Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-10-08
ECLI:NL:RBGEL:2025:8539
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,182 tokens
Inleiding
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/448957 / HA ZA 25-110
Vonnis van 8 oktober 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A.J. Meijer,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. L.J.H. Wissink.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 augustus 2025,
- de akte uitlaten partijen van [eiseres] ,
- de akte uitlating verwijzing kanton van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
Vooraf
2.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat zij voornemens is de zaak op de voet van artikel 71 lid 2 Rv ambtshalve naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank te verwijzen. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank in dit tussenvonnis ligt aan de procedures in conventie en reconventie een gemengde overeenkomst ten grondslag, omdat de overeenkomst zowel kwalificeert als een overeenkomst van aanneming van werk als een consumentenkoopovereenkomst. Dat is van belang omdat artikel 93 aanhef en onder c Rv bepaalt dat zaken betreffende een consumentenkoopovereenkomst door de kantonrechter worden behandeld en beslist. De rechtbank heeft vervolgens beslist dat zij de kwalificatie als consumentenkoopovereenkomst laat prevaleren boven die van een overeenkomst van aanneming van werk en dat het in de rede ligt om voor beantwoording van de vraag of de zaak moet worden verwezen ook de kwalificatie als consumentenkoopovereenkomst te laten prevaleren.
2.2.
[eiseres] verzet zich tegen verwijzing van de zaak naar de kamer van kantonzaken van de rechtbank. De overeenkomst kwalificeert volgens haar niet als consumentenkoop. De kozijnen worden na plaatsing in de woning van [gedaagde] bestanddeel van deze onroerende zaak op grond van artikel 3:4 BW. De regelgeving over de consumentenkoop ziet echter alleen op koop van roerende zaken, zodat deze niet van toepassing is in het onderhavige geval waarin een roerende zaak wordt geïntegreerd in een onroerende zaak. Dat het plaatsen van kozijnen handwerk is, maakt niet dat de overeenkomst toch kwalificeert als consumentenkoop. Ten slotte betoogt [eiseres] onder verwijzing naar jurisprudentie dat kwalificatie van de overeenkomst van partijen als consumentenkoop onwenselijk is. Dat zou betekenen dat iedere overeenkomst van aanneming van werk tussen een consument en een aannemer ook een consumentenkoopovereenkomst is.
2.3.
[gedaagde] sluit zich aan bij de voorgenomen beslissing van de rechtbank om de zaak te verwijzen naar de kamer van kantonzaken.
Geen consumentenkoop
2.4.
In hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd ziet de rechtbank aanleiding om anders te beslissen dan zoals zij zich in het tussenvonnis heeft voorgenomen. Zij zal zich bevoegd verklaren om van het geschil in conventie en reconventie kennis te nemen en de zaak aan zich houden. Aan deze beslissing ligt het volgende ten grondslag.
2.5.
De enkele omstandigheid dat de overeenkomst ziet op het in opdracht van de consument tot stand brengen en leveren van op maat gemaakte kozijnen maakt niet dat deze ook als consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 lid 4 BW kwalificeert. Uit de volledig geharmoniseerde richtlijn 99/44/EG, waarop de regeling van consumentenkoop gebaseerd is, volgt dat het voor de consument individueel of op maat te maken goed daarin centraal staat. In artikel 1 lid 4 van die richtlijn is dat verwoord als ‘te vervaardigen of voort te brengen consumptiegoederen’. Daarvan is hier geen sprake. De kozijnen zijn vervaardigd om te worden gemonteerd in de woning van [gedaagde] waarvan zij (door natrekking) blijvend deel uitmaken. Deze zaken zijn niet te vergelijken met consumptiegoederen zoals het in de parlementaire geschiedenis genoemde maatpak of kunstgebit. De opvatting dat elke overeenkomst van aanneming van werk waarbinnen goederen worden geleverd onder dit artikel valt, zou betekenen dat vrijwel alle overeenkomsten tot aanneming van werk met een consument zijn te vatten onder de werkingssfeer van artikel 7:5 lid 4 BW. Aanneemwerkzaamheden worden immers zelden verricht met uitsluitend uit voorraad leverbare standaardmaterialen.
