Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-01
ECLI:NL:RBGEL:2026:2921
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
20,256 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2921 text/xml public 2026-04-30T13:17:15 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-01 449576 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2921 text/html public 2026-04-28T14:30:13 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2921 Rechtbank Gelderland , 01-04-2026 / 449576 Aanneming van werk (schilderwerkzaamheden); (gestelde) gebreken en niet uitgevoerd werk; vervangende schadevergoeding (artikel 6:87 BW); partiële ontbinding (artikel 6:265 BW); (schuldeisers)verzuim; ongedaanmakingsverbintenissen (artikel 6:271 BW). RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/449576 / HA ZA 25-131 Vonnis van 1 april 2026 in de zaak van 1. [naam eiser in conventie / verweerder in reconventie 1] , 2. [naam eiser in conventie / verweerder in reconventie 2] , beiden wonende te [woonplaats] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [de eiser in conventie] , advocaat: voorheen mr. A.A. Bulle, thans mr. J.J.E. Hovener, tegen [naam gedaagd bedrijf in conventie / eisende in reconventie] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [de gedaagde in conventie] , advocaat: mr. J.L.J.J. Nelissen. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 23 juli 2025, - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 december 2025. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [de eiser in conventie] is eigenaar van een monumentaal woonhuis dat aan de binnenzijde moest worden gerenoveerd en daarnaast volledig (zowel binnen als buiten) moest worden geschilderd. 2.2. [de eiser in conventie] heeft voor de renovatie verschillende aannemers ingeschakeld. Hij heeft [de gedaagde in conventie] benaderd om het schilderwerk uit te voeren. 2.3. Op 7 december 2021 heeft [de gedaagde in conventie] een offerte aan [de eiser in conventie] uitgebracht voor de te verrichten schilderwerkzaamheden met een totale aanneemsom van € 74.871,54. De aanneemsom is opgebouwd uit een bedrag van € 29.107,58 voor het buitenschilderwerk en een bedrag van € 39.581,90 voor het binnenschilderwerk, vermeerderd met 9% btw. 2.4. [de eiser in conventie] is met deze offerte akkoord gegaan. 2.5. Op de overeenkomst tussen partijen zijn de algemene voorwaarden van [de gedaagde in conventie] van toepassing. In die voorwaarden staat: […] Artikel 4 – Prijs en prijswijzigingen 1. Opdrachtnemer is bevoegd om na het sluiten van de overeenkomst de volgende extra kosten bij de opdrachtgever in rekening te brengen: o extra kosten die het gevolg zijn van (on)voorziene kostenverhogende omstandigheden, die niet aan opdrachtnemer kunnen worden toegerekend, mits de opdrachtnemer opdrachtgever zo spoedig mogelijk voor de noodzaak van een prijsverhoging waarschuwt. […] Artikel 12 – Aansprakelijkheid […] 12. Elke vordering tot schadevergoeding van opdrachtgever vervalt, indien de vordering niet binnen een maand nadat de schade is geconstateerd of redelijkerwijs ontdekt had moeten worden, schriftelijk aan opdrachtnemer is kenbaar gemaakt en indien zij niet binnen een jaar na dat tijdstip in rechte aanhangig is gemaakt. 2.6. Medio december 2021 is [de gedaagde in conventie] gestart met het binnenschilderwerk. 2.7. In de periode tussen medio december 2021 en begin februari 2022 heeft [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] drie termijnfacturen gestuurd van in totaal € 43.051,50 inclusief btw. [de eiser in conventie] heeft deze facturen betaald. 2.8. Op 12 februari 2022 heeft [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] laten weten dat zij ‘pas op de plaats’ moet maken. 2.9. Vervolgens is [de gedaagde in conventie] na overleg met [de eiser in conventie] begonnen aan een andere klus in Amsterdam. 2.10. In mei 2023 is [de gedaagde in conventie] bij van [de eiser in conventie] langs geweest om de stand van zaken van de renovatie te bekijken. Daarna heeft [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] bericht dat zij alleen verder wil werken op regiebasis en dat zij prijswijzigingen zal moeten doorvoeren in verband met kostenstijgingen wegens de coronacrisis, de oorlog in Oekraïne en loonstijgingen. 2.11. Op 22 juni 2023 heeft [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] een brief gestuurd waarin staat dat het binnenschilderwerk niet af is en het buitenschilderwerk nog niet gestart is en dat hij het belangrijk vindt dat het werk afgemaakt wordt. In de brief staat verder dat het binnenwerk op de eerste en tweede verdieping inclusief trap klaar dient te zijn op 1 september en het buitenwerk voor de herfst. Op deze brief heeft [de gedaagde in conventie] niet gereageerd. Ook heeft zij haar werkzaamheden niet hervat. 2.12. [de eiser in conventie] heeft vervolgens zijn rechtsbijstandsverzekeraar ingeschakeld. 2.13. Bij brief van 8 augustus 2023 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] bericht dat zij in verzuim verkeert omdat zij aan [de eiser in conventie] te kennen heeft gegeven dat zij haar verplichtingen uit de overeenkomst niet meer zal nakomen. In de brief verzoekt de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] verder om binnen twee weken mee te delen dat zij de werkzaamheden zal hervatten, bij gebreke waarvan [de eiser in conventie] ervan uitgaat dat [de gedaagde in conventie] niet bereid is de werkzaamheden af te maken. Ook wordt [de gedaagde in conventie] verzocht haar werkzaamheden af te ronden voor het einde van september 2023. 2.14. [de gedaagde in conventie] heeft op 9 augustus 2023 op deze brief gereageerd. In de reactie van [de gedaagde in conventie] staat dat het niet mogelijk is gebleken om haar werkzaamheden te voltooien als gevolg van bouwactiviteiten uitgevoerd door een aannemer, dat reeds door haar geschilderde delen door die werkzaamheden beschadigd zijn en dat dat voor haar reden is om haar werkzaamheden op te schorten totdat de aannemer de verbouwingswerkzaamheden heeft afgerond. Verder verklaart [de gedaagde in conventie] zich bereid een nieuwe offerte uit te brengen met betrekking tot de nog uit te voeren werkzaamheden en herstelwerkzaamheden. 2.15. Op 17 augustus 2023 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] gemaild dat de werkzaamheden niet door toedoen van [de eiser in conventie] zijn gestagneerd en dat van een nieuwe offerte geen sprake kan zijn. In de mail staat ook dat de aannemer nog aan het werk is op de begane grond, maar dat zowel de kelder als de trap en de eerste en tweede verdieping gereed zijn en dus geheel tot beschikking van [de gedaagde in conventie] staan en dat de buitenkant van de woning eveneens gereed is om te schilderen. 2.16. In reactie op deze e-mail heeft [de gedaagde in conventie] de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] op 21 augustus 2023 geschreven dat de offerte die hij eerder heeft uitgebracht algemene voorwaarden bevat gericht op eventuele prijsverhogingen die niet aan de opdrachtnemer toe te rekenen zijn en dat de ontwikkelingen op het gebied van brandstof, materiaal en loonkosten van dien aard zijn dat aanpassing van de eerdere offerte gerechtvaardigd is. Ook schrijft [de gedaagde in conventie] dat het leveren van kwalitatief hoogstaand schilderwerk niet mogelijk is zolang er werkzaamheden door de aannemer verricht worden en dat zij nogmaals voorstelt om na afronding van de werkzaamheden door de aannemer een nieuwe offerte op te stellen. 2.17. Bij brief van 23 augustus 2023 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] bericht dat zij zich niet kan beroepen op haar algemene voorwaarden, omdat in die voorwaarden staat dat zij alleen bevoegd is extra kosten bij [de eiser in conventie] in rekening te brengen als zij hem voor die kosten heeft gewaarschuwd, dat dat in dit geval niet is gebeurd en dat [de gedaagde in conventie] de extra kosten ook niet inzichtelijk heeft gemaakt.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2921 text/xml public 2026-04-30T13:17:15 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-01 449576 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2921 text/html public 2026-04-28T14:30:13 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2921 Rechtbank Gelderland , 01-04-2026 / 449576 Aanneming van werk (schilderwerkzaamheden); (gestelde) gebreken en niet uitgevoerd werk; vervangende schadevergoeding (artikel 6:87 BW); partiële ontbinding (artikel 6:265 BW); (schuldeisers)verzuim; ongedaanmakingsverbintenissen (artikel 6:271 BW). RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/449576 / HA ZA 25-131 Vonnis van 1 april 2026 in de zaak van 1. [naam eiser in conventie / verweerder in reconventie 1] , 2. [naam eiser in conventie / verweerder in reconventie 2] , beiden wonende te [woonplaats] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [de eiser in conventie] , advocaat: voorheen mr. A.A. Bulle, thans mr. J.J.E. Hovener, tegen [naam gedaagd bedrijf in conventie / eisende in reconventie] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [de gedaagde in conventie] , advocaat: mr. J.L.J.J. Nelissen. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 23 juli 2025, - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 december 2025. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [de eiser in conventie] is eigenaar van een monumentaal woonhuis dat aan de binnenzijde moest worden gerenoveerd en daarnaast volledig (zowel binnen als buiten) moest worden geschilderd. 2.2. [de eiser in conventie] heeft voor de renovatie verschillende aannemers ingeschakeld. Hij heeft [de gedaagde in conventie] benaderd om het schilderwerk uit te voeren. 2.3. Op 7 december 2021 heeft [de gedaagde in conventie] een offerte aan [de eiser in conventie] uitgebracht voor de te verrichten schilderwerkzaamheden met een totale aanneemsom van € 74.871,54. De aanneemsom is opgebouwd uit een bedrag van € 29.107,58 voor het buitenschilderwerk en een bedrag van € 39.581,90 voor het binnenschilderwerk, vermeerderd met 9% btw. 2.4. [de eiser in conventie] is met deze offerte akkoord gegaan. 