Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-02-23
ECLI:NL:RBGEL:2026:1244
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,701 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:1244 text/xml public 2026-02-27T17:00:27 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-02-23 ARN 21/5526 en ARN 22/4700 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:1244 text/html public 2026-02-19T15:44:52 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:1244 Rechtbank Gelderland , 23-02-2026 / ARN 21/5526 en ARN 22/4700 Handhaving. Last onder dwangsom is terecht beperkt tot interne verbouwing woning. Sprake van een vergunningsvrije uitbouw met onderdeel dat functioneel ondergeschikt is aan hoofdgebouw. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 21/5526 en ARN 22/4700 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaken tussen [eiser] en [eiseres] , uit [plaats] , eisers (gemachtigde: [eiser] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk (gemachtigde: mr. R.A. Oosterveer). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit [plaats] , vergunninghouders (gemachtigde mr. R. Scholten). Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de last onder dwangsom en de afwijzing van een invorderingsverzoek vanwege een verbouwing bij vergunningshouders aan de [locatie] in [plaats] . 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de last onder dwangsom terecht is beperkt tot de verwijdering van de keukenmuur omdat de uitbouw vergunningsvrij is. Omdat voor de verwijdering van de keukenmuur een legaliseringsvergunning verleend, is er geen overtreding meer. Dat betekent dat eisers geen belang meer hebben bij een verdere beoordeling van de last onder dwangsom en de daarbij behorende weigering om de dwangsom in te vorderen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat wat er tussen partijen is gebeurd en onder 3 het procesverloop in deze zaken. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen. Maken eisers misbruik van hun procesrecht? Heeft het college de handhaving kunnen beperken tot de verwijdering van de keukenmuur? Heeft het college het bezwaar van eisers tegen de weigering in te vorderen niet-ontvankelijk kunnen verklaren? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Wat is er gebeurd? 2. Vergunninghouders hebben hun woning in 2021 aan de achterzijde over de volle breedte uitgebouwd. Eisers wonen naast vergunninghouders en zijn het niet eens met deze verbouwing. Aan het begin van de verbouwing in februari 2021 hebben eisers een verzoek om handhaving ingediend bij het college omdat er geen vergunning is verleend voor de verbouwing. Dat verzoek heeft het college in eerste instantie afgewezen maar het college heeft uiteindelijk bij beslissing op bezwaar een last onder dwangsom opgelegd aan vergunninghouders omdat voor de constructieve wijziging van de keukenmuur in de achtergevel een omgevingsvergunning nodig is. Vervolgens hebben vergunninghouders een omgevingsvergunning aangevraagd voor een interne verbouwing in de woning, bedoeld om de constructiewijziging van de keukenmuur te legaliseren. Deze vergunning is op 17 januari 2022 verleend, is door het college in stand gelaten en eisers zijn daartegen in beroep gegaan. Eisers zijn het niet eens met de beslissing op bezwaar over de last onder dwangsom en vinden dat het college moet handhaven voor de gehele uitbouw die volgens eisers niet vergunningsvrij is. Ook gaat het college volgens eisers ten onrechte niet over tot invordering. Procesverloop 3. Op 3 februari 2021 hebben eisers verzocht om handhaving omdat de woning aan de [locatie] zonder omgevingsvergunning wordt verbouwd. 3.1. Op 6 mei 2021 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. 