Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-02-18
ECLI:NL:RBGEL:2026:1069
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/1264 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB (gemachtigde: mr. J.G. Starreveld). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over eisers verzoek om herziening van de berekening van het aantal verzekerde jaren in het kader van de toekenning van zijn AOW -pensioen in het besluit van 24 september 2019. Eiser is het niet eens met de afwijzing van het verzoek om herziening, die de SVB in het besluit op bezwaar heeft gehandhaafd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de SVB eisers verzoek om herziening terecht heeft afgewezen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB eisers verzoek om herziening van het aantal verzekerde jaren voor de AOW terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Bij besluit van 24 oktober 2024 heeft de SVB het verzoek van eiser om herziening van het besluit van 24 september 2019, waarbij aan hem een AOW-uitkering van 92% van het volledige AOW-pensioen is toegekend, afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 februari 2025 op het bezwaar van eiser is de SVB bij dat besluit gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de SVB deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Feiten 3. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en is op [geboortedatum] 1953 in Suriname geboren. Hij heeft zich op 10 augustus 1974 in Nederland gevestigd. Met ingang van 3 december 2019 heeft hij recht op een ouderdomspensioen op grond van de AOW. Totstandkoming van het bestreden besluit 4. Op 21 augustus 2009 heeft eiser een pensioenoverzicht ontvangen, waarin is vermeld dat als eiser tot zijn 65e jaar verzekerd blijft, hij 86% zal ontvangen van het volledige AOW-pensioen. Niet gebleken is dat eiser daartegen rechtsmiddelen heeft aangewend. 4.1. Bij pensioenoverzicht van 29 maart 2019 is aan eiser meegedeeld dat als hij verzekerd blijft, hij op zijn AOW-leeftijd een opbouw van 90% bereikt van het volledige AOW-pensioen. Tegen dit pensioenoverzicht heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 14 mei 2019 is eisers bezwaar gegrond verklaard en is bepaald dat eiser, bij ongewijzigde omstandigheden, een opbouw van 92% van het volledige AOW-pensioen bereikt. 4.2. Bij besluit van 24 september 2019 is eiser geïnformeerd dat hij vanaf zijn AOW-leeftijd op 3 december 2019 een AOW-pensioen krijgt van 92% van het volledige AOW-pensioen. 4.3. Bij besluit van 17 juli 2024 is aan eiser een eenmalig bedrag voor Nederlandse ouderen van Surinaamse herkomst ter hoogte van € 5.000 toegekend. 4.4. Op 6 september 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het niet toekennen van de volledige AOW-uitkering. Tijdens een telefoongesprek heeft de SVB met eiser afgesproken dat het bezwaar van 6 september 2024 wordt opgevat als een verzoek om herziening van het besluit van 24 september 2019. 4.5. Bij besluit van 24 oktober 2024 heeft de SVB eisers verzoek om herziening van het besluit van 24 september 2019 afgewezen, omdat eiser geen nieuwe gegevens of situaties heeft genoemd en de SVB ook geen verkeerde beslissing heeft genomen. 4.6. Bij besluit op bezwaar van 20 februari 2025 is de SVB bij haar standpunt gebleven en heeft de SVB eisers bezwaar ongegrond verklaard. Bestreden besluit 5. Aan het bestreden besluit heeft de SVB ten grondslag gelegd dat de door eiser in bezwaar genoemde feiten en omstandigheden geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn, die van invloed zijn op een wijziging in eisers recht op AOW. 5.1. Eiser voert in beroep aan dat wel sprake i 7.1.1 In de AOW als volksverzekering, is niet de Nederlandse nationaliteit, maar ingezetenschap bepalend bij de vraag of iemand behoort tot de kring van verzekerden. Ingezetene in de zin van de AOW is degene, die in Nederland woont. Het minimaal een jaar verzekerd zijn geweest is naast het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een voorwaarde voor het recht op AOW-pensioen. De hoogte van het AOW-pensioen is afhankelijk van het aantal verzekerde jaren dat is opgebouwd. Dit was in 2024 zo, toen het besluit werd genomen waarvan eiser herziening vraagt en dit is nog steeds zo. Het Tijdelijk besluit en de implicaties daarvan brengen hierin geen verandering voor de Nederlandse ouderen die, zoals eiser, geen volledige uitkering op grond van de AOW hebben opgebouwd. Het Tijdelijk besluit is (ook) daarom geen nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. 7.2 Eiser heeft verder nog gerefereerd aan recente signalen over mogelijk op handen zijnde wijzigingen in de AOW. Hij heeft daarbij gewezen op een motie over een onverplichte tegemoetkoming voor de groep van Nederlandse ouderen van Surinaamse herkomst, die voor de onafhankelijkheid van Suriname naar Nederland zijn verhuisd en die geen volledige uitkering op grond van de AOW hebben opgebouwd. 7.2.1. De rechtbank stelt vast dat deze motie uit oktober 2020 dateert van vóór de totstandkoming van het Tijdelijk besluit. Met de inwerkingtreding van het Tijdelijk besluit op 1 juni 2024 en het gebaar van erkenning, waarmee in het Tijdelijk besluit wordt voorzien, was er ten tijde van het besluit van 24 september 2019 en ook ten tijde van het bestreden besluit geen sprake van op handen zijnde wijzigingen in de AOW. Reeds om die reden vormt deze motie geen nieuw feit of veranderde omstandigheid. 7.3. Gelet op wat hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de SVB zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, waaruit zou voortvloeien dat eiser verzekerd was in de periode waarover de SVB eiser niet als verzekerd heeft aangemerkt en in verband waarmee de SVB een korting op het AOW-pensioen heeft berekend. Ook is de rechtbank van oordeel dat de voorbereiding zorgvuldig heeft plaatsgevonden, mede gelet op het telefonisch contact dat de SVB met eiser heeft gelegd, zowel in de primaire fase op 18 oktober 2024, als in bezwaar op 1 en 6 november 2024. 8. Eiser stelt zich ook op het standpunt dat de afwijzing van zijn herzieningsverzoek evident onredelijk is. 8.1. Bij de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is, gaat het erom of niet terugkomen van het oorspronkelijke besluit, hier het besluit van 24 september 2019, evident onredelijk is. Dit kan het geval zijn als dat besluit ten tijde van het nemen ervan onmiskenbaar onjuist was. Van onmiskenbare onjuistheid is sprake als bij oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek al blijkt dat het oorspronkelijke besluit onjuist is. 8.2. Volgens eiser is het besluit van 24 september 2019 onmiskenbaar onjuist, omdat hij, deel uitmakend van de groep van Surinaamse ouderen die voor de onafhankelijkheid naar Nederland zijn verhuisd, ongelijk wordt behandeld ten opzichte van ouderen die altijd in Nederland hebben gewoond. 8.2.1. De rechtbank stelt vast dat dat het verschil tussen beide groepen wordt veroorzaakt door toepassing van de regels van de AOW die terug te voeren zijn op ingezetenschap en verzekerde jaren, waardoor van gelijke gevallen die gelijk behandeld moeten worden geen sprake is. Aan dit verschil ligt een bewuste keuze van de wetgever ten grondslag voor de regels die zijn opgenomen in de AOW en die keuze is met de komst van het Tijdelijk besluit, zoals hierboven in 7.1.1. al is overwogen, niet gewijzigd. Eiser wordt behandeld, zoals iedereen uit de groep waartoe hij behoort. 8.3. Ook beroept eiser zich in dit verband op ongelijke behandeling van de groep van Surinaa