Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-08
ECLI:NL:RBGEL:2026:2925
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bodemzaak
14,715 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2925 text/xml public 2026-05-08T09:12:52 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-08 C/05/446719 / HA ZA 25-38 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/260 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2925 text/html public 2026-04-23T11:38:34 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2925 Rechtbank Gelderland , 08-04-2026 / C/05/446719 / HA ZA 25-38 Verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap. Geen sprake van schijnhuwelijk. Geen sprake van schenking onder uitsluitingsclausule. Vordering tot vergoeding eigenaarslasten voor de peildatum. Geen afgescheiden inkomen of vermogen voor de peildatum, zodat er geen vorderingsrechten zijn opgebouwd. Vordering tot vergoeding eigenaarslasten na de peildatum vs. gebruiksvergoeding. De rechtbank streept de vorderingen tegen elkaar weg. RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/446719 / HA ZA 25-38 Vonnis van 8 april 2026 in de zaak van [naam eiser in conventie / verweerder in reconventie] , wonend op een voor de rechtbank bekend adres, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. K.J.M. Slangen, tegen [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie] , wonend in [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. K.L. Sett. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 28 januari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald; - het B8-formulier met aanvullende producties van de man van 18 februari 2026; - het B8-formulier met aanvullende productie van de man van 19 februari 2026; - het B3-formulier met de akte vermeerdering eis van de vrouw van 19 februari 2026; - het B8-formulier met aanvullende producties van de vrouw van 19 februari 2026; - het B3-formulier met de akte uitlating vermeerdering eis van de man van 1 maart 2026; - de overgelegde pleitaantekeningen op de zitting van mr. K.L. Sett; - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 maart 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn op [huwelijksdatum] in [plaatsnaam] (China) met elkaar getrouwd. 2.2. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. 2.3. Bij beschikking van 9 april 2024 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het huwelijk van partijen is ontbonden op [echtscheidingsdatum] 2024 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente. 3 Het geschil 3.1. Deze procedure gaat over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Partijen verschillen van mening over de verdeling van de voormalige echtelijke woning, een schenking die voor het huwelijk aan de man is verricht, de betaling van de eigenaarslasten en een gebruiksvergoeding. De vorderingen en verweren van partijen zijn als volgt. in conventie 3.2. De vrouw vordert voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap vast te stellen op de navolgende wijze: I. de man te veroordelen om medewerking te verlenen aan de verkoop van de echtelijke woning aan een derde tegen een door [makelaar] te [vestigingsplaats] dan wel een andere door de rechtbank aan te wijzen makelaar te bepalen vraagprijs en laatprijs en daartoe aan voornoemde makelaar een verkoopopdracht te verstrekken op verbeurte van een dwangsom van € 500 voor iedere dag dat de man in gebreke blijft om medewerking te verlenen aan het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar; II. de man te veroordelen tot het verlenen van de nodige medewerking aan het toegang verschaffen aan de makelaar en eventuele potentiële kopers in het appartement op verbeurte van een dwangsom van € 500 voor iedere keer dat de man het appartement op verzoek van de makelaar niet openstelt respectievelijk niet in behoorlijke staat openstelt voor bezichtiging door potentiële kopers samen met de makelaar; III. de man te veroordelen tot de nodige medewerking aan het opstellen en ondertekenen van de verkoopovereenkomst met betrekking tot het appartement; IV. de man te veroordelen tot het verlenen van de nodige medewerking aan het opstellen en passeren van de transportakte met betrekking tot het appartement; V. de man te veroordelen om het appartement in verband met de eigendomsoverdracht te verlaten en te ontruimen met al de zijnen en het zijne, uiterlijk 14 dagen voor de geplande leveringsdatum; VI. te bepalen dat de uitspraak van de rechtbank in plaats treedt van een in wettige vorm opgemaakte akte strekkende tot ondertekening door gedaagde van de koopovereenkomst, alsmede tot het notarieel transport van het appartement, indien de man weigerachtig is aan hetgeen onder III. en IV. is bepaald te voldoen; VII. te bepalen dat ieder der partijen is gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen; VIII. te bepalen dat de netto verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld; IX. te bepalen dat iedere partij de bankrekeningen behoudt die op zijn of haar naam staan zonder verrekening van saldi; X. te bepalen dat de inboedel en overige roerende zaken tussen partijen zijn verdeeld zonder nadere verrekening. 3.3. De man voert verweer. De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitzondering van datgene wat is gevorderd onder IX en X met betrekking tot de bankrekeningen en inboedel/roerende zaken. 3.4. Bij akte vermeerdering van eis heeft de vrouw aanvullend gevorderd: XI. de man te veroordelen om als vergoeding voor het gebruik van de woning met ingang van 17 augustus 2023 tot aan datum van levering van de woning aan de man of aan een derde, aan de vrouw te voldoen, een vergoeding van primair € 325 per maand, subsidiair € 296,75 per maand, meer subsidiair een zodanig bedrag per maand als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. in reconventie 3.5. De man vordert voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair I. de woning en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening aan de man toe te delen onder de verplichting om de helft van de overwaarde van de woning aan de vrouw te voldoen, waarbij de waarde van de woning wordt vastgesteld tegen de meest recente WOZ-waarde, althans een door de rechtbank te bepalen waarde; II. te bepalen dat de man in de gelegenheid wordt gesteld binnen een periode van uiterlijk zes maanden na de datum van deze beschikking, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, aan te tonen dat hij de overname van de woning, het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening en de uitbetaling aan haar de helft van de overwaarde van de woning, kan financieren; III. te bepalen dat de man een betalingsregeling mag treffen voor het resterende bedrag indien mocht blijken dat de financiering ontoereikend is; Subsidiair (indien de woning dient te worden verkocht) IV. te bepalen dat een uitstel van verkoop van de woning van maximaal drie jaren, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, aan de man wordt gegeven totdat de man een passende huurwoning heeft gevonden; V. partijen te gelasten de woning te verkopen en te leveren aan de koper, waartoe partijen gezamenlijk een opdracht tot verkoop dienen te verstrekken aan een makelaar naar gezamenlijke keuze binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis, en indien partijen binnen veertien dagen na het vonnis niet tot overeenstemming over de makelaar zijn gekomen, aan een makelaar naar keuze van de man; VI. te bepalen dat partijen het advies van deze verkoopmakelaar dienen te volgen met betrekking tot de te hanteren vraag- en laatprijs; VII. te bepalen dat de netto verkoopopbrengst van de woning bij helfte tussen partijen wordt verdeeld; Primair en subsidiair VIII. te bepalen dat het bedrag van de schenking van € 23.000 toekomt aan de man; IX.