Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-10-24
ECLI:NL:RBGEL:2025:9055
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,364 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:9055 text/xml public 2026-03-23T13:42:23 2025-10-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-10-24 05/319694-22; 96/120333-21 (tul) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:9055 text/html public 2026-03-19T15:38:19 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:9055 Rechtbank Gelderland , 24-10-2025 / 05/319694-22; 96/120333-21 (tul) Veroordeling wegens artikel 6 WVW en weigeren meewerken bloedonderzoek tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 1 jaar en een taakstraf van 120 uren. Vrijspraak voor rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/319694-22; 96/120333-21 (tul) Datum uitspraak : 24 oktober 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] . Raadsman: mr. A.W. Syrier, advocaat in Utrecht. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 17 mei 2024 en 10 oktober 2025. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 6 mei 2022 te Nijmegen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, het fietspad parallel gelegen aan de Griftdijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl hij verkeerde onder invloed van een hoeveelheid alcohol en/of (een) andere stof(fen), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik de rijvaardigheid kon verminderen, als bestuurder van een motorrijtuig en/of komende vanuit de weg, de Volsellastraat, de kruising met de weg, de Griftdijk, is overgereden en/of (vervolgens) rechtsaf het fietspad, parallel gelegen aan de Griftdijk, is opgereden en/of (daarbij) tegen het verkeer is ingereden en/of (vervolgens) frontaal op/tegen een hem tegemoetkomende en/of zeer dicht genaderde medeweggebruiker is gebotst en/of gereden, waardoor een ander ( [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 06 mei 2022 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig (snorfiets), daarmee rijdende op de weg, het fietspad parallel gelegen aan de Griftdijk, tegen het verkeer is ingereden en/of (vervolgens) frontaal op/tegen een hem tegemoetkomende en/of zeer dicht genaderde medeweggebruiker is gebotst en/of gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; 2. hij op of omstreeks 6 mei 2022 te Nijmegen, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een snorfiets (v.v.k. [nummer] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend; 3. hij op of omstreeks 6 mei 2022 te Nijmegen terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten AM, B, C, C1, D en/of D1, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Weg, als bestuurder een motorrijtuig, (snorfiets), van die categorie of categorieën heeft bestuurd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 6 mei 2022 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden in Nijmegen tussen een snorfiets en een fietser, [slachtoffer] . De bestuurder van de snorfiets reed vanuit de richting van de Volsellastraat over de kruising met de Griftdijk, rechtsaf het fietspad parallel gelegen aan de Griftdijk op, tegen het verkeer in. Daar botste de snorfiets frontaal tegen de hem tegemoetkomende fietser [slachtoffer] . Er zaten twee personen op de snorfiets tijdens het ongeval, waaronder verdachte. [slachtoffer] heeft als gevolg van dit ongeval onder meer een hersenschudding opgelopen. Feit 1 – schuld aan verkeersongeval Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Bewezen kan worden dat verdachte de bestuurder van de snorfiets was. De officier van justitie is uitgegaan van de schuldgradatie aanmerkelijke schuld. Verdachte was namelijk onder invloed, verleende geen voorrang en reed tegen het verkeer in. De verkeerssituatie ter plaatse moet voor verdachte duidelijk zijn geweest. Daarmee is volgens de officier van justitie sprake van aanmerkelijke schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Het letsel van [slachtoffer] geldt als letsel dat hem tijdelijk verhinderde bij de uitoefening van zijn normale bezigheden. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de bestuurder van de snorfiets was. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij achterop zat en dat [kentekenhouder] , tevens de kentekenhouder van de snorfiets, de bestuurder was. De verklaring van [kentekenhouder] is volgens de verdediging niet betrouwbaar, nu [kentekenhouder] geen aangifte of melding heeft gedaan van zijn verdwenen snorfiets. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Hiertoe is aangevoerd dat het dossier weinig informatie bevat over de situatie ter plaatse en de toedracht van het ongeval, dat een enkele fout dan wel een kort moment van onoplettendheid onvoldoende is voor schuld en dat het voor de bestuurder niet duidelijk was dat het verboden was om rechtsaf te slaan. Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit dat er onvoldoende bewijs is voor het rijden onder invloed. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit. Beoordeling door de rechtbank Bestuurder van de snorfiets Verdachte heeft verklaard dat hij niet de bestuurder van de snorfiets is geweest, maar achterop zat. Hij wijst [kentekenhouder] , de eigenaar van de snorfiets, aan als bestuurder. [kentekenhouder] zou na het ongeval zijn weggelopen. De rechtbank ziet zich daarom allereerst voor de vraag gesteld of verdachte de bestuurder van de snorfiets was ten tijde van het verkeersongeval. De rechtbank overweegt als volgt. Op 6 mei 2022 kwamen verbalisanten, na een melding van een verkeersongeval, aan op de Griftdijk in Nijmegen. Daar troffen zij twee mannen aan: [slachtoffer] en verdachte. Ter plaatse verklaarde verdachte dat hij vanaf de Terralaan kwam, rijdende in de richting van de Griftdijk. Hij gaf direct aan dat de andere partij schuldig was aan het ongeval.