2.5. Op de overeenkomst tussen partijen zijn de algemene voorwaarden van [de gedaagde in conventie] van toepassing. In die voorwaarden staat: […] Artikel 4 – Prijs en prijswijzigingen 1. Opdrachtnemer is bevoegd om na het sluiten van de overeenkomst de volgende extra kosten bij de opdrachtgever in rekening te brengen: o extra kosten die het gevolg zijn van (on)voorziene kostenverhogende omstandigheden, die niet aan opdrachtnemer kunnen worden toegerekend, mits de opdrachtnemer opdrachtgever zo spoedig mogelijk voor de noodzaak van een prijsverhoging waarschuwt. […] Artikel 12 – Aansprakelijkheid […] 12. Elke vordering tot schadevergoeding van opdrachtgever vervalt, indien de vordering niet binnen een maand nadat de schade is geconstateerd of redelijkerwijs ontdekt had moeten worden, schriftelijk aan opdrachtnemer is kenbaar gemaakt en indien zij niet binnen een jaar na dat tijdstip in rechte aanhangig is gemaakt. 2.6. Medio december 2021 is [de gedaagde in conventie] gestart met het binnenschilderwerk. 2.7. In de periode tussen medio december 2021 en begin februari 2022 heeft [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] drie termijnfacturen gestuurd van in totaal € 43.051,50 inclusief btw. [de eiser in conventie] heeft deze facturen betaald. 2.8. Op 12 februari 2022 heeft [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] laten weten dat zij ‘pas op de plaats’ moet maken. 2.9. Vervolgens is [de gedaagde in conventie] na overleg met [de eiser in conventie] begonnen aan een andere klus in Amsterdam. 2.10. In mei 2023 is [de gedaagde in conventie] bij van [de eiser in conventie] langs geweest om de stand van zaken van de renovatie te bekijken. Daarna heeft [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] bericht dat zij alleen verder wil werken op regiebasis en dat zij prijswijzigingen zal moeten doorvoeren in verband met kostenstijgingen wegens de coronacrisis, de oorlog in Oekraïne en loonstijgingen. 2.11. Op 22 juni 2023 heeft [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] een brief gestuurd waarin staat dat het binnenschilderwerk niet af is en het buitenschilderwerk nog niet gestart is en dat hij het belangrijk vindt dat het werk afgemaakt wordt. In de brief staat verder dat het binnenwerk op de eerste en tweede verdieping inclusief trap klaar dient te zijn op 1 september en het buitenwerk voor de herfst. Op deze brief heeft [de gedaagde in conventie] niet gereageerd. Ook heeft zij haar werkzaamheden niet hervat. 2.12. [de eiser in conventie] heeft vervolgens zijn rechtsbijstandsverzekeraar ingeschakeld. 2.13. Bij brief van 8 augustus 2023 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] bericht dat zij in verzuim verkeert omdat zij aan [de eiser in conventie] te kennen heeft gegeven dat zij haar verplichtingen uit de overeenkomst niet meer zal nakomen. In de brief verzoekt de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] verder om binnen twee weken mee te delen dat zij de werkzaamheden zal hervatten, bij gebreke waarvan [de eiser in conventie] ervan uitgaat dat [de gedaagde in conventie] niet bereid is de werkzaamheden af te maken. Ook wordt [de gedaagde in conventie] verzocht haar werkzaamheden af te ronden voor het einde van september 2023. 2.14. [de gedaagde in conventie] heeft op 9 augustus 2023 op deze brief gereageerd. In de reactie van [de gedaagde in conventie] staat dat het niet mogelijk is gebleken om haar werkzaamheden te voltooien als gevolg van bouwactiviteiten uitgevoerd door een aannemer, dat reeds door haar geschilderde delen door die werkzaamheden beschadigd zijn en dat dat voor haar reden is om haar werkzaamheden op te schorten totdat de aannemer de verbouwingswerkzaamheden heeft afgerond. Verder verklaart [de gedaagde in conventie] zich bereid een nieuwe offerte uit te brengen met betrekking tot de nog uit te voeren werkzaamheden en herstelwerkzaamheden. 2.15. Op 17 augustus 2023 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] gemaild dat de werkzaamheden niet door toedoen van [de eiser in conventie] zijn gestagneerd en dat van een nieuwe offerte geen sprake kan zijn. In de mail staat ook dat de aannemer nog aan het werk is op de begane grond, maar dat zowel de kelder als de trap en de eerste en tweede verdieping gereed zijn en dus geheel tot beschikking van [de gedaagde in conventie] staan en dat de buitenkant van de woning eveneens gereed is om te schilderen. 2.16. In reactie op deze e-mail heeft [de gedaagde in conventie] de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] op 21 augustus 2023 geschreven dat de offerte die hij eerder heeft uitgebracht algemene voorwaarden bevat gericht op eventuele prijsverhogingen die niet aan de opdrachtnemer toe te rekenen zijn en dat de ontwikkelingen op het gebied van brandstof, materiaal en loonkosten van dien aard zijn dat aanpassing van de eerdere offerte gerechtvaardigd is. Ook schrijft [de gedaagde in conventie] dat het leveren van kwalitatief hoogstaand schilderwerk niet mogelijk is zolang er werkzaamheden door de aannemer verricht worden en dat zij nogmaals voorstelt om na afronding van de werkzaamheden door de aannemer een nieuwe offerte op te stellen. 2.17. Bij brief van 23 augustus 2023 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] bericht dat zij zich niet kan beroepen op haar algemene voorwaarden, omdat in die voorwaarden staat dat zij alleen bevoegd is extra kosten bij [de eiser in conventie] in rekening te brengen als zij hem voor die kosten heeft gewaarschuwd, dat dat in dit geval niet is gebeurd en dat [de gedaagde in conventie] de extra kosten ook niet inzichtelijk heeft gemaakt.
Volledig
In de brief staat verder dat [de eiser in conventie] ermee akkoord is als [de gedaagde in conventie] niet verder werkt, op voorwaarde dat [de gedaagde in conventie] een deel van het reeds door hem betaalde bedrag retourneert. 2.18. Op 5 september 2023 heeft [de gedaagde in conventie] zich per e-mail op het standpunt gesteld dat onvoorziene omstandigheden, namelijk de economische consequenties van de oorlog in Oekraïne, maken dat de overeenkomst tussen partijen op basis van redelijkheid en billijkheid kan worden gewijzigd. In de mail staat verder dat [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] kort voor hervatting van de werkzaamheden op de hoogte zal brengen van prijswijzigingen, en dat hij bereid is met [de eiser in conventie] te heronderhandelen. 2.19. Op 6 september 2023 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] gemaild dat alleen de rechter op verzoek van één van partijen de overeenkomst kan wijzigen of ontbinden wegens onvoorziene omstandigheden en dat [de gedaagde in conventie] nakoming niet kan uitstellen totdat zij een gerechtelijke procedure heeft doorlopen. Ook mailt de rechtsbijstandsverzekeraar dat zij graag verneemt wanneer [de gedaagde in conventie] een aanvang neemt met het werk en dat [de eiser in conventie] bij gebreke daarvan overgaat tot het inschakelen van een deskundige en het treffen van rechtsmaatregelen. 2.20. Op 15 september 2023 heeft [de gedaagde in conventie] de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] bericht dat eerdere aannemers aanzienlijke schade aan het reeds door haar uitgevoerde schilderwerk hebben veroorzaakt en dat zij, wanneer de laatste aannemer zijn werk heeft opgeleverd, de schade kan opnemen en een offerte kan opstellen voor het resterende schilderwerk en de meerwerkkosten. 2.21. In reactie hierop heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] op 23 oktober 2023 gemaild dat ZNEB Taxatie en Expertise een onderzoek zal verrichten naar het uitgevoerde schilderwerkwerk en dat [de gedaagde in conventie] door de deskundige zal worden uitgenodigd het onderzoek bij te wonen. 2.22. Eind november 2023 heeft [de gedaagde in conventie] te kennen gegeven dat zij de toegevoegde waarde van de expertise niet ziet en dat zij die daarom niet zal bijwonen. 2.23. Op 6 december 2023 heeft ZNEB het schilderwerk ter plaatse beoordeeld. Vervolgens heeft ZNEB een rapport uitgebracht met haar bevindingen. In dat rapport staat, voor zover van belang: 9 CONCLUSIE […] Het buitenwerk van het monumentale pand is niet geschilderd. Aan de buitenzijde van de woning zijn derhalve geen werkzaamheden door [de gedaagde in conventie] verricht. […] [de gedaagde in conventie] heeft niet of nauwelijks schuurwerkzaamheden uitgevoerd aan de houten gevelkozijnen, binnendeurkozijnen, paneeldeuren, architraven, et cetera. De behandelde houten onderdelen zijn op kleur gespoten. De gespoten verf laat op diverse plaatsen los van de ondergrond vanwege het feit dat deze onvoldoende hecht. Ook is er blaasvorming in het aangebrachte spuitwerk geconstateerd. De gespoten verf hecht niet of onvoldoende op de ondergrond. Vermoedelijk is de ondergrond onvoldoende geschuurd/ontvet en/of is de verf er te dik opgespoten waardoor deze loslaat. Op diverse plaatsen is de verf te dik op het houtwerk gespoten waardoor deze is gaan druipen. Ook is de elastische beschermingscoating op enkele ruiten niet tijdig verwijderd waardoor deze momenteel zeer moeilijk te verwijderen is. Reparatie van de geconstateerde gebreken is zeer arbeidsintensief. De houten onderdelen dienen grondig te worden geschuurd, partieel herstel met een 2-componenten pasta, voor- en aflakken. Het plafond tussen de balken in de ouderslaapkamer is gespoten. De houten balken zijn niet accuraat afgeplakt waardoor de houten balken deels in de kleur wit zijn gespoten. De balken dienen te worden geschuurd en op kleur te worden geschilderd. Ook op de wanden in de verschillende ruimtes zijn kleurverschillen opgetreden. De wanden dienen in de juiste kleur te worden gesausd. Gelet op het door ons geconstateerde menen wij dat [de gedaagde in conventie] in deze verantwoordelijk is. Het betreft hier uitvoeringsfouten ontstaan ten tijde van de schilder-/spuitwerkzaamheden. Wij concluderen dan ook dat [de gedaagde in conventie] niet naar behoren heeft gepresteerd, althans niet naar de eisen van goed en deugdelijk werk. De kosten voor herstel, zoals hieronder geraamd, dienen onzes inziens dan ook volledig voor rekening van [de gedaagde in conventie] te komen. 