Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-11-10
ECLI:NL:RBGEL:2025:9471
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bodemzaak
3,818 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaakgegevens: C/05/456637 / FZ RK 25-2232
Datum uitspraak: 10 november 2025
beschikking hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie
in de zaak van
[naam moeder]
, hierna de moeder,
wonende te [woonplaats moeder] ,
advocaat mr. W.H. Boer te Heerde
tegen
[naam vader]
, hierna de vader,
wonende te [woonplaats vader] ,
advocaat mr. S. Rahimzadeh te Amsterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift van de moeder, ingekomen op 8 september 2025;
- het verweerschrift van de vader en zelfstandige verzoeken, ingekomen op 22 oktober 2025.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 27 oktober 2025 zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. W.H. Boer;
- de vader, bijgestaan door mr. S. Rahimzadeh;
- een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De advocaat van de moeder heeft een pleitnota voorgedragen; deze behoort tot de processtukken.
1.3.
Het verzoek is tegelijk behandeld met het kort geding over nakoming van de
zorgregeling en een contact- en locatieverbod (zaaknummer: C/05/456501 /
KZ ZA 25-147).
Feiten
2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij hebben samen een zoon: [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] .
2.3.
De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
2.4.
Partijen hebben na het verbreken van hun relatie enige tijd uitvoering gegeven aan een regeling waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:
in de even weken van woensdagochtend 9.00 uur tot woensdagavond 18.00/19.00 uur en van vrijdagmiddag 13.00 uur tot maandagmiddag 14.00 uur, en
in de oneven weken van woensdagmiddag 13.00 uur tot donderdagmiddag 14.00 uur.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;
vast te stellen een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. de eerder door partijen uitgevoerde regeling te wijzigen, in die zin dat [minderjarige] één keer per veertien dagen op een in overleg met de hulpverlening te bepalen dag 2 uur contact heeft met de vader onder begeleiding van een professionele hulpverlener op een door die hulpverlener te bepalen plaats en dat uitbreiding van deze regeling uitsluitend na overleg tussen partijen en een positief advies van de betrokken hulpverlening kan plaatsvinden, waarbij de betrokken hulpverlening de veiligheid van [minderjarige] en de moeder steeds voorop stelt;
te bepalen dat de vader met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] per maand bij vooruitbetaling zal voldoen het bedrag van € 400.
3.2.
De vader voert verweer en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de verzoeken van de moeder onder b en c af te wijzen;
II. een zorgregeling vast te stellen zoals verzocht onder randnummer 43 t/m 46 van het verweerschrift, dan wel een zorgregeling vast te stellen waarbij sprake is van een co-ouderschap, dat wil zeggen een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedtaken;
III. te bepalen dat de moeder in de tussentijd gehouden is de zorgregeling na te komen, zoals tussen partijen overeengekomen en door de vader is verwoord onder randnummer 4 van het verweerschrift, bij gebreke waarvan zij een dwangsom zal zijn verschuldigd aan de vader van € 1.000 per keer dat zij de regeling niet nakomt, met een maximum van € 50.000.
Beoordeling
Hoofdverblijfplaats
4.1.
De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vaststellen bij de moeder zoals zij heeft verzocht. De vader verzet zich hier niet tegen.
Zorgregeling
4.2.
De ouders zijn het niet eens over hoe het contact tussen [minderjarige] en de vader eruit moet zien. Dat betekent dat de rechtbank hier een beslissing over zal nemen.
Vaststelling of wijziging?
4.3.
De ouders zijn het er niet over eens of er in deze procedure sprake is van een eerste vaststelling van een zorgregeling of van een wijziging van een bestaande regeling. Volgens de vader zijn de ouders de regeling zoals vermeld in 2.4 overeengekomen bij de mediator. Hij wenst dan ook nakoming van deze regeling tot is toegewerkt naar een co-ouderschap. De moeder stelt dat er geen definitieve afspraken zijn gemaakt bij de mediator en dat de regeling slechts een probeersel was. Bovendien acht zij de regeling niet meer uitvoerbaar en niet meer in het belang van [minderjarige] vanwege het gedrag van de vader.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat de ouders enkele maanden uitvoering hebben gegeven aan een regeling met een vaste structuur. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor kan worden vastgesteld dat de ouders een regeling zijn overeengekomen, ook al zijn er geen schriftelijke afspraken. De rechtbank zal het verzoek over de zorgregeling dan ook beoordelen als een verzoek om de huidige regeling te wijzigen.
