Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-03-26
ECLI:NL:RBGEL:2026:2393
RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05/327482-25; 05/274562-25 (gev. ttz); 05-097797-24 (tul); 05/310152-23 (tul) Datum uitspraak : 26 maart 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2003 in Koeweit, op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] . Raadsvrouw: mr. R. Dijkstra, advocaat in Utrecht. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 maart 2026. 1 De inhoud van de tenlastelegging Ten aanzien van parketnummer: 05/327482-25 Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1.hij op of omstreeks 30 november 2025 te Nijmegen, een of meerdere pasjes, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; 2.hij op of omstreeks 30 november 2025 te Nijmegen, een fiets, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; 3.hij in of omstreeks 16 november 2025 te Nijmegen enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 4.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 november 2025 tot en met 17 november 2025 te Nijmegen een of meerdere fooienpotten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [bedrijf], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 5.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 november tot en met 30 november 2025 te Nijmegen een of meerdere fooienpotten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [bedrijf], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 november tot en met 30 november 2025 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meerdere fooienpotten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [bedrijf], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen- een menukaart en/of een blikje Redbull aan het personeel heeft gevraagd,- (vervolgens) de fooienpot heeft weggepakt en/of- deze fooienpot onder zijn jas heeft gestopt, althans heeft verborgen, terwijl deuitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Ten aanzien van parketnummer 05/274562-25 1.hij op of omstreeks 11 mei 2025 te Nijmegen in de gemeente Nijmegen, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (snorfiets), komende uit de richting van de Keizer Karelplein, gaande in de richting van de Willemsweg, daarmede rijdende over de weg de Graafseweg, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,terwijl het donker was en/ofterwijl een toen aldaar rijdende fietser zeer dicht was genaderd en/ofzijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/ofterwijl hij een snorfiets bestuurde en voor deze categorie voertuigen (categorie AM) geen rijbewijs had,- heeft gereden met een hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 25 kilometer per uur, et fietspad op juiste wijze, althans conform artikel 3 van voormeld reglement, oprijden en/of gebruiken en/of- terwijl een toen aldaar rijdende fietser zeer dicht was genaderd , en verdachte zich niet heeft verwijderd van het fietspad en/of de tegemoetkomende fietsers niet in staat heeft gesteld om ongehinderd hun of zijn weg te laten vervolgen en/of- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (snorfiets) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij het fietspad kon overzien en waarover deze vrij was en/of- is gebotst tegen, althans in aanrijding of aanraking gekomen met, een (tegemoetkomende) fiets en/of de bestuurder van die fiets, en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 11 mei 2025 te Nijmegen als bestuurder van een snorfiets op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Fietspad de Graafseweg, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en/of tegen het verkeer inreed, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht; 2.hij op of omstreeks 11 mei 2025 te Nijmegen een voertuig, te weten een snorfiets, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 93 bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 11 mei 2025 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig, (snorfiets), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaine, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof- de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht; 3.hij op of omstreeks 11 mei 2025 te Nijmegen als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets) heeft gereden op de weg, Fietspad de Graafseweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd. 2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs Ten aanzien van parketnummer 05/327482-25 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde, met dien verstande dat bij feit 5 het subsidiair tenlastegelegde bewezen moet worden verklaard. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1, feit 3 en feit 4. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging primair vrijspraak bepleit omdat cliënt niet wist of had moeten weten dat de fiets gestolen was. Subsidiair heeft de verdediging zich aan het oordeel van de rech Te zien is dat de man papier in zijn rechterhand heeft. Aangever pakt dit vervolgens uit zijn hand. Aangever zegt vervolgens op zijn telefoon te gaan kijken (aanvulling rb: kennelijk in zijn bank-app naar de zojuist gedane opname) en zegt dat hij ziet dat hij nog steeds geld mist. Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij de verdachte herkent op de beelden. Het betreft de verdachte die volledig in het zwart gekleed is en een balaclava om zijn hoofd heeft. Hij droeg ook een zwarte rugzak en had eten vast van de McDonalds. Hij kent verdachte ambtshalve omdat hij in het verleden meerdere malen onderzoek heeft gedaan naar strafbare feiten die verdachte heeft gepleegd. Verbalisant herkent verdachte aan zijn uiterlijke kenmerken, de vorm van zijn wenkbrauwen, neus en baardgroei. Ook herkent de verbalisant hem aan zijn lichaamstaal en manier van communiceren. Verdachte heeft verklaard dat hij zich die avond niet meer kan herinneren. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het bovenstaande wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 3 tenlastegelegde. Feit 4: Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] namens [bedrijf], p. 13; - het proces-verbaal van aangifte, [aangever 5] namens [bedrijf] , p. 27; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 maart 2025. Feit 5: Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] namens [bedrijf], p. 24; het proces-verbaal van aangifte van [aangever 7] namens [bedrijf], p. 15; het proces-verbaal van bevindingen, p. 84; het proces-verbaal van bevindingen, p. 115; de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 maart 2025. Voltooide diefstal (primair) of poging diefstal (subsidiair) De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een voltooide diefstal dan wel een poging daartoe en overweegt daartoe het volgende. Voor een veroordeling ter zake van (voltooide) diefstal van een aan een ander toebehorend goed – een en ander als bedoeld in artikel 310 van het wetboek van Strafrecht – is onder meer vereist dat de dader zich een zodanige feitelijke heerschappij over dat goed heeft verschaft dan wel dit zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken dat de wegneming van het goed als voltooid kan gelden (Vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2627, NJ 2013/159). Voorts is van belang of de gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn te beschouwen als gericht op voltooiing van een diefstal. Ongestoord bezit van het desbetreffende voorwerp is echter geen vereiste. De rechtbank is van oordeel dat uit de bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat verdachte in beide gevallen de fooienpotten heeft gepakt en deze uit het zicht heeft gebracht, in het geval van de [bedrijf] door hem aan de binnenkant van zijn jas te stoppen en in het geval van de [bedrijf] door hem achter de balie te houden en tussen zijn benen te klemmen. Verdachte heeft zich, naar het oordeel van de rechtbank, hierdoor de feitelijke heerschappij over de fooienpotten verschaft zodat het voltooide diefstallen oplevert. Deze gedragingen zijn ook naar de uiterlijke verschijningsvorm te beschouwen als gericht op voltooiing van een diefstal. Dat de fooienpotten kort daarna zijn teruggepakt door de medewerkers van [bedrijf] en [bedrijf] maakt dat niet anders, omdat de diefstal toen al was voltooid. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het p 3 De bewezenverklaring Ten aanzien van parketnummer 05/327482-25 Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 3.hij op of omstreeks 16 november 2025 te Nijmegen enig geldbedrag, in elk geval enig goed , dat/ die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 4.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 november 2025 tot en met 17 november 2025 te Nijmegen een of meerdere fooienpotten, in elk geval enig goed , dat/ die geheel of ten dele aan [bedrijf] en /of [bedrijf], in elk geval aan een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 5.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 november tot en met 30 november 2025 te Nijmegen een of meerdere fooienpotten, in elk geval enig goed , dat/ die geheel of ten dele aan [bedrijf] en /of [bedrijf], in elk geval aan een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; Ten aanzien parketnummer 05/274562-25 Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1.hij op of omstreeks 11 mei 2025 te Nijmegen in de gemeente Nijmegen, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (snorfiets), komende uit de richting van de Keizer Karelplein, gaande in de richting van de Willemsweg, daarmede rijdende over de weg de Graafseweg, roekeloos , in elk geval zeer, althans aanmerkelijk , onvoorzichtig, onoplettend en/ of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,terwijl het donker was en /of terwijl een toen aldaar rijdende fietser zeer dicht was genaderd en /of zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate , op het overige verkeer en /of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/ of terwijl hij een snorfiets bestuurde en voor deze categorie voertuigen (categorie AM) geen rijbewijs had,- heeft gereden met een hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 25 