10 SCHADEVASTSTELLING/-RAMING Niet uitgevoerde werkzaamheden - De buitenzijde van het monumentale woonhuis is niet geschilderd, hieraan zijn in het geheel geen werkzaamheden uitgevoerd. Volgens de offerte (zie bijlage A) is er € 31.727,27 geraamd, inclusief 9% btw € 31.727,26 - Er is een aantal werkzaamheden in de woning niet uitgevoerd, aanneemsom binnen € 43.144,27 inclusief 9% btw. De kosten van de niet uitgevoerde werkzaamheden (afgezet tegen de aanneemsom) ramen wij op, inclusief 9% btw. € 25.890,00 Totaal inclusief btw € 57.617,26 Gebreken aan uitgevoerde spuitwerkzaamheden - Gevelkozijnen, paneeldeuren, ramen, architraven, vloerplinten, omkasting Radiatoren, vensterbanken, trappen, trapbalustrades, schuren, partieel herstel met een 2-componenten pasta, voor- en aflakken De kosten worden door ons, gebaseerd op 60 mandagen (60 x 8 x € 60,00) en materiaal (€ 3.500,00), geraamd op, inclusief 9% btw € 32.300,00 - Op kleur sauzen van de wanden en plafonds, herstel balkenplafond ouderslaapkamer. De kosten worden door ons, gebaseerd op 35 mandagen (35 x 8 x € 60,00) en materiaal (€ 7.800,00), geraamd op, inclusief 9% btw € 24.600,00 Totaal inclusief btw € 56.900,00 2.24. Bij brief van 20 maart 2024 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] het rapport van ZNEB aan [de gedaagde in conventie] verstrekt. Daarbij heeft de rechtsbijstandsverzekeraar meegedeeld dat ZNEB tal van gebreken en schade heeft geconstateerd, dat [de gedaagde in conventie] in verzuim verkeert en dat [de eiser in conventie] daarom bevoegd is het werk op kosten van [de gedaagde in conventie] te laten herstellen en af te maken of over te gaan tot ontbinding van de overeenkomst. In de brief staat ook dat [de eiser in conventie] van de aanneemsom van € 74.871,54 reeds een bedrag van € 43.051,50 heeft voldaan en dat de deskundige het door [de gedaagde in conventie] deugdelijk uitgevoerde schilderwerk heeft geraamd op € 8.650,00. Volgens [de eiser in conventie] heeft hij [de gedaagde in conventie] daarom een bedrag van € 34.401,50 (€ 43.051,50 -/- € 8.650,00) teveel betaald. De rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] heeft [de gedaagde in conventie] gesommeerd dit bedrag te betalen, en ook de kosten voor het onderzoek van ZNEB. 2.25. Op 30 september 2024 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] geschreven dat reeds een omzettingsverklaring in de zin van artikel 6:87 BW is gestuurd, zodat [de eiser in conventie] nu vervangende schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. In de brief staat verder dat de vervangende schadevergoeding eerder niet juist is berekend en € 74.047,26 bedraagt. [de gedaagde in conventie] is opnieuw gesommeerd dit bedrag en de kosten van het onderzoek van ZNEB te betalen. 2.26. Op 28 oktober 2023 heeft de advocaat van [de gedaagde in conventie] de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] per brief bericht dat [de gedaagde in conventie] niet tot betaling zal overgaan. 3. Het geschil in conventie 3.1. [de eiser in conventie] vordert dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair / (meer) subsidiair 1. [de gedaagde in conventie] vanwege het tekortschieten in de correcte nakoming van de overeenkomst veroordeelt tot betaling aan [de eiser in conventie] van een bedrag van € 74.047,26, vermeerderd met wettelijke rente, Subsidiair 2.
Volledig
In de brief staat verder dat [de eiser in conventie] ermee akkoord is als [de gedaagde in conventie] niet verder werkt, op voorwaarde dat [de gedaagde in conventie] een deel van het reeds door hem betaalde bedrag retourneert. 2.18. Op 5 september 2023 heeft [de gedaagde in conventie] zich per e-mail op het standpunt gesteld dat onvoorziene omstandigheden, namelijk de economische consequenties van de oorlog in Oekraïne, maken dat de overeenkomst tussen partijen op basis van redelijkheid en billijkheid kan worden gewijzigd. In de mail staat verder dat [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] kort voor hervatting van de werkzaamheden op de hoogte zal brengen van prijswijzigingen, en dat hij bereid is met [de eiser in conventie] te heronderhandelen. 2.19. Op 6 september 2023 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] gemaild dat alleen de rechter op verzoek van één van partijen de overeenkomst kan wijzigen of ontbinden wegens onvoorziene omstandigheden en dat [de gedaagde in conventie] nakoming niet kan uitstellen totdat zij een gerechtelijke procedure heeft doorlopen. Ook mailt de rechtsbijstandsverzekeraar dat zij graag verneemt wanneer [de gedaagde in conventie] een aanvang neemt met het werk en dat [de eiser in conventie] bij gebreke daarvan overgaat tot het inschakelen van een deskundige en het treffen van rechtsmaatregelen. 2.20. Op 15 september 2023 heeft [de gedaagde in conventie] de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] bericht dat eerdere aannemers aanzienlijke schade aan het reeds door haar uitgevoerde schilderwerk hebben veroorzaakt en dat zij, wanneer de laatste aannemer zijn werk heeft opgeleverd, de schade kan opnemen en een offerte kan opstellen voor het resterende schilderwerk en de meerwerkkosten. 2.21. In reactie hierop heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] op 23 oktober 2023 gemaild dat ZNEB Taxatie en Expertise een onderzoek zal verrichten naar het uitgevoerde schilderwerkwerk en dat [de gedaagde in conventie] door de deskundige zal worden uitgenodigd het onderzoek bij te wonen. 2.22. Eind november 2023 heeft [de gedaagde in conventie] te kennen gegeven dat zij de toegevoegde waarde van de expertise niet ziet en dat zij die daarom niet zal bijwonen. 2.23. Op 6 december 2023 heeft ZNEB het schilderwerk ter plaatse beoordeeld. Vervolgens heeft ZNEB een rapport uitgebracht met haar bevindingen. In dat rapport staat, voor zover van belang: 9 CONCLUSIE […] Het buitenwerk van het monumentale pand is niet geschilderd. Aan de buitenzijde van de woning zijn derhalve geen werkzaamheden door [de gedaagde in conventie] verricht. […] [de gedaagde in conventie] heeft niet of nauwelijks schuurwerkzaamheden uitgevoerd aan de houten gevelkozijnen, binnendeurkozijnen, paneeldeuren, architraven, et cetera. De behandelde houten onderdelen zijn op kleur gespoten. De gespoten verf laat op diverse plaatsen los van de ondergrond vanwege het feit dat deze onvoldoende hecht. Ook is er blaasvorming in het aangebrachte spuitwerk geconstateerd. De gespoten verf hecht niet of onvoldoende op de ondergrond. Vermoedelijk is de ondergrond onvoldoende geschuurd/ontvet en/of is de verf er te dik opgespoten waardoor deze loslaat. Op diverse plaatsen is de verf te dik op het houtwerk gespoten waardoor deze is gaan druipen. Ook is de elastische beschermingscoating op enkele ruiten niet tijdig verwijderd waardoor deze momenteel zeer moeilijk te verwijderen is. Reparatie van de geconstateerde gebreken is zeer arbeidsintensief. De houten onderdelen dienen grondig te worden geschuurd, partieel herstel met een 2-componenten pasta, voor- en aflakken. Het plafond tussen de balken in de ouderslaapkamer is gespoten. De houten balken zijn niet accuraat afgeplakt waardoor de houten balken deels in de kleur wit zijn gespoten. De balken dienen te worden geschuurd en op kleur te worden geschilderd. Ook op de wanden in de verschillende ruimtes zijn kleurverschillen opgetreden. De wanden dienen in de juiste kleur te worden gesausd. Gelet op het door ons geconstateerde menen wij dat [de gedaagde in conventie] in deze verantwoordelijk is. Het betreft hier uitvoeringsfouten ontstaan ten tijde van de schilder-/spuitwerkzaamheden. Wij concluderen dan ook dat [de gedaagde in conventie] niet naar behoren heeft gepresteerd, althans niet naar de eisen van goed en deugdelijk werk. De kosten voor herstel, zoals hieronder geraamd, dienen onzes inziens dan ook volledig voor rekening van [de gedaagde in conventie] te komen. 10 SCHADEVASTSTELLING/-RAMING Niet uitgevoerde werkzaamheden - De buitenzijde van het monumentale woonhuis is niet geschilderd, hieraan zijn in het geheel geen werkzaamheden uitgevoerd. Volgens de offerte (zie bijlage A) is er € 31.727,27 geraamd, inclusief 9% btw € 31.727,26 - Er is een aantal werkzaamheden in de woning niet uitgevoerd, aanneemsom binnen € 43.144,27 inclusief 9% btw. De kosten van de niet uitgevoerde werkzaamheden (afgezet tegen de aanneemsom) ramen wij op, inclusief 9% btw. € 25.890,00 Totaal inclusief btw € 57.617,26 Gebreken aan uitgevoerde spuitwerkzaamheden - Gevelkozijnen, paneeldeuren, ramen, architraven, vloerplinten, omkasting Radiatoren, vensterbanken, trappen, trapbalustrades, schuren, partieel herstel met een 2-componenten pasta, voor- en aflakken De kosten worden door ons, gebaseerd op 60 mandagen (60 x 8 x € 60,00) en materiaal (€ 3.500,00), geraamd op, inclusief 9% btw € 32.300,00 - Op kleur sauzen van de wanden en plafonds, herstel balkenplafond ouderslaapkamer. De kosten worden door ons, gebaseerd op 35 mandagen (35 x 8 x € 60,00) en materiaal (€ 7.800,00), geraamd op, inclusief 9% btw € 24.600,00 Totaal inclusief btw € 56.900,00 2.24. Bij brief van 20 maart 2024 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] het rapport van ZNEB aan [de gedaagde in conventie] verstrekt. Daarbij heeft de rechtsbijstandsverzekeraar meegedeeld dat ZNEB tal van gebreken en schade heeft geconstateerd, dat [de gedaagde in conventie] in verzuim verkeert en dat [de eiser in conventie] daarom bevoegd is het werk op kosten van [de gedaagde in conventie] te laten herstellen en af te maken of over te gaan tot ontbinding van de overeenkomst. In de brief staat ook dat [de eiser in conventie] van de aanneemsom van € 74.871,54 reeds een bedrag van € 43.051,50 heeft voldaan en dat de deskundige het door [de gedaagde in conventie] deugdelijk uitgevoerde schilderwerk heeft geraamd op € 8.650,00. Volgens [de eiser in conventie] heeft hij [de gedaagde in conventie] daarom een bedrag van € 34.401,50 (€ 43.051,50 -/- € 8.650,00) teveel betaald. De rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] heeft [de gedaagde in conventie] gesommeerd dit bedrag te betalen, en ook de kosten voor het onderzoek van ZNEB. 2.25. Op 30 september 2024 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] geschreven dat reeds een omzettingsverklaring in de zin van artikel 6:87 BW is gestuurd, zodat [de eiser in conventie] nu vervangende schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. In de brief staat verder dat de vervangende schadevergoeding eerder niet juist is berekend en € 74.047,26 bedraagt. [de gedaagde in conventie] is opnieuw gesommeerd dit bedrag en de kosten van het onderzoek van ZNEB te betalen. 2.26. Op 28 oktober 2023 heeft de advocaat van [de gedaagde in conventie] de rechtsbijstandsverzekeraar van [de eiser in conventie] per brief bericht dat [de gedaagde in conventie] niet tot betaling zal overgaan. 3. Het geschil in conventie 3.1. [de eiser in conventie] vordert dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair / (meer) subsidiair 1. [de gedaagde in conventie] vanwege het tekortschieten in de correcte nakoming van de overeenkomst veroordeelt tot betaling aan [de eiser in conventie] van een bedrag van € 74.047,26, vermeerderd met wettelijke rente, Subsidiair 2.
