Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-03
ECLI:NL:RBGEL:2026:2569
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
23,117 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2569 text/xml public 2026-04-16T08:54:20 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-03 05/120288-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2569 text/html public 2026-04-02T15:22:43 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2569 Rechtbank Gelderland , 03-04-2026 / 05/120288-25 veroordeling wegens overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (roekeloosheid), artikel 7 van de Wegenverkeerswet, belediging van politieagenten en wederspannigheid tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 voorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaar. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/120288-25 Datum uitspraak : 3 april 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] , raadsvrouw: C.H.J. van Dooijeweert, advocaat te Barneveld. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 17 april 2025 te Didam in de gemeente Montferland, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), komende uit de richting van de kruising gevormd door de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen, gaande in de richting van Didam, daarmede rijdende over de weg de Hengelderweg, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of terwijl op de kruising gevormd door de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen de aldaar geplaatste, voor hem, verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten reeds 17 seconden rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop" en/of, - in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement geen gevolg te geven aan het in 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 gestelde gebod of verbod, door met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de kruising Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen) voor die kruising aangebrachte stopstreep te (blijven) stoppen immers bleef hij niet stoppen voor een voor hem rijrichting bestemde driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij met onverminderde (door)gereden en/of - in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6 van voormeld reglement, zonder te (blijven) stoppen en/of met onverminderde snelheid, door rood te rijden en/of een op de kruisende weg van de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen of op die kruising, gezien haar, verdachtes, rijrichting terwijl hij rechtdoor ging de dicht van rechts genaderd zijnde bestuurder van een personenauto niet voor te laten gaan en/of verdachte is (vervolgens) rechtdoor gegaan om de Hengelderweg te vervolgen (in de richting van Didam), terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte(n) van die weg (de Hengelderweg) en/of het verloop van die weg (de Hengelderweg) en/of in of nabij een in die weg (de Hengelderweg) gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting flauw naar links verlopende bocht, vanaf de door hem, verdachte bereden rijstrook van die weg (de Hengelderweg) niet heeft (bij)gestuurd en/of niet het verloop van die weg/rijbaan heeft gevolgd en/of met de rechterwielen in de rechterberm terecht kwam en/of terwijl tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd en/of - zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad en/of -in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of -in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 dubbele onderbroken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, -welke strepen op die weg (de Hengelderweg) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden en/of - met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan, waarbij hij niet het verloop van die weg heeft gevolgd en/of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg is terechtgekomen en/of - niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (personenauto) tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de Hengelderweg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere voertuig (personenauto), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] .
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2569 text/xml public 2026-04-16T08:54:20 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-03 05/120288-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2569 text/html public 2026-04-02T15:22:43 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2569 Rechtbank Gelderland , 03-04-2026 / 05/120288-25 veroordeling wegens overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (roekeloosheid), artikel 7 van de Wegenverkeerswet, belediging van politieagenten en wederspannigheid tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 voorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaar. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/120288-25 Datum uitspraak : 3 april 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] , raadsvrouw: C.H.J. van Dooijeweert, advocaat te Barneveld. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 17 april 2025 te Didam in de gemeente Montferland, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), komende uit de richting van de kruising gevormd door de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen, gaande in de richting van Didam, daarmede rijdende over de weg de Hengelderweg, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of terwijl op de kruising gevormd door de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen de aldaar geplaatste, voor hem, verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten reeds 17 seconden rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop" en/of, - in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement geen gevolg te geven aan het in 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 gestelde gebod of verbod, door met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de kruising Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen) voor die kruising aangebrachte stopstreep te (blijven) stoppen immers bleef hij niet stoppen voor een voor hem rijrichting bestemde driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij met onverminderde (door)gereden en/of - in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6 van voormeld reglement, zonder te (blijven) stoppen en/of met onverminderde snelheid, door rood te rijden en/of een op de kruisende weg van de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen of op die kruising, gezien haar, verdachtes, rijrichting terwijl hij rechtdoor ging de dicht van rechts genaderd zijnde bestuurder van een personenauto niet voor te laten gaan en/of verdachte is (vervolgens) rechtdoor gegaan om de Hengelderweg te vervolgen (in de richting van Didam), terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte(n) van die weg (de Hengelderweg) en/of het verloop van die weg (de Hengelderweg) en/of in of nabij een in die weg (de Hengelderweg) gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting flauw naar links verlopende bocht, vanaf de door hem, verdachte bereden rijstrook van die weg (de Hengelderweg) niet heeft (bij)gestuurd en/of niet het verloop van die weg/rijbaan heeft gevolgd en/of met de rechterwielen in de rechterberm terecht kwam en/of terwijl tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd en/of - zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad en/of -in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of -in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 dubbele onderbroken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, -welke strepen op die weg (de Hengelderweg) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden en/of - met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan, waarbij hij niet het verloop van die weg heeft gevolgd en/of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg is terechtgekomen en/of - niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (personenauto) tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de Hengelderweg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere voertuig (personenauto), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] .
Volledig
[slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 17 april 2025 te Didam in de gemeente Montferland, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), komende uit de richting van de kruising gevormd door de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen, gaande in de richting van Didam, daarmede rijdende over de weg de Hengelderweg, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of terwijl op de kruising gevormd door de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen de aldaar geplaatste, voor hem, verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten reeds 17 seconden rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop" en/of, - in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement geen gevolg te geven aan het in 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 gestelde gebod of verbod, door met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de kruising Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen) voor die kruising aangebrachte stopstreep te (blijven) stoppen immers bleef hij niet stoppen voor een voor hem rijrichting bestemde driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij met onverminderde (door)gereden en/of - in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6 van voormeld reglement, zonder te (blijven) stoppen en/of met onverminderde snelheid, door rood te rijden en/of een op de kruisende weg van de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen of op die kruising, gezien haar, verdachtes, rijrichting terwijl hij rechtdoor ging de dicht van rechts genaderd zijnde bestuurder van een personenauto niet voor te laten gaan en/of verdachte is (vervolgens) rechtdoor gegaan om de Hengelderweg te vervolgen (in de richting van Didam), terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte(n) van die weg (de Hengelderweg) en/of het verloop van die weg (de Hengelderweg) en/of in of nabij een in die weg (de Hengelderweg) gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting flauw naar links verlopende bocht, vanaf de door hem, verdachte bereden rijstrook van die weg (de Hengelderweg) niet heeft (bij)gestuurd en/of niet het verloop van die weg/rijbaan heeft gevolgd en/of met de rechterwielen in de rechterberm terecht kwam en/of terwijl tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd en/of - zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad en/of -in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of -in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 dubbele onderbroken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, -welke strepen op die weg (de Hengelderweg) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden en/of - met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan, waarbij hij niet het verloop van die weg heeft gevolgd en/of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg is terechtgekomen en/of - niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (personenauto) tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de Hengelderweg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere voertuig (personenauto), en aldus in strijd met het in artikel 5a van de WVW94 gestelde verbod, zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat voormelde verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 17 april 2025 te Didam in de gemeente Montferland, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), komende uit de richting van de kruising gevormd door de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen, gaande in de richting van Didam, daarmede rijdende over de weg de Hengelderweg, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of terwijl op de kruising gevormd door de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen de aldaar geplaatste, voor hem, verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten reeds 17 seconden rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop" en/of, - in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement geen gevolg te geven aan het in 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 gestelde gebod of verbod, door met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de kruising Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen) voor die kruising aangebrachte stopstreep te (blijven) stoppen immers bleef hij niet stoppen voor een voor hem rijrichting bestemde driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij met onverminderde (door)gereden en/of - in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6 van voormeld reglement, zonder te (blijven) stoppen en/of met onverminderde snelheid, door rood te rijden en/of een op de kruisende weg van de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen of op die kruising, gezien haar, verdachtes, rijrichting terwijl hij rechtdoor ging de dicht van rechts genaderd zijnde bestuurder van een personenauto niet voor te laten gaan en/of verdachte is (vervolgens) rechtdoor gegaan om de Hengelderweg te vervolgen (in de richting van Didam), terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte(n) van die weg (de Hengelderweg) en/of het verloop van die weg (de Hengelderweg) en/of in of nabij een in die weg (de Hengelderweg) gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting flauw naar links verlopende bocht, vanaf de door hem, verdachte bereden rijstrook van die weg (de Hengelderweg) niet heeft (bij)gestuurd en/of niet het verloop van die weg/rijbaan heeft gevolgd en/of met de rechterwielen in de rechterberm terecht kwam en/of terwijl tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd en/of - zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad en/of -in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of -in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 dubbele onderbroken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, -welke strepen op die weg (de Hengelderweg) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden en/of - met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan, waarbij hij niet het verloop van
Volledig
[slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 17 april 2025 te Didam in de gemeente Montferland, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), komende uit de richting van de kruising gevormd door de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen, gaande in de richting van Didam, daarmede rijdende over de weg de Hengelderweg, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of terwijl op de kruising gevormd door de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen de aldaar geplaatste, voor hem, verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten reeds 17 seconden rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop" en/of, - in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement geen gevolg te geven aan het in 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 gestelde gebod of verbod, door met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de kruising Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen) voor die kruising aangebrachte stopstreep te (blijven) stoppen immers bleef hij niet stoppen voor een voor hem rijrichting bestemde driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij met onverminderde (door)gereden en/of - in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6 van voormeld reglement, zonder te (blijven) stoppen en/of met onverminderde snelheid, door rood te rijden en/of een op de kruisende weg van de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen of op die kruising, gezien haar, verdachtes, rijrichting terwijl hij rechtdoor ging de dicht van rechts genaderd zijnde bestuurder van een personenauto niet voor te laten gaan en/of verdachte is (vervolgens) rechtdoor gegaan om de Hengelderweg te vervolgen (in de richting van Didam), terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte(n) van die weg (de Hengelderweg) en/of het verloop van die weg (de Hengelderweg) en/of in of nabij een in die weg (de Hengelderweg) gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting flauw naar links verlopende bocht, vanaf de door hem, verdachte bereden rijstrook van die weg (de Hengelderweg) niet heeft (bij)gestuurd en/of niet het verloop van die weg/rijbaan heeft gevolgd en/of met de rechterwielen in de rechterberm terecht kwam en/of terwijl tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd en/of - zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad en/of -in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of -in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 dubbele onderbroken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, -welke strepen op die weg (de Hengelderweg) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden en/of - met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan, waarbij hij niet het verloop van die weg heeft gevolgd en/of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg is terechtgekomen en/of - niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (personenauto) tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de Hengelderweg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere voertuig (personenauto), en aldus in strijd met het in artikel 5a van de WVW94 gestelde verbod, zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat voormelde verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 17 april 2025 te Didam in de gemeente Montferland, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), komende uit de richting van de kruising gevormd door de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen, gaande in de richting van Didam, daarmede rijdende over de weg de Hengelderweg, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of terwijl op de kruising gevormd door de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen de aldaar geplaatste, voor hem, verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten reeds 17 seconden rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop" en/of, - in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement geen gevolg te geven aan het in 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 gestelde gebod of verbod, door met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de