERZ 26-34. [de verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. Koppelaar en mevrouw [tolk] als tolk. [de verweerder] is, ondanks dat zij daartoe deugdelijk is opgeroepen, niet verschenen. Van de mondelinge behandeling is door de griffier aantekening gemaakt. 1.4. Vervolgens is de beschikking bepaald op 15 april 2026 en vervroegd uitgesproken op vandaag. 2 Het verzoek 2.1. [de verzoeker] verzoekt in haar verzoekschrift bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: I. [de verweerder] te veroordelen tot betaling van: a. het netto equivalent van het bedrag van € 5.556,69 aan achterstallig bruto loon over de periode 1 oktober 2025 tot en met 29 december 2025, met emolumenten; b. het netto equivalent van het tegoed van 167,46 opgebouwde maar niet genoten wettelijke en buitenwettelijke vakantie-uren en het netto equivalent van de pro rato verschuldigde vakantietoeslag per 31 december 2025; c. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over het onder a opgenomen bedrag; d. de wettelijke rente over het onder a opgenomen bedrag vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening; e. de transitievergoeding van € 554,12 bruto; f. de buitengerechtelijke incassokosten van € 472,24 exclusief btw; g. de proceskosten; II. aan [de verzoeker] een bruto/netto specificatie te verstrekken waarin de bij het einde van het dienstverband nog verschuldigde looncomponenten zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 5.000,-; 2.2. Aan het verzoek heeft [de verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. [de verzoeker] is met ingang van 7 februari 2025 voor bepaalde tijd bij [de verweerder] in dienst getreden in de functie van kok, voor een gemiddelde arbeidstijd van 32 uur per week. Het loon bedroeg laatstelijk € 14.40 bruto per uur en 8% vakantietoeslag. De arbeidsovereenkomst is met voorafgaande mededeling na afloop daarvan op 31 december 2025 niet voortgezet, zodat de arbeidsovereenkomst op deze datum van rechtswege is geëindigd. 2.3. [de verzoeker] heeft over de periode vanaf 1 oktober 2025 tot en met 31 december 2025 geen betaling ontvangen van de uren gedurende welke zij heeft gewerkt. [de verzoeker] maakt daarom aanspraak op het achterstallig loon over deze periode, waarbij het loon wordt vastgesteld op een bedrag van € 5.556,69 bruto. Daarnaast stelt [de verzoeker] dat er tot op heden evenmin een eindafrekening heeft plaatsgevonden, zodat zij in deze procedure ook aanspraak maakt op afgifte van de eindafrekening en op uitbetaling van het tegoed aan vakantie-uren en vakantietoeslag per 31 december 2025. Ten slotte stelt [de verzoeker] dat [de verweerder] op grond van artikel 7:673 lid 1 BW ook nog een transitievergoeding aan haar verschuldigd is. 3 De beoordeling 3.1. Ter mondelinge behandeling heeft de kantonrechter aan [de verzoeker] voorgehouden dat in het verzoekschrift ten aanzien van het verzoek om achterstallig loon om toekenning van (het netto-equivalent van) bruto bedragen wordt verzocht, terwijl uit de overgelegde loonstroken lijkt te volgen dat dit nettobedragen zijn. Daarnaast is voorgehouden dat bij de berekening van de transitievergoeding is uitgegaan van het op de loonstroken vermeld staande nettoloon, welke door [de verzoeker] in het verzoekschrift als zijnde een bruto loon wordt genoemd. 3.2. Door mr. Koppelaar is op de mondelinge behandeling aangegeven dat een en ander op een vergissing berust en dat zowel ten aanzien van het achterstallige loon als voor de berekening van de transitievergoeding, en dus anders dan in het verzoekschrift staat vermeld, dient te worden uitgegaan van een bruto maandloon van € 1.996,80. Daarnaast heeft mr. Koppelaar erop gewezen dat voor wat betreft de maand december 2025 een loonstrook niet aanwezig is en dat na optelling van het gewerkte aantal uren wordt uitgekomen op een bedrag van € 1.201,10 bruto, hetgeen voor wat betreft die maand neerkomt op een vermindering van het verzoek. 3.3. De voornoemde wijzigingen dienen naar het oordeel van de kantonrechter, in ieder geval voor wat betreft het achterstallige loon over de maanden november en december 2025 alsook de transitievergoeding, als een verandering/vermeerdering van het verzoek te worden aangemerkt. Uit artikel 283 Rv volgt dat zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, de verzoeker bevoegd is het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. Bij uitzondering kan een mondelinge wijziging van het verzoek bij gelegenheid van een mondelinge behandeling echter ook worden geaccepteerd. 3.4. In het geval van verandering of vermeerdering is artikel 130 Rv van overeenkomstige toepassing. Uit lid 3 van laatstgenoemde bepaling volgt dat indien een partij niet in het geding is verschenen, een verandering of vermeerdering van eis tegen die partij is uitgesloten, tenzij de eiser de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. De ratio van artikel 130 lid 3 Rv is dat voorkomen moet worden dat de niet verschenen gedaagde (of in dit geval verweerster) tot iets wordt veroordeeld waarvan hij niet weet en niet kan weten dat het wordt gevorderd. 3.5. [de verweerder] is niet verschenen op de mondelinge behandeling en [de verzoeker] heeft de door haar beoogde wijziging van haar verzoek voorafgaand aan de mondelinge behandeling niet aan [de verweerder] betekend.