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2925 text/xml public 2026-05-08T09:12:52 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-08 C/05/446719 / HA ZA 25-38 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/260 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2925 text/html public 2026-04-23T11:38:34 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2925 Rechtbank Gelderland , 08-04-2026 / C/05/446719 / HA ZA 25-38 Verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap. Geen sprake van schijnhuwelijk. Geen sprake van schenking onder uitsluitingsclausule. Vordering tot vergoeding eigenaarslasten voor de peildatum. Geen afgescheiden inkomen of vermogen voor de peildatum, zodat er geen vorderingsrechten zijn opgebouwd. Vordering tot vergoeding eigenaarslasten na de peildatum vs. gebruiksvergoeding. De rechtbank streept de vorderingen tegen elkaar weg. RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/446719 / HA ZA 25-38 Vonnis van 8 april 2026 in de zaak van [naam eiser in conventie / verweerder in reconventie] , wonend op een voor de rechtbank bekend adres, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. K.J.M. Slangen, tegen [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie] , wonend in [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. K.L. Sett. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 28 januari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald; - het B8-formulier met aanvullende producties van de man van 18 februari 2026; - het B8-formulier met aanvullende productie van de man van 19 februari 2026; - het B3-formulier met de akte vermeerdering eis van de vrouw van 19 februari 2026; - het B8-formulier met aanvullende producties van de vrouw van 19 februari 2026; - het B3-formulier met de akte uitlating vermeerdering eis van de man van 1 maart 2026; - de overgelegde pleitaantekeningen op de zitting van mr. K.L. Sett; - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 maart 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn op [huwelijksdatum] in [plaatsnaam] (China) met elkaar getrouwd. 2.2. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. 2.3. Bij beschikking van 9 april 2024 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het huwelijk van partijen is ontbonden op [echtscheidingsdatum] 2024 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente. 3 Het geschil 3.1. Deze procedure gaat over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Partijen verschillen van mening over de verdeling van de voormalige echtelijke woning, een schenking die voor het huwelijk aan de man is verricht, de betaling van de eigenaarslasten en een gebruiksvergoeding. De vorderingen en verweren van partijen zijn als volgt. in conventie 3.2. De vrouw vordert voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap vast te stellen op de navolgende wijze: I. de man te veroordelen om medewerking te verlenen aan de verkoop van de echtelijke woning aan een derde tegen een door [makelaar] te [vestigingsplaats] dan wel een andere door de rechtbank aan te wijzen makelaar te bepalen vraagprijs en laatprijs en daartoe aan voornoemde makelaar een verkoopopdracht te verstrekken op verbeurte van een dwangsom van € 500 voor iedere dag dat de man in gebreke blijft om medewerking te verlenen aan het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar; II. de man te veroordelen tot het verlenen van de nodige medewerking aan het toegang verschaffen aan de makelaar en eventuele potentiële kopers in het appartement op verbeurte van een dwangsom van € 500 voor iedere keer dat de man het appartement op verzoek van de makelaar niet openstelt respectievelijk niet in behoorlijke staat openstelt voor bezichtiging door potentiële kopers samen met de makelaar; III. de man te veroordelen tot de nodige medewerking aan het opstellen en ondertekenen van de verkoopovereenkomst met betrekking tot het appartement; IV. de man te veroordelen tot het verlenen van de nodige medewerking aan het opstellen en passeren van de transportakte met betrekking tot het appartement; V. de man te veroordelen om het appartement in verband met de eigendomsoverdracht te verlaten en te ontruimen met al de zijnen en het zijne, uiterlijk 14 dagen voor de geplande leveringsdatum; VI. te bepalen dat de uitspraak van de rechtbank in plaats treedt van een in wettige vorm opgemaakte akte strekkende tot ondertekening door gedaagde van de koopovereenkomst, alsmede tot het notarieel transport van het appartement, indien de man weigerachtig is aan hetgeen onder III. en IV. is bepaald te voldoen; VII. te bepalen dat ieder der partijen is gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen; VIII. te bepalen dat de netto verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld; IX. te bepalen dat iedere partij de bankrekeningen behoudt die op zijn of haar naam staan zonder verrekening van saldi; X. te bepalen dat de inboedel en overige roerende zaken tussen partijen zijn verdeeld zonder nadere verrekening. 3.3. De man voert verweer. De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitzondering van datgene wat is gevorderd onder IX en X met betrekking tot de bankrekeningen en inboedel/roerende zaken. 3.4. Bij akte vermeerdering van eis heeft de vrouw aanvullend gevorderd: XI. de man te veroordelen om als vergoeding voor het gebruik van de woning met ingang van 17 augustus 2023 tot aan datum van levering van de woning aan de man of aan een derde, aan de vrouw te voldoen, een vergoeding van primair € 325 per maand, subsidiair € 296,75 per maand, meer subsidiair een zodanig bedrag per maand als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. in reconventie 3.5. De man vordert voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair I. de woning en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening aan de man toe te delen onder de verplichting om de helft van de overwaarde van de woning aan de vrouw te voldoen, waarbij de waarde van de woning wordt vastgesteld tegen de meest recente WOZ-waarde, althans een door de rechtbank te bepalen waarde; II. te bepalen dat de man in de gelegenheid wordt gesteld binnen een periode van uiterlijk zes maanden na de datum van deze beschikking, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, aan te tonen dat hij de overname van de woning, het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening en de uitbetaling aan haar de helft van de overwaarde van de woning, kan financieren; III. te bepalen dat de man een betalingsregeling mag treffen voor het resterende bedrag indien mocht blijken dat de financiering ontoereikend is; Subsidiair (indien de woning dient te worden verkocht) IV. te bepalen dat een uitstel van verkoop van de woning van maximaal drie jaren, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, aan de man wordt gegeven totdat de man een passende huurwoning heeft gevonden; V. partijen te gelasten de woning te verkopen en te leveren aan de koper, waartoe partijen gezamenlijk een opdracht tot verkoop dienen te verstrekken aan een makelaar naar gezamenlijke keuze binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis, en indien partijen binnen veertien dagen na het vonnis niet tot overeenstemming over de makelaar zijn gekomen, aan een makelaar naar keuze van de man; VI. te bepalen dat partijen het advies van deze verkoopmakelaar dienen te volgen met betrekking tot de te hanteren vraag- en laatprijs; VII. te bepalen dat de netto verkoopopbrengst van de woning bij helfte tussen partijen wordt verdeeld; Primair en subsidiair VIII. te bepalen dat het bedrag van de schenking van € 23.000 toekomt aan de man; IX.