kruising Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen) voor die kruising aangebrachte stopstreep te (blijven) stoppen immers bleef hij niet stoppen voor een voor hem rijrichting bestemde driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij met onverminderde (door)gereden en/of - in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6 van voormeld reglement, zonder te (blijven) stoppen en/of met onverminderde snelheid, door rood te rijden en/of een op de kruisende weg van de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen of op die kruising, gezien haar, verdachtes, rijrichting terwijl hij rechtdoor ging de dicht van rechts genaderd zijnde bestuurder van een personenauto niet voor te laten gaan en/of verdachte is (vervolgens) rechtdoor gegaan om de Hengelderweg te vervolgen (in de richting van Didam), terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte(n) van die weg (de Hengelderweg) en/of het verloop van die weg (de Hengelderweg) en/of in of nabij een in die weg (de Hengelderweg) gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting flauw naar links verlopende bocht, vanaf de door hem, verdachte bereden rijstrook van die weg (de Hengelderweg) niet heeft (bij)gestuurd en/of niet het verloop van die weg/rijbaan heeft gevolgd en/of met de rechterwielen in de rechterberm terecht kwam en/of terwijl tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd en/of - zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad en/of -in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of -in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 dubbele onderbroken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, -welke strepen op die weg (de Hengelderweg) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden en/of - met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan, waarbij hij niet het verloop van
Volledig
die weg heeft gevolgd en/of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg is terechtgekomen en/of - niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (personenauto) tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de Hengelderweg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere voertuig (personenauto), en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; 2. hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Didam, gemeente Montferland op de Hengelderweg, op of omstreeks 17 april 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] . [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten, althans aan die ander (te weten [slachtoffer] . [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht; 3. hij op of omstreeks 17 april 2025 te Didam, gemeente Montferland opzettelijk een ambtenaar, te weten [ambtenaar 1] , aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd, door hem, terwijl hij zijn rechterhand in zijn broek had, de woorden toe te voegen: “Ik heb nu ook geen onderbroek aan” en/of “Ik kan mijn lul ook wel tegen je gezicht slaan” en/of een of meerdere ambtenaren, te weten [ambtenaar 1] , aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland en/of [ambtenaar 2] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland en/of [ambtenaar 3] , agent van politie Eenheid Oost-Nederland en/of [ambtenaar 4] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "Jullie zijn Kankerhoeren, Kankerwouten, Kankerlijers, vieze kankerflikkers, maak de handboeien maar los, dan kijken we wel wie er gaat winnen"., althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking; 4. Hij op of omstreeks 17 april 2025 te Didam, gemeente Montferland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambten(a)ar(en), te weten [ambtenaar 1] , aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland en/of [ambtenaar 2] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland en/of [ambtenaar 3] , agent van politie Eenheid Oost-Nederland en/of [ambtenaar 4] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, door zich los te trekken en/of zich in tegengestelde richting bewegen van waar de ambten(a)ar(en) hem naar toe wilden brengen en/of zijn linkerarm in de buik van ambtenaar [ambtenaar 2] sloeg en/of met zijn linkerhand de beenholster van de stroomstootwapen van ambtenaar [ambtenaar 2] vasthield en/of terwijl hij naar de grond werd gebracht zich bleef verzetten. 2 De geldigheid van de dagvaarding De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, nietig moet worden verklaard. Dit op artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) toegespitste deel is namelijk innerlijk tegenstrijdig. Dit is als volgt uitgewerkt. Met de invoering van artikel 5a WVW 1994 heeft de wetgever een ervaren leemte in de wet willen dichten, namelijk het bestraffen van zeer gevaarlijk rijgedrag waaruit weliswaar een ongeval had kunnen voortkomen, maar niet is voortgekomen. Daartoe stond alleen het ten laste leggen van de overtreding van artikel 5 WVW 1994 ter beschikking of overtreding van de specifieke Rvv-bepaling. Na invoering van artikel 5a WVW 1994 moet de wetssystematiek als volgt worden begrepen. Gevaarlijk verkeersgedrag dat heeft geresulteerd in een aanrijding c.q. ongeval, valt onder artikel 6 WVW 1994. Gevaarlijk verkeersgedrag dat niet heeft geresulteerd in een aanrijding c.q. ongeval, valt onder artikel 5 WVW 1994. Dat is een duidelijk en in de praktijk werkbaar onderscheid. In onderhavige zaak is echter – kort weergegeven – een aantal verkeersgedragingen ten laste gelegd, waaraan de conclusie wordt verbonden (1) dat verdachte is gebotst tegen een andere personenauto, én (2) dat verdachte met zijn rijgedrag in zodanige mate verkeersregels heeft geschonden dat daardoor levensgevaar of gevaar of zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Een dergelijke tenlastelegging is in strijd met de bedoeling van de wetgever. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer. De raadsvrouw heeft gelijk dat de wetswijziging die heeft geleid tot invoering van artikel 5a WVW 1994 (en overigens ook tot wijziging van artikel 175 WVW1994, waarvan het belang hierna nog nader aan de orde komt), werd ingegeven door onvrede over de hiervoor geschetste leemte in de handhaving van de verkeersveiligheid. Bij de wetgever bestond de wens het vertonen van gevaarlijk verkeersgedrag zelfstandig strafbaar te stellen, ook wanneer het niet tot ongelukken had geleid. Deze bepaling moest een ‘brugfunctie’ vervullen. Anders dan de raadsvrouw stelt, heeft de wetgever echter allerminst de bedoeling gehad een duidelijke scheiding aan te brengen tussen artikel 5a (gevaarlijk verkeersgedrag zonder gevolg) en artikel 6 (gevaarlijk verkeersgedrag met gevolg). Integendeel, de wetgever heeft deze bepalingen juist hecht verknoopt, hetgeen met name tot uiting komt in artikel 175 WVW 1994, een bepaling die het voor de toepassing van artikel 6 WVW 1994 belangrijke begrip ‘roekeloosheid’ nader invult met een verwijzing naar de nieuwe strafbaarstelling van artikel 5a WVW 1994. Verwezen wordt naar hetgeen hierna wordt overwogen over de schuldvraag op pagina 9 en 10. De door de raadsvrouw geschetste tegenstelling tussen artikel 6 WVW 1994 en artikel 5a WVW 1994 is een valse tegenstelling, tegenstrijdig aan wat de wetgever beoogde. Beide bepalingen moeten worden gezien als een samenhangend geheel. Bovendien ziet de raadsvrouw over het hoofd dat zich in het verkeer ongevallen kunnen voordoen als gevolg van gevaarlijk verkeersgedrag, die weliswaar – ernstig – letsel opleveren bij het slachtoffer, welk letsel echter niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel of letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat als bedoeld in artikel 6 WVW 1994. Deze gevallen zouden in haar lezing van de wet buiten de boot vallen, immers ook niet strafbaar zijn onder artikel 5a WVW 1994 en alleen vervolgbaar zijn als overtreding en dat is nu precies wat de wetgever niet meer wilde. Het verweer wordt dus verworpen. 3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 17 april 2025 was verdachte bestuurder van een bedrijfsauto en reed hij op de Hengelderweg in Didam, gemeente Montferland. Hij kwam uit de richting van de kruising van de Hengelderweg, Ruigenhoek en Aalsbergen en reed in de richting van Didam. Hij was beginnend bestuurder en reed op die kruising door rood licht. De stoplichten straalden op dat moment reeds 17 seconden rood licht uit en verdachte is zonder vaart te minderen doorgereden. Verderop is verdachte daadwerkelijk in botsing gekomen met een andere personenauto, als gevolg waarvan [slachtoffer] . [slachtoffer] letsel heeft opgelopen. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde. De officier van justitie gaat daarbij uit van de hoogste schuldgradatie, te weten roekeloosheid.
Volledig
