Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-02-18
ECLI:NL:RBGEL:2026:1715
RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/447344 / HA ZA 25-53 Vonnis van 18 februari 2026 in de zaak van [naam eiser] , wonende te [woonplaats] , [land] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. D.A. Beck, tegen [naam gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaten: mrs. M.J.G. Boender-Lamers en P. Dhingra. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 9 juli 2025 - het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 november 2025. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De zaak in het kort 2.1. [eiser] verwijt accountant [gedaagde] dat hij, als adviseur in een integriteitsonderzoek van de provincie Zuid-Holland, fouten heeft gemaakt. Deze fouten zijn deels ook door de tuchtrechter vastgesteld. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] in deze fouten volhard en is hij [eiser] vervolgens ook elders verdacht gaan (laten) maken. [eiser] beschouwt dit handelen als een onrechtmatige persoonlijke kruistocht tegen hem en wil dat de rechtbank bepaalt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de kosten van de procedures die [eiser] heeft moeten voeren om een en ander recht te zetten. De rechtbank oordeelt dat daarvoor geen grond bestaat. De meeste verwijten houden geen stand. Voor zover de verwijten wel terecht zijn, is de schade daarvan geen gevolg. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen. De rechtbank legt dit hierna uit. 3 De feiten 3.1. [eiser] is advocaat en was bestuurder van de stichting Monumentenstichting Kasteel Oud-Wassenaar (MKOW), de eigenaar van dat kasteel. 3.2. Op 20 december 2011 heeft [eiser] pro se een overeenkomst met MKOW gesloten op grond waarvan hij een recht op koop van het kasteel verkreeg voor de WOZ-waarde, verhoogd met € 20.000,00. 3.3. Op 25 augustus 2016 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland (GS) aan MKOW een subsidie verleend van € 200.000,00 ter bekostiging van restauratiewerk aan het kasteel. Op 2 september 2019 is deze subsidie vastgesteld op een bedrag van € 62.491,00, het meerdere was niet besteed. 3.4. Uit een inventarislijst die aan [eiser] is verstrekt in het kader van een verzoek om openbaarmaking van publieke informatie, volgt dat op 13 februari 2020 een Memo van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed over kasteel Oud-Wassenaar definitief is geworden en dat het bureau Cultuur en Vrije Tijd bij e-mail van 17 februari 2020 heeft gevraagd om op de voet van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) een onderzoek te starten naar MKOW. 3.5. Bij brief van 24 februari 2020 hebben GS [eiser] gevraagd om in het kader van de verleende subsidie zogeheten Bibob-formulieren in te vullen. Een dag later heeft [eiser] de formulieren ingevuld retour gezonden. 3.6. [gedaagde] is registeraccountant en adviseert als zelfstandige overheden over toepassing van de Wet Bibob. Op 18 maart 2020 hebben GS [gedaagde] gevraagd om te ondersteunen in het Bibob-onderzoek in verband met de subsidieverlening. 3.7. Bij brief van 21 april 2020 hebben GS aan MKOW laten weten dat binnen 14 dagen bepaalde vragen op de Bibob-formulieren alsnog beantwoord moeten worden en dat bepaalde bewijsstukken moeten worden aangeleverd, bij gebreke waarvan de subsidie zal worden ingetrokken. 3.8. Op 17 mei 2020 heeft [gedaagde] aan GS gerapporteerd over het Bibob-onderzoek dat hij in verband met de subsidieverlening had verricht. 3.9. Op 25 mei 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] , [gedaagde] en [coördinator] , coördinator Bibob van de provincie Zuid-Holland. Het rapport van [gedaagde] was toen nog niet met [eiser] gedeeld. 