Volledig
[slachtoffer] verklaarde dat hij er zeker van is dat verdachte als bestuurder op de snorfiets reed. De persoon die achterop had gezeten, was weggelopen de wijk in. Ter plaatse zagen de verbalisanten in het politiesysteem dat [kentekenhouder] had gemeld dat zijn snorfiets weg was. In oktober 2022 verklaarde [slachtoffer] opnieuw dat hij met zekerheid kan zeggen dat de op 6 mei 2022 ter plaatse aangehouden persoon [rb: verdachte] de bestuurder van de snorfiets was. Hij schatte dat de bestuurder ongeveer 45 jaar oud was. In januari 2025 verklaarde [slachtoffer] nogmaals dat de bijrijder de wijk in was gelopen en dat de bestuurder bij hem was achtergebleven. [kentekenhouder] heeft verklaard dat hij niet bij het verkeersongeval is geweest. Hij was thuis aan het revalideren van een nieuwe knie en heup. Verdachte verbleef enige tijd in de woning van [kentekenhouder] . [kentekenhouder] verklaarde dat verdachte zijn snorfiets zonder toestemming had meegenomen en toen twee of drie weken is weggebleven. [kentekenhouder] was ten tijde van het ongeval 65 jaar oud. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat verdachte ten tijde van het ongeval de bestuurder van de snorfiets was. Het staat vast dat verdachte ten tijde van het verkeersongeval op de snorfiets zat. Verder is [slachtoffer] meermalen gehoord, waaronder kort na het ongeval. Hij heeft telkens verklaard dat het verdachte was die de snorfiets bestuurde. Bovendien was verdachte ten tijde van het ongeval 46 jaar oud, wat past bij de door [slachtoffer] geschatte leeftijd van de bestuurder. Het alternatieve scenario van de verdediging dat niet verdachte, maar [kentekenhouder] de bestuurder is geweest, is niet aannemelijk geworden. [kentekenhouder] heeft verklaard dat hij niet bij het verkeersongeval aanwezig was en dat verdachte zijn snorfiets had meegenomen. Bovendien was [kentekenhouder] ten tijde van het ongeval 20 jaar ouder dan de geschatte leeftijd van de bestuurder. De rechtbank acht de verklaring van [kentekenhouder] geloofwaardig, nu deze wordt ondersteund door de melding die hij heeft gedaan van de vermissing van de snorfiets. Voorwaardelijk verzoek verdediging Indien de verklaringen van [kentekenhouder] en [slachtoffer] worden gebruikt voor het bewijs en dit tot een veroordeling zou leiden, verzoekt de raadsman (voorwaardelijk) de behandeling van de zaak aan te houden en een fotoconfrontatie te gelasten, waarbij [slachtoffer] geconfronteerd wordt met foto’s van verdachte en van [kentekenhouder] . De officier van justitie heeft zich hiertegen verzet, nu [kentekenhouder] heeft ontkend bij het ongeval aanwezig te zijn geweest, een dergelijke confrontatie vier jaar na dato in het algemeen niet veel zal opleveren voor het bewijs en het feit dat [slachtoffer] reeds op verschillende momenten heeft bevestigd dat de juiste persoon is aangehouden. De rechtbank wijst dit voorwaardelijk verzoek af omdat het niet noodzakelijk is. Het tijdsverloop sinds het ongeval brengt mee dat de uitkomst van een dergelijke confrontatie niet betrouwbaar zou zijn. Onder invloed Verdachte heeft verklaard dat hij voor het ongeval een half jointje had gerookt en tweederde van een pilsje in een blik van een halve liter had gedronken. Na het ongeval is bij verdachte een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht verricht. De uitslag van de voorlopige ademanalyse was de alcoholindicatie ‘A’. Bij verdachte is ook een speekseltest afgenomen. Verdachte testte daarbij positief op cocaïne en cannabis. De verbalisanten namen de volgende kenmerken waar bij verdachte: opgedroogd speeksel, slikken, lippen bevochtigen, agressief en snel geïrriteerd. Verdachte weigerde mee te werken aan een bloedonderzoek. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van alcohol en drugs het inschattings- en reactievermogen vermindert. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte, ondanks zijn weigering aan medewerking van een bloedonderzoek, ten tijde van het ongeval verkeerde onder invloed van alcohol en andere stoffen, namelijk cocaïne en cannabis, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het de rijvaardigheid kon verminderen. Verder stelt de rechtbank vast dat verdachte na het ongeval niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, zesde lid van de WVW. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed was, maar dat niet is komen vast te staan dat verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 WVW. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte onder zodanige invloed van alcohol en andere stoffen verkeerde, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. De rechtbank spreekt verdachte daarom van dit onderdeel uit de tenlastelegging vrij. Schuld in de zin van art. 6 WVW: verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, moet sprake zijn van een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid, onoplettendheid of onachtzaamheid. Daarbij moet worden gekeken naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarnaast geldt dat niet alleen uit de ernst van de gevolgen kan worden afgeleid dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Een enkel moment van onoplettendheid is over het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld. Uit de rechtspraak kan desondanks niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 WVW in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt (vgl. Hoge Raad 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398). Op grond van de eerder genoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte, als bestuurder van een snorfiets en onder invloed van drugs en alcohol, vanaf de Volsellastraat de Griftdijk is overgestoken en het daaraan parallel gelegen fietspad is opgegaan. In plaats van gevolg te geven aan de aldaar geldende rijrichting en linksaf te slaan, sloeg verdachte rechtsaf en reed hij tegen het verkeer in. De rechtbank stelt vast dat verdachte hiermee bovendien geen voorrang heeft verleend aan de voor hem van rechts komende fietser [slachtoffer] . Hij is immers het fietspad opgereden en tegen [slachtoffer] gebotst. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag. Het rijgedrag van verdachte is bovendien verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig. De rechtbank overweegt dat het de verantwoordelijkheid van bestuurders is dat zij bekend zijn met de geldende verkeersregels ter plaatse. Bovendien blijkt uit de situatieschets dat aan beide kanten van de weg fietspaden waren, die niet door een middenstreep waren onderverdeeld in weghelften. Verdachte had hierdoor moeten weten dat dit geen tweerichtingsfietspaden waren en dat hij niet rechtsaf mocht slaan. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat verdachte verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en dat het verkeersongeval aan zijn schuld in de zin van artikel 6 WVW te wijten is. Het lichamelijk letsel van het slachtoffer [slachtoffer] heeft een hersenschudding opgelopen. Hij heeft zich na de aanrijding op 6 mei 2022 vanwege de hoofdpijn ziekgemeld en heeft in totaal vijf weken niet kunnen werken. Daarna heeft hij zijn werkuren geleidelijk opgebouwd, totdat hij in september 2022 weer zijn normale werkweek van 40 uur werkte. De rechtbank is van oordeel dat het letsel van [slachtoffer] niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Wel is, mede gelet op de aard van het letsel en de duur van de genezing, sprake geweest van verhindering in de uitvoering van zijn normale bezigheden.
Volledig
Conclusie Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Feit 2 – weigering meewerken bloedonderzoek Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft gesteld dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Beoordeling door de rechtbank Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 5; - het proces-verbaal van voorgeleiding hulpofficier van justitie, p. 12; - het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 6 mei 2022, p. 14. Feit 3 – rijden met ongeldig verklaard rijbewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van de ongeldigheid van zijn rijbewijs, blijkt volgens de officier van justitie uit het strafblad van verdachte. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat niet kan worden bewezen dat een besluit is genomen dat van kracht is geworden door bekendmaking aan verdachte. Ten slotte kan niet worden bewezen dat verdachte wetenschap had van de ongeldigheid van het rijbewijs. Beoordeling door de rechtbank Verdachte wordt verweten dat hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij op de dag van het ongeval een voertuig heeft bestuurd terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De rechtbank stelt vast dat het dossier volstrekt tekort schiet op dit punt. Het overzicht van de RDW is tegenstrijdig, nu enerzijds wordt gesproken van een ongeldig verklaard rijbewijs, maar anderzijds ook van een van rechtswege ongeldig rijbewijs. Daarnaast staat het rijbewijs kennelijk gesignaleerd als verloren/gestolen. En mocht sprake zijn van ongeldig verklaring, dan bevat het dossier geen enkel document over de kennisgeving hiervan. Op grond daarvan spreekt de rechtbank verdachte vrij van dit feit. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 (primair) en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij op of omstreeks 6 mei 2022 te Nijmegen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, het fietspad parallel gelegen aan de Griftdijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en /of onoplettend, terwijl hij verkeerde onder invloed van een hoeveelheid alcohol en /of (een) andere stof ( fen ) , waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik de rijvaardigheid kon verminderen, als bestuurder van een motorrijtuig en /of komende vanuit de weg, de Volsellastraat, de kruising met de weg, de Griftdijk, is overgereden en /of (vervolgens) rechtsaf het fietspad, parallel gelegen aan de Griftdijk, is opgereden en /of ( daarbij ) tegen het verkeer is ingereden en /of ( vervolgens ) frontaal op /tegen een hem tegemoetkomende en/of zeer dicht genaderde medeweggebruiker is gebotst en/of gereden , waardoor een ander ( [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163 , tweede, zesde , zevende of negende lid van genoemde wet de Wegenverkeerswet 1994 ; 2. hij op of omstreeks 6 mei 2022 te Nijmegen , in elk geval in Nederland , als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een snorfiets (v.v.k. [nummer] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie , zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en /of geen medewerking daaraan heeft verleend. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: de eendaadse samenloop van: feit 1, primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel 163, zesde lid, van deze wet en feit 2: overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 5 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uur, te vervangen door 90 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, en een fors lagere taakstraf dan door de officier van justitie is geëist. De raadsman heeft verzocht de proeftijd op 1 jaar te bepalen indien een voorwaardelijke straf wordt opgelegd, vanwege het tijdsverloop. Bij de oplegging van de straf dient rekening te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich als bestuurder van een snorfiets schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een botsing met een fietser door, onder invloed, tegen de richting in te rijden en geen voorrang te verlenen. Door de botsing heeft de fietser een hersenschudding opgelopen en heeft hij een lange periode nodig gehad voordat hij weer zijn dagelijkse bezigheden kon uitvoeren. Dit is een ernstig strafbaar feit, waarmee verdachte niet alleen de veiligheid van [slachtoffer] , maar ook die van de overige verkeersdeelnemers in gevaar heeft gebracht. Daarnaast heeft verdachte na het ongeval geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek naar het onder invloed verkeren van verdovende middelen ten tijde van het ongeval. Hierdoor heeft verdachte de controle gefrustreerd op de naleving van voorschriften die de verkeersveiligheid dienen. De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 24 september 2025. Daaruit blijkt dat sprake is van recidive voor artikel 163 WVW. De rechtbank weegt mee dat verdachte niet is verschenen bij de inhoudelijke behandeling en dus geen tekst en uitleg heeft willen geven over wat er is gebeurd. Tot slot houdt de rechtbank rekening met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht meermalen van toepassing is.
Volledig
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. In deze procedure is het eerste verhoor door de politie te zien als de eerste daad van vervolging van verdachte. Verdachte is op 6 mei 2022 verhoord, zodat de termijn is aangevangen op die datum. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie is de redelijke termijn met ruim 16 maanden overschreden. Verder acht de rechtbank 1 feit minder bewezen. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank in dit geval een taakstraf van 150 uren passend. Daarnaast acht de rechtbank ook een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 1 jaar op zijn plaats. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank de op te leggen taakstraf verminderen met 30 uren. De rechtbank acht het voorwaardelijke strafdeel voldoende stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden om opnieuw de fout in te gaan. De duur van de proeftijd wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank er rekening mee houdt dat het ongeval inmiddels drie jaar geleden heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal aan verdachte opleggen een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van 1 jaar. 8 De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 96/120333-21) De politierechter heeft verdachte op 4 april 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken. De officier van justitie heeft op 18 april 2024 de tenuitvoerlegging van die straf gevorderd. Inmiddels is gebleken dat deze voorwaardelijk opgelegde straf reeds ten uitvoer is gelegd bij onherroepelijk vonnis van de politierechter van 15 november 2024. De vordering is daarmee niet-ontvankelijk. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen: - 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht; - 6, 163, 175 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994. 10 De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand ; bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd , tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van één jaar schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit; legt op een taakstraf van 120 uren , met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen; verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 4 april 2022 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken (parketnummer 96/120333-21). Dit vonnis is gewezen door mr. W. Bruins (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. J.M. Breimer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Trap, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 oktober 2025. mr. J.M. Breimer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2022207515, gesloten op 8 december 2022 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het proces-verbaal aanrijding misdrijf, met bijlage, p. 29; het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 9; het proces-verbaal van bevindingen van 14 oktober 2022, p. 31; het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] van 23 januari 2025, met bijlage; de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 mei 2024. De geneeskundige verklaring ten aanzien van [slachtoffer] , p. 39. Het proces-verbaal aanhouding verdachte, p. 9-11. Het proces-verbaal van bevindingen van 14 oktober 2022, p. 32. Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] bij de rechter-commissaris van 23 januari 2025. Het proces-verbaal van verhoor getuige [kentekenhouder] bij de rechter-commissaris van 6 maart 2025. Het proces-verbaal aanhouding verdachte, p. 10. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 6 mei 2022, p. 15. Het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 5-6. Voor dit gedeelte van het bewijs verwijst de rechtbank naar feit 2. Het proces-verbaal aanrijding misdrijf, met bijlage, p. 29. Het proces-verbaal van bevindingen van 14 oktober 2022, p. 30.