Volledig
te bepalen dat de vrouw aan de man verschuldigd is de helft van de eigenaarslasten waaronder de hypotheekrente vanaf 19 november 2021, althans subsidiair 17 augustus 2023 tot het moment dat de woning is toebedeeld aan de man dan wel is verkocht en geleverd aan de koper. 3.6. De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man. 3.7. Bij akte uitlating vermeerdering eis heeft de man aanvullend gevorderd: X. te bepalen dat de door de vrouw bij akte van 19 februari 2026 ingestelde vermeerdering van eis wegens strijd met de goede procesorde op grond van artikel 130 Rv buiten beschouwing wordt gelaten; XI. voor het geval de rechtbank de vermeerdering van eis toelaat, de door de vrouw gevorderde gebruiksvergoeding alsnog af te wijzen; XII. te bepalen dat geen gebruiksvergoeding verschuldigd is, althans dat deze op nihil wordt vastgesteld, gelet op de omstandigheden van het geval en met toepassing van de redelijkheid en billijkheid; XIII. indien de rechtbank niettemin van oordeel is dat een gebruiksvergoeding verschuldigd is, deze te matigen tot een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht, onder volledige verrekening met de door de man gedragen eigenaarslasten. 4 De beoordeling 4.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en die in reconventie zal de rechtbank deze hierna gezamenlijk beoordelen. Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.2. Omdat de zaak een internationaal karakter heeft, moet de rechtbank eerst vaststellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te beslissen op de verschillende vorderingen en welk recht zij bij de beoordeling moet toepassen. 4.3. De Nederlandse rechtbank is bevoegd te beslissen op de vorderingen van partijen, vanwege de gewone verblijfplaats van partijen op het tijdstip van het aanbrengen van de zaak. Partijen hebben hun gewone verblijfplaats in [woonplaats] , zodat deze rechtbank ook relatief bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. 4.4. De rechtbank bepaalt het toepasselijk recht aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag), omdat het huwelijk van partijen is gesloten tussen 1 september 1992 en 30 januari 2019 en het verdrag volgens artikel 2 een universeel formeel toepassingsgebied heeft. 4.5. Partijen hebben geen (geldige) rechtskeuze gemaakt voor of tijdens het huwelijk. Partijen hadden bij de huwelijkssluiting, dan wel kort daarna, ook geen gemeenschappelijke nationaliteit. In dat geval wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de Staat waar partijen na de huwelijkssluiting hun eerste gewone verblijfplaats hadden. De man woonde voor de huwelijkssluiting al in Nederland. Gebleken is dat de vrouw kort na de huwelijkssluiting bij de man is ingetrokken. Op grond van artikel 4 lid 1 van het Verdrag is Nederlands recht daarom van toepassing. Samenstelling ontbonden gemeenschap 4.6. Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn vóór 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke gemeenschap van goederen is ontstaan. 4.7. Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 17 augustus 2023 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd). 4.8. De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling. 4.9. Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren: de woning aan de [adres] in ( [postcode] ) [plaatsnaam] ; de hypothecaire geldlening bij ABN AMRO Bank N.V. met leningnummer [leningnummer] ; de inboedel van de hiervoor genoemde woning; het saldo op de bankrekeningen van partijen; a en b. de woning en de hypothecaire geldlening Vooraf 4.10. De man stelt dat de vrouw geen aanspraak kan maken op de echtelijke woning. Volgens hem is sprake van een papieren huwelijk c.q. schijnhuwelijk. De man dacht een oprechte liefdesrelatie met de vrouw aan te gaan, maar volgens hem is de vrouw het huwelijk alleen aangegaan voor verblijfsrechtelijke redenen en financieel gewin. De man meent dat de vrouw misbruik van recht maakt door aanspraak te maken op de woning. De vrouw voert verweer. Zij meent dat juist de man alleen om financiële redenen met haar is getrouwd. 4.11. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een schijnhuwelijk. Op 9 april 2024 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld tegen de echtscheidingsbeschikking, waardoor deze onherroepelijk is geworden. De echtscheidingsbeschikking is vervolgens ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Hierdoor staat vast dat partijen gehuwd zijn geweest, aangezien een echtscheiding niet kan bestaan zonder dat daaraan een huwelijk vooraf is gegaan. 4.12. Ook is het voor de rechtbank niet duidelijk geworden wat volgens de man het rechtsgevolg zou zijn van een schijnhuwelijk. Door het huwelijk van partijen is een wettelijke gemeenschap van goederen ontstaan, waardoor de echtelijke woning in deze gemeenschap valt. De gemeenschap is inmiddels ontbonden, zodat de echtelijke woning bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap moet worden betrokken. De rechtbank is niet bekend met een uitzondering van ‘schijnhuwelijk’ binnen het systeem van de wettelijke gemeenschap van goederen. 4.13. Ook van misbruik van recht is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Wel is het de rechtbank duidelijk geworden dat partijen een ander beeld en gevoel hebben gehad bij het huwelijk. Dat heeft echter geen juridische gevolgen. De man krijgt gelegenheid om de woning over te nemen 4.14. Nu vaststaat dat de echtelijke woning tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort, dient de rechtbank te beslissen wat er met de woning moet gebeuren. De man wil de woning overnemen. Volgens de vrouw heeft de man voldoende tijd gehad om de woning over te nemen. Zij wil dat de woning wordt verkocht. 4.15. De rechtbank zal de man in de gelegenheid stellen om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen. De man heeft toegelicht dat de woning belangrijk voor hem is en dat verkoop van de woning hem in een precaire situatie brengt. Hoewel de man al meerdere jaren de tijd heeft gehad om de woning over te nemen, is ter zitting gebleken dat de man nog niet alle mogelijkheden daartoe heeft onderzocht. De rechtbank is wel van oordeel dat het voor de man uiterlijk binnen vier maanden na dit vonnis duidelijk moet kunnen zijn of hij de woning kan overnemen. 4.16. De man wil de woning overnemen tegen de meest recente WOZ-waarde. De vrouw heeft tegen deze waardebepaling geen bezwaar gemaakt. De meest recente WOZ-waarde die de rechtbank van partijen heeft ontvangen is de WOZ-waarde van 2024, ter hoogte van € 251.000. De rechtbank deelt de woning voor deze waarde toe aan de man, onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening ten tijde van de overname van de woning en onder de opschortende voorwaarde dat door de man aan de vrouw de helft van de overwaarde van de woning wordt uitbetaald. 4.17. De vordering van de man om de helft van de overwaarde in termijnen aan de vrouw te mogen voldoen, wijst de rechtbank af. De vordering is niet concreet. De man heeft niet gesteld hoe en in hoeveel termijnen hij wil afbetalen.