3.10. Bij besluit van 14 juli 2020 hebben GS de subsidie van € 62.491,00 ingetrokken op de grond dat ernstig gevaar bestaat dat deze mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (art. 6 lid 1 en art. 3 lid 1 aanhef en onder b van de Wet Bibob). Op 7 augustus 2020 heeft MKOW bezwaar gemaakt tegen d Bij brief van 20 september 2021 heeft [ambtenaar] namens [gedaagde] aan [eiser] bericht dat [gedaagde] hem als advocaat een tuchtrechtelijk verwijt van belangenverstrengeling maakt en voorts dat hij de deken om bemiddeling zal vragen als [eiser] niet ophoudt als advocaat (-gemachtigde) van [eiser] , MKOW en BVEKOW op te treden. 3.26. CRE heeft aan [eiser] laten weten dat tijdens het gesprek op 22 september 2021 aan [ambtenaar] ter hand is gesteld een kopie van de koopovereenkomst tussen MKOW en CRE betreffende het kasteel van 14 juli 2021, waarin de koopprijs van € 3.500.000,00 niet was weggelakt. 3.27. Bij brief van 30 september 2021 heeft [ambtenaar] namens [gedaagde] aan procureur-generaal Hofstee bericht dat [gedaagde] zich gesteld ziet voor de vraag of hij, gelet op zijn geheimhoudingsverplichting ingevolge art. 28 lid 1 Wet Bibob, in het hoger beroep tegen de uitspraak van de Accountantskamer, gegevens die hij in het onderzoek op grond van de Wet Bibob heeft verkregen, mag delen met zijn gemachtigde, [ambtenaar] , en met de Accountantskamer en voorts of hij deze gegevens als bewijsmiddel mag gebruiken in dat hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). 3.28. In een memo van [ambtenaar] aan de burgemeester van Wassenaar van 10 oktober 2021 staat dat MKOW volgens haar statuten niet bevoegd is het kasteel te verkopen en dat de eigendomsoverdracht daarom nietig is, en voorts dat de gemeente al beschikt over een advies om de bestuurder van MKOW te ontslaan. 3.29. Op 25 november 2021 heeft een tweede hoorzitting in de bezwaarprocedure over intrekking van de subsidie plaatsgevonden. [gedaagde] was daar niet bij. 3.30. Bij verzoekschrift van 19 januari 2022 heeft het Openbaar Ministerie op de voet van art. 2:298 BW aan de Rechtbank Den Haag verzocht om [eiser] als bestuurder van MKOW te schorsen en te ontslaan. Daaraan is kort gezegd ten grondslag gelegd dat [eiser] als enig bestuurder van MKOW het kasteel aan zichzelf heeft verkocht en overgedragen en vervolgens aan een derde heeft doorverkocht en geleverd voor € 2.650.000,00 meer, en aldus zichzelf ten koste van MKOW heeft verrijkt en heeft gehandeld in strijd met de wet en de statuten van MKOW. 3.31. Bij beschikking van 21 januari 2022 heeft de Rechtbank Den Haag [eiser] als bestuurder van MKOW geschorst. 3.32. Bij brief van 25 maart 2022 heeft de bezwarencommissie van de provincie Zuid-Holland GS geadviseerd over het bezwaar tegen het besluit tot intrekking van de subsidie. Zij concludeert dat de subsidie ten onrechte is ingetrokken en dat het intrekkingsbesluit om die reden niet in stand kan blijven. Er is onvoldoende grond om te concluderen dat sprake is van een ernstig gevaar dat [eiser] in relatie staat tot strafbare feiten, zoals bedoeld in de Wet Bibob, aldus de commissie. 3.33. Een tweede tuchtklacht van MKOW, BVEKOW en [eiser] tegen [gedaagde] heeft de Accountantskamer bij uitspraak van 11 april 2022 ongegrond bevonden. 3.34. Bij beschikking van 25 oktober 2022 heeft de Rechtbank Den Haag [eiser] ontslagen als bestuurder van MKOW. 3.35. Bij uitspraak van 19 december 2023 heeft het CBb het hoger beroep van [gedaagde] tegen de uitspraak van de Accountantskamer van 30 augustus 2021 ongegrond verklaard. 3.36. Bij beschikking van 19 december 2023 heeft het Gerechtshof Den Haag de tot schorsing en ontslag van [eiser] strekkende beschikkingen van de Rechtbank Den Haag van 21 januari 2022 en 25 oktober 2022 bekrachtigd. 3.37. Bij besluit op bezwaar van 9 januari 2024 hebben GS het besluit van 14 juli 2020 tot intrekking van de subsidie herroepen, zodat MKOW die niet terug hoeft te betalen. Daartoe is overwogen dat weliswaar ernstig gevaar bestond dat de subsidie mede zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, maar dat dit gevaar is geweken met het ontslag van [eiser] als bestuurder van MKOW. 3.38. In het najaar van 2024 heeft MKOW aan [eiser] laten weten dat zij hem wegens wanbeleid aansprakelijk houdt voor schade ter hoogte van € 700.000,00. Blijkens randnummer 143 van de dagvaarding heeft [eiser] hier het oog op gebrekkig informeren van GS tijdens de procedure op bezwaar tegen het besluit tot intrekking van de vergunning op 14 juli 2020. Dat [gedaagde] GS na de uitspraak van de Accountantskamer van 30 augustus 2021 nog heeft geïnformeerd heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd gesteld. Dat dit gebrekkig is gebeurd, kan dan ook niet worden vastgesteld. 