3.2. Bij beslissing op bezwaar van 11 november 2021 (bestreden besluit 1) heeft het college de afwijzing van het handhavingsverzoek herroepen en een last onder dwangsom opgelegd om de verwijdering van de keukenmuur uiterlijk op 23 december 2021 te beëindigen en beëindigd te houden onder een eenmalige dwangsom van € 1.000,-. 3.3. Bij besluit van 22 december 2021 heeft het college de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom verlengd tot 15 maart 2022. Bij beslissing op bezwaar van 11 mei 2022 heeft het college het daartegen ingediende bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard. 3.4. Op 17 januari 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor een interne verbouwing (wijziging constructie) van de woning aan de [locatie] en heeft bij beslissing op bezwaar de vergunning in stand gelaten. Eisers zijn daartegen in beroep gegaan. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard (uitspraak van dezelfde datum met zaaknummer ARN 22/3740). 3.5. Op 5 april 2022 hebben eisers verzocht om uitvoering te geven aan de last onder dwangsom van 11 november 2021. 3.6. Op 5 april 2022 heeft het college het invorderingsverzoek afgewezen. 3.7. Bij beslissing op bezwaar van 17 mei 2022 op de afwijzing om tot invordering over te gaan (bestreden besluit 2), heeft het college het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard omdat met de verleende omgevingsvergunning van 17 januari 2022 de strijdige situatie is beëindigd. 3.8. Eisers hebben in beide zaken beroep ingediend. 3.9. Het college heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend. 3.10. De rechtbank heeft het beroep in beide zaken op 10 december 2024 op zitting behandeld, tegelijkertijd met drie andere zaken over de woning aan de [locatie] in [plaats] (ARN 22/3740, ARN 22/3119 en ARN 22/5907). Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, vergunninghouders en de gemachtigde van vergunninghouders. 3.11. Tijdens de zitting van 10 december 2024 is het onderzoek geschorst om partijen de gelegenheid te geven met elkaar in gesprek te gaan via mediation. 3.12. De zaak met zaaknummer ARN 22/3119 (beroep tegen verlenging van de begunstigingstermijn) is door eisers ingetrokken. 3.13. De rechtbank heeft de beroepen in beide zaken op 22 oktober 2025 opnieuw op zitting behandeld, tegelijkertijd met de andere zaken over de woning aan de [locatie] in [plaats] (ARN 22/3740 en ARN 22/5907). Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [persoon A] namens het college en de gemachtigde van het college, vergunninghouders en de gemachtigde van vergunninghouders. Beoordeling door de rechtbank Ontvankelijkheid 4. De rechtbank beoordeelt eerst of eisers ontvankelijk zijn in hun beroepen tegen beide besluiten op bezwaar. Maken eisers misbruik van hun procesrecht? 5. Het college betoogt dat eisers misbruik van hun procesrecht maken en dat zij daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun beroepen. De juridische strijd tussen eisers en vergunninghouders duurt al enkele jaren. Ooit ontstaan over zorgen over de verbouwing van hun buren maken eisers tegen ieder besluit bezwaar. Het college vindt dat er inmiddels na 20 procedures bij het college, waarvan slechts een ingetrokken, en vijf bij de rechtbank sprake is van het evident aanwenden van procesrechten zonder redelijk doel. Deze onredelijkheid klemt te meer omdat eisers niet de moeite hebben genomen om persoonlijk in gesprek te gaan met vergunninghouders of het college ondanks meerdere verzoeken daartoe. 5.1. Eisers verweren zich en stellen zich op het standpunt dat zij hun veiligheid bewaken en dat is geen misbruik van recht. De drempel voor het aannemen van misbruik van recht is hoog. Het handhavingsverzoek van eisers heeft ertoe geleid dat er een legalisatievergunning is verleend. Elke zaak heeft een legitiem doel. 5.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is geen beroep bij de bestuursrechter mogelijk als de bevoegdheid om beroep in te stellen wordt misbruikt.