Volledig
de overeenkomst partieel ontbindt wegens het (gedeeltelijk) niet uitvoeren van de overeenkomst (met betrekking tot het buitenschilderwerk) en [de gedaagde in conventie] veroordeelt tot betaling van € 57.617,26, vermeerderd met wettelijke rente, Zowel primair als (meer) subsidiair 3. [de gedaagde in conventie] veroordeelt tot betaling aan [de eiser in conventie] van de buitengerechtelijke kosten van € 1.515,47, 4. [de gedaagde in conventie] veroordeelt tot betaling aan [de eiser in conventie] van de kosten van het deskundigenonderzoek van € 2.264,38, 5. [de gedaagde in conventie] veroordeelt in de proceskosten, inclusief nakosten, vermeerderd met wettelijke rente. 3.2. Aan zijn vorderingen legt [de eiser in conventie] het volgende ten grondslag. [de gedaagde in conventie] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst. Volgens [de eiser in conventie] bestaat de tekortkoming van [de gedaagde in conventie] daaruit dat zij het overeengekomen buitenschilderwerk niet heeft uitgevoerd en het binnenschilderwerk gedeeltelijk niet heeft uitgevoerd en dat het wel door haar uitgevoerde binnenschilderwerk gebreken bevat. Ook is [de gedaagde in conventie] in verzuim geraakt. Ten aanzien van de gebreken in het uitgevoerde binnenschilderwerk heeft [de eiser in conventie] zijn vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Deze schade van [de eiser in conventie] komt neer op het onder 1 gevorderde bedrag van € 74.047,26. Ten aanzien van het niet uitgevoerde buitenschilderwerk moet de overeenkomst buitengerechtelijk worden ontbonden. Door de (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst ontstaan ongedaanmakingsverbintenissen. Op basis daarvan moet [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] een bedrag van € 57.617,26 betalen (vordering onder 2). [de eiser in conventie] heeft verder kosten moeten maken om (de oorzaak van) de gebreken en de omvang van zijn schade door een expert vast te laten stellen en om zijn vordering te innen. Die kosten bedragen respectievelijk € 2.264,38 (vordering onder 4) en € 1.515,47 (vordering onder 3). [de gedaagde in conventie] dient die kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 BW aan [de eiser in conventie] te vergoeden. 3.3. [de gedaagde in conventie] voert verweer. Ten aanzien van de gestelde gebreken in het uitgevoerde binnenschilderwerk betwist [de gedaagde in conventie] dat die gebreken door haar zijn veroorzaakt. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat [de gedaagde in conventie] de gestelde gebreken wel heeft veroorzaakt, stelt [de gedaagde in conventie] zich op het standpunt dat zij het uitgevoerde binnenschilderwerk reeds in februari 2022 heeft opgeleverd en dat [de eiser in conventie] toen niet over gebreken heeft geklaagd, zodat zij voor die gebreken ontslagen is van aansprakelijkheid. Verder beroept [de gedaagde in conventie] zich op de klachtplicht van artikel 6:89 BW en het vervalbeding dat in artikel 12 van de toepasselijke algemene voorwaarden is opgenomen. Ten aanzien van het niet uitgevoerde buitenschilderwerk voert [de gedaagde in conventie] aan dat [de eiser in conventie] nakoming van de overeenkomst door haar heeft verhinderd. Volgens [de gedaagde in conventie] is [de eiser in conventie] als gevolg hiervan zelf in verzuim geraakt, zodat de rechtbank de overeenkomst ook niet op verzoek van [de eiser in conventie] kan ontbinden. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.5. [de gedaagde in conventie] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [de eiser in conventie] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 5.409,40, vermeerderd met wettelijke rente. 3.6. Aan deze vordering legt zij het volgende ten grondslag. [de eiser in conventie] is tekortgeschoten en in verzuim geraakt, omdat hij nakoming van de overeenkomst door [de gedaagde in conventie] heeft verhinderd. [de gedaagde in conventie] heeft de overeenkomst met [de eiser in conventie] buitengerechtelijk ontbonden. Als gevolg van de ontbinding heeft [de gedaagde in conventie] schade geleden, bestaande uit misgelopen omzet. Uitgaande van een redelijke winstmarge van 17%, afgezet tegen het deel van de aanneemsom van € 31.820,00 dat [de eiser in conventie] nog niet heeft betaald, bedraagt de misgelopen omzet € 5.409,40. [de eiser in conventie] de misgelopen omzet te vergoeden grond van artikel 6:277 BW. 3.7. [de eiser in conventie] voert verweer. Hij betwist dat hij nakoming van de overeenkomst door [de gedaagde in conventie] heeft verhinderd. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4. De beoordeling in conventie Vervangende schadevergoeding 4.1. Voor het ontstaan van een recht op vervangende schadevergoeding is in beginsel vereist dat [de gedaagde in conventie] ten aanzien van de gestelde gebreken in het uitgevoerde binnenschilderwerk in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst is tekortgeschoten en in verzuim is geraakt (6:87 BW). De rechtbank zal hierna beoordelen of aan deze vereisten is voldaan. 4.2. [de eiser in conventie] stelt dat het door [de gedaagde in conventie] uitgevoerde binnenschilderwerk gebreken bevat. Ter onderbouwing van deze gebreken heeft hij verwezen naar het rapport van ZNEB. Niet gesteld of gebleken is dat herstel door [de gedaagde in conventie] met betrekking tot de gestelde gebreken blijvend of tijdelijk onmogelijk was. Daarom moet worden beoordeeld of [de gedaagde in conventie] met betrekking tot de gestelde gebreken in verzuim is geraakt (artikel 6:81 BW). Het verzuim van [de gedaagde in conventie] treedt in beginsel pas in wanneer [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] schriftelijk in gebreke heeft gesteld, waarbij [de gedaagde in conventie] een redelijke termijn voor nakoming is gesteld en correcte nakoming binnen die termijn is uitgebleven (artikel 6:82 BW). Onder bepaalde omstandigheden kan het verzuim ook zonder ingebrekestelling intreden (artikel 6:83 BW). 4.3. [de eiser in conventie] stelt in dit kader dat hij [de gedaagde in conventie] herhaaldelijk in gebreke heeft gesteld en dat [de gedaagde in conventie] aan die ingebrekestellingen geen gehoor heeft gegeven, zodat hij ten aanzien van de gestelde gebreken in verzuim is geraakt. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [de eiser in conventie] verwezen naar de brieven die hij [de gedaagde in conventie] op 22 juni 2023 en op 8 augustus 2023 (zie hiervoor onder 2.11. en 2.13.) heeft gestuurd. Ter zitting heeft hij verder nog verwezen naar een WhatsAppbericht met foto’s dat hij [de gedaagde in conventie] in februari 2022 zou hebben gestuurd, maar dat niet op de voet van art. 85 lid 1 Rv als productie in het geding is gebracht. Volgens [de eiser in conventie] heeft hij [de gedaagde in conventie] toen foto’s gestuurd van dingen die niet goed waren in het binnenschilderwerk dat [de gedaagde in conventie] al had uitgevoerd en heeft hij daarbij aan [de gedaagde in conventie] meegedeeld dat hij hoopt dat [de gedaagde in conventie] ‘het allemaal netjes krijgt’. 4.4. Naar het oordeel van de rechtbank kan zowel de brief van [de eiser in conventie] van 22 juni 2023 als de brief van zijn rechtsbijstandsverzekeraar van 8 augustus 2023 met betrekking tot de gestelde gebreken niet als een ingebrekestelling worden aangemerkt. In die brieven spreekt [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] namelijk alleen aan op onuitgevoerd werk en niet op gebreken in het werk dat op dat moment al door [de gedaagde in conventie] was uitgevoerd. Ook wordt [de gedaagde in conventie] alleen de gelegenheid geboden om de overeenkomst binnen een redelijke termijn (alsnog) na te komen door het werk af te maken. De rechtbank volgt [de eiser in conventie] niet in de door hem ter zitting ingenomen stelling dat met ‘afmaken van het werk’ ook ‘corrigeren van gebreken’ zou zijn bedoeld. Uit de inhoud van de brieven valt dit immers niet af te leiden, zodat [de gedaagde in conventie] dit redelijkerwijs ook niet zo heeft kunnen (en hoeven) begrijpen. 4.5.
