Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-02-24
ECLI:NL:RBGEL:2026:1333
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,041 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBGEL:2026:1333 text/xml public 2026-02-27T17:00:30 2026-02-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-02-24 AWB-24_2956 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:1333 text/html public 2026-02-24T11:22:59 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:1333 Rechtbank Gelderland , 24-02-2026 / AWB-24_2956 Het UWV heeft het ziekengeld van eiser terecht beëindigd. Beroep ongegrond. Het onderzoek van de verzekeringsartsen is zorgvuldig geweest en de conclusies over de beperkingen zijn inzichtelijk en voldoende gemotiveerd. De stelling van eiser, dat hij meer beperkt is, is niet met medische stukken onderbouwd. Eiser heeft niet toegelicht in hoeverre het zorgen voor zijn zoon en het hebben van een auto raakt aan de (on)geschiktheid voor werk. Huishoudelijke taken dienen bij de beoordeling van de arbeidsongeschikt buiten beschouwing te blijven. Voor zover er psychische klachten zijn, zijn deze van na de datum in geding. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft het UWV terecht geconcludeerd dat eiser de geselecteerde voorbeeldfuncties kan vervullen. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/2956 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: [gemachtigde]), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: A. van Klaveren-Drost). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van eisers ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 4 december 2023. Eiser is het niet eens met de beëindiging van het ziekengeld. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het ziekengeld terecht heeft beëindigd. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 3 november 2023 heeft het UWV het ziekengeld van eiser per 4 december 2023 (datum in geding) beëindigd. Met het bestreden besluit van 10 april 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank De feiten 3. Eiser heeft gedurende gemiddeld 16,32 uur per week gewerkt als vrachtwagenchauffeur bij zijn voormalig werkgever. Hij is op 13 oktober 2022 uitgevallen voor dit werk wegens gezondheidsklachten. Aan eiser is met ingang van 1 november 2022 ziekengeld toegekend. Na één jaar van arbeidsongeschikt voor zijn arbeid heeft een Eerstejaars Ziektewet-beoordeling plaatsgevonden. Totstandkoming van het (bestreden) besluit 4. Met het besluit van 3 november 2023 is het ziekengeld aan eiser met ingang van 4 december 2023 beëindigd, omdat hij wordt geacht meer dan 65% te kunnen verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd (maatmaninkomen). Aan het besluit ligt een theoretische schatting ten grondslag gebaseerd op een medisch onderzoek van de verzekeringsarts en een arbeidsdeskundig onderzoek van de arbeidsdeskundige. De verzekeringsarts heeft zijn bevindingen vastgelegd in de rapportage van 23 oktober 2023. De verzekeringsarts heeft de medische klachten van eiser vertaald naar functionele beperkingen in de functionele mogelijkheden lijst (FML) van 30 oktober 2023. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat eiser 99,52% kan verdienen van het maatmaninkomen. 4.1. Met het bestreden besluit van 10 april 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Aan het besluit ligt een theoretische schatting ten grondslag gebaseerd op een medisch onderzoek van de bezwaararts bezwaar en beroep (bezwaararts) (geaccordeerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b)) en een arbeidsdeskundig onderzoek van de arbeidsdeskundige b&b. De bezwaararts overweegt in zijn rapportage van 2 april 2024 dat hij aanleiding ziet om de FML op een aantal aspecten aan te scherpen. De arbeidsdeskundige b&b heeft op basis van de gewijzigde FML vastgesteld dat eiser onverminderd 99,52% kan verdienen van het maatmaninkomen. Ingetrokken beroepsgronden 5. Tijdens de zitting heeft eiser zijn beroepsgronden over de geldigheid van de FML en de vraag of de bezwaararts in opleiding is niet langer gehandhaafd. Deze gronden behoeven dan ook geen verdere bespreking. Is eiser meer beperkt? 6. Eiser betoogt – kort gezegd – dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts en bezwaararts is aangenomen. De beperkingen zijn niet juist en niet volledig vastgesteld, aldus eiser. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsarts en bezwaararts zorgvuldig is geweest. Het onderzoek in de primaire fase is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese en een fysiek spreekuur met de verzekeringsarts, die eiser psychisch en lichamelijk heeft onderzocht. De door eiser naar voren gebrachte klachten zijn op een zorgvuldige en duidelijke wijze betrokken bij de medische beoordeling. De bezwaararts heeft kennisgenomen van het dossier en van de in bezwaar nog nader ingebrachte medische stukken van de orthopedisch chirurg en een verwijzing van de huisarts, en van hetgeen op de hoorzitting naar voren is gebracht en deze bij zijn beoordeling betrokken. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de verzekeringsarts en de bezwaararts aspecten van de gezondheidstoestand van eiser hebben gemist. 6.2. De rechtbank is verder van oordeel dat de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaararts geen tegenstrijdigheden bevatten en dat de conclusies van de rapporten over de beperkingen van eiser inzichtelijk en voldoende gemotiveerd zijn. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn stelling, dat hij meer beperkt is, niet met medische stukken heeft onderbouwd. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de beoordeling van de verzekeringsarts en de bezwaararts. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat de stelling dat eiser meer beperkt is, is gebaseerd op haar eigen waarneming en inschatting van de (on)mogelijkheden van eiser. Dat betreft echter geen medisch geobjectiveerde onderbouwing van de beperkingen van eiser. Niet is gebleken, zoals ook tijdens zitting door de gemachtigde is erkend, dat zij deskundig is om de functionele beperkingen van eiser vast te stellen en aan de hand daarvan de geschiktheid van de geduide functies te beoordelen. 6.3. Eiser heeft verder aangevoerd dat ten onrechte in de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaararts niet is opgenomen dat hij van vrijdag tot en met zondag zorgt voor zijn zoon en dat ten onrechte in de rapportages staat dat hij geen auto heeft. Eiser heeft echter niet toegelicht, ook niet tijdens de zitting, in hoeverre dat raakt aan de functionele beperkingen en de (on)geschiktheid voor de geduide functies, zodat deze beroepsgrond daarom al niet slaagt. Daarnaast overweegt de rechtbank dat naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid huishoudelijke taken, opvoeding en verzorging van kinderen, buiten beschouwing dienen te blijven. 6.4. Ook het betoog dat eiser psychische klachten ervaart omdat hij dakloos is geworden en daarom meer beperkingen aangewezen zijn, slaagt niet. Voor zover al sprake zou zijn van psychische klachten als gevolg van dakloosheid, begrijpt de rechtbank dat deze zijn ontstaan vanaf 31 december 2024. Dat is geruime tijd na de datum in geding. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat eisers zorgen omtrent huisvesting veel onrust met zich meebrengen, is het niet relevant voor de beoordeling van de functionele beperkingen van eiser op de datum in geding. Zijn de geduide functies geschikt? 7.