Voorlopige regeling
4.5.
De rechtbank zal de bestaande regeling wijzigen en een voorlopige zorgregeling vaststellen, inhoudende dat er tussen de vader en [minderjarige] één keer per week begeleide omgang is via Humanitas, gedurende 1-2 uur per keer, waarbij de regie over de uitbreiding in vorm, duur en frequentie bij Humanitas of het Centrum Jeugd en Gezin (of een soortgelijke instantie) ligt en waarbij de ouders elkaar tijdens de overdracht niet treffen. De rechtbank zal uitleggen waarom.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, waardoor de oude regeling niet langer in stand kan blijven. Er is sprake van incidenten waardoor de moeder zich onveilig voelt door uitspraken en gedragingen van de vader. Er is inmiddels een locatie en contact verbod uitgesproken. Bovendien heeft de vader [minderjarige] op 25 augustus 2025 voor het laatst gezien. De oude regeling is hierdoor niet langer in het belang van Jeavenley.De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vader onder III, dat ziet op nakoming op straffe van verbeurte van een dwangsom, af.
4.7.
De rechtbank noemt enkele omstandigheden die de moeder heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar gevoel van onveiligheid in relatie tot de vader. Deze omstandigheden worden ook genoemd in het vonnis in kort geding van 10 november 2025:
In mei 2025 heeft de moeder een voicerecorder in de tas van hun zoon gevonden. In diezelfde periode laat de vader weten dat hij zich heeft aangemeld voor een euthanasietraject en hij stuurt de moeder een bericht waarin hij schrijft ‘nu begin ik te snappen dat mannen soms hun ex wat aan doen door die vieze actie en dan geef ik ze gelijk in’. De vader wordt zonder reden bij haar in de straat gesignaleerd. Met het CJG en Veilig Thuis zijn vervolgens op 14 juli 2025 veiligheidsafspraken gemaakt, maar deze afspraken heeft de vader direct overtreden door de moeder na het gesprek achterna te rijden. Veilig Thuis schrijft daarover: ‘ [vader] helaas lukte het je niet om na de afspraak, aan onze veiligheidsvoorwaarde te houden. We zagen dat je [moeder] benaderde en achterna reed, dit is niet de afspraak die we net gezamenlijk hebben gemaakt.’
Op 30 augustus 2025 treft de moeder een verborgen camera aan in het achterpad bij haar woning, met een powerbank die de moeder na de relatiebreuk in de woning waar de vader bleef wonen heeft achtergelaten.
De moeder heeft op 10 september 2025 aangifte gedaan van stalking, mishandeling en bedreiging. Uit de overgelegde aangifte blijkt het volgende:
‘opmerking verbalisant:
Ten tijden van het opnemen van de aangifte werd verbalisant en aangever gestoord door collega’s. Deze collega’s gaven aan dat zij [vader] ten tijde van aangevers aanwezigheid op het politiebureau meerdere keren langs hebben zien rijden. Collega’s hebben [vader] vervolgens staande gehouden en een stopgesprek met [vader] gevoerd. Ook is de auto van aangever onderzocht op eventuele trackers/bakens.’
De vader heeft verder erkend dat hij ook nog na dit stopgesprek - en tot kort voor de mondelinge behandeling van deze zaak - in de buurt van de woning van de moeder is geweest. De moeder is inmiddels aangesloten op het AWARE-systeem van Moviera en het adres van haar ouders heeft een AOL-status gekregen. De politie schat het risico op stalking in als ‘hoog’.
4.8.