Volledig
de overeenkomst partieel ontbindt wegens het (gedeeltelijk) niet uitvoeren van de overeenkomst (met betrekking tot het buitenschilderwerk) en [de gedaagde in conventie] veroordeelt tot betaling van € 57.617,26, vermeerderd met wettelijke rente, Zowel primair als (meer) subsidiair 3. [de gedaagde in conventie] veroordeelt tot betaling aan [de eiser in conventie] van de buitengerechtelijke kosten van € 1.515,47, 4. [de gedaagde in conventie] veroordeelt tot betaling aan [de eiser in conventie] van de kosten van het deskundigenonderzoek van € 2.264,38, 5. [de gedaagde in conventie] veroordeelt in de proceskosten, inclusief nakosten, vermeerderd met wettelijke rente. 3.2. Aan zijn vorderingen legt [de eiser in conventie] het volgende ten grondslag. [de gedaagde in conventie] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst. Volgens [de eiser in conventie] bestaat de tekortkoming van [de gedaagde in conventie] daaruit dat zij het overeengekomen buitenschilderwerk niet heeft uitgevoerd en het binnenschilderwerk gedeeltelijk niet heeft uitgevoerd en dat het wel door haar uitgevoerde binnenschilderwerk gebreken bevat. Ook is [de gedaagde in conventie] in verzuim geraakt. Ten aanzien van de gebreken in het uitgevoerde binnenschilderwerk heeft [de eiser in conventie] zijn vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Deze schade van [de eiser in conventie] komt neer op het onder 1 gevorderde bedrag van € 74.047,26. Ten aanzien van het niet uitgevoerde buitenschilderwerk moet de overeenkomst buitengerechtelijk worden ontbonden. Door de (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst ontstaan ongedaanmakingsverbintenissen. Op basis daarvan moet [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] een bedrag van € 57.617,26 betalen (vordering onder 2). [de eiser in conventie] heeft verder kosten moeten maken om (de oorzaak van) de gebreken en de omvang van zijn schade door een expert vast te laten stellen en om zijn vordering te innen. Die kosten bedragen respectievelijk € 2.264,38 (vordering onder 4) en € 1.515,47 (vordering onder 3). [de gedaagde in conventie] dient die kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 BW aan [de eiser in conventie] te vergoeden. 3.3. [de gedaagde in conventie] voert verweer. Ten aanzien van de gestelde gebreken in het uitgevoerde binnenschilderwerk betwist [de gedaagde in conventie] dat die gebreken door haar zijn veroorzaakt. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat [de gedaagde in conventie] de gestelde gebreken wel heeft veroorzaakt, stelt [de gedaagde in conventie] zich op het standpunt dat zij het uitgevoerde binnenschilderwerk reeds in februari 2022 heeft opgeleverd en dat [de eiser in conventie] toen niet over gebreken heeft geklaagd, zodat zij voor die gebreken ontslagen is van aansprakelijkheid. Verder beroept [de gedaagde in conventie] zich op de klachtplicht van artikel 6:89 BW en het vervalbeding dat in artikel 12 van de toepasselijke algemene voorwaarden is opgenomen. Ten aanzien van het niet uitgevoerde buitenschilderwerk voert [de gedaagde in conventie] aan dat [de eiser in conventie] nakoming van de overeenkomst door haar heeft verhinderd. Volgens [de gedaagde in conventie] is [de eiser in conventie] als gevolg hiervan zelf in verzuim geraakt, zodat de rechtbank de overeenkomst ook niet op verzoek van [de eiser in conventie] kan ontbinden. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.5. [de gedaagde in conventie] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [de eiser in conventie] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 5.409,40, vermeerderd met wettelijke rente. 3.6. Aan deze vordering legt zij het volgende ten grondslag. [de eiser in conventie] is tekortgeschoten en in verzuim geraakt, omdat hij nakoming van de overeenkomst door [de gedaagde in conventie] heeft verhinderd. [de gedaagde in conventie] heeft de overeenkomst met [de eiser in conventie] buitengerechtelijk ontbonden. Als gevolg van de ontbinding heeft [de gedaagde in conventie] schade geleden, bestaande uit misgelopen omzet. Uitgaande van een redelijke winstmarge van 17%, afgezet tegen het deel van de aanneemsom van € 31.820,00 dat [de eiser in conventie] nog niet heeft betaald, bedraagt de misgelopen omzet € 5.409,40. [de eiser in conventie] de misgelopen omzet te vergoeden grond van artikel 6:277 BW. 3.7. [de eiser in conventie] voert verweer. Hij betwist dat hij nakoming van de overeenkomst door [de gedaagde in conventie] heeft verhinderd. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4. De beoordeling in conventie Vervangende schadevergoeding 4.1. Voor het ontstaan van een recht op vervangende schadevergoeding is in beginsel vereist dat [de gedaagde in conventie] ten aanzien van de gestelde gebreken in het uitgevoerde binnenschilderwerk in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst is tekortgeschoten en in verzuim is geraakt (6:87 BW). De rechtbank zal hierna beoordelen of aan deze vereisten is voldaan. 4.2. [de eiser in conventie] stelt dat het door [de gedaagde in conventie] uitgevoerde binnenschilderwerk gebreken bevat. Ter onderbouwing van deze gebreken heeft hij verwezen naar het rapport van ZNEB. Niet gesteld of gebleken is dat herstel door [de gedaagde in conventie] met betrekking tot de gestelde gebreken blijvend of tijdelijk onmogelijk was. Daarom moet worden beoordeeld of [de gedaagde in conventie] met betrekking tot de gestelde gebreken in verzuim is geraakt (artikel 6:81 BW). Het verzuim van [de gedaagde in conventie] treedt in beginsel pas in wanneer [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] schriftelijk in gebreke heeft gesteld, waarbij [de gedaagde in conventie] een redelijke termijn voor nakoming is gesteld en correcte nakoming binnen die termijn is uitgebleven (artikel 6:82 BW). Onder bepaalde omstandigheden kan het verzuim ook zonder ingebrekestelling intreden (artikel 6:83 BW). 4.3. [de eiser in conventie] stelt in dit kader dat hij [de gedaagde in conventie] herhaaldelijk in gebreke heeft gesteld en dat [de gedaagde in conventie] aan die ingebrekestellingen geen gehoor heeft gegeven, zodat hij ten aanzien van de gestelde gebreken in verzuim is geraakt. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [de eiser in conventie] verwezen naar de brieven die hij [de gedaagde in conventie] op 22 juni 2023 en op 8 augustus 2023 (zie hiervoor onder 2.11. en 2.13.) heeft gestuurd. Ter zitting heeft hij verder nog verwezen naar een WhatsAppbericht met foto’s dat hij [de gedaagde in conventie] in februari 2022 zou hebben gestuurd, maar dat niet op de voet van art. 85 lid 1 Rv als productie in het geding is gebracht. Volgens [de eiser in conventie] heeft hij [de gedaagde in conventie] toen foto’s gestuurd van dingen die niet goed waren in het binnenschilderwerk dat [de gedaagde in conventie] al had uitgevoerd en heeft hij daarbij aan [de gedaagde in conventie] meegedeeld dat hij hoopt dat [de gedaagde in conventie] ‘het allemaal netjes krijgt’. 4.4. Naar het oordeel van de rechtbank kan zowel de brief van [de eiser in conventie] van 22 juni 2023 als de brief van zijn rechtsbijstandsverzekeraar van 8 augustus 2023 met betrekking tot de gestelde gebreken niet als een ingebrekestelling worden aangemerkt. In die brieven spreekt [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] namelijk alleen aan op onuitgevoerd werk en niet op gebreken in het werk dat op dat moment al door [de gedaagde in conventie] was uitgevoerd. Ook wordt [de gedaagde in conventie] alleen de gelegenheid geboden om de overeenkomst binnen een redelijke termijn (alsnog) na te komen door het werk af te maken. De rechtbank volgt [de eiser in conventie] niet in de door hem ter zitting ingenomen stelling dat met ‘afmaken van het werk’ ook ‘corrigeren van gebreken’ zou zijn bedoeld. Uit de inhoud van de brieven valt dit immers niet af te leiden, zodat [de gedaagde in conventie] dit redelijkerwijs ook niet zo heeft kunnen (en hoeven) begrijpen. 4.5.