Volledig
Daarvoor zijn zwaarwegende gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn als rechten of bevoegdheden overduidelijk zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. 5.3. De rechtbank beoordeelt in deze twee zaken of er sprake is van misbruik van recht. Zoals eisers hebben aangegeven zijn zij als directe buren de procedures gestart vanuit hun bezorgdheid over de veiligheid van hun aangrenzende woning en hun perceel. Dat is geen onredelijk of onaannemelijk doel. Ook heeft het handhavingsverzoek van eisers ertoe geleid dat er een aanvraag is gedaan voor een omgevingsvergunning voor de verwijdering van de keukenmuur. De rechtbank acht eisers daarom ontvankelijk in hun beroepen. Inhoudelijke beoordeling 6. De rechtbank beoordeelt de beslissingen over de handhaving (de bestreden besluiten 1 en 2, zie onder 3.2 en 3.7) aan de hand van de beroepsgronden van eisers. In de zaak met zaaknummer ARN 21/5526, het beroep tegen bestreden besluit 1 (last onder dwangsom): Heeft het college de handhaving kunnen beperken tot de verwijdering van de keukenmuur? 7. Eisers betogen dat de last onder dwangsom ten onrechte is beperkt tot de verwijdering van de keukenmuur. Het college had ook moeten handhaven tegen de uitbouw als geheel omdat de uitbouw dieper is dan de vergunningsvrije vier meter op het achtererf. Een gedeelte van de uitbouw is ongeveer vijf meter diep omdat eisers de bestaande berging bij de uitbouw hebben betrokken en gebruiken als kantoorruimte. Ten onrechte handhaaft het college niet tegen de gehele uitbouw. 7.1. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat de uitbouw vergunningsvrij is. Binnen vier meter vanaf het hoofdgebouw kan vergunningsvrij worden uitgebouwd. Het college heeft vastgesteld dat de uitbouw niet verder dan vier meter van het hoofdgebouw is gerealiseerd. Voor zover eisers stellen dat de bestaande berging bij de uitbouw is betrokken waardoor de uitbouw dieper is dan vier meter, oordeelt de rechtbank dat voldoende is komen vast te staan dat deze berging ten tijde van het bestreden besluit nog steeds werd gebruikt als berging. Zelfs in het geval dat ervan uitgegaan moet worden dat de berging bij de uitbouw hoort, dan nog is het geheel vergunningsvrij omdat de berging functioneel ondergeschikt is aan het hoofgebouw. Daarbij merkt de rechtbank op dat de berging door vergunninghouders is gehandhaafd omdat eisers geen toestemming hebben gegeven de berging – onderdeel van een gezamenlijk (mandelig) bouwwerk van eisers en vergunninghouders – af te breken. 7.2. Nu vaststaat dat de uitbouw vergunningsvrij is, heeft het college de handhaving kunnen beperken tot de onder 3.2 genoemde last onder dwangsom. De beroepsgrond slaagt niet en het beroep is ongegrond. In de zaak met zaaknummer ARN 22/4700, het beroep tegen bestreden besluit 2 (invordering): Heeft het college het bezwaar van eisers tegen de weigering in te vorderen niet-ontvankelijk kunnen verklaren? 8. Eisers betogen dat hun bezwaar tegen de weigering de dwangsom in te vorderen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Eisers vinden dat zij belang hebben bij het besluit omdat zij van mening zijn dat de overtreding niet anders teniet kan worden gedaan dan door terugplaatsing van de keukenmuur. Het verlenen van een omgevingsvergunning volstaat niet. Het college heeft de last onder dwangsom verder niet ingetrokken of herroepen en gelet op de beginselplicht tot handhaving moet het college de opgelegde sanctie effectueren. Daarnaast bestaat het belang van eisers uit het belang bij een proceskostenvergoeding. 8.1. Volgens het tweede lid van artikel 5:37 van de Algemene wet bestuursrecht geeft het college een beschikking over de invordering van de dwangsom, als een belanghebbende daarom verzoekt. Volgens vaste rechtspraak is procesbelang het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. 8.2. De rechtbank is van oordeel dat het college zich in het bestreden besluit 2 terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers geen belang hebben bij het besluit tot weigering de dwangsom in te vorderen omdat de overtreding is beëindigd door de verleende omgevingsvergunning van 17 januari 2022 ter legalisering van de interne verbouwing (wijziging constructie) van de woning. Weliswaar was de omgevingsvergunning op het moment van het bestreden besluit 2 van 17 mei 2022 nog niet onherroepelijk, maar de vergunning leidt er wel toe dat de last onder dwangsom is uitgewerkt omdat er geen sprake meer is van een overtreding. De omgevingsvergunning is bij uitspraak van dezelfde datum door de rechtbank in stand gelaten (zaaknummer ARN 22/3740). Met die in stand gelaten omgevingsvergunning is het beoogde doel van de last onder dwangsom bereikt, namelijk beëindiging van de overtreding. De beroepsgrond slaagt niet en het beroep is ongegrond. Conclusie en gevolgen 9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de beslissingen van het college over de handhaving ongewijzigd in stand blijven. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:128 onder 4.1. Op grond van artikel 2 aanhef en derde lid, onder a van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Artikel 2 aanhef en derde lid, onder b en onder 2° van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. ABRvS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:227 onder 8.1.