die weg heeft gevolgd en/of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg is terechtgekomen en/of - niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (personenauto) tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de Hengelderweg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere voertuig (personenauto), en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; 2. hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Didam, gemeente Montferland op de Hengelderweg, op of omstreeks 17 april 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] . [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten, althans aan die ander (te weten [slachtoffer] . [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht; 3. hij op of omstreeks 17 april 2025 te Didam, gemeente Montferland opzettelijk een ambtenaar, te weten [ambtenaar 1] , aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd, door hem, terwijl hij zijn rechterhand in zijn broek had, de woorden toe te voegen: “Ik heb nu ook geen onderbroek aan” en/of “Ik kan mijn lul ook wel tegen je gezicht slaan” en/of een of meerdere ambtenaren, te weten [ambtenaar 1] , aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland en/of [ambtenaar 2] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland en/of [ambtenaar 3] , agent van politie Eenheid Oost-Nederland en/of [ambtenaar 4] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "Jullie zijn Kankerhoeren, Kankerwouten, Kankerlijers, vieze kankerflikkers, maak de handboeien maar los, dan kijken we wel wie er gaat winnen"., althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking; 4. Hij op of omstreeks 17 april 2025 te Didam, gemeente Montferland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambten(a)ar(en), te weten [ambtenaar 1] , aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland en/of [ambtenaar 2] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland en/of [ambtenaar 3] , agent van politie Eenheid Oost-Nederland en/of [ambtenaar 4] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, door zich los te trekken en/of zich in tegengestelde richting bewegen van waar de ambten(a)ar(en) hem naar toe wilden brengen en/of zijn linkerarm in de buik van ambtenaar [ambtenaar 2] sloeg en/of met zijn linkerhand de beenholster van de stroomstootwapen van ambtenaar [ambtenaar 2] vasthield en/of terwijl hij naar de grond werd gebracht zich bleef verzetten. 2 De geldigheid van de dagvaarding De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, nietig moet worden verklaard. Dit op artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) toegespitste deel is namelijk innerlijk tegenstrijdig. Dit is als volgt uitgewerkt. Met de invoering van artikel 5a WVW 1994 heeft de wetgever een ervaren leemte in de wet willen dichten, namelijk het bestraffen van zeer gevaarlijk rijgedrag waaruit weliswaar een ongeval had kunnen voortkomen, maar niet is voortgekomen. Daartoe stond alleen het ten laste leggen van de overtreding van artikel 5 WVW 1994 ter beschikking of overtreding van de specifieke Rvv-bepaling. Na invoering van artikel 5a WVW 1994 moet de wetssystematiek als volgt worden begrepen. Gevaarlijk verkeersgedrag dat heeft geresulteerd in een aanrijding c.q. ongeval, valt onder artikel 6 WVW 1994. Gevaarlijk verkeersgedrag dat niet heeft geresulteerd in een aanrijding c.q. ongeval, valt onder artikel 5 WVW 1994. Dat is een duidelijk en in de praktijk werkbaar onderscheid. In onderhavige zaak is echter – kort weergegeven – een aantal verkeersgedragingen ten laste gelegd, waaraan de conclusie wordt verbonden (1) dat verdachte is gebotst tegen een andere personenauto, én (2) dat verdachte met zijn rijgedrag in zodanige mate verkeersregels heeft geschonden dat daardoor levensgevaar of gevaar of zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Een dergelijke tenlastelegging is in strijd met de bedoeling van de wetgever. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer. De raadsvrouw heeft gelijk dat de wetswijziging die heeft geleid tot invoering van artikel 5a WVW 1994 (en overigens ook tot wijziging van artikel 175 WVW1994, waarvan het belang hierna nog nader aan de orde komt), werd ingegeven door onvrede over de hiervoor geschetste leemte in de handhaving van de verkeersveiligheid. Bij de wetgever bestond de wens het vertonen van gevaarlijk verkeersgedrag zelfstandig strafbaar te stellen, ook wanneer het niet tot ongelukken had geleid. Deze bepaling moest een ‘brugfunctie’ vervullen. Anders dan de raadsvrouw stelt, heeft de wetgever echter allerminst de bedoeling gehad een duidelijke scheiding aan te brengen tussen artikel 5a (gevaarlijk verkeersgedrag zonder gevolg) en artikel 6 (gevaarlijk verkeersgedrag met gevolg). Integendeel, de wetgever heeft deze bepalingen juist hecht verknoopt, hetgeen met name tot uiting komt in artikel 175 WVW 1994, een bepaling die het voor de toepassing van artikel 6 WVW 1994 belangrijke begrip ‘roekeloosheid’ nader invult met een verwijzing naar de nieuwe strafbaarstelling van artikel 5a WVW 1994. Verwezen wordt naar hetgeen hierna wordt overwogen over de schuldvraag op pagina 9 en 10. De door de raadsvrouw geschetste tegenstelling tussen artikel 6 WVW 1994 en artikel 5a WVW 1994 is een valse tegenstelling, tegenstrijdig aan wat de wetgever beoogde. Beide bepalingen moeten worden gezien als een samenhangend geheel. Bovendien ziet de raadsvrouw over het hoofd dat zich in het verkeer ongevallen kunnen voordoen als gevolg van gevaarlijk verkeersgedrag, die weliswaar – ernstig – letsel opleveren bij het slachtoffer, welk letsel echter niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel of letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat als bedoeld in artikel 6 WVW 1994. Deze gevallen zouden in haar lezing van de wet buiten de boot vallen, immers ook niet strafbaar zijn onder artikel 5a WVW 1994 en alleen vervolgbaar zijn als overtreding en dat is nu precies wat de wetgever niet meer wilde. Het verweer wordt dus verworpen. 3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 17 april 2025 was verdachte bestuurder van een bedrijfsauto en reed hij op de Hengelderweg in Didam, gemeente Montferland. Hij kwam uit de richting van de kruising van de Hengelderweg, Ruigenhoek en Aalsbergen en reed in de richting van Didam. Hij was beginnend bestuurder en reed op die kruising door rood licht. De stoplichten straalden op dat moment reeds 17 seconden rood licht uit en verdachte is zonder vaart te minderen doorgereden. Verderop is verdachte daadwerkelijk in botsing gekomen met een andere personenauto, als gevolg waarvan [slachtoffer] . [slachtoffer] letsel heeft opgelopen. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde. De officier van justitie gaat daarbij uit van de hoogste schuldgradatie, te weten roekeloosheid.
Volledig
Het letsel van het slachtoffer is volgens de officier van justitie aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. De officier van justitie heeft verder gesteld dat de feiten 2, 3 en 4 ook bewezen kunnen worden verklaard. Het standpunt van de verdediging Feit 1 - De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde. Het door rood rijden staat niet in causaal verband tot het uiteindelijke ongeval en kan daarom niet worden meegenomen. Het op de verkeerde weghelft terechtkomen is het enige verwijt dat over blijft, en dat is onvoldoende voor schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Daarnaast is volgens de raadsvrouw geen sprake van zwaar lichamelijk letsel. - Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van art. 5a WVW 1994, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het delictsbestanddeel dat levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel te duchten was, niet kan worden bewezen. Dit gevolg is niet te duchten geweest, maar is daadwerkelijk ingetreden. Als gevolg hiervan moet vrijspraak volgen. - Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde, namelijk overtreding van art. 5 WVW 1994, is geen bewijsverweer gevoerd. Beoordeling door de rechtbank Feit 1 De raadsvrouw heeft in het bijzonder aangevoerd dat verdachtes gedragingen moeten worden opgesplitst in twee fasen: (1) het door rood rijden en de daaraan gerelateerde gedragingen en (2) het botsen met een tegenligger en de daaraan gerelateerde gedragingen. Bepleit is dat de gedragingen uit de eerste fase niet in causaal of schuldverband staan met het uiteindelijke ongeval en dat de gedragingen uit de tweede fase op zichzelf onvoldoende onoplettend/onachtzaam/onvoorzichtig zijn voor roekeloosheid of enige andere vorm van schuld in de zin van artikel 6 jo. 175 WVW 1994. De rechtbank overweegt als volgt. De feitelijke toedracht Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de kruising om de Hengelderweg op te gaan naderde. Daar staan stoplichten. Het stoplicht straalde groen uit voor haar en zij sloeg rechtsaf. [getuige] zag dat een blauwe bestelbus haar op dat moment met hoge snelheid van links naderde. [getuige] moest uitwijken om niet geraakt te worden door de blauwe bestelbus, als gevolg waarvan ze in de berm belandde. Ze was erg geschrokken, omdat dit voertuig zo asociaal reed. Toen ze vervolgens in de richting van de rotonde keek, zag ze dat de bestelbus tegen een wit voertuig aan stond. Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt het volgende. De bestuurder van de Mercedes bestelbus (rechtbank: verdachte) was via de linkerrijstrook de stopstreep genaderd met een indicatieve snelheid van minimaal 63 km/u en maximaal 74 km/u. De Hengelderweg bestond uit één rijbaan, die, gezien vanuit de rijrichting van de bedrijfsauto, richting de plaats van het ongeval een bocht naar links had. De rijbaan was ter hoogte van het verkeersongeval verdeeld in twee rijstroken, die onderling gescheiden werden door dubbele ononderbroken markering. Op basis van de grootste concentratie aangetroffen afgebroken voertuigdelen in de westelijke berm bleek verbalisanten dat de botsing tussen de personenauto en de bedrijfsauto plaats heeft gevonden op de rijstrook die bestemd was voor de tegemoetkomende personenauto. Hieruit volgt dat de bedrijfsauto zich, ten tijde van de botsing, op de rijstrook bevond bestemd voor het tegemoetkomende verkeer. De vermoedelijke toedracht is als volgt beschreven. Verdachte reed in de bedrijfsauto in een flauwe bocht naar links en kwam mogelijk met zijn rechter wielen in de rechter berm terecht. Naar aanleiding hiervan zou verdachte mogelijk een stuurcorrectie hebben uitgevoerd naar links. Verdachte is toen met zijn voertuig de rijstrook opgereden die bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer, waar op dat moment de bestuurder van de personenauto reed. Ten gevolge hiervan botste de bedrijfsauto met de linker voorzijde tegen de linker voorzijde van de personenauto. Verdachte hield onvoldoende rechts en overschreed daarbij een dubbele doorgetrokken streep met zijn voertuig. De rechtbank verenigt zich met deze bevindingen. Op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte alle in de tenlastelegging achter gedachtestreepjes vermelde verkeersgedragingen in essentie heeft verricht. De vraag of en, zo ja, welke mate van schuld dat oplevert, komt nu aan de orde. De schuldvraag De rechtbank stelt voorop dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. De zwaarste vorm van schuld bij overtreding van artikel 6 WVW 1994 bestaat uit ‘roekeloosheid’. In algemene zin moet onder roekeloosheid worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven wordt geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Volgens artikel 175, tweede lid, WVW 1994 is van roekeloosheid in elk geval sprake als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, kan worden aangemerkt. Artikel 5a, eerste lid WVW 1994 bepaalt dat het een ieder verboden is zich opzettelijk zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Artikel 5a, eerste lid WVW 1994 bevat tevens een - niet limitatieve - opsomming van enkele relevante verkeersgedragingen. Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft. Deze wettelijke systematiek betekent concreet dat zeer gevaarlijk rijgedrag dat de delictsomschrijving van artikel 5a WVW 1994 vervult, roekeloosheid in de zin van de wet oplevert. Met de invoering van de koppeling tussen beide strafbaarstellingen, heeft de wetgever het mogelijk willen maken dat in meer gevallen dan enkel bij kat-en-muisspellen, vlucht voor de politie of snelheidswedstrijden roekeloosheid kan (en dient te) worden aangenomen. De rechtbank stelt vast dat een deel van de door verdachte verrichte gedragingen is opgenomen in artikel 5a, eerste lid WVW 1994, te weten (a) onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen, (f) niet verlenen van voorrang, (i) door rood licht rijden, en (j) tegen de verkeersrichting in rijden. Anders dan de verdediging heeft bepleit, is de rechtbank ook van oordeel dat verdachtes verkeersgedragingen moeten worden beschouwd als één samenhangend, verwijtbaar geheel, vanaf het negeren van het rode verkeerslicht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gedragingen zonder onderbreking, kort na elkaar en min of meer op dezelfde locatie hebben plaatsgevonden. Het kruispunt waarop verdachte met een gemiddelde snelheid van circa 70 km/h door rood reed, ligt op niet meer dan 200 meter afstand van de plaats van het ongeval. Ook zijn er geen aanwijzingen dat in het bewustzijn van de verdachte de situatie op het kruispunt scherp is gescheiden van de situatie rondom de botsing. Er is niet aangevoerd, laat staan komen vast te staan, dat de verdachte zodanig is geschrokken van het bijna-ongeval op het kruispunt, dat hij vóór het plaatsvinden van het daadwerkelijke ongeval zijn verkeersgedrag wezenlijk heeft proberen te verbeteren. Om tot het oordeel ‘roekeloosheid’ te komen via de band van artikel 5a WVW 1994, moet niet alleen sprake zijn van één of meer van de in die bepaling opgesomde gedragingen, ook moet worden vastgesteld dat de betreffende verkeersregels in ernstige mate én opzettelijk zijn overtreden.
Volledig
Het letsel van het slachtoffer is volgens de officier van justitie aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. De officier van justitie heeft verder gesteld dat de feiten 2, 3 en 4 ook bewezen kunnen worden verklaard. Het standpunt van de verdediging Feit 1 - De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde. Het door rood rijden staat niet in causaal verband tot het uiteindelijke ongeval en kan daarom niet worden meegenomen. Het op de verkeerde weghelft terechtkomen is het enige verwijt dat over blijft, en dat is onvoldoende voor schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Daarnaast is volgens de raadsvrouw geen sprake van zwaar lichamelijk letsel. - Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van art. 5a WVW 1994, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het delictsbestanddeel dat levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel te duchten was, niet kan worden bewezen. Dit gevolg is niet te duchten geweest, maar is daadwerkelijk ingetreden. Als gevolg hiervan moet vrijspraak volgen. - Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde, namelijk overtreding van art. 5 WVW 1994, is geen bewijsverweer gevoerd. Beoordeling door de rechtbank Feit 1 De raadsvrouw heeft in het bijzonder aangevoerd dat verdachtes gedragingen moeten worden opgesplitst in twee fasen: (1) het door rood rijden en de daaraan gerelateerde gedragingen en (2) het botsen met een tegenligger en de daaraan gerelateerde gedragingen. Bepleit is dat de gedragingen uit de eerste fase niet in causaal of schuldverband staan met het uiteindelijke ongeval en dat de gedragingen uit de tweede fase op zichzelf onvoldoende onoplettend/onachtzaam/onvoorzichtig zijn voor roekeloosheid of enige andere vorm van schuld in de zin van artikel 6 jo. 175 WVW 1994. De rechtbank overweegt als volgt. De feitelijke toedracht Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de kruising om de Hengelderweg op te gaan naderde. Daar staan stoplichten. Het stoplicht straalde groen uit voor haar en zij sloeg rechtsaf. [getuige] zag dat een blauwe bestelbus haar op dat moment met hoge snelheid van links naderde. [getuige] moest uitwijken om niet geraakt te worden door de blauwe bestelbus, als gevolg waarvan ze in de berm belandde. Ze was erg geschrokken, omdat dit voertuig zo asociaal reed. Toen ze vervolgens in de richting van de rotonde keek, zag ze dat de bestelbus tegen een wit voertuig aan stond. Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt het volgende. De bestuurder van de Mercedes bestelbus (rechtbank: verdachte) was via de linkerrijstrook de stopstreep genaderd met een indicatieve snelheid van minimaal 63 km/u en maximaal 74 km/u. De Hengelderweg bestond uit één rijbaan, die, gezien vanuit de rijrichting van de bedrijfsauto, richting de plaats van het ongeval een bocht naar links had. De rijbaan was ter hoogte van het verkeersongeval verdeeld in twee rijstroken, die onderling gescheiden werden door dubbele ononderbroken markering. Op basis van de grootste concentratie aangetroffen afgebroken voertuigdelen in de westelijke berm bleek verbalisanten dat de botsing tussen de personenauto en de bedrijfsauto plaats heeft gevonden op de rijstrook die bestemd was voor de tegemoetkomende personenauto. Hieruit volgt dat de bedrijfsauto zich, ten tijde van de botsing, op de rijstrook bevond bestemd voor het tegemoetkomende verkeer. De vermoedelijke toedracht is als volgt beschreven. Verdachte reed in de bedrijfsauto in een flauwe bocht naar links en kwam mogelijk met zijn rechter wielen in de rechter berm terecht. Naar aanleiding hiervan zou verdachte mogelijk een stuurcorrectie hebben uitgevoerd naar links. Verdachte is toen met zijn voertuig de rijstrook opgereden die bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer, waar op dat moment de bestuurder van de personenauto reed. Ten gevolge hiervan botste de bedrijfsauto met de linker voorzijde tegen de linker voorzijde van de personenauto. Verdachte hield onvoldoende rechts en overschreed daarbij een dubbele doorgetrokken streep met zijn voertuig. De rechtbank verenigt zich met deze bevindingen. Op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte alle in de tenlastelegging achter gedachtestreepjes vermelde verkeersgedragingen in essentie heeft verricht. De vraag of en, zo ja, welke mate van schuld dat oplevert, komt nu aan de orde. De schuldvraag De rechtbank stelt voorop dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. De zwaarste vorm van schuld bij overtreding van artikel 6 WVW 1994 bestaat uit ‘roekeloosheid’. In algemene zin moet onder roekeloosheid worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven wordt geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Volgens artikel 175, tweede lid, WVW 1994 is van roekeloosheid in elk geval sprake als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, kan worden aangemerkt. Artikel 5a, eerste lid WVW 1994 bepaalt dat het een ieder verboden is zich opzettelijk zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Artikel 5a, eerste lid WVW 1994 bevat tevens een - niet limitatieve - opsomming van enkele relevante verkeersgedragingen. Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft. Deze wettelijke systematiek betekent concreet dat zeer gevaarlijk rijgedrag dat de delictsomschrijving van artikel 5a WVW 1994 vervult, roekeloosheid in de zin van de wet oplevert. Met de invoering van de koppeling tussen beide strafbaarstellingen, heeft de wetgever het mogelijk willen maken dat in meer gevallen dan enkel bij kat-en-muisspellen, vlucht voor de politie of snelheidswedstrijden roekeloosheid kan (en dient te) worden aangenomen. De rechtbank stelt vast dat een deel van de door verdachte verrichte gedragingen is opgenomen in artikel 5a, eerste lid WVW 1994, te weten (a) onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen, (f) niet verlenen van voorrang, (i) door rood licht rijden, en (j) tegen de verkeersrichting in rijden. Anders dan de verdediging heeft bepleit, is de rechtbank ook van oordeel dat verdachtes verkeersgedragingen moeten worden beschouwd als één samenhangend, verwijtbaar geheel, vanaf het negeren van het rode verkeerslicht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gedragingen zonder onderbreking, kort na elkaar en min of meer op dezelfde locatie hebben plaatsgevonden. Het kruispunt waarop verdachte met een gemiddelde snelheid van circa 70 km/h door rood reed, ligt op niet meer dan 200 meter afstand van de plaats van het ongeval. Ook zijn er geen aanwijzingen dat in het bewustzijn van de verdachte de situatie op het kruispunt scherp is gescheiden van de situatie rondom de botsing. Er is niet aangevoerd, laat staan komen vast te staan, dat de verdachte zodanig is geschrokken van het bijna-ongeval op het kruispunt, dat hij vóór het plaatsvinden van het daadwerkelijke ongeval zijn verkeersgedrag wezenlijk heeft proberen te verbeteren. Om tot het oordeel ‘roekeloosheid’ te komen via de band van artikel 5a WVW 1994, moet niet alleen sprake zijn van één of meer van de in die bepaling opgesomde gedragingen, ook moet worden vastgesteld dat de betreffende verkeersregels in ernstige mate én opzettelijk zijn overtreden.
Volledig
De rechtbank is van oordeel dat het in ernstige mate schenden van verkeersregels niet alleen kan bestaan uit het bij herhaling of voortdurend overtreden van dezelfde verkeersregels (bijv. verschillende keren door rood rijden), maar ook kan berusten op een samenstel van verschillende gedragingen. Dat laatste is in deze zaak aan de orde. Bovendien is evident dat het bewezenverklaarde verkeersgedrag een ernstig gevaar voor aanrijdingen in het leven roept. Een gevaar dat zich in deze zaak ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Samengevat is de rechtbank dus van oordeel dat de verdachte op roekeloze wijze een verkeersongeval heeft veroorzaakt. De gevolgen van het ongeval Ten slotte rijst de vraag of het daardoor bij het slachtoffer ontstane letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden beschouwd. Voor de beantwoording van die vraag worden naar vaste rechtspraak onder meer de volgende factoren in ogenschouw genomen: de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Ten aanzien van botfracturen geldt daarbij dat als sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, die fractuur in de regel, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Ten aanzien van het uitzicht op herstel geldt dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn als het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, maar ook als het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Verder kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. De rechtbank stelt vast dat de onderste ruggenwervel van slachtoffer [slachtoffer] op tien tot vijftien plaatsen is gebroken en 40% is ingezakt. Weliswaar is het slachtoffer niet geopereerd in de strikte zin van dat woord, maar wel heeft hij zeven weken in het ziekenhuis in een gipsen schelp moeten liggen. Daardoor kon hij onder meer niet douchen of naar het toilet. Hij moest voortdurend plat of bijna plat liggen, ook tijdens het eten. Bovendien heeft hij gedurende verschillende maanden dubbel gezien door een zwelling achter zijn oog. Circa zes maanden na het ongeval verklaarde slachtoffer nog zeer beperkt te zijn in zijn dagelijkse doen en laten, onder meer doordat hij weer moet leren lopen, zitten en staan. Ook wordt zijn nachtrust vaak gestoord doordat hij niet meer kan liggen. [slachtoffer] verklaarde een half jaar na het ongeval twee maal per week fysiotherapie te volgen. Er is een verhoogde kans op artrose en slijtage. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat bij slachtoffer [slachtoffer] sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Dat de artsen niet met zekerheid kunnen zeggen of volledig herstel zal plaatsvinden, doet daar niet aan af. Deze aan de door verdachtes handelingen toe te rekenen inherente onzekerheid, komt voor diens rekening. Feiten 2, 3 en 4 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen feit 2: - proces-verbaal van bevindingen, p. 54-55; - verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 maart 2026. Bewijsmiddelen feit 3: - proces-verbaal van bevindingen, p. 57; - verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 maart 2026. Bewijsmiddelen feit 4: - proces-verbaal van bevindingen, p. 57; - verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 maart 2026. 4 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij op of omstreeks 17 april 2025 te Didam in de gemeente Montferland, althans in Nederland , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), komende uit de richting van de kruising gevormd door de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen, gaande in de richting van Didam, daarmede rijdende over de weg de Hengelderweg, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en /of terwijl op de kruising gevormd door de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen de aldaar geplaatste, voor hem, verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten reeds 17 seconden rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop" en /of , - in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement geen gevolg te geven aan het in 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 gestelde gebod of verbod, door met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de kruising Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen) voor die kruising aangebrachte stopstreep te (blijven) stoppen immers bleef hij niet stoppen voor een voor hem rijrichting bestemde driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij met onverminderde snelheid (door)gereden en /of - in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6 van voormeld reglement, zonder te (blijven) stoppen en/of met onverminderde snelheid, door rood te rijden en/of een op de kruisende weg van de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen of op die kruising, gezien zijn , verdachtes, rijrichting terwijl hij rechtdoor ging de dicht van rechts genaderd zijnde bestuurder van een personenauto niet voor te laten gaan en /of verdachte is (vervolgens) rechtdoor gegaan om de Hengelderweg te vervolgen (in de richting van Didam), terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en /of niet of in onvoldoende mate heeft gelet en /of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte(n) van die weg (de Hengelderweg) en /of het verloop van die weg (de Hengelderweg) en /of in of nabij een in die weg (de Hengelderweg) gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting flauw naar links verlopende bocht, vanaf de door hem, verdachte bereden rijstrook van die weg (de Hengelderweg) niet heeft (bij)gestuurd en /of niet het verloop van die weg/rijbaan heeft gevolgd en/of met de rechterwielen in de rechterberm terecht kwam en /of terwijl tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd en /of - zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en /of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad en /of -in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeer s tekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en /of -in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken s 1990 dubbele on onderbroken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en /of zich met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, -welke strepen op die weg (de Hengelderweg) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden en /of - met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links heeft gestuurd en /of naar links is gegaan, waarbij hij niet het verloop van die weg heeft gevolgd en /of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg is terechtgekomen en /of - niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (personenauto) tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de Hengelderweg) kon overzien en waarover deze vrij was en /of (vervolgens) is gebotst tegen , althans in aanrijding is gekomen met dat andere voertuig (personenauto), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] .