Volledig
te bepalen dat de vrouw aan de man verschuldigd is de helft van de eigenaarslasten waaronder de hypotheekrente vanaf 19 november 2021, althans subsidiair 17 augustus 2023 tot het moment dat de woning is toebedeeld aan de man dan wel is verkocht en geleverd aan de koper. 3.6. De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man. 3.7. Bij akte uitlating vermeerdering eis heeft de man aanvullend gevorderd: X. te bepalen dat de door de vrouw bij akte van 19 februari 2026 ingestelde vermeerdering van eis wegens strijd met de goede procesorde op grond van artikel 130 Rv buiten beschouwing wordt gelaten; XI. voor het geval de rechtbank de vermeerdering van eis toelaat, de door de vrouw gevorderde gebruiksvergoeding alsnog af te wijzen; XII. te bepalen dat geen gebruiksvergoeding verschuldigd is, althans dat deze op nihil wordt vastgesteld, gelet op de omstandigheden van het geval en met toepassing van de redelijkheid en billijkheid; XIII. indien de rechtbank niettemin van oordeel is dat een gebruiksvergoeding verschuldigd is, deze te matigen tot een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht, onder volledige verrekening met de door de man gedragen eigenaarslasten. 4 De beoordeling 4.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en die in reconventie zal de rechtbank deze hierna gezamenlijk beoordelen. Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.2. Omdat de zaak een internationaal karakter heeft, moet de rechtbank eerst vaststellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te beslissen op de verschillende vorderingen en welk recht zij bij de beoordeling moet toepassen. 4.3. De Nederlandse rechtbank is bevoegd te beslissen op de vorderingen van partijen, vanwege de gewone verblijfplaats van partijen op het tijdstip van het aanbrengen van de zaak. Partijen hebben hun gewone verblijfplaats in [woonplaats] , zodat deze rechtbank ook relatief bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. 4.4. De rechtbank bepaalt het toepasselijk recht aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag), omdat het huwelijk van partijen is gesloten tussen 1 september 1992 en 30 januari 2019 en het verdrag volgens artikel 2 een universeel formeel toepassingsgebied heeft. 4.5. Partijen hebben geen (geldige) rechtskeuze gemaakt voor of tijdens het huwelijk. Partijen hadden bij de huwelijkssluiting, dan wel kort daarna, ook geen gemeenschappelijke nationaliteit. In dat geval wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de Staat waar partijen na de huwelijkssluiting hun eerste gewone verblijfplaats hadden. De man woonde voor de huwelijkssluiting al in Nederland. Gebleken is dat de vrouw kort na de huwelijkssluiting bij de man is ingetrokken. Op grond van artikel 4 lid 1 van het Verdrag is Nederlands recht daarom van toepassing. Samenstelling ontbonden gemeenschap 4.6. Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn vóór 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke gemeenschap van goederen is ontstaan. 4.7. Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 17 augustus 2023 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd). 4.8. De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling. 4.9. Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren: de woning aan de [adres] in ( [postcode] ) [plaatsnaam] ; de hypothecaire geldlening bij ABN AMRO Bank N.V. met leningnummer [leningnummer] ; de inboedel van de hiervoor genoemde woning; het saldo op de bankrekeningen van partijen; a en b. de woning en de hypothecaire geldlening Vooraf 4.10. De man stelt dat de vrouw geen aanspraak kan maken op de echtelijke woning. Volgens hem is sprake van een papieren huwelijk c.q. schijnhuwelijk. De man dacht een oprechte liefdesrelatie met de vrouw aan te gaan, maar volgens hem is de vrouw het huwelijk alleen aangegaan voor verblijfsrechtelijke redenen en financieel gewin. De man meent dat de vrouw misbruik van recht maakt door aanspraak te maken op de woning. De vrouw voert verweer. Zij meent dat juist de man alleen om financiële redenen met haar is getrouwd. 4.11. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een schijnhuwelijk. Op 9 april 2024 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld tegen de echtscheidingsbeschikking, waardoor deze onherroepelijk is geworden. De echtscheidingsbeschikking is vervolgens ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Hierdoor staat vast dat partijen gehuwd zijn geweest, aangezien een echtscheiding niet kan bestaan zonder dat daaraan een huwelijk vooraf is gegaan. 4.12. Ook is het voor de rechtbank niet duidelijk geworden wat volgens de man het rechtsgevolg zou zijn van een schijnhuwelijk. Door het huwelijk van partijen is een wettelijke gemeenschap van goederen ontstaan, waardoor de echtelijke woning in deze gemeenschap valt. De gemeenschap is inmiddels ontbonden, zodat de echtelijke woning bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap moet worden betrokken. De rechtbank is niet bekend met een uitzondering van ‘schijnhuwelijk’ binnen het systeem van de wettelijke gemeenschap van goederen. 4.13. Ook van misbruik van recht is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Wel is het de rechtbank duidelijk geworden dat partijen een ander beeld en gevoel hebben gehad bij het huwelijk. Dat heeft echter geen juridische gevolgen. De man krijgt gelegenheid om de woning over te nemen 4.14. Nu vaststaat dat de echtelijke woning tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort, dient de rechtbank te beslissen wat er met de woning moet gebeuren. De man wil de woning overnemen. Volgens de vrouw heeft de man voldoende tijd gehad om de woning over te nemen. Zij wil dat de woning wordt verkocht. 