5.5. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij de fouten in zijn rapporten van 17 mei en 2 september 2020 heeft verbeterd in zijn latere notitie van 30 juli 2021. Deze verklaring wordt ondersteund door het volgende. In zijn memo voor GS van 20 oktober 2020 heeft [gedaagde] onderaan pagina 2 vermeld dat zijn verwijt dat MKOW over 2016, 2017 en 2018 € 12.810,00 te weinig omzetbelasting heeft afgedragen vervalt, indien niet MKOW, maar SKOW aan BVEKOW heeft gefactureerd. Tijdens de eerste hoorzitting in bezwaar op 22 oktober 2020 heeft [gedaagde] , blijkens de een na laatste alinea van pagina 9 van het daarvan gemaakte verslag bevestigd dat zijn rapport in deze zin niet klopt. Uit de eerste alinea van pagina 16 volgt dat [gedaagde] toen ook heeft aangegeven dat hij de dubbeltelling van de factuur van [cateringsbedrijf] heeft hersteld in zijn memo van 20 oktober 2020. Blijkens pagina 21, de tweede alinea van onderen, heeft [gedaagde] toen bovendien erkend dat zijn spreadsheet een verschrijving van € 1.000,00 bevat. Verder merkt hij daar op dat hij de spreadsheet, waarmee hij blijkens de middelste alinea op pagina 15 van het verslag doelt op zijn oorspronkelijke spreadsheet, aan de kant had gelegd en vervangen door het overzicht van facturen en inkomsten op pagina 6 van zijn memo van 20 oktober 2020. Na het LBB-advies van 19 maart 2021 heeft [gedaagde] op 30 juli 2021 nog een memo voor GS opgesteld. Onderaan pagina 12 van dat memo heeft [gedaagde] nog eens bevestigd dat het verwijt dat MKOW € 12.810,00 te weinig omzetbelasting heeft afgedragen vervalt. Dit memo bevat op pagina 18 en 19 hetzelfde overzicht als was opgenomen op pagina 6 van het memo van 20 oktober 2020. Dat dit memo nog wel de eerder gemaakte fouten bevat heeft [eiser] niet (voldoende gemotiveerd) gesteld, zodat dit niet kan worden vastgesteld. 5.6. Hieruit moet worden afgeleid dat [gedaagde] zijn fouten niet heeft genegeerd of geminimaliseerd, maar integendeel GS in de bezwaarfase juist heeft geïnformeerd over de cijfermatige fouten in zijn aanvankelijke rapporten en in zijn latere memo’s gecorrigeerde cijfers heeft gebruikt. Anders dan [eiser] onvoldoende gemotiveerd stelt, is het dus niet zo dat een fout rapport van [gedaagde] leidend is gebleven in de bezwaarprocedure. De gecorrigeerde cijfers hebben [gedaagde] alleen niet tot andere conclusies gebracht. Niet valt in te zien waarom [gedaagde] GS indringender op zijn fouten had moeten wijzen of daarvoor anderszins expliciet de verantwoordelijkheid had moeten nemen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het maken van de fouten in de hand werd gewerkt door de administratie van MKOW, die (in elk geval voor [gedaagde] ) niet overzichtelijk was. Dat [gedaagde] heeft geadviseerd om het LBB-advies niet te volgen, doet aan het voorgaande niet af. [eiser] heeft, hoewel hij het met de strekking ervan niet eens is, niet gewezen op concrete (reken)fouten in dat advies van [gedaagde] van 30 juli 2021. [eiser] verwijt [gedaagde] in dit verband nog wel dat hij in dat advies niet heeft vermeld dat GS zijn eerdere rapport zelf aan het LBB hadden toegezonden. Dat kan echter niet onzorgvuldig worden genoemd. GS mag worden geacht te weten wat zij zelf hebben gedaan. Dreigen met een dekenklacht 5.7. Ter zake van het verwijt sub d) geldt het volgende. In de brief waar het hier om gaat, heeft [ambtenaar] namens [gedaagde] kort gezegd aan [eiser] bericht dat een advocaat die in deze hoedanigheid optreedt voor een vennootschap waarvan hij zelf bestuurder is, tuchtrechtelijk verwijtbaar handelt, omdat hij dan een eigen Dat het eigenlijke