Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-13
ECLI:NL:RBGEL:2026:2579
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,039 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2579 text/xml public 2026-04-16T09:31:21 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-13 05/216283-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2579 text/html public 2026-04-02T16:00:59 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2579 Rechtbank Gelderland , 13-03-2026 / 05/216283-25 Vrijspraak gekwalificeerde opzetaanranding, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/216283-25 Datum uitspraak : 13 maart 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] (Iran), wonende aan [adres] . Raadsman: mr. W.R. Gorseling, advocaat in Cuijk. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 februari 2026. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 2 juni 2025 te Ede met een persoon, te weten [aangever] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten - het zoenen van de mond en/of de nek van die [aangever] en/of - het betasten van de borsten van die [aangever] met zijn handen en/of zijn mond, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door - voornoemde seksuele handelingen te verrichten terwijl die [aangever] tegen een aanrecht stond en/of terwijl hij, verdachte, voor haar stond, waardoor zij in haar bewegingsvrijheid werd beperkt en zich niet, althans onvoldoende kon onttrekken aan de situatie en/of - de armen van die [aangever] weg te trekken, wanneer zij haar armen voor haar borsten hield en/of - voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [aangever] hiermee te overrompelen en/of - voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [aangever] . 2 De standpunten Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster [aangever] betrouwbaar is. De rode draad van haar verklaring is consistent en haar verklaring is gedetailleerd. Daarnaast wordt haar verklaring ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige] , de chatberichten tussen aangeefster en [getuige] , en de verklaring van verdachte zelf. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 90 uur, te vervangen door 45 dagen hechtenis. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft voor vrijspraak gepleit. Hij heeft aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster en getuige [getuige] onvoldoende betrouwbaar zijn om tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring te komen. Ten aanzien van de verklaringen van aangeefster heeft hij aangevoerd dat zij wisselend heeft verklaard over de exacte plaats van het incident en dat het tijdsverloop, zoals blijkt uit de chatberichten, moeilijk te rijmen valt met de door aangeefster geschetste gang van zaken. Daarnaast is het door haar geschetste scenario onaannemelijk, omdat het niet logisch is dat aangeefster berichten bleef sturen aan haar vriendin, terwijl zij het huis ook gewoon had kunnen verlaten. Ten slotte heeft hij aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster en getuige [getuige] sterk op elkaar lijken. Er is dan ook geen objectief, onafhankelijk steunbewijs. 3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs Verklaringen aangeefster en verdachte Aangeefster [aangever] heeft op 2 juni 2025 aangifte gedaan tegen verdachte. Zij heeft verklaard dat verdachte op die dag als stukadoor in haar appartement aan het werk was. Op enig moment hield verdachte een korte pauze en sprak zij in de keuken met hem. Zij begreep verdachte niet, en knikte als reactie. Verdachte kwam direct hierop naar haar toe en kuste haar meermaals op haar mond en kuste haar nek. Ook bewoog verdachte met zijn handen richting haar borsten. Zij hield haar armen voor haar borsten, maar verdachte probeerde haar armen steeds open te maken. Dat lukte en hij pakte meerdere keren haar borsten vast, over haar shirt heen. Zij stond op dat moment met haar rug tegen het aanrechtblad aan en kon niet wegkomen. Ineens hield verdachte op, ging weer aan het werk en vervolgens naar het toilet. Zij stuurde toen berichten naar haar partner [getuige] , waarin zij aangaf dat de stukadoor haar aangeraakt had. Verdachte kwam na het toiletbezoek meteen weer naar haar toe en kuste haar meermaals met gesloten mond en greep naar haar borsten. Ook kuste hij haar borsten. Zij heeft verdachte beide keren met woorden en gebaren laten weten dat ze het niet wilde. Zij heeft meerdere keren ‘nee’ gezegd. Verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij tijdens het werken constant heen en weer moest lopen door de keuken. De keuken was heel smal en hij moest een aantal keer (met werkspullen) langs aangeefster heenlopen. Het kan zijn dat hij haar tijdens het heen en weer lopen heeft geraakt. Meer dan dat heeft hij niet gedaan. De rechtbank wordt dan ook geconfronteerd met twee tegenover elkaar staande verklaringen: de belastende verklaring van aangeefster tegenover de ontkennende verklaring van verdachte. Wettelijk kader De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken bewijstechnisch lastige zaken kunnen zijn. Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: de aangever of aangeefster en de verdachte. Er zijn in veel gevallen geen ooggetuigen die de ten laste gelegde handelingen hebben waargenomen. Ook in deze zaak is dat het geval. Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van één getuige, in dit geval de verklaring van aangeefster. Deze bepaling heeft als doel te zorgen voor een deugdelijke bewijsbeslissing. De rechter kan niet tot een bewezenverklaring komen als door één getuige feiten en omstandigheden naar voren worden gebracht die op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het steunbewijs moet ‘voldoende steun’ geven aan de verklaring van die getuige, dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van die getuige. Het steunbewijs mag in beginsel niet enkel afkomstig zijn van dezelfde bron. Een ‘de auditu-verklaring’ (een van horen zeggen-verklaring), levert onvoldoende steunbewijs op. Wel kunnen bepaalde waarnemingen die de de auditu -getuige persoonlijk heeft gedaan voldoende steunbewijs opleveren. Voor een bewezenverklaring is daarnaast vereist dat de rechtbank uit de wettige bewijsmiddelen onverminderd de overtuiging heeft gekregen dat de verdachte de hem verweten feiten heeft begaan. Beoordeling De rechtbank moet gelet op het bovenstaande, nog los van de vraag of de verklaringen van aangeefster als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, beoordelen of er voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is voor haar verklaring. In het dossier bevindt zich de getuigenverklaring van de partner van aangeefster, [getuige] . Zij heeft verklaard dat zij een bericht ontving van haar partner waarin stond dat de stukadoor handtastelijk ( grabby ) was en dat zij daarom met haar vader naar het appartement is gegaan. Zij zag dat de deur van de hal naar de keuken openstond en dat haar partner in de keuken, met haar rug tegen het aanrecht, aanstond. De stukadoor stond met beide armen tegen het aanrecht en haar partner. Zij zag dat de stukadoor en haar partner elkaar niet fysiek aanraakten.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2579 text/xml public 2026-04-16T09:31:21 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-13 05/216283-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2579 text/html public 2026-04-02T16:00:59 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2579 Rechtbank Gelderland , 13-03-2026 / 05/216283-25 Vrijspraak gekwalificeerde opzetaanranding, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/216283-25 Datum uitspraak : 13 maart 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] (Iran), wonende aan [adres] . Raadsman: mr. W.R. Gorseling, advocaat in Cuijk. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 februari 2026. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 2 juni 2025 te Ede met een persoon, te weten [aangever] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten - het zoenen van de mond en/of de nek van die [aangever] en/of - het betasten van de borsten van die [aangever] met zijn handen en/of zijn mond, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door - voornoemde seksuele handelingen te verrichten terwijl die [aangever] tegen een aanrecht stond en/of terwijl hij, verdachte, voor haar stond, waardoor zij in haar bewegingsvrijheid werd beperkt en zich niet, althans onvoldoende kon onttrekken aan de situatie en/of - de armen van die [aangever] weg te trekken, wanneer zij haar armen voor haar borsten hield en/of - voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [aangever] hiermee te overrompelen en/of - voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [aangever] . 2 De standpunten Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster [aangever] betrouwbaar is. De rode draad van haar verklaring is consistent en haar verklaring is gedetailleerd. Daarnaast wordt haar verklaring ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige] , de chatberichten tussen aangeefster en [getuige] , en de verklaring van verdachte zelf. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 90 uur, te vervangen door 45 dagen hechtenis. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft voor vrijspraak gepleit. Hij heeft aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster en getuige [getuige] onvoldoende betrouwbaar zijn om tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring te komen. Ten aanzien van de verklaringen van aangeefster heeft hij aangevoerd dat zij wisselend heeft verklaard over de exacte plaats van het incident en dat het tijdsverloop, zoals blijkt uit de chatberichten, moeilijk te rijmen valt met de door aangeefster geschetste gang van zaken. Daarnaast is het door haar geschetste scenario onaannemelijk, omdat het niet logisch is dat aangeefster berichten bleef sturen aan haar vriendin, terwijl zij het huis ook gewoon had kunnen verlaten. Ten slotte heeft hij aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster en getuige [getuige] sterk op elkaar lijken. Er is dan ook geen objectief, onafhankelijk steunbewijs. 3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs Verklaringen aangeefster en verdachte Aangeefster [aangever] heeft op 2 juni 2025 aangifte gedaan tegen verdachte. Zij heeft verklaard dat verdachte op die dag als stukadoor in haar appartement aan het werk was. Op enig moment hield verdachte een korte pauze en sprak zij in de keuken met hem. Zij begreep verdachte niet, en knikte als reactie. Verdachte kwam direct hierop naar haar toe en kuste haar meermaals op haar mond en kuste haar nek. Ook bewoog verdachte met zijn handen richting haar borsten. Zij hield haar armen voor haar borsten, maar verdachte probeerde haar armen steeds open te maken. Dat lukte en hij pakte meerdere keren haar borsten vast, over haar shirt heen. Zij stond op dat moment met haar rug tegen het aanrechtblad aan en kon niet wegkomen. Ineens hield verdachte op, ging weer aan het werk en vervolgens naar het toilet. Zij stuurde toen berichten naar haar partner [getuige] , waarin zij aangaf dat de stukadoor haar aangeraakt had. Verdachte kwam na het toiletbezoek meteen weer naar haar toe en kuste haar meermaals met gesloten mond en greep naar haar borsten. Ook kuste hij haar borsten. Zij heeft verdachte beide keren met woorden en gebaren laten weten dat ze het niet wilde. Zij heeft meerdere keren ‘nee’ gezegd. Verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij tijdens het werken constant heen en weer moest lopen door de keuken. De keuken was heel smal en hij moest een aantal keer (met werkspullen) langs aangeefster heenlopen. Het kan zijn dat hij haar tijdens het heen en weer lopen heeft geraakt. Meer dan dat heeft hij niet gedaan. De rechtbank wordt dan ook geconfronteerd met twee tegenover elkaar staande verklaringen: de belastende verklaring van aangeefster tegenover de ontkennende verklaring van verdachte. Wettelijk kader De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken bewijstechnisch lastige zaken kunnen zijn. Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: de aangever of aangeefster en de verdachte. Er zijn in veel gevallen geen ooggetuigen die de ten laste gelegde handelingen hebben waargenomen. Ook in deze zaak is dat het geval. Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van één getuige, in dit geval de verklaring van aangeefster. Deze bepaling heeft als doel te zorgen voor een deugdelijke bewijsbeslissing. De rechter kan niet tot een bewezenverklaring komen als door één getuige feiten en omstandigheden naar voren worden gebracht die op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het steunbewijs moet ‘voldoende steun’ geven aan de verklaring van die getuige, dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van die getuige. Het steunbewijs mag in beginsel niet enkel afkomstig zijn van dezelfde bron. Een ‘de auditu-verklaring’ (een van horen zeggen-verklaring), levert onvoldoende steunbewijs op. Wel kunnen bepaalde waarnemingen die de de auditu -getuige persoonlijk heeft gedaan voldoende steunbewijs opleveren. Voor een bewezenverklaring is daarnaast vereist dat de rechtbank uit de wettige bewijsmiddelen onverminderd de overtuiging heeft gekregen dat de verdachte de hem verweten feiten heeft begaan. Beoordeling De rechtbank moet gelet op het bovenstaande, nog los van de vraag of de verklaringen van aangeefster als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, beoordelen of er voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is voor haar verklaring. In het dossier bevindt zich de getuigenverklaring van de partner van aangeefster, [getuige] . Zij heeft verklaard dat zij een bericht ontving van haar partner waarin stond dat de stukadoor handtastelijk ( grabby ) was en dat zij daarom met haar vader naar het appartement is gegaan. Zij zag dat de deur van de hal naar de keuken openstond en dat haar partner in de keuken, met haar rug tegen het aanrecht, aanstond. De stukadoor stond met beide armen tegen het aanrecht en haar partner. Zij zag dat de stukadoor en haar partner elkaar niet fysiek aanraakten.