4.15. De rechtbank zal de man in de gelegenheid stellen om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen. De man heeft toegelicht dat de woning belangrijk voor hem is en dat verkoop van de woning hem in een precaire situatie brengt. Hoewel de man al meerdere jaren de tijd heeft gehad om de woning over te nemen, is ter zitting gebleken dat de man nog niet alle mogelijkheden daartoe heeft onderzocht. De rechtbank is wel van oordeel dat het voor de man uiterlijk binnen vier maanden na dit vonnis duidelijk moet kunnen zijn of hij de woning kan overnemen. 4.16. De man wil de woning overnemen tegen de meest recente WOZ-waarde. De vrouw heeft tegen deze waardebepaling geen bezwaar gemaakt. De meest recente WOZ-waarde die de rechtbank van partijen heeft ontvangen is de WOZ-waarde van 2024, ter hoogte van € 251.000. De rechtbank deelt de woning voor deze waarde toe aan de man, onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening ten tijde van de overname van de woning en onder de opschortende voorwaarde dat door de man aan de vrouw de helft van de overwaarde van de woning wordt uitbetaald. 4.17. De vordering van de man om de helft van de overwaarde in termijnen aan de vrouw te mogen voldoen, wijst de rechtbank af. De vordering is niet concreet. De man heeft niet gesteld hoe en in hoeveel termijnen hij wil afbetalen.
Volledig
De man heeft ook niet gesteld of onderbouwd dat hij financieel gezien in staat is om een betalingsregeling na te komen. Dit geeft de vrouw geen zekerheid. De man kan mogelijk nog een voorstel doen aan de vrouw, als hij inzicht heeft in zijn financieringsmogelijkheden. Als de man de woning niet kan overnemen, wordt de woning verkocht 4.18. De rechtbank beslist dat de woning verkocht moet worden, als blijkt dat de man de woning niet kan overnemen. 4.19. Voor het geval de rechtbank zou beslissen dat de woning moet worden verkocht, heeft de man gevorderd om de verkoop uit te stellen. De rechtbank begrijpt deze vordering als een beroep op artikel 3:178 lid 3 BW. Volgens dat artikel kan de rechter een vordering tot verdeling van een gemeenschappelijk goed op verlangen van een deelgenoot een of meerdere malen, telkens voor ten hoogste drie jaar, uitsluiten. De rechter kan dat doen als de door onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend. De rechtbank moet in dit geval dus beoordelen of het belang van de man bij het onverdeeld laten van de woning aanmerkelijk groter is dan het belang van de vrouw bij verdeling van de woning. 4.20. Het belang van de man is erin gelegen dat hij langer in de woning kan blijven wonen, zodat hij meer tijd heeft om te zoeken naar een huurwoning. De man vreest dat hij door onmiddellijke verkoop van de woning in een zeer moeilijke woonsituatie terechtkomt, mede vanwege de woningkrapte. Daartegenover staat het belang van de vrouw bij de verkoop van de woning. De vrouw heeft aangevoerd dat er meer dan twee jaar is verstreken sinds zij de echtelijke woning verliet. Hierdoor merkt de belastingdienst de woning voor de vrouw niet meer aan als eigen woning. De vrouw geeft aan dat zij de waarde van (haar aandeel in de) woning inmiddels aan moet geven in box 3 (sparen en beleggen), waardoor zij meer belasting moet betalen. Daarnaast is de vrouw nog steeds hoofdelijk aansprakelijk voor de hypothecaire geldlening, wat enerzijds een financieel risico voor haar oplevert en er anderzijds voor zorgt dat zij geen eigen woning kan kopen. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van de man bij het onverdeeld laten van de woning niet zwaarder dan het belang van de vrouw bij de verkoop van de woning. De rechtbank betrekt daarbij dat de man niet of onvoldoende heeft aangetoond dat uitstel van de verkoop zijn kansen op een alternatieve woning vergroot. 4.21. De rechtbank neemt hierna onder de beslissing een spoorboekje op, waarin staat hoe de woning verkocht moet worden. Zij zal daarbij zoveel mogelijk aansluiten bij de vorderingen van partijen die zien op de situatie dat de woning wordt verkocht. Daarbij wordt opgemerkt dat de rechtbank niet is gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd. De rechtbank ziet aanleiding om op enkele onderdelen af te wijken van de specifiek door de partijen verzochte wijze van verdeling van de woning. Op een paar concrete beslissingen ten aanzien van de wijze waarop de woning moet worden verkocht geeft de rechtbank een toelichting. 4.22. De rechtbank bepaalt dat partijen binnen veertien dagen nadat blijkt dat de man de woning niet kan overnemen of na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn van vier maanden, een opdracht tot verkoop moeten verstrekken aan [makelaar] te [vestigingsplaats] . Met het bepalen van deze termijn sluit de rechtbank aan bij de vordering van de man. De vrouw heeft gevorderd dat de verkoopopdracht wordt verstrekt aan [makelaar] te [vestigingsplaats] . De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank hierbij aansluit. 4.23. De rechtbank wijst af de door de vrouw gevorderde: veroordelingen tot medewerking door de man op straffe van dwangsommen; indeplaatsstelling van dit vonnis voor de handtekening van de man op de koopovereenkomst en de notariële transportakte; ontruiming van de woning door de man uiterlijk 14 dagen voor de geplande leveringsdatum. De rechtbank gaat ervan uit dat de man meewerkt aan de verkoop en de woning tijdig zal verlaten, omdat de man ook zelf (subsidiair) heeft gevorderd te bepalen dat de woning te koop moet worden aangeboden als hij niet in staat blijkt de woning over te nemen. Hij zal hier dan ook zelf belang bij hebben. c. de inboedel 4.24. De rechtbank beslist dat de inboedel en overige roerende zaken tussen partijen zijn verdeeld zonder nadere verrekening, omdat de vrouw dit heeft gevorderd en de man hiermee instemt. d. de banksaldi 4.25. De rechtbank beslist dat iedere partij de bankrekeningen behoudt die op zijn of haar naam staan zonder verrekening van saldi, omdat de vrouw dit heeft gevorderd en de man hiermee instemt. De schenking 4.26. De man stelt dat hij een schenking van € 23.000 heeft ontvangen van de oom van de vrouw. Volgens de man is daarbij een schenkingsovereenkomst opgesteld, waaruit volgt dat de schenking onder uitsluitingsclausule zou zijn verricht. De man vordert te bepalen dat de schenking aan hem toekomt. De vrouw voert verweer. 