Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-27
ECLI:NL:RBGEL:2026:2405
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,257 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2405 text/xml public 2026-04-10T10:12:16 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-27 ARN 25_2320 en 2353 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2405 text/html public 2026-04-10T10:10:04 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2405 Rechtbank Gelderland , 27-03-2026 / ARN 25_2320 en 2353 Aanvraag voor omgevingsvergunning voor gebruik twee klaslokalen voor buitenschoolse opvang. College ten onrechte besloten dat de aangevraagde activiteit vergunningplichtig was. Een beroep gegrond en het andere beroep ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 25/2320 en 25/2353 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaken tussen ARN 25/2320 [persoon A] en [persoon B] , uit [plaats 1] , familie [achternaam 1] en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem, het college (gemachtigde: mr. E. Nijhuis). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam bedrijf] , uit [plaats 2] , [naam bedrijf] (gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland). ARN 25/2353 [naam bedrijf] , uit [plaats 2] , [naam bedrijf] (gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem, het college (gemachtigde: E. Nijhuis). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [persoon A] en [persoon B] , uit [plaats 1] , familie [achternaam 1] [persoon C] , uit [plaats 1] , (gemachtigde: mr. K.A. Luehof), [persoon D] & [persoon E] , uit [plaats 1] [persoon F] en [persoon G] , uit [plaats 1] , familie [achternaam 2] . Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van de familie [achternaam 1] en [naam bedrijf] tegen de beslissing van het college om aan [naam bedrijf] een omgevingsvergunning te verlenen voor het in strijd met het omgevingsplan gebruiken van twee klaslokalen van een basisschool in [plaats 1] voor buitenschoolse opvang. 1.1. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De rechtbank heeft de beroepen op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de familie [achternaam 1] , de gemachtigde van het college, [persoon H] namens [naam bedrijf] en de gemachtigde van [naam bedrijf] , [persoon C] , [persoon E] en de familie [achternaam 2] . De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig behandeld met de beroepen in zaaknummers 25/2323, 25/2343 en 25/2355. Waar gaan deze zaken over? 2. [naam bedrijf] is een kinderopvangorganisatie die op verschillende locaties kinderopvang en buitenschoolse opvang aanbiedt, waaronder in twee klaslokalen aan de [naam school] aan de [locatie] in [plaats 1] (de basisschool). 2.1. De basisschool is gesitueerd binnen de grenzen van het omgevingsplan ‘Omgevingsplan gemeente Lochem’ (het omgevingsplan). De basisschool valt daarmee binnen het tijdelijke deel van het omgevingsplan Lochem, onderdeel bestemmingsplan ‘Kern Epse 2010’ (tijdelijk deel van het omgevingsplan). In dit tijdelijke deel van het omgevingsplan hebben de gronden waarop de basisschool is gesitueerd de bestemming ‘Maatschappelijk’ en de functieaanduiding ‘onderwijs’. 2.2. Op 17 juni 2022 heeft [naam bedrijf] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het tijdelijk plaatsen van een nieuwe accommodatie ten behoeve van een kinderdagverblijf bij de basisschool. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 21 september 2022, en daaropvolgend de beslissing op bezwaar van 31 januari 2023, afgewezen. Het college achtte het door [naam bedrijf] aangevraagde gebruik in strijd met het bestemmingsplan ‘Kern Epse 2010’ (het bestemmingsplan). In de daaropvolgende beroepsprocedure heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland op 13 april 2023 de door [naam bedrijf] gevraagde voorziening afgewezen en het beroep ongegrond verklaard. Volgens de voorzieningenrechter heeft het college terecht geconcludeerd dat het aangevraagde gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. 2.3. Na voornoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 april 2023 heeft eiseres [persoon C] aan het college verzocht om handhavend op te treden tegen [naam bedrijf] , vanwege het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Waar het college dit verzoek eerst afwees in haar besluit van 16 augustus 2023, besloot het college in de beslissing op bezwaar van 19 juni 2024 alsnog handhavend op te treden tegen [naam bedrijf] . In de daaropvolgende beroepsprocedure heeft de rechtbank Gelderland, nadat de voorzieningenrechter de werking van het handhavingsbesluit reeds had geschorst, op 1 juli 2025 geoordeeld dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat [naam bedrijf] in strijd handelt met het bestemmingsplan en daarmee ten onrechte jegens [naam bedrijf] handhavend heeft opgetreden. Hiermee is de rechtbank Gelderland uitdrukkelijk teruggekomen op het door haar eerder ingenomen standpunt in de uitspraken van 13 april 2023. 2.4. In de periode tussen de beslissing op bezwaar van 19 juni 2024 en de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 juli 2025 heeft [naam bedrijf] een omgevingsvergunning aangevraagd voor de legalisatie van het gebruik van twee klaslokalen binnen de basisschool voor buitenschoolse opvang. Op 11 september 2024 heeft [naam bedrijf] deze omgevingsvergunning verkregen (het primaire besluit). 2.5. In de beslissing op de bezwaren van de familie [achternaam 1] en de derde-partijen tegen het primaire besluit van 15 april 2025 heeft het college besloten om het primaire besluit gedeeltelijk te herroepen (de beslissing op bezwaar). Het college heeft in de beslissing op bezwaar onder meer een aanvullende vergunningsvoorwaarde opgenomen dat er maximaal 42 kinderen tegelijkertijd in de buitenschoolse opvang aanwezig mogen zijn. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar van 15 april 2025 aan de hand van de argumenten die de familie [achternaam 1] en [naam bedrijf] hebben aangevoerd, de beroepsgronden. 4. De rechtbank verklaart het beroep van [naam bedrijf] gegrond en het beroep van de familie [achternaam 1] ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Wat zegt het tijdelijk deel van het omgevingsplan? 5. Volgens artikel 9.1 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn de voor “Maatschappelijk” aangewezen gronden bestemd voor: “a) een onderwijsinstelling ter plaatse van de aanduiding "onderwijs"; b) zorgwoningen ter plaatse van de aanduiding "zorgwoning"; c) activiteiten gericht op sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, waaronder begrepen: 1. gezondheidszorg; 2. zorg en welzijn; 3. jeugd- en kinderopvang; 4. onderwijs; 5. religie; 6. bibliotheken; 7. maatschappelijke instellingen; 8. verenigingsleven; één en ander zoals genoemd in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels behorende Lijst van typen maatschappelijke instellingen en/of instanties; d) bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.” 5.1. In de uitspraak van 1 juli 2025 heeft deze rechtbank de vraag beantwoord hoe dit artikel moet worden uitgelegd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de bestemming ‘Maatschappelijk’ is bestemd voor alle in artikel 9.1, onder c, genoemde functies en ter plaatse van de functieaanduiding ‘onderwijs’ ook is bestemd voor een onderwijsinstelling. Als de planwetgever uitsluitend een onderwijsinstelling had willen toelaten, dan had in artikel 9.1, onder a, expliciet moeten staan dat op de gronden met de aanduiding ‘onderwijs’ het gebruik als bedoeld onder b en c niet is toegestaan, aldus de rechtbank. Dit betekent volgens de rechtbank dat op de gronden een onderwijsinstelling, maar ook activiteiten gericht op sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, waaronder begrepen jeugd- en kinderopvang, zijn toegestaan. ARN 25/2353 6.
Volledig
[naam bedrijf] betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten dat het aangevraagde gebruik in strijd is met het tijdelijk deel van het omgevingsplan en ten onrechte een aanvullende voorwaarde heeft verbonden aan de omgevingsvergunning. [naam bedrijf] voert hiertoe onder meer aan dat de activiteit ‘buitenschoolse opvang’ tot het takenpakket van een basisschool behoort en daarom valt onder de reikwijdte van de bestemming ‘Maatschappelijk’. 6.1. Het college voert hierover aan dat vanwege de uitspraak van de rechtbank van 1 juli 2025 het beroep van [naam bedrijf] slaagt. Het college stelt zich op het standpunt dat het college niet bevoegd was om een vergunning te verlenen voor een activiteit die niet vergunningplichtig is. Daarom had de aanvraag (positief) geweigerd moeten worden. 6.2. De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte heeft besloten dat het aangevraagde gebruik door [naam bedrijf] in strijd is met het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Uit de uitspraak van 1 juli 2025 van de rechtbank Gelderland blijkt namelijk dat het volgens het tijdelijke deel van het omgevingsplan reeds is toegestaan om gronden met de bestemming ‘Maatschappelijk’ te gebruiken voor ‘jeugd- en kinderopvang’. Gelet hierop was het college niet bevoegd tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het aangevraagde gebruik door [naam bedrijf] . Omdat in dit geval het aangevraagde gebruik door [naam bedrijf] reeds was toegestaan op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, had het college de aanvraag van [naam bedrijf] moeten afwijzen. De beroepsgrond slaagt. Conclusie ARN 25/2353 7. Het beroep van [naam bedrijf] is gegrond. De beslissing op bezwaar van 15 april 2025 wordt vernietigd. Om het geschil definitief te beslechten, voorziet de rechtbank zelf in de zaak en herroept zij het primaire besluit van 11 september 2024 en wijst de aanvraag van [naam bedrijf] voor het in strijd met het tijdelijk deel van het omgevingsplan gebruiken van twee klaslokalen voor buitenschoolse opvang, af. 8. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan [naam bedrijf] vergoeden en krijgt [naam bedrijf] ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. ARN 25/2320 9. Familie [achternaam 1] betoogt dat door het vergunde gebruik hun woon- en leefomgeving onevenredig wordt aangetast. 9.1. Zoals de rechtbank onder 6.2 heeft overwogen was het college niet bevoegd tot het verlenen van een omgevingsvergunning. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan het betoog van de familie [achternaam 1] dat het vergunde gebruik onevenredig hun woon- en leefomgeving aantast. Het vergunde gebruik was namelijk al toegestaan op grond van het omgevingsplan. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie ARN 25/2320 10. Het beroep is ongegrond. De familie [achternaam 1] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank: Zaaknummer ARN 25/2353 verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beslissing op bezwaar van 15 april 2025; herroept het besluit van 11 september 2024; wijst de aanvraag van [naam bedrijf] af; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar van 15 april 2025; bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan [naam bedrijf] moet vergoeden; veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan [naam bedrijf] . Zaaknummer ARN 25/2320 - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 13 april 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:2083 & ECLI:NL:RBGEL:2023:2097. Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 17 oktober 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:7080. Uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5050. Uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5050, r.o. 5.3. Uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5050, r.o. 5.3