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of namelijk met een indicatieve snelheid van ongeveer 51 kilometer per uur en/of 57 kilometer per uur en /of in strijd met artikel 20 onder b van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 heeft gehandeld en /of - in strijd met artikel 10 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 niet de rijbaan te gebruiken en /of te berijden, maar met het door hem bestuurde voertuig volledig op het voetpad te rijden en /of - vervolgens in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan om zoveel mogelijk rechts te houden, immers is verdachte gaan rijden op het fietspad dat links –vanuit het (rij)perspectief van verdachte- gelegen is aan de Graafseweg en /of - terwijl dit fietspad niet was voorzien van een middenasmarkering en /of werd aangeduid met voornoemd bord G11, welk bord zichtbaar was voor bestuurders die het fietspad op juiste wijze, althans conform artikel 3 van voormeld reglement, oprijden en/ of gebruiken en /of - terwijl een toen aldaar rijdende fietser zeer dicht was genaderd , en verdachte zich niet heeft verwijderd van het fietspad en/ of de tegemoetkomende fietsers niet in staat heeft gesteld om ongehinderd hun of zijn weg te laten vervolgen en /of - in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (snorfiets) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij het fietspad kon overzien en waarover deze vrij was en /of - is gebotst tegen, althan De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Hij heeft verschillende diefstallen gepleegd. Zulke feiten veroorzaken niet alleen materiële schade, maar zorgen ook voor overlast en ergernis. Verder heeft verdachte een verkeersongeval veroorzaakt door zonder rijbewijs en onder invloed van cocaïne op een scooter tegen de verkeersrichting in te rijden, terwijl hij de maximumsnelheid overschreed met bijna 30 km/u. Hierbij heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het ongeval heeft veel impact gehad op het slachtoffer en hij kan moeilijk accepteren wat er is gebeurd. Voor het ongeval was hij heel actief en was hij veel aan het hardlopen. Dat hij dit nu niet meer kan doen, valt hem zwaar. Naast het opgelopen letsel heeft het ongeval ook voor veel financiële schade gezorgd, omdat het slachtoffer in het buitenland woont en geen verzekering in Nederland heeft. Uit de camerabeelden die zich in het dossier bevinden, kan worden afgeleid dat verdachte van geluk mag spreken dat zijn verkeersfouten niet nog ernstigere gevolgen heeft gehad. De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte van 3 februari 2026 waaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor deels soortgelijke strafbare feiten. Uit het reclasseringsadvies van GGZ IrisZorg van 24 februari 2026 blijkt dat verdachte verslaafd is aan middelen en delicten pleegt om financiële middelen te genereren om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud en drugsverslaving. Verdachte heeft geen zinvolle dagbesteding en geen inkomen. Er is mogelijk ook sprake van een hoge mate van onmacht omdat er sprake is van een verstandelijke beperking. Daarbij zijn er ook signalen van impulsiviteit. Het risico op recidive en het risico op onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als hoog mede gelet op de vermijdende houding van verdachte. De reclassering adviseert om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Zij ziet geen mogelijkheden meer om in een voorwaardelijk kader het recidiverisico te beperken, gelet op de vermijdende houding van verdachte ten opzichte van de ingezette interventies van de afgelopen vijf jaar en het hardnekkige delictpatroon. Daarnaast lijkt er sprake van een hoge mate van onmacht en zal verdachte (de rechtbank begrijpt: in een ambulant kader) overvraagd gaan worden in zijn mogelijkheden. Trajecten in het ambulante kader zijn naar de mening van de reclassering en hulpverlening daarom uitgeput. Een ISD-maatregel kan worden opgelegd als aan de voorwaarden van artikel 38m van het Wetboek van strafrecht is voldaan. In dit kader is het volgende van belang. De rechtbank stelt vast dat het door verdachte begane feit een misdrijf is waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Daarnaast blijkt uit het strafblad van verdachte dat hij in de afgelopen vijf jaar wegens een soortgelijk misdrijf meer dan drie keer onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld en dat hij het bewezenverklaarde feit heeft begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Gelet op de inhoud van het hiervoor genoemde reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte weer een misdrijf zal begaan. Met het oog op de veiligheid van de maatschappij en ter voorkoming van recidive eist de veiligheid van personen of goederen de oplegging van een ISD-maatregel. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat wordt voldaan aan alle wettelijke eisen voor oplegging van de ISD-maatregel. Er wordt ook voldaan aan de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers. Verdachte geeft aan dat hij bereid is om mee te werken met