Volledig
De rechtbank is van oordeel dat het in ernstige mate schenden van verkeersregels niet alleen kan bestaan uit het bij herhaling of voortdurend overtreden van dezelfde verkeersregels (bijv. verschillende keren door rood rijden), maar ook kan berusten op een samenstel van verschillende gedragingen. Dat laatste is in deze zaak aan de orde. Bovendien is evident dat het bewezenverklaarde verkeersgedrag een ernstig gevaar voor aanrijdingen in het leven roept. Een gevaar dat zich in deze zaak ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Samengevat is de rechtbank dus van oordeel dat de verdachte op roekeloze wijze een verkeersongeval heeft veroorzaakt. De gevolgen van het ongeval Ten slotte rijst de vraag of het daardoor bij het slachtoffer ontstane letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden beschouwd. Voor de beantwoording van die vraag worden naar vaste rechtspraak onder meer de volgende factoren in ogenschouw genomen: de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Ten aanzien van botfracturen geldt daarbij dat als sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, die fractuur in de regel, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Ten aanzien van het uitzicht op herstel geldt dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn als het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, maar ook als het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Verder kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. De rechtbank stelt vast dat de onderste ruggenwervel van slachtoffer [slachtoffer] op tien tot vijftien plaatsen is gebroken en 40% is ingezakt. Weliswaar is het slachtoffer niet geopereerd in de strikte zin van dat woord, maar wel heeft hij zeven weken in het ziekenhuis in een gipsen schelp moeten liggen. Daardoor kon hij onder meer niet douchen of naar het toilet. Hij moest voortdurend plat of bijna plat liggen, ook tijdens het eten. Bovendien heeft hij gedurende verschillende maanden dubbel gezien door een zwelling achter zijn oog. Circa zes maanden na het ongeval verklaarde slachtoffer nog zeer beperkt te zijn in zijn dagelijkse doen en laten, onder meer doordat hij weer moet leren lopen, zitten en staan. Ook wordt zijn nachtrust vaak gestoord doordat hij niet meer kan liggen. [slachtoffer] verklaarde een half jaar na het ongeval twee maal per week fysiotherapie te volgen. Er is een verhoogde kans op artrose en slijtage. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat bij slachtoffer [slachtoffer] sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Dat de artsen niet met zekerheid kunnen zeggen of volledig herstel zal plaatsvinden, doet daar niet aan af. Deze aan de door verdachtes handelingen toe te rekenen inherente onzekerheid, komt voor diens rekening. Feiten 2, 3 en 4 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen feit 2: - proces-verbaal van bevindingen, p. 54-55; - verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 maart 2026. Bewijsmiddelen feit 3: - proces-verbaal van bevindingen, p. 57; - verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 maart 2026. Bewijsmiddelen feit 4: - proces-verbaal van bevindingen, p. 57; - verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 maart 2026. 4 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij op of omstreeks 17 april 2025 te Didam in de gemeente Montferland, althans in Nederland , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), komende uit de richting van de kruising gevormd door de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen, gaande in de richting van Didam, daarmede rijdende over de weg de Hengelderweg, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en /of terwijl op de kruising gevormd door de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen de aldaar geplaatste, voor hem, verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten reeds 17 seconden rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop" en /of , - in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement geen gevolg te geven aan het in 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 gestelde gebod of verbod, door met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de kruising Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen) voor die kruising aangebrachte stopstreep te (blijven) stoppen immers bleef hij niet stoppen voor een voor hem rijrichting bestemde driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij met onverminderde snelheid (door)gereden en /of - in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6 van voormeld reglement, zonder te (blijven) stoppen en/of met onverminderde snelheid, door rood te rijden en/of een op de kruisende weg van de Hengelderweg/Ruigenhoek/Aalsbergen of op die kruising, gezien zijn , verdachtes, rijrichting terwijl hij rechtdoor ging de dicht van rechts genaderd zijnde bestuurder van een personenauto niet voor te laten gaan en /of verdachte is (vervolgens) rechtdoor gegaan om de Hengelderweg te vervolgen (in de richting van Didam), terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en /of niet of in onvoldoende mate heeft gelet en /of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte(n) van die weg (de Hengelderweg) en /of het verloop van die weg (de Hengelderweg) en /of in of nabij een in die weg (de Hengelderweg) gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting flauw naar links verlopende bocht, vanaf de door hem, verdachte bereden rijstrook van die weg (de Hengelderweg) niet heeft (bij)gestuurd en /of niet het verloop van die weg/rijbaan heeft gevolgd en/of met de rechterwielen in de rechterberm terecht kwam en /of terwijl tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd en /of - zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en /of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad en /of -in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeer s tekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en /of -in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken s 1990 dubbele on onderbroken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en /of zich met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, -welke strepen op die weg (de Hengelderweg) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden en /of - met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links heeft gestuurd en /of naar links is gegaan, waarbij hij niet het verloop van die weg heeft gevolgd en /of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg is terechtgekomen en /of - niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (personenauto) tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de Hengelderweg) kon overzien en waarover deze vrij was en /of (vervolgens) is gebotst tegen , althans in aanrijding is gekomen met dat andere voertuig (personenauto), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] .