4.27. De rechtbank wijst het verzoek van de man af. Ter onderbouwing van de schenking onder uitsluitingsclausule heeft de man verwezen naar een schenkingsovereenkomst van 9 december 2016. De man stelt dat daarop is te zien dat de schenking onder uitsluiting is verricht en dat het document door zowel de oom van de vrouw (de schenker) als de man zelf (de begunstigde) is ondertekend. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat haar oom de schenkingsovereenkomst met de man heeft gesloten en dat haar oom het document heeft ondertekend. De vrouw verwijst daarbij naar een (door een beëdigd vertaler vertaalde) verklaring van haar oom, waarin de oom het verhaal van de vrouw bevestigt. Omdat de vrouw de stelling van de man gemotiveerd heeft betwist, lag het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de man om de schenking onder uitsluitingsclausule nader te onderbouwen. Dat heeft de man niet gedaan. Eigenaarslasten en gebruiksvergoeding van de woning 4.28. De man heeft een vergoeding van de helft van de eigenaarslasten gevorderd vanaf 19 november 2021, althans subsidiair 17 augustus 2023 tot het moment dat de woning is toegedeeld aan de man dan wel is verkocht en geleverd aan de koper. De vrouw heeft op haar beurt een gebruiksvergoeding gevorderd, primair ter hoogte van de helft van de eigenaarslasten, met ingang van 17 augustus 2023 tot aan datum van levering van de woning aan de man of aan een derde. Eigenaarslasten tot de peildatum (tot 17 augustus 2023) 4.29. De rechtbank begrijpt de vordering van de man, voor zover deze ziet op een vergoeding voor de rentebetaling van de hypothecaire geldlening en de kosten van de VVE, als een beroep op artikel 1:84 BW. Volgens lid 1 van dat artikel komen de kosten van de huishouding, ten laste van het gezamenlijke inkomen van partijen en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens naar evenredigheid daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gezamenlijke vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan. De gemeenschap van goederen tussen partijen is op 17 augustus 2023 ontbonden. Daarvoor was het inkomen en vermogen van partijen gemeenschappelijk in de zin van artikel 1:94 lid 2 BW (oud). Er bestond geen afgescheiden inkomen of vermogen, zodat er over en weer geen vorderingsrechten zijn opgebouwd. Artikel 1:84 BW is niet van toepassing is op het deel van de vordering van de man dat ziet op de aflossingen van de hypothecaire geldlening. Ook voor de aflossingen geldt echter dat deze zijn voldaan uit gemeenschappelijk inkomen of vermogen. Niet gebleken is in ieder geval dat de man de hypotheekaflossingen met privévermogen heeft voldaan. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de eigenaarslasten van voor de peildatum te verrekenen. Eigenaarslasten gebruiksvergoeding na de peildatum (vanaf 17 datum 2023) 4.30. Vanaf de peildatum, het moment dat de gemeenschap is ontbonden, ziet de rechtbank dit anders. De vrouw is dan gehouden de helft van de eigenaarslasten te voldoen. Dit stelt de vrouw ook niet ter discussie.
Volledig
De man heeft ook niet gesteld of onderbouwd dat hij financieel gezien in staat is om een betalingsregeling na te komen. Dit geeft de vrouw geen zekerheid. De man kan mogelijk nog een voorstel doen aan de vrouw, als hij inzicht heeft in zijn financieringsmogelijkheden. Als de man de woning niet kan overnemen, wordt de woning verkocht 4.18. De rechtbank beslist dat de woning verkocht moet worden, als blijkt dat de man de woning niet kan overnemen. 4.19. Voor het geval de rechtbank zou beslissen dat de woning moet worden verkocht, heeft de man gevorderd om de verkoop uit te stellen. De rechtbank begrijpt deze vordering als een beroep op artikel 3:178 lid 3 BW. Volgens dat artikel kan de rechter een vordering tot verdeling van een gemeenschappelijk goed op verlangen van een deelgenoot een of meerdere malen, telkens voor ten hoogste drie jaar, uitsluiten. De rechter kan dat doen als de door onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend. De rechtbank moet in dit geval dus beoordelen of het belang van de man bij het onverdeeld laten van de woning aanmerkelijk groter is dan het belang van de vrouw bij verdeling van de woning. 4.20. Het belang van de man is erin gelegen dat hij langer in de woning kan blijven wonen, zodat hij meer tijd heeft om te zoeken naar een huurwoning. De man vreest dat hij door onmiddellijke verkoop van de woning in een zeer moeilijke woonsituatie terechtkomt, mede vanwege de woningkrapte. Daartegenover staat het belang van de vrouw bij de verkoop van de woning. De vrouw heeft aangevoerd dat er meer dan twee jaar is verstreken sinds zij de echtelijke woning verliet. Hierdoor merkt de belastingdienst de woning voor de vrouw niet meer aan als eigen woning. De vrouw geeft aan dat zij de waarde van (haar aandeel in de) woning inmiddels aan moet geven in box 3 (sparen en beleggen), waardoor zij meer belasting moet betalen. Daarnaast is de vrouw nog steeds hoofdelijk aansprakelijk voor de hypothecaire geldlening, wat enerzijds een financieel risico voor haar oplevert en er anderzijds voor zorgt dat zij geen eigen woning kan kopen. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van de man bij het onverdeeld laten van de woning niet zwaarder dan het belang van de vrouw bij de verkoop van de woning. De rechtbank betrekt daarbij dat de man niet of onvoldoende heeft aangetoond dat uitstel van de verkoop zijn kansen op een alternatieve woning vergroot. 4.21. De rechtbank neemt hierna onder de beslissing een spoorboekje op, waarin staat hoe de woning verkocht moet worden. Zij zal daarbij zoveel mogelijk aansluiten bij de vorderingen van partijen die zien op de situatie dat de woning wordt verkocht. Daarbij wordt opgemerkt dat de rechtbank niet is gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd. De rechtbank ziet aanleiding om op enkele onderdelen af te wijken van de specifiek door de partijen verzochte wijze van verdeling van de woning. Op een paar concrete beslissingen ten aanzien van de wijze waarop de woning moet worden verkocht geeft de rechtbank een toelichting. 4.22. De rechtbank bepaalt dat partijen binnen veertien dagen nadat blijkt dat de man de woning niet kan overnemen of na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn van vier maanden, een opdracht tot verkoop moeten verstrekken aan [makelaar] te [vestigingsplaats] . Met het bepalen van deze termijn sluit de rechtbank aan bij de vordering van de man. De vrouw heeft gevorderd dat de verkoopopdracht wordt verstrekt aan [makelaar] te [vestigingsplaats] . De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank hierbij aansluit. 4.23. De rechtbank wijst af de door de vrouw gevorderde: veroordelingen tot medewerking door de man op straffe van dwangsommen; indeplaatsstelling van dit vonnis voor de handtekening van de man op de koopovereenkomst en de notariële transportakte; ontruiming van de woning door de man uiterlijk 14 dagen voor de geplande leveringsdatum. De rechtbank gaat ervan uit dat de man meewerkt aan de verkoop en de woning tijdig zal verlaten, omdat de man ook zelf (subsidiair) heeft gevorderd te bepalen dat de woning te koop moet worden aangeboden als hij niet in staat blijkt de woning over te nemen. Hij zal hier dan ook zelf belang bij hebben. c. de inboedel 4.24. De rechtbank beslist dat de inboedel en overige roerende zaken tussen partijen zijn verdeeld zonder nadere verrekening, omdat de vrouw dit heeft gevorderd en de man hiermee instemt. d. de banksaldi 4.25. De rechtbank beslist dat iedere partij de bankrekeningen behoudt die op zijn of haar naam staan zonder verrekening van saldi, omdat de vrouw dit heeft gevorderd en de man hiermee instemt. De schenking 4.26. De man stelt dat hij een schenking van € 23.000 heeft ontvangen van de oom van de vrouw. Volgens de man is daarbij een schenkingsovereenkomst opgesteld, waaruit volgt dat de schenking onder uitsluitingsclausule zou zijn verricht. De man vordert te bepalen dat de schenking aan hem toekomt. De vrouw voert verweer. 4.27. De rechtbank wijst het verzoek van de man af. Ter onderbouwing van de schenking onder uitsluitingsclausule heeft de man verwezen naar een schenkingsovereenkomst van 9 december 2016. De man stelt dat daarop is te zien dat de schenking onder uitsluiting is verricht en dat het document door zowel de oom van de vrouw (de schenker) als de man zelf (de begunstigde) is ondertekend. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat haar oom de schenkingsovereenkomst met de man heeft gesloten en dat haar oom het document heeft ondertekend. De vrouw verwijst daarbij naar een (door een beëdigd vertaler vertaalde) verklaring van haar oom, waarin de oom het verhaal van de vrouw bevestigt. Omdat de vrouw de stelling van de man gemotiveerd heeft betwist, lag het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de man om de schenking onder uitsluitingsclausule nader te onderbouwen. Dat heeft de man niet gedaan. Eigenaarslasten en gebruiksvergoeding van de woning 4.28. De man heeft een vergoeding van de helft van de eigenaarslasten gevorderd vanaf 19 november 2021, althans subsidiair 17 augustus 2023 tot het moment dat de woning is toegedeeld aan de man dan wel is verkocht en geleverd aan de koper. De vrouw heeft op haar beurt een gebruiksvergoeding gevorderd, primair ter hoogte van de helft van de eigenaarslasten, met ingang van 17 augustus 2023 tot aan datum van levering van de woning aan de man of aan een derde. Eigenaarslasten tot de peildatum (tot 17 augustus 2023) 4.29. De rechtbank begrijpt de vordering van de man, voor zover deze ziet op een vergoeding voor de rentebetaling van de hypothecaire geldlening en de kosten van de VVE, als een beroep op artikel 1:84 BW. Volgens lid 1 van dat artikel komen de kosten van de huishouding, ten laste van het gezamenlijke inkomen van partijen en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens naar evenredigheid daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gezamenlijke vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan. De gemeenschap van goederen tussen partijen is op 17 augustus 2023 ontbonden. Daarvoor was het inkomen en vermogen van partijen gemeenschappelijk in de zin van artikel 1:94 lid 2 BW (oud). Er bestond geen afgescheiden inkomen of vermogen, zodat er over en weer geen vorderingsrechten zijn opgebouwd. Artikel 1:84 BW is niet van toepassing is op het deel van de vordering van de man dat ziet op de aflossingen van de hypothecaire geldlening. Ook voor de aflossingen geldt echter dat deze zijn voldaan uit gemeenschappelijk inkomen of vermogen. Niet gebleken is in ieder geval dat de man de hypotheekaflossingen met privévermogen heeft voldaan. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de eigenaarslasten van voor de peildatum te verrekenen. Eigenaarslasten gebruiksvergoeding na de peildatum (vanaf 17 datum 2023) 4.30. Vanaf de peildatum, het moment dat de gemeenschap is ontbonden, ziet de rechtbank dit anders. De vrouw is dan gehouden de helft van de eigenaarslasten te voldoen. Dit stelt de vrouw ook niet ter discussie.