Volledig
Het WhatsAppbericht met foto’s dat [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] in februari 2022 stelt te hebben gestuurd, is niet in het geding gebracht en kan dus niet in de beoordeling worden betrokken. Ten overvloede merkt de rechtbank niettemin op dat, voor zover dat bericht daadwerkelijk is verzonden (hetgeen [de gedaagde in conventie] betwist), het, zoals het ter zitting door [de eiser in conventie] is weergegeven, geen termijn voor nakoming stelt maar alleen de hoop uitspreekt dat [de gedaagde in conventie] ‘het allemaal netjes krijgt’. Ook dat bericht zou dus niet als een ingebrekestelling kunnen worden aangemerkt. 4.6. [de eiser in conventie] heeft verder geen correspondentie overgelegd die met betrekking tot de gestelde gebreken als een ingebrekestelling zou kunnen worden aangemerkt. In de brief van de rechtsbijstandsverzekeraar van 20 maart 2024 wordt voor het eerst gerept van gebreken aan het binnenschilderwerk, en ook daar wordt [de gedaagde in conventie] te dier zake niet in gebreke gesteld. Zij wordt alleen aansprakelijk gesteld voor de door haar veroorzaakte schade. De brief van 20 maart 2024 heeft verder, zoals de daaraan voorafgaande correspondentie, betrekking op het deel van het werk dat nog niet was uitgevoerd. In deze procedure moet er dan ook van worden uitgegaan dat [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] voor de gestelde gebreken geen schriftelijke ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:82 BW heeft gestuurd. Aangezien [de eiser in conventie] ook overigens geen feiten heeft aangedragen waaruit kan volgen dat [de gedaagde in conventie] met betrekking tot de gestelde gebreken in het uitgevoerde binnenschilderwerk in verzuim is geraakt, moet worden geconcludeerd dat [de gedaagde in conventie] ten aanzien van die gebreken niet in verzuim is komen te verkeren. Omdat het ontbreken van verzuim al in de weg staat aan toewijzing van de vordering van [de eiser in conventie] tot betaling van € 74.047,26, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de gebreken zich daadwerkelijk hebben voorgedaan en of de gebreken door [de gedaagde in conventie] zijn veroorzaakt. Voor zover er al gebreken waren, heeft [de gedaagde in conventie] immers geen behoorlijke kans gekregen om die gebreken te verhelpen. Op grond van het voorgaande zal de vordering van [de eiser in conventie] tot betaling van € 74.047,26 (vordering onder 1) worden afgewezen. De overige verweren die [de gedaagde in conventie] met betrekking tot de gestelde gebreken in het binnenschilderwerk heeft gevoerd, kunnen daarmee als niet meer ter zake doende onbesproken blijven. 4.7. [de eiser in conventie] vordert de betaling van het bedrag van € 74.047,26 volgens randnummer 39 van de inleidende dagvaarding deels voor niet uitgevoerd werk. Gelet op de brief van 30 september 2024 moet worden aangenomen dat het ook daarbij gaat om vervangende schadevergoeding. Ter zitting is echter namens [de eiser in conventie] verklaard dat het bedrag van € 74.047,26 de gebreken aan het uitgevoerde werk betreft, en op het veertiende (ongenummerde) blad van de dagvaarding wordt vermeld dat [de eiser in conventie] , voor zover het werk ondeugdelijk is uitgevoerd, de op [de gedaagde in conventie] rustende verbintenis tot herstel heeft omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. Verder wordt op de laatstgenoemde plaats in de dagvaarding vermeld dat [de eiser in conventie] de overeenkomst heeft ontbonden voor zover het werk niet is uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dat alles dat [de eiser in conventie] voor zover het werk niet is uitgevoerd, geen (vervangende) schadevergoeding vordert. Ter zitting is namens [de eiser in conventie] op vragen van de rechtbank geantwoord dat geen buitengerechtelijke ontbinding heeft plaatsgevonden en de (hierna te bespreken) subsidiaire vordering tot ontbinding heeft uitdrukkelijk alleen betrekking op het buitenschilderwerk. Dat betekent dat [de eiser in conventie] ter zake van het niet uitgevoerde binnenschilderwerk geen schadevergoeding vordert (noch ontbinding met ongedaanmaking van hetgeen hij te dier zake reeds heeft betaald). Ook in zoverre kan zijn vordering tot betaling van € 74.047,26 dus niet worden toegewezen. Indien [de eiser in conventie] met de aanduiding ‘(meer) subsidiair’ nog andere grondslagen voor deze vordering heeft beoogd, heeft hij die grondslagen niet toegelicht, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Ontbinding 4.8. Onder 2 vordert [de eiser in conventie] dat de rechtbank de overeenkomst tussen partijen gedeeltelijk ontbindt met betrekking tot het niet uitgevoerde buitenschilderwerk. In het lichaam van de dagvaarding heeft [de eiser in conventie] zich echter op het standpunt gesteld dat hij de overeenkomst met [de gedaagde in conventie] buitengerechtelijk heeft ontbonden ten aanzien van al het niet uitgevoerde werk (het niet uitgevoerde buitenschilderwerk en het niet uitgevoerde binnenschilderwerk). De rechtbank heeft [de eiser in conventie] daarom ter zitting gevraagd op welk gedeelte van de overeenkomst de ontbinding betrekking heeft en of die ontbinding volgens hem reeds buitengerechtelijk heeft plaatsgevonden of nog door de rechtbank moet worden uitgesproken. Daarop heeft [de eiser in conventie] geantwoord dat de ontbinding alleen ziet op het niet uitgevoerde buitenschilderwerk en dat hij vordert dat de rechtbank dat gedeelte van de overeenkomst ontbindt. 4.9. Voor het ontstaan van een recht op (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst met betrekking tot het niet uitgevoerde buitenschilderwerk is vereist dat [de gedaagde in conventie] ten aanzien van dat deel van de overeenkomst is tekortgeschoten en in verzuim is geraakt (artikel 6:265 BW). 4.10. Partijen zijn het erover eens dat [de gedaagde in conventie] het overeengekomen buitenschilderwerk niet heeft uitgevoerd. Daarmee staat vast dat [de gedaagde in conventie] is tekortgeschoten in de nakoming van dat gedeelte van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Niet gesteld of gebleken is dat het blijvend of tijdelijk onmogelijk was het niet uitgevoerde buitenschilderwerk alsnog uit te voeren. Dat betekent dat ook met betrekking tot het niet uitgevoerde werk moet worden beoordeeld of [de gedaagde in conventie] in verzuim is geraakt (artikel 6:81 BW). 4.11. Zoals hiervoor onder 4.4. is overwogen heeft [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] zowel op 22 juni 2023 als op 8 augustus 2023 een brief gestuurd waarin hij [de gedaagde in conventie] erop heeft aangesproken dat (onder meer) het overeengekomen buitenschilderwerk nog niet is uitgevoerd en haar een termijn gegund dat werk alsnog af te maken. Daarmee kwalificeren die brieven ten aanzien van het niet uitgevoerde buitenschilderwerk wel als ingebrekestelling in de zin van artikel 6:81 BW. [de gedaagde in conventie] betwist niet dat zij daarna geen werkzaamheden meer heeft uitgevoerd. Ook betwist zij niet dat de termijnen die [de eiser in conventie] heeft gesteld voor het afmaken van het werk (op zich) redelijk waren, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Het voorgaande betekent dat [de gedaagde in conventie] door de ingebrekestellingen van 22 juni 2023 en 8 augustus 2023 van [de eiser in conventie] in beginsel in verzuim is komen te verkeren ten aanzien van het niet uitgevoerde buitenschilderwerk. 4.12. [de gedaagde in conventie] meent echter dat zij door de ingebrekestellingen van [de eiser in conventie] niet in verzuim is geraakt, omdat [de eiser in conventie] nakoming van de overeenkomst door haar heeft verhinderd. Daartoe voert [de gedaagde in conventie] aan dat [de eiser in conventie] gelijktijdig allerlei verbouwingswerkzaamheden door verschillende aannemers heeft laten plaatsvinden en dat zij haar werkzaamheden daardoor niet, althans niet goed en deugdelijk, kon afmaken. 4.13. [de eiser in conventie] heeft hier tijdens de mondelinge behandeling tegenin gebracht dat de verbouwing in juni 2023 (en dus reeds ten tijde van het versturen van de ingebrekestellingen) zo goed als gereed was, dat meerdere vertrekken in de woning op dat moment volledig ter beschikking van [de gedaagde in conventie] stonden en dat alles toen ook schoon en stofvrij was.
Volledig
Het WhatsAppbericht met foto’s dat [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] in februari 2022 stelt te hebben gestuurd, is niet in het geding gebracht en kan dus niet in de beoordeling worden betrokken. Ten overvloede merkt de rechtbank niettemin op dat, voor zover dat bericht daadwerkelijk is verzonden (hetgeen [de gedaagde in conventie] betwist), het, zoals het ter zitting door [de eiser in conventie] is weergegeven, geen termijn voor nakoming stelt maar alleen de hoop uitspreekt dat [de gedaagde in conventie] ‘het allemaal netjes krijgt’. Ook dat bericht zou dus niet als een ingebrekestelling kunnen worden aangemerkt. 4.6. [de eiser in conventie] heeft verder geen correspondentie overgelegd die met betrekking tot de gestelde gebreken als een ingebrekestelling zou kunnen worden aangemerkt. In de brief van de rechtsbijstandsverzekeraar van 20 maart 2024 wordt voor het eerst gerept van gebreken aan het binnenschilderwerk, en ook daar wordt [de gedaagde in conventie] te dier zake niet in gebreke gesteld. Zij wordt alleen aansprakelijk gesteld voor de door haar veroorzaakte schade. De brief van 20 maart 2024 heeft verder, zoals de daaraan voorafgaande correspondentie, betrekking op het deel van het werk dat nog niet was uitgevoerd. In deze procedure moet er dan ook van worden uitgegaan dat [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] voor de gestelde gebreken geen schriftelijke ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:82 BW heeft gestuurd. Aangezien [de eiser in conventie] ook overigens geen feiten heeft aangedragen waaruit kan volgen dat [de gedaagde in conventie] met betrekking tot de gestelde gebreken in het uitgevoerde binnenschilderwerk in verzuim is geraakt, moet worden geconcludeerd dat [de gedaagde in conventie] ten aanzien van die gebreken niet in verzuim is komen te verkeren. Omdat het ontbreken van verzuim al in de weg staat aan toewijzing van de vordering van [de eiser in conventie] tot betaling van € 74.047,26, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de gebreken zich daadwerkelijk hebben voorgedaan en of de gebreken door [de gedaagde in conventie] zijn veroorzaakt. Voor zover er al gebreken waren, heeft [de gedaagde in conventie] immers geen behoorlijke kans gekregen om die gebreken te verhelpen. Op grond van het voorgaande zal de vordering van [de eiser in conventie] tot betaling van € 74.047,26 (vordering onder 1) worden afgewezen. De overige verweren die [de gedaagde in conventie] met betrekking tot de gestelde gebreken in het binnenschilderwerk heeft gevoerd, kunnen daarmee als niet meer ter zake doende onbesproken blijven. 