Volledig
[slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht , dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; 2. hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Didam, gemeente Montferland op de Hengelderweg, op of omstreeks 17 april 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] . [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten , althans aan die ander (te weten [slachtoffer] . [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht ; 3. hij op of omstreeks 17 april 2025 te Didam, gemeente Montferland opzettelijk een ambtenaar, te weten [ambtenaar 1] , aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd, door haar , terwijl hij zijn rechterhand in zijn broek had, de woorden toe te voegen: “Ik heb nu ook geen onderbroek aan” en /of “Ik kan mijn lul ook wel tegen je gezicht slaan” en /of een of meerdere ambtenaren, te weten [ambtenaar 1] , aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland en /of [ambtenaar 2] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland en /of [ambtenaar 3] , agent van politie Eenheid Oost-Nederland en /of [ambtenaar 4] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/ hun bediening, in zijn/haar/ hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/ hen de woorden toe te voegen: "Jullie zijn Kankerhoeren, Kankerwouten, Kankerlijers, vieze kankerflikkers, maak de handboeien maar los, dan kijken we wel wie er gaat winnen", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking ; 4. Hij op of omstreeks 17 april 2025 te Didam, gemeente Montferland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambten (a) ar ( en ) , te weten [ambtenaar 1] , aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland en /of [ambtenaar 2] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland en /of [ambtenaar 3] , agent van politie Eenheid Oost-Nederland en /of [ambtenaar 4] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/ hun bediening, door zich los te trekken en /of zich in tegengestelde richting bewegen van waar de ambten (a) ar ( en ) hem naar toe wilden brengen en /of zijn linkerarm in de buik van ambtenaar [ambtenaar 2] sloeg en /of met zijn linkerhand de beenholster van de stroomstootwapen van ambtenaar [ambtenaar 2] vasthield en /of terwijl hij naar de grond werd gebracht zich bleef verzetten. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Meer in het bijzonder heeft de rechtbank bij feit 1 het woord “onderbroken” (streep op het wegdek) aangemerkt als een kennelijke verschrijving en verbeterd in “ononderbroken”. Ter zitting is hierover geen opmerking gemaakt, uit de bewijsmiddelen blijkt onmiskenbaar dat het een doorgetrokken streep betreft en “onderbroken streep” zou zinloos zijn als overtreding van artikel 76 Rvv. Dit levert dus geen verrassing op voor de verdediging. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht; feit 2: overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994; feit 3: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd; feit 4: wederspannigheid. 6 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 7 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 8 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 3 jaar. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en slechts een (deels) voorwaardelijke rijontzegging. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan roekeloos rijgedrag, als gevolg waarvan het slachtoffer zwaar gewond is geraakt. Verdachte is eerst door rood gereden, heeft vervolgens een bijna-aanrijding gehad met iemand die groen licht had, en is kort daarna op de weghelft van het slachtoffer terechtgekomen en tegen het voertuig van het slachtoffer gebotst. Na de ernstige botsing is verdachte uit zijn voertuig gestapt en is hij rustig weggelopen, zonder om te kijken naar het slachtoffer. De rechtbank neemt verdachte dit volstrekt onverantwoordelijke rijgedrag én zijn laffe gedrag daarna zeer kwalijk. Hij vond het belangrijker om naar een kennis te gaan van wie hij de auto geleend had om daar gezellig een biertje te drinken dan zich te bekommeren om de gevolgen van zijn wangedrag. Verdachte heeft het slachtoffer veel pijn en letsel bezorgd en heeft daarnaast met zijn handelen in meer algemene zin de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. Voor verdachte, andere verkeersdeelnemers en de samenleving als geheel moet duidelijk zijn dat dergelijk risicovol gedrag in het verkeer onaanvaardbaar is. Verder heeft hij zich schuldig gemaakt aan belediging van politieagenten en wederspannigheid ten tijde van zijn aanhouding. Verdachte heeft door zijn handelwijze de politieagenten, die op dat moment eenvoudigweg hun werk deden, in de uitoefening van hun taken op onaanvaardbare wijze ondermijnd. Daarnaast heeft hij politieagenten beledigd, waarmee hij de politieagenten in hun eer en goede naam heeft aangetast. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 februari 2026, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor belediging van ambtenaren in functie. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf van 18 waarvan 6 maanden voorwaardelijk, passend. De rechtbank acht het van belang een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, zodat dit boven het hoofd van verdachte blijft hangen met als doel hem ervan te weerhouden weer de fout in te gaan. Daarnaast zal de rechtbank, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaren opleggen. Verdachte moet ervan doordrongen worden dat hij zijn verkeersgedrag moet aanpassen. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 14 a, 14b, 14c, 57, 180, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht; - 6, 7, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Volledig
[slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht , dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; 2. hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Didam, gemeente Montferland op de Hengelderweg, op of omstreeks 17 april 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] . [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten , althans aan die ander (te weten [slachtoffer] . [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht ; 3. hij op of omstreeks 17 april 2025 te Didam, gemeente Montferland opzettelijk een ambtenaar, te weten [ambtenaar 1] , aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd, door haar , terwijl hij zijn rechterhand in zijn broek had, de woorden toe te voegen: “Ik heb nu ook geen onderbroek aan” en /of “Ik kan mijn lul ook wel tegen je gezicht slaan” en /of een of meerdere ambtenaren, te weten [ambtenaar 1] , aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland en /of [ambtenaar 2] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland en /of [ambtenaar 3] , agent van politie Eenheid Oost-Nederland en /of [ambtenaar 4] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/ hun bediening, in zijn/haar/ hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/ hen de woorden toe te voegen: "Jullie zijn Kankerhoeren, Kankerwouten, Kankerlijers, vieze kankerflikkers, maak de handboeien maar los, dan kijken we wel wie er gaat winnen", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking ; 4. Hij op of omstreeks 17 april 2025 te Didam, gemeente Montferland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambten (a) ar ( en ) , te weten [ambtenaar 1] , aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland en /of [ambtenaar 2] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland en /of [ambtenaar 3] , agent van politie Eenheid Oost-Nederland en /of [ambtenaar 4] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/ hun bediening, door zich los te trekken en /of zich in tegengestelde richting bewegen van waar de ambten (a) ar ( en ) hem naar toe wilden brengen en /of zijn linkerarm in de buik van ambtenaar [ambtenaar 2] sloeg en /of met zijn linkerhand de beenholster van de stroomstootwapen van ambtenaar [ambtenaar 2] vasthield en /of terwijl hij naar de grond werd gebracht zich bleef verzetten. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Meer in het bijzonder heeft de rechtbank bij feit 1 het woord “onderbroken” (streep op het wegdek) aangemerkt als een kennelijke verschrijving en verbeterd in “ononderbroken”. Ter zitting is hierover geen opmerking gemaakt, uit de bewijsmiddelen blijkt onmiskenbaar dat het een doorgetrokken streep betreft en “onderbroken streep” zou zinloos zijn als overtreding van artikel 76 Rvv. Dit levert dus geen verrassing op voor de verdediging. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht; feit 2: overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994; feit 3: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd; feit 4: wederspannigheid. 6 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 7 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 8 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 3 jaar. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en slechts een (deels) voorwaardelijke rijontzegging. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan roekeloos rijgedrag, als gevolg waarvan het slachtoffer zwaar gewond is geraakt. Verdachte is eerst door rood gereden, heeft vervolgens een bijna-aanrijding gehad met iemand die groen licht had, en is kort daarna op de weghelft van het slachtoffer terechtgekomen en tegen het voertuig van het slachtoffer gebotst. Na de ernstige botsing is verdachte uit zijn voertuig gestapt en is hij rustig weggelopen, zonder om te kijken naar het slachtoffer. De rechtbank neemt verdachte dit volstrekt onverantwoordelijke rijgedrag én zijn laffe gedrag daarna zeer kwalijk. Hij vond het belangrijker om naar een kennis te gaan van wie hij de auto geleend had om daar gezellig een biertje te drinken dan zich te bekommeren om de gevolgen van zijn wangedrag. Verdachte heeft het slachtoffer veel pijn en letsel bezorgd en heeft daarnaast met zijn handelen in meer algemene zin de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. Voor verdachte, andere verkeersdeelnemers en de samenleving als geheel moet duidelijk zijn dat dergelijk risicovol gedrag in het verkeer onaanvaardbaar is. Verder heeft hij zich schuldig gemaakt aan belediging van politieagenten en wederspannigheid ten tijde van zijn aanhouding. Verdachte heeft door zijn handelwijze de politieagenten, die op dat moment eenvoudigweg hun werk deden, in de uitoefening van hun taken op onaanvaardbare wijze ondermijnd. Daarnaast heeft hij politieagenten beledigd, waarmee hij de politieagenten in hun eer en goede naam heeft aangetast. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 februari 2026, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor belediging van ambtenaren in functie. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf van 18 waarvan 6 maanden voorwaardelijk, passend. De rechtbank acht het van belang een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, zodat dit boven het hoofd van verdachte blijft hangen met als doel hem ervan te weerhouden weer de fout in te gaan. Daarnaast zal de rechtbank, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaren opleggen. Verdachte moet ervan doordrongen worden dat hij zijn verkeersgedrag moet aanpassen. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 14 a, 14b, 14c, 57, 180, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht; - 6, 7, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.