Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-27
ECLI:NL:RBGEL:2026:2430
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
2,043 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBGEL:2026:2430 text/xml public 2026-04-01T08:10:33 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-27 26/224 en 25/3577 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Arnhem Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2430 text/html public 2026-04-01T08:09:48 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2430 Rechtbank Gelderland , 27-03-2026 / 26/224 en 25/3577 Beroep, voorlopige voorziening, verzoek handhaving, pioenrozenteelt, gewasbeschermingsmiddelen. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 26/224 (voorlopige voorziening) en 25/3577 (beroep) uitspraak van de voorzieningenrechter van op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe (gemachtigde: mr. N. Postema). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] B.V. uit [plaats] (vergunninghouder) (gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college van 23 april 2025, waarin het verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen de pioenrozenteelt op het perceel aan de [locatie] in [plaats] is afgewezen. Bij beslissing op bezwaar (bestreden besluit) is het besluit ongewijzigd in stand gelaten. Eiseres heeft beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.1. De voorzieningenrechter verklaart in deze uitspraak het beroep ongegrond. Omdat er geen sprake is van een overtreding heeft het college het verzoek om handhaving terecht afgewezen. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af . Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Vergunninghouder is eigenaar van de percelen [perceel 1], [perceel 2], [perceel 3] en [perceel 4] aan de [locatie] in [plaats]. Eiseres woont in de nabijheid van deze percelen. Zij heeft op 14 maart 2025 een verzoek om handhaving tegen pioenrozenteelt op voormelde percelen ingediend. Volgens eiseres vindt de pioenrozenteelt plaats in strijd met de geldende bestemming. 2.1. Op 21 maart 2025 heeft een toezichthouder van de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) de percelen van vergunninghouder gecontroleerd. Geconstateerd is dat het perceel [perceel 4] geheel is ingeplant met pioenrozen en dat de boomgaard op de percelen [perceel 1], [perceel 2] en [perceel 3] is gerooid. Er waren uitsluitend op het zuidelijk deel nog bomen aanwezig. Deze waren al wel omgezaagd en de wortels waren uit de grond getrokken. 2.2. Op 2 april 2025 heeft het college eiseres een voornemen tot afwijzing van het handhavingsverzoek gestuurd. Eiseres heeft geen zienswijze ingediend. 2.3. Bij besluit van 23 april 2025 heeft het college het handhavingsverzoek van eiseres afgewezen, omdat er ter plaatse geen overtreding is vastgesteld. 2.4. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 2.5. Bij bestreden besluit van 16 juli 2025 heeft het college het besluit van 23 april 2025 ongewijzigd in stand gelaten. 2.6. Eiseres heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 2.7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, [persoon A] en de gemachtigde van het college. Daarnaast hebben aan de zitting deelgenomen: de gemachtigde van derde-belanghebbende, [persoon B] en [persoon C]. 2.8. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen. Beoordeling door de voorzieningenrechter Toetsingskader 3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel is het bestemmingsplan “Buitengebied 2022” van kracht. Deze plannen maken dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente West Betuwe. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt onder meer een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan. 3.1. De percelen hebben volgens het bestemmingsplan de enkelbestemming “Agrarisch met waarden - Landschapswaarden” en de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 2”, “Waarde - Archeologie 3” en “Waarde - Archeologie 4” en de gebiedsaanduiding “milieuzone - beschermingszone leefgebied natte dooradering”. 3.2. Op grond van artikel 4.1., onder a, van de planregels zijn de voor “Agrarisch met waarden - Landschapswaarden” aangewezen gronden bestemd voor uitoefening van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat: (…) 7. uitsluitend de bestaande boom- en heesterkwekerijen zijn toegestaan; 8. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - sierkwekerij' uitsluitend een sierkwekerij is toegestaan. 3.3. Uit artikel 1.7 van het bestemmingsplan volgt dat onder een agrarisch bedrijf wordt verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren en al dan niet in combinatie daarmee de opslag, de oppervlakkige bewerking en de afzet van de eigen agrarische bedrijfsgronden, voor zover de bedrijfsgronden gelegen zijn in het plangebied dan wel buiten het plangebied maar in de directe omgeving van het bedrijf gelegen, voor zover deze gronden in ruimtelijk en functioneel opzicht geacht kunnen worden te behoren tot hetzelfde agrarische bedrijf. Is er sprake van een overtreding? 4. Eiseres voert aan dat zij niet tegen de pioenrozenteelt op het perceel is, maar dat zij zich zorgen maakt over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door derde-belanghebbende. Onduidelijk is welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, omdat derde-belanghebbende geen spuitplan verstrekt. Eiseres stelt dat het college ter bescherming van een gezonde leefomgeving het voorzorgsbeginsel moet toepassen en om die reden een spuitverbod voor drie jaar moet instellen. Indien dit niet haalbaar is, wil eiseres een spuitplan ontvangen om te kunnen laten beoordelen door experts. Daarnaast wil eiseres dat een spuitvrije zone wordt gehanteerd van 250 meter van bewoning. 5. De voorzieningenrechter overweegt dat het handhavingsverzoek van eiseres alleen ziet op het gebruik in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Dit heeft zij in het verzoek expliciet benoemd. Blijkens dit bestemmingsplan is een agrarisch bedrijf op het perceel toegestaan. De pioenrozenteelt van derde-belanghebbende valt onder de definitie van een agrarisch bedrijf. Dat heeft eiseres op zitting ook erkend. De voorzieningenrechter stelt vast dat derde-belanghebbende geen omgevingsvergunning nodig heeft voor de pioenrozenteelt op het perceel. Dat op het perceel eerst sprake was van fruitbomenteelt maakt dit niet anders. Hoewel de voorzieningenrechter de zorgen van eiseres begrijpt, ziet zij geen aanknopingspunten voor het vaststellen van een overtreding. 6. Nu er geen omgevingsvergunning is vereist voor de pioenrozenteelt op het perceel en er geen sprake is van een overtreding, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding om met toepassing van het voorzorgsbeginsel aanvullende voorwaarden op te leggen. Dat beginsel kan bijvoorbeeld een rol spelen in het kader van de afweging of sprake is van een goed woon- en leefklimaat, maar die beoordeling is alleen aan de orde als er sprake is van een omgevingsvergunning-plichtige activiteit. Dat is hier niet het geval. 7.