4.7. [de eiser in conventie] vordert de betaling van het bedrag van € 74.047,26 volgens randnummer 39 van de inleidende dagvaarding deels voor niet uitgevoerd werk. Gelet op de brief van 30 september 2024 moet worden aangenomen dat het ook daarbij gaat om vervangende schadevergoeding. Ter zitting is echter namens [de eiser in conventie] verklaard dat het bedrag van € 74.047,26 de gebreken aan het uitgevoerde werk betreft, en op het veertiende (ongenummerde) blad van de dagvaarding wordt vermeld dat [de eiser in conventie] , voor zover het werk ondeugdelijk is uitgevoerd, de op [de gedaagde in conventie] rustende verbintenis tot herstel heeft omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. Verder wordt op de laatstgenoemde plaats in de dagvaarding vermeld dat [de eiser in conventie] de overeenkomst heeft ontbonden voor zover het werk niet is uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dat alles dat [de eiser in conventie] voor zover het werk niet is uitgevoerd, geen (vervangende) schadevergoeding vordert. Ter zitting is namens [de eiser in conventie] op vragen van de rechtbank geantwoord dat geen buitengerechtelijke ontbinding heeft plaatsgevonden en de (hierna te bespreken) subsidiaire vordering tot ontbinding heeft uitdrukkelijk alleen betrekking op het buitenschilderwerk. Dat betekent dat [de eiser in conventie] ter zake van het niet uitgevoerde binnenschilderwerk geen schadevergoeding vordert (noch ontbinding met ongedaanmaking van hetgeen hij te dier zake reeds heeft betaald). Ook in zoverre kan zijn vordering tot betaling van € 74.047,26 dus niet worden toegewezen. Indien [de eiser in conventie] met de aanduiding ‘(meer) subsidiair’ nog andere grondslagen voor deze vordering heeft beoogd, heeft hij die grondslagen niet toegelicht, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Ontbinding 4.8. Onder 2 vordert [de eiser in conventie] dat de rechtbank de overeenkomst tussen partijen gedeeltelijk ontbindt met betrekking tot het niet uitgevoerde buitenschilderwerk. In het lichaam van de dagvaarding heeft [de eiser in conventie] zich echter op het standpunt gesteld dat hij de overeenkomst met [de gedaagde in conventie] buitengerechtelijk heeft ontbonden ten aanzien van al het niet uitgevoerde werk (het niet uitgevoerde buitenschilderwerk en het niet uitgevoerde binnenschilderwerk). De rechtbank heeft [de eiser in conventie] daarom ter zitting gevraagd op welk gedeelte van de overeenkomst de ontbinding betrekking heeft en of die ontbinding volgens hem reeds buitengerechtelijk heeft plaatsgevonden of nog door de rechtbank moet worden uitgesproken. Daarop heeft [de eiser in conventie] geantwoord dat de ontbinding alleen ziet op het niet uitgevoerde buitenschilderwerk en dat hij vordert dat de rechtbank dat gedeelte van de overeenkomst ontbindt. 4.9. Voor het ontstaan van een recht op (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst met betrekking tot het niet uitgevoerde buitenschilderwerk is vereist dat [de gedaagde in conventie] ten aanzien van dat deel van de overeenkomst is tekortgeschoten en in verzuim is geraakt (artikel 6:265 BW). 4.10. Partijen zijn het erover eens dat [de gedaagde in conventie] het overeengekomen buitenschilderwerk niet heeft uitgevoerd. Daarmee staat vast dat [de gedaagde in conventie] is tekortgeschoten in de nakoming van dat gedeelte van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Niet gesteld of gebleken is dat het blijvend of tijdelijk onmogelijk was het niet uitgevoerde buitenschilderwerk alsnog uit te voeren. Dat betekent dat ook met betrekking tot het niet uitgevoerde werk moet worden beoordeeld of [de gedaagde in conventie] in verzuim is geraakt (artikel 6:81 BW). 4.11. Zoals hiervoor onder 4.4. is overwogen heeft [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] zowel op 22 juni 2023 als op 8 augustus 2023 een brief gestuurd waarin hij [de gedaagde in conventie] erop heeft aangesproken dat (onder meer) het overeengekomen buitenschilderwerk nog niet is uitgevoerd en haar een termijn gegund dat werk alsnog af te maken. Daarmee kwalificeren die brieven ten aanzien van het niet uitgevoerde buitenschilderwerk wel als ingebrekestelling in de zin van artikel 6:81 BW. [de gedaagde in conventie] betwist niet dat zij daarna geen werkzaamheden meer heeft uitgevoerd. Ook betwist zij niet dat de termijnen die [de eiser in conventie] heeft gesteld voor het afmaken van het werk (op zich) redelijk waren, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Het voorgaande betekent dat [de gedaagde in conventie] door de ingebrekestellingen van 22 juni 2023 en 8 augustus 2023 van [de eiser in conventie] in beginsel in verzuim is komen te verkeren ten aanzien van het niet uitgevoerde buitenschilderwerk. 4.12. [de gedaagde in conventie] meent echter dat zij door de ingebrekestellingen van [de eiser in conventie] niet in verzuim is geraakt, omdat [de eiser in conventie] nakoming van de overeenkomst door haar heeft verhinderd. Daartoe voert [de gedaagde in conventie] aan dat [de eiser in conventie] gelijktijdig allerlei verbouwingswerkzaamheden door verschillende aannemers heeft laten plaatsvinden en dat zij haar werkzaamheden daardoor niet, althans niet goed en deugdelijk, kon afmaken. 4.13. [de eiser in conventie] heeft hier tijdens de mondelinge behandeling tegenin gebracht dat de verbouwing in juni 2023 (en dus reeds ten tijde van het versturen van de ingebrekestellingen) zo goed als gereed was, dat meerdere vertrekken in de woning op dat moment volledig ter beschikking van [de gedaagde in conventie] stonden en dat alles toen ook schoon en stofvrij was.
Volledig
Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van [de gedaagde in conventie] gelegen om nader toe te lichten en te onderbouwen dat, en zo ja waarom, het voor haar desondanks niet mogelijk was haar werkzaamheden (goed en deugdelijk) af te ronden op het moment dat [de eiser in conventie] haar daartoe in gebreke stelde. Dat heeft [de gedaagde in conventie] niet gedaan. Het verweer van [de gedaagde in conventie] zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden verworpen. 4.14. [de gedaagde in conventie] voert verder aan dat zij niet in verzuim is geraakt, omdat zij [de eiser in conventie] in haar brieven van 9 augustus 2023, 21 augustus 2023, 5 september 2023 en 15 september 2023 telkens expliciet heeft aangeboden het niet uitgevoerde werk alsnog uit te voeren. Aan dat aanbod was weliswaar de voorwaarde verbonden dat prijswijzigingen zouden worden doorgevoerd in verband met gestegen kosten en dat daartoe eerst een aanvullende offerte zou worden opgesteld, maar die voorwaarde was in de gegeven omstandigheden redelijk. Bovendien staat artikel 4 van de algemene voorwaarden dat [de gedaagde in conventie] gerechtigd is extra kosten door te voeren. [de eiser in conventie] had dan ook met die voorwaarde moeten instemmen. Dat heeft hij echter niet gedaan en daarom is hij zelf in verzuim komen te verkeren, aldus steeds [de gedaagde in conventie] . 4.15. Op grond van artikel 4 van de toepasselijke algemene voorwaarden kan de overeengekomen prijs worden aangepast ingeval van kostenverhogende omstandigheden die [de gedaagde in conventie] niet heeft verdisconteerd bij de bepaling van de prijs. Bij de toepassing van deze bepaling geldt als aanvullende voorwaarde dat [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] zo spoedig mogelijk waarschuwt voor de noodzaak van een prijsverhoging. Die waarschuwing dient naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet te zijn: het is aan [de gedaagde in conventie] als aannemer om de kostenverhogende omstandigheden met [de eiser in conventie] te bespreken en de financiële consequenties daarvan inzichtelijk te maken. [de eiser in conventie] heeft tijdens de zitting aangevoerd dat hij [de gedaagde in conventie] heeft gevraagd inzicht te geven in de omvang van de concreet te verwachten extra kosten, maar dat [de gedaagde in conventie] dat niet heeft gedaan. Dit heeft [de gedaagde in conventie] niet weersproken, en het is ook in overeenstemming met haar e-mail van 5 september 2023. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] , ondanks zijn verzoek daartoe, niet concreet in kennis heeft gesteld van de extra kosten. Bij die stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat [de eiser in conventie] in verzuim (of in schuldeisersverzuim) is komen te verkeren door niet met de door [de gedaagde in conventie] gestelde voorwaarde in te stemmen. 4.16. Omdat de verweren van [de gedaagde in conventie] niet slagen, komt de rechtbank tot de conclusie dat [de gedaagde in conventie] door de ingebrekestellingen van [de eiser in conventie] met betrekking tot het niet uitgevoerde werk in verzuim is geraakt. 4.17. Aangezien [de gedaagde in conventie] ten aanzien van het niet uitgevoerde werk is tekortgeschoten en in verzuim is geraakt is aan de vereisten voor ontbinding voldaan. De rechtbank zal de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst met betrekking tot het niet uitgevoerde buitenschilderwerk dan ook uitspreken. De vordering van [de eiser in conventie] onder 2 zal in zoverre worden toegewezen. Ongedaanmakingsverbintenissen 4.18. Door de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst is de overeenkomst tussen partijen ten aanzien van het niet uitgevoerde buitenschilderwerk teniet gegaan. Het overige gedeelte van de overeenkomst (dat het binnenschilderwerk betreft) blijft in stand. Wanneer partijen vóór de gedeeltelijke ontbinding meer hebben gepresteerd dan waartoe zij na de gedeeltelijke ontbinding gehouden zijn, ontstaan er voor het teveel gepresteerde ongedaanmakingsverbintenissen (artikel 6:271 BW). 4.19. [de eiser in conventie] stelt dat hij teveel heeft gepresteerd, zodat er voor [de gedaagde in conventie] een verbintenis tot ongedaanmaking is ontstaan tot (terug)betaling van een bedrag van € 57.617,26 (vordering onder 2). Dit bedrag heeft [de eiser in conventie] in de dagvaarding niet toegelicht. Uit het verhandelde ter zitting begrijpt de rechtbank dat het bedrag van € 57.617,26 is gebaseerd op de schadevaststelling/-raming van ZNEB (zie hiervoor onder 2.23.). Uit die schadevaststelling/-raming maakt de rechtbank op dat het gevorderde bedrag van € 57.617,26 zowel ziet op niet uitgevoerd buitenschilderwerk (€ 31.727,26) als op niet uitgevoerd binnenschilderwerk (€ 25.890,00). De rechtbank overweegt hierover als volgt. 4.20. Bij gedeeltelijke ontbinding van een overeenkomst ziet de verbintenis tot ongedaanmaking uitsluitend op dat deel van de prestatie dat betrekking heeft op het ontbonden deel van de overeenkomst. Dat betekent dat er in dit geval, waarin de ontbinding zich beperkt tot het niet uitgevoerde buitenschilderwerk, voor partijen ten aanzien van het niet uitgevoerde binnenschilderwerk geen verbintenissen tot ongedaanmaking ontstaan. Daarmee ontvalt de grondslag aan de vordering van [de eiser in conventie] tot betaling van € 57.617,26, voor zover die vordering betrekking heeft op niet uitgevoerd binnenschilderwerk. Die vordering zal daarom in zoverre worden afgewezen. 