Volledig
Doordat de man alle eigenaarslasten voldoet, voldoet hij daarmee ook het aandeel dat voor rekening van de vrouw komt. Dit scheelt voor de vrouw een aanzienlijke kostenpost. In die zin is de vordering van de man toewijsbaar. Daartegenover staat dat de vrouw ten laste van de man aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding vanwege het gemis van gebruik en genot van de woning en vanwege het gemiste rendement. De vrouw stelt de gebruiksvergoeding gelijk aan de door de man gevorderde vergoeding in de eigenaarslasten. Hoewel de man het hier niet mee eens is, komt dit de rechtbank in dit geval, mede gezien de omvang van de bedragen, niet onredelijk voor. De rechtbank streept de vorderingen van partijen daarom in alle redelijkheid tegen elkaar weg. De rechtbank wijst de vorderingen van partijen af. Proceskosten 4.31. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De rechtbank in conventie en reconventie 5.1. gelast de wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning aan de aan de [adres] in ( [postcode] ) [plaatsnaam] en de hypothecaire geldlening bij ABN AMRO Bank N.V. met leningnummer [leningnummer] als volgt: - de man krijgt gedurende vier maanden vanaf de datum van dit vonnis de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning kan overnemen tegen een bedrag van € 251.000, waarbij: o de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij de hypotheekverstrekker geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening; o de man de helft van de overwaarde van de woning, bestaande uit een bedrag van € 251.000 onder aftrek van de hypothecaire schuld en kosten gemoeid met de overdracht op het moment van de notariële overdracht, aan de vrouw zal vergoeden; indien de man de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarden dient de levering van de woning aan de vrouw plaats te vinden binnen één maand, nadat hij de vrouw binnen de hiervoor vermelde termijn van vier maanden schriftelijk heeft bericht dat hij de woning kan overnemen; indien de man de vrouw binnen vier maanden bericht dat hij niet in staat is de woning over te nemen, dan wel niet binnen de genoemde termijn van vier maanden schriftelijk heeft bericht dat hij in staat is de woning onder voormelde voorwaarden over te nemen, zal de woning binnen veertien dagen na het bericht van de man dan wel na het verlopen van de termijn van vier maanden door partijen te koop worden aangeboden. Partijen zullen de verkoopopdracht verstrekken aan [makelaar] in [vestigingsplaats] ; partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraag- en laatprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen; de man dient zijn medewerking te verlenen aan het verschaffen van toegang aan de makelaar en eventuele potentiële kopers tot de woning; partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen; als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning; na verkoop moet met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald; het eventuele restant moeten partijen bij helfte delen, dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen; de verkoopkosten (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) zullen door partijen gezamenlijk gedragen worden, ieder voor de helft, 5.2. bepaalt dat de inboedel en overige roerende zaken tussen partijen zijn verdeeld zonder nadere verrekening, 5.3. bepaalt dat iedere partij de bankrekeningen behoudt die op zijn of haar naam staan zonder verrekening van saldi, 5.4. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.5. verklaart dit vonnis wat betreft de hiervoor genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026. Zie artikel 6 sub a van de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 betreffende de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels. Artikel 1:99 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek. Hoge Raad 12 oktober 2001, ECLI:HR:2001:ZC3697. Hoge Raad 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9769.
Volledig
Doordat de man alle eigenaarslasten voldoet, voldoet hij daarmee ook het aandeel dat voor rekening van de vrouw komt. Dit scheelt voor de vrouw een aanzienlijke kostenpost. In die zin is de vordering van de man toewijsbaar. Daartegenover staat dat de vrouw ten laste van de man aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding vanwege het gemis van gebruik en genot van de woning en vanwege het gemiste rendement. De vrouw stelt de gebruiksvergoeding gelijk aan de door de man gevorderde vergoeding in de eigenaarslasten. Hoewel de man het hier niet mee eens is, komt dit de rechtbank in dit geval, mede gezien de omvang van de bedragen, niet onredelijk voor. De rechtbank streept de vorderingen van partijen daarom in alle redelijkheid tegen elkaar weg. De rechtbank wijst de vorderingen van partijen af. Proceskosten 4.31. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De rechtbank in conventie en reconventie 5.1. gelast de wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning aan de aan de [adres] in ( [postcode] ) [plaatsnaam] en de hypothecaire geldlening bij ABN AMRO Bank N.V. met leningnummer [leningnummer] als volgt: - de man krijgt gedurende vier maanden vanaf de datum van dit vonnis de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning kan overnemen tegen een bedrag van € 251.000, waarbij: o de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij de hypotheekverstrekker geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening; o de man de helft van de overwaarde van de woning, bestaande uit een bedrag van € 251.000 onder aftrek van de hypothecaire schuld en kosten gemoeid met de overdracht op het moment van de notariële overdracht, aan de vrouw zal vergoeden; indien de man de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarden dient de levering van de woning aan de vrouw plaats te vinden binnen één maand, nadat hij de vrouw binnen de hiervoor vermelde termijn van vier maanden schriftelijk heeft bericht dat hij de woning kan overnemen; indien de man de vrouw binnen vier maanden bericht dat hij niet in staat is de woning over te nemen, dan wel niet binnen de genoemde termijn van vier maanden schriftelijk heeft bericht dat hij in staat is de woning onder voormelde voorwaarden over te nemen, zal de woning binnen veertien dagen na het bericht van de man dan wel na het verlopen van de termijn van vier maanden door partijen te koop worden aangeboden. Partijen zullen de verkoopopdracht verstrekken aan [makelaar] in [vestigingsplaats] ; partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraag- en laatprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen; de man dient zijn medewerking te verlenen aan het verschaffen van toegang aan de makelaar en eventuele potentiële kopers tot de woning; partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen; als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning; na verkoop moet met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald; het eventuele restant moeten partijen bij helfte delen, dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen; de verkoopkosten (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) zullen door partijen gezamenlijk gedragen worden, ieder voor de helft, 5.2. bepaalt dat de inboedel en overige roerende zaken tussen partijen zijn verdeeld zonder nadere verrekening, 5.3. bepaalt dat iedere partij de bankrekeningen behoudt die op zijn of haar naam staan zonder verrekening van saldi, 5.4. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.5. verklaart dit vonnis wat betreft de hiervoor genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026. Zie artikel 6 sub a van de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 betreffende de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels. Artikel 1:99 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek. Hoge Raad 12 oktober 2001, ECLI:HR:2001:ZC3697. Hoge Raad 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9769.