oogmerk van de brief was om het Bibob-onderzoek bij het OM te pitchen, ligt dan niet voor de hand. 5.15. De rechtbank laat verder in het midden of de inhoud van de brief van [ambtenaar] van 30 september 2021 en het meesturen van de uitspraak van de Accountantskamer aan het OM meebrengt dat [gedaagde] in strijd met art. 28 Wet Bibob heeft gehandeld. Tegenover de betwisting door [gedaagde] heeft [eiser] namelijk onvoldoende gemotiveerd dat de brief met bijlage schadelijke gevolgen heeft gehad. Er zijn geen aanknopingspunten gesteld dat de schorsing- en ontslagprocedure daadwerkelijk (mede) is voortgekomen uit althans (mede) is toegelicht door het OM aan de hand van de inhoud van en bijlage bij deze brief, in die zin dat de schorsing- en ontslagprocedure achterwege zou zijn gebleven indien de geheimhoudingsplicht niet zou zijn geschonden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [eiser] zelf stelt dat de volledige koopovereenkomst inclusief koopsom het ‘doorslaggevende bewijsstuk’ was. Uitlokken van Bibob-onderzoek CRE en aansturen op ontslag 5.16. Sub f) verwijt [eiser] [gedaagde] dat hij heeft uitgelokt dat [ambtenaar] namens de gemeente Wassenaar Bibob-onderzoek naar CRE ging doen en vervolgens, als forensisch accountant van de Belastingdienst in het kader van het samenwerkingsverband RIEC Den Haag, op de ontslagprocedure heeft aangestuurd. [gedaagde] betwist dat hij dit heeft gedaan. Hij is niet werkzaam geweest voor het RIEC en heeft daar voor het laatst in 2017 een training gegeven. [eiser] heeft zijn stellingen op dit punt uitvoerig toegelicht, in hoofdstuk 3.6. van de dagvaarding en ter zitting. De rechtbank moet echter vaststellen dat daarin concrete aanknopingspunten ontbreken voor de juistheid van deze stellingen. Het is gebleven bij aannames, gebaseerd op indirecte aanwijzingen die geen van alle overtuigen, ook niet in onderling verband en samenhang bezien. [eiser] neemt bijvoorbeeld aan dat de “E-mail over informeren RIEC partners dat bij klachtprocedure mogelijk artikel 28 is geschonden door …” van 8 oktober 2021 (nummer 490 op de inventarislijst) door [gedaagde] is verzonden. [gedaagde] heeft dat betwist en enige concrete aanwijzing voor de juistheid van deze aanname ontbreekt. Voor de aanname dat de e-mail “Informeren … & partners over uitkomst melding kadaster” van 12 november 2021 (nummer 501 op de inventarislijst) door [gedaagde] is verzonden, ontbreekt eveneens een concreet aanknopingspunt. Ook de feitelijke grondslag van dit verwijt kan dan niet worden vastgesteld. Continueren onderzoek 5.17. Dit verwijt ziet erop dat [gedaagde] volgens [eiser] als accountant is doorgegaan met onderzoek naar [eiser] terwijl er twee tuchtklachten tegen hem liepen. [gedaagde] had zijn werk als adviseur van GS inzake het Bibob-onderzoek naar de subsidieverlening, na de eerste tuchtklacht moeten neerleggen, aldus [eiser] sub g). 5.18. De rechtbank constateert dat [gedaagde] GS een week na zijn berisping door de Accountantskamer heeft bericht dat hij zijn werkzaamheden neerlegt. Dat hij daarna, dus na 30 augustus 2021 nog heeft gewerkt als adviseur van GS inzake het Bibob-onderzoek naar de subsidieverlening, of, in de termen van [eiser] , jacht op hem heeft gemaakt, heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd gesteld. Hij heeft gewezen op een lijst e-mails van 25 oktober tot en met 25 november 2021 (met nummers 491 tot en met 502 op de inventarislijst). De aanname dat deze e-mails door [gedaagde] zijn verzonden, heeft [eiser] echter niet genoegzaam toegelicht, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan. 5.19. Wel staat vast dat [gedaagde] , nadat [eiser] zich bij brief van 19 januari 2021 bij de Accountantskamer over [gedaagde] had beklaagd, maar voor zijn berisping, nog voor GS heeft gewerkt in het dossier. Zijn memo over het LBB-advies dateert immers van 30 juli 2021. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt echter niet in te zien dat het enkele feit dat de tuchtklacht is ingediend, onzorgvuldig zou maken dat [geda [gedaagde] heeft ten slotte ten onrechte aangenomen dat MKOW over 2016, 2017 en 2018 € 12.810,00 te weinig omzetbelasting heeft afgedragen. 5.25. [eiser] suggereert dat [gedaagde] deze fouten met opzet heeft gemaakt, om voor GS een Bibob-grond te construeren, zodat GS [eiser] uit het bestuur van MKOW zouden kunnen werken. Voor deze vergaande suggestie heeft [eiser] echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Daarvan kan niet worden uitgegaan. Dat [gedaagde] de fouten heeft gemaakt, is niettemin tegenover [eiser] onzorgvuldig te achten in de hierboven in 5.2. bedoelde zin. Het onderzoek betrof weliswaar MKOW, aan wie de subsidie was verleend, maar [eiser] was haar (enige) bestuurder, zodat de rapporten feitelijk zijn handelen betroffen. [gedaagde] wist dat. [gedaagde] moet zich, als adviseur van GS in het Bibob-onderzoek naar de subsidieverlening aan MKOW, ook hebben gerealiseerd dat zijn bevindingen GS aanleiding zouden kunnen geven om de integriteit van [eiser] negatief te beoordelen, een ernstige consequentie. [gedaagde] kan zich in dit verband niet achter GS verschuilen. Van een redelijk handelend en bekwaam Bibob-adviseur, die tevens registeraccountant is, mag worden verwacht dat hij, juist ook ter bescherming van de belangen van de natuurlijke persoon in kwestie, de hiervoor vastgestelde elementaire fouten niet maakt. Deze door [gedaagde] geschonden zorgvuldigheidsnorm strekt tot bescherming tegen de schade zoals door [eiser] gesteld. 5.26. [gedaagde] werpt nog op dat hij niet over alle relevante administratie beschikte toen hij zijn aanvankelijke rapportages uitbracht, waarmee hij erop doelt dat MKOW en SKOW geen behoorlijke financiële administratie voerden, wat heeft geleid tot een verkeerde interpretatie van facturen. Dit doet aan het voorgaande echter niet af. Ook dan mocht van [gedaagde] worden verwacht dat hij facturen niet dubbel telde, een factuurbedrag niet verkeerd overnam en een verantwoording in het verkeerde jaar rapporteerde. 5.27. Wat betreft de € 12.810,00 te weinig afgedragen omzetbelasting is in dit verband het volgende van belang. [gedaagde] is er aanvankelijk van uitgegaan dat de handgeschreven facturen door MKOW waren verzonden. Zoals in 5.5. is overwogen bleek hem later echter dat de facturen afkomstig waren van SKOW, zodat dit verwijt niet op ging. Mogelijk valt het [gedaagde] niet aan te rekenen dat hij dit destijds vanwege de staat van de administratie van MKOW en SKOW niet meteen goed heeft gezien. Echter, juist ter vermijding van vergissingen als deze schrijven de gedragsvoorschriften van zijn beroepsgroep voor dat de betrokkene moet worden gehoord alvorens aan de opdrachtgever wordt gerapporteerd. Zoals in 5.23. is vastgesteld heeft [gedaagde] zich ten onrechte niet aan deze regel gehouden. Bij zorgvuldig handelen door [gedaagde] zou ook deze fout dus niet zijn gemaakt. Dat [gedaagde] de fout heeft gemaakt is dan onzorgvuldig, ook als die mogelijk deels in de hand werd gewerkt door een gebrekkige administratie. Causaal verband 5.28. Vervolgens is de vraag of de schade waarvan [eiser] vergoeding verlangt het gevolg is van het onrechtmatig handelen, zoals dat is vastgesteld in 5.23. en 5.25. Met andere woorden, waren de kosten van rechtsbijstand en de materiële kosten die [eiser] vergoed wil zien vermeden als [gedaagde] [eiser] wel had gehoord naar aanleiding van zijn voorlopige bevindingen en daarna aan GS zou hebben gerapporteerd zonder de in 5.24. bedoelde fouten? 5.29. In dit verband is in de eerste plaats van belang dat GS, al voordat zij [gedaagde] op 18 maart 2020 inschakelden, tot het Bibob-onderzoek hadden besloten en dat onderzoek in gang hadden gezet met het verzoek aan [eiser] om Bibob-formulieren in te vullen. GS zagen kennelijk zelf termen voor het beginnen en uitvoeren van dat onderzoek. Verder moet worden geconstateerd dat de rapporten van [gedaagde] van 17 mei en 2 september 2020 weliswaar cijfermatige fouten en dus onterechte verwijten bevatten, maar dat daarin ook vele