4.21. Ten aanzien van het niet uitgevoerde buitenschilderwerk ontstaan voor partijen wel ongedaanmakingsverbintenissen. Omdat [de eiser in conventie] zich op deze ongedaanmakingsverbintenis beroept, is het aan hem om voldoende duidelijk te maken en te onderbouwen welk gedeelte van de al door hem al geleverde prestatie ziet op het ontbonden gedeelte van de overeenkomst. In dit geval had [de eiser in conventie] dus duidelijk moeten maken welk deel van het reeds door hem aan [de gedaagde in conventie] betaalde bedrag van € 43.051,50 inclusief btw betrekking heeft op nog niet door [de gedaagde in conventie] uitgevoerd buitenschilderwerk. Dat heeft hij niet gedaan. Zou het door [de eiser in conventie] betaalde bedrag geheel moeten worden toegerekend aan het binnenschilderwerk (geoffreerd voor € 43.144,27 inclusief btw), dan is er aan buitenschilderwerk nog niets betaald en vallen de verplichting van [de gedaagde in conventie] tot het verrichten van het buitenschilderwerk voor € 31.727,26 inclusief btw en de betalingsverplichting van [de eiser in conventie] ter zake van dat bedrag geheel tegen elkaar weg. Voor zover de vordering van [de eiser in conventie] tot betaling van € 57.617,26 ziet op niet uitgevoerd buitenschilderwerk, zal die vordering dan ook worden afgewezen. Expertisekosten en buitengerechtelijke kosten 4.22. [de eiser in conventie] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten en kosten die hij heeft gemaakt voor het (laten) opstellen van een deskundigenrapport door ZNEB op grond van artikel 6:96 lid 2 BW. Dat artikel biedt geen zelfstandige grondslag voor vergoeding, maar veronderstelt dat een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat. Zoals hiervoor onder 4.6. en 4.7. is overwogen, bestaat een dergelijke verplichting in dit geval niet. Daarmee ontvalt de grondslag aan de vorderingen onder 3 en 4 van [de eiser in conventie] . Die vorderingen zullen daarom worden afgewezen. Proceskosten 4.23. Partijen zijn over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld. Daarom zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. in reconventie 4.24. Zoals hiervoor onder 4.13. en 4.15. is overwogen, is [de eiser in conventie] niet in verzuim geraakt. Dit betekent dat [de gedaagde in conventie] de overeenkomst met [de eiser in conventie] niet rechtsgeldig heeft ontbonden (artikel 6:265 BW). Daarmee ontvalt de grondslag aan de vordering van [de gedaagde in conventie] . Die vordering zal daarom worden afgewezen. Proceskosten 4.25. [de gedaagde in conventie] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Volledig
Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van [de gedaagde in conventie] gelegen om nader toe te lichten en te onderbouwen dat, en zo ja waarom, het voor haar desondanks niet mogelijk was haar werkzaamheden (goed en deugdelijk) af te ronden op het moment dat [de eiser in conventie] haar daartoe in gebreke stelde. Dat heeft [de gedaagde in conventie] niet gedaan. Het verweer van [de gedaagde in conventie] zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden verworpen. 4.14. [de gedaagde in conventie] voert verder aan dat zij niet in verzuim is geraakt, omdat zij [de eiser in conventie] in haar brieven van 9 augustus 2023, 21 augustus 2023, 5 september 2023 en 15 september 2023 telkens expliciet heeft aangeboden het niet uitgevoerde werk alsnog uit te voeren. Aan dat aanbod was weliswaar de voorwaarde verbonden dat prijswijzigingen zouden worden doorgevoerd in verband met gestegen kosten en dat daartoe eerst een aanvullende offerte zou worden opgesteld, maar die voorwaarde was in de gegeven omstandigheden redelijk. Bovendien staat artikel 4 van de algemene voorwaarden dat [de gedaagde in conventie] gerechtigd is extra kosten door te voeren. [de eiser in conventie] had dan ook met die voorwaarde moeten instemmen. Dat heeft hij echter niet gedaan en daarom is hij zelf in verzuim komen te verkeren, aldus steeds [de gedaagde in conventie] . 4.15. Op grond van artikel 4 van de toepasselijke algemene voorwaarden kan de overeengekomen prijs worden aangepast ingeval van kostenverhogende omstandigheden die [de gedaagde in conventie] niet heeft verdisconteerd bij de bepaling van de prijs. Bij de toepassing van deze bepaling geldt als aanvullende voorwaarde dat [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] zo spoedig mogelijk waarschuwt voor de noodzaak van een prijsverhoging. Die waarschuwing dient naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet te zijn: het is aan [de gedaagde in conventie] als aannemer om de kostenverhogende omstandigheden met [de eiser in conventie] te bespreken en de financiële consequenties daarvan inzichtelijk te maken. [de eiser in conventie] heeft tijdens de zitting aangevoerd dat hij [de gedaagde in conventie] heeft gevraagd inzicht te geven in de omvang van de concreet te verwachten extra kosten, maar dat [de gedaagde in conventie] dat niet heeft gedaan. Dit heeft [de gedaagde in conventie] niet weersproken, en het is ook in overeenstemming met haar e-mail van 5 september 2023. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] , ondanks zijn verzoek daartoe, niet concreet in kennis heeft gesteld van de extra kosten. Bij die stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat [de eiser in conventie] in verzuim (of in schuldeisersverzuim) is komen te verkeren door niet met de door [de gedaagde in conventie] gestelde voorwaarde in te stemmen. 4.16. Omdat de verweren van [de gedaagde in conventie] niet slagen, komt de rechtbank tot de conclusie dat [de gedaagde in conventie] door de ingebrekestellingen van [de eiser in conventie] met betrekking tot het niet uitgevoerde werk in verzuim is geraakt. 4.17. Aangezien [de gedaagde in conventie] ten aanzien van het niet uitgevoerde werk is tekortgeschoten en in verzuim is geraakt is aan de vereisten voor ontbinding voldaan. De rechtbank zal de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst met betrekking tot het niet uitgevoerde buitenschilderwerk dan ook uitspreken. De vordering van [de eiser in conventie] onder 2 zal in zoverre worden toegewezen. Ongedaanmakingsverbintenissen 4.18. Door de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst is de overeenkomst tussen partijen ten aanzien van het niet uitgevoerde buitenschilderwerk teniet gegaan. Het overige gedeelte van de overeenkomst (dat het binnenschilderwerk betreft) blijft in stand. Wanneer partijen vóór de gedeeltelijke ontbinding meer hebben gepresteerd dan waartoe zij na de gedeeltelijke ontbinding gehouden zijn, ontstaan er voor het teveel gepresteerde ongedaanmakingsverbintenissen (artikel 6:271 BW). 4.19. [de eiser in conventie] stelt dat hij teveel heeft gepresteerd, zodat er voor [de gedaagde in conventie] een verbintenis tot ongedaanmaking is ontstaan tot (terug)betaling van een bedrag van € 57.617,26 (vordering onder 2). Dit bedrag heeft [de eiser in conventie] in de dagvaarding niet toegelicht. Uit het verhandelde ter zitting begrijpt de rechtbank dat het bedrag van € 57.617,26 is gebaseerd op de schadevaststelling/-raming van ZNEB (zie hiervoor onder 2.23.). Uit die schadevaststelling/-raming maakt de rechtbank op dat het gevorderde bedrag van € 57.617,26 zowel ziet op niet uitgevoerd buitenschilderwerk (€ 31.727,26) als op niet uitgevoerd binnenschilderwerk (€ 25.890,00). De rechtbank overweegt hierover als volgt. 4.20. Bij gedeeltelijke ontbinding van een overeenkomst ziet de verbintenis tot ongedaanmaking uitsluitend op dat deel van de prestatie dat betrekking heeft op het ontbonden deel van de overeenkomst. Dat betekent dat er in dit geval, waarin de ontbinding zich beperkt tot het niet uitgevoerde buitenschilderwerk, voor partijen ten aanzien van het niet uitgevoerde binnenschilderwerk geen verbintenissen tot ongedaanmaking ontstaan. Daarmee ontvalt de grondslag aan de vordering van [de eiser in conventie] tot betaling van € 57.617,26, voor zover die vordering betrekking heeft op niet uitgevoerd binnenschilderwerk. Die vordering zal daarom in zoverre worden afgewezen. 4.21. Ten aanzien van het niet uitgevoerde buitenschilderwerk ontstaan voor partijen wel ongedaanmakingsverbintenissen. Omdat [de eiser in conventie] zich op deze ongedaanmakingsverbintenis beroept, is het aan hem om voldoende duidelijk te maken en te onderbouwen welk gedeelte van de al door hem al geleverde prestatie ziet op het ontbonden gedeelte van de overeenkomst. In dit geval had [de eiser in conventie] dus duidelijk moeten maken welk deel van het reeds door hem aan [de gedaagde in conventie] betaalde bedrag van € 43.051,50 inclusief btw betrekking heeft op nog niet door [de gedaagde in conventie] uitgevoerd buitenschilderwerk. Dat heeft hij niet gedaan. Zou het door [de eiser in conventie] betaalde bedrag geheel moeten worden toegerekend aan het binnenschilderwerk (geoffreerd voor € 43.144,27 inclusief btw), dan is er aan buitenschilderwerk nog niets betaald en vallen de verplichting van [de gedaagde in conventie] tot het verrichten van het buitenschilderwerk voor € 31.727,26 inclusief btw en de betalingsverplichting van [de eiser in conventie] ter zake van dat bedrag geheel tegen elkaar weg. Voor zover de vordering van [de eiser in conventie] tot betaling van € 57.617,26 ziet op niet uitgevoerd buitenschilderwerk, zal die vordering dan ook worden afgewezen. Expertisekosten en buitengerechtelijke kosten 4.22. [de eiser in conventie] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten en kosten die hij heeft gemaakt voor het (laten) opstellen van een deskundigenrapport door ZNEB op grond van artikel 6:96 lid 2 BW. Dat artikel biedt geen zelfstandige grondslag voor vergoeding, maar veronderstelt dat een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat. Zoals hiervoor onder 4.6. en 4.7. is overwogen, bestaat een dergelijke verplichting in dit geval niet. Daarmee ontvalt de grondslag aan de vorderingen onder 3 en 4 van [de eiser in conventie] . Die vorderingen zullen daarom worden afgewezen. Proceskosten 4.23. Partijen zijn over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld. Daarom zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. in reconventie 4.24. Zoals hiervoor onder 4.13. en 4.15. is overwogen, is [de eiser in conventie] niet in verzuim geraakt. Dit betekent dat [de gedaagde in conventie] de overeenkomst met [de eiser in conventie] niet rechtsgeldig heeft ontbonden (artikel 6:265 BW). Daarmee ontvalt de grondslag aan de vordering van [de gedaagde in conventie] . Die vordering zal daarom worden afgewezen. Proceskosten 4.25. [de gedaagde in conventie] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.