De vader erkent dat hij zaken niet handig heeft aangepakt, maar ontkent dat er sprake is van stalking of bedreiging. Hij benoemt dat hij moeite heeft met de relatiebreuk en dat hij, na het stoppen van de omgang, de moeder uit onmacht te vaak heeft opgezocht. De vader legt de oorzaak en aanleiding van zijn grensoverschrijdende gedrag hiermee bij de moeder. Zij is immers degene die de zorgregeling heeft stopgezet. De rechtbank volgt de vader niet in deze verklaring voor zijn gedrag, omdat de moeder voldoende voorbeelden heeft genoemd van grensoverschrijdend gedrag dat heeft plaatsgevonden vóór het stoppen van de omgang. Zo zijn in juli al veiligheidsafspraken gemaakt met Veilig Thuis, welke afspraken door de vader direct zijn overtreden. Pas in augustus is de zorgregeling stopgezet door de moeder.
4.9.
De vader en [minderjarige] hebben recht op contact met elkaar, dat is ook niet in geschil, maar dat contact moet wel kunnen plaatsvinden op een manier die fysiek en emotioneel veilig is voor zowel de moeder als [minderjarige] . Dit betekent dat de rechtbank een voorlopige regeling zal vaststellen waarbij het contact onder begeleiding van een professionele instantie moet plaatsvinden, zodat er zicht is op de interactie tussen [minderjarige] en de vader en zicht is op het emotionele welzijn van [minderjarige] , die ongetwijfeld iets meekrijgt van de spanning in het contact tussen zijn ouders. Daarnaast dient de begeleide instantie te zorgen voor een overdracht waarbij de moeder niet geconfronteerd wordt met de vader, bijvoorbeeld door een overdracht in verschillende tijdsblokken af te spreken of door [minderjarige] te laten halen en te laten terugbrengen door een derde. De communicatie en afstemming over de concrete bezoektijden zal via de begeleidende instantie moeten verlopen. Het in het vonnis van 10 november 2025 opgelegde contact- en locatieverbod staat op die manier niet in de weg aan het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. Deze regeling sluit aan bij het advies van de Raad om het contact tussen de vader en [minderjarige] te herstellen ten behoeve van de hechting, maar wel in een veilige setting en onder regie van Humanitas / het Centrum Jeugd en Gezin (CJG). Indien de begeleide regeling niet goed verloopt of het gedrag vanuit de vader richting de moeder niet verandert, dan acht de Raad een onderzoek wenselijk.
De moeder heeft aangeboden de vader wekelijks een mail te sturen om hem op de hoogte te houden over [minderjarige] . De rechtbank heeft met ouders besproken dat de vader daar vanwege het contactverbod niet op mag reageren
4.10.
De rechtbank houdt de beslissing over de definitieve zorgregeling aan voor de duur zes maanden, dus tot 6 mei 2026 (pro forma).
Dictum
De rechtbank:
5.1.
stelt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , vast bij de moeder;
5.2.
wijzigt de zorgregeling en stelt een voorlopige zorgregeling vast, inhoudende dat tussen de vader en [minderjarige] één keer per week begeleide omgang is via Humanitas (of een soortgelijke instantie), gedurende 1-2 uur per keer, waarbij de regie over de uitbreiding in vorm, duur en frequentie bij Humanitas of het Centrum Jeugd en Gezin (of een soortgelijke instantie) ligt en waarbij de communicatie via de begeleidende instantie verloopt en de ouders elkaar tijdens de overdracht niet treffen;
5.3.
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de beslissing over de definitieve zorgregeling aan tot 6 mei 2026 (pro forma), met het verzoek aan de advocaten om de rechtbank en de Raad uiterlijk op die datum te informeren over:
het verloop van de begeleide regeling;
de gewenste voortgang in de procedure. Indien een nieuwe mondelinge behandeling wordt gewenst, dienen verhinderdata over de daarop volgende drie maanden te worden meegestuurd;
5.5.
verleent de vader een verweertermijn ten aanzien van het alimentatieverzoek van 4 weken, dus tot 8 december 2025 en houdt de beslissing voor het overige aan zoals vermeld onder 4.11.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.E.H. Bovy, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Cox-Weber als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2025.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.