2.6.
Nu de overeenkomst tussen partijen niet mede is aan te merken als consumentenkoop, is geen sprake van een vordering die tot de specifieke competentie van de kantonrechter behoort. De zaak zal dus verder worden behandeld en beslist door de rechtbank, waar de zaak al in behandeling is.
Mondelinge behandeling
2.7.
De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen op een nader te bepalen datum en tijdstip om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
2.8.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
2.9.
Tijdens de mondelinge behandeling wordt aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Zij hebben hiervoor ieder ten hoogste 10 minuten de tijd en mogen daarbij gebruik maken van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen niet worden toegestaan.
2.10.
Tijdens of na de mondelinge behandeling kan de rechtbank direct mondeling uitsprak doen.
2.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De rechtbank
3.1.
verklaart zich bevoegd om van de vorderingen in conventie en reconventie kennis te nemen,
3.2.
beveelt een mondelinge behandeling op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter in het paleis van justitie te Arnhem, Walburgstraat 2-4, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,
3.3.
bepaalt dat [gedaagde] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat [eiseres] dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
3.4.
verwijst de zaak naar de rol van 22 oktober 2025 voor opgave door beide partijen van hun verhinderdata over de periode januari tot en met februari 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op
8 oktober 2025.
1547
Vgl. o.a. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 april 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:2327, rechtbank Midden-Nederland 19 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1291, rechtbank Midden-Nederland 31 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4986 en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 juni 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:741.
Inleiding
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/448957 / HA ZA 25-110
Vonnis van 8 oktober 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A.J. Meijer,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. L.J.H. Wissink.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 augustus 2025,
- de akte uitlaten partijen van [eiseres] ,
- de akte uitlating verwijzing kanton van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
Vooraf
2.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat zij voornemens is de zaak op de voet van artikel 71 lid 2 Rv ambtshalve naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank te verwijzen. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank in dit tussenvonnis ligt aan de procedures in conventie en reconventie een gemengde overeenkomst ten grondslag, omdat de overeenkomst zowel kwalificeert als een overeenkomst van aanneming van werk als een consumentenkoopovereenkomst. Dat is van belang omdat artikel 93 aanhef en onder c Rv bepaalt dat zaken betreffende een consumentenkoopovereenkomst door de kantonrechter worden behandeld en beslist. De rechtbank heeft vervolgens beslist dat zij de kwalificatie als consumentenkoopovereenkomst laat prevaleren boven die van een overeenkomst van aanneming van werk en dat het in de rede ligt om voor beantwoording van de vraag of de zaak moet worden verwezen ook de kwalificatie als consumentenkoopovereenkomst te laten prevaleren.
2.2.
[eiseres] verzet zich tegen verwijzing van de zaak naar de kamer van kantonzaken van de rechtbank. De overeenkomst kwalificeert volgens haar niet als consumentenkoop. De kozijnen worden na plaatsing in de woning van [gedaagde] bestanddeel van deze onroerende zaak op grond van artikel 3:4 BW. De regelgeving over de consumentenkoop ziet echter alleen op koop van roerende zaken, zodat deze niet van toepassing is in het onderhavige geval waarin een roerende zaak wordt geïntegreerd in een onroerende zaak. Dat het plaatsen van kozijnen handwerk is, maakt niet dat de overeenkomst toch kwalificeert als consumentenkoop. Ten slotte betoogt [eiseres] onder verwijzing naar jurisprudentie dat kwalificatie van de overeenkomst van partijen als consumentenkoop onwenselijk is. Dat zou betekenen dat iedere overeenkomst van aanneming van werk tussen een consument en een aannemer ook een consumentenkoopovereenkomst is.
2.3.
[gedaagde] sluit zich aan bij de voorgenomen beslissing van de rechtbank om de zaak te verwijzen naar de kamer van kantonzaken.
Geen consumentenkoop
2.4.
In hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd ziet de rechtbank aanleiding om anders te beslissen dan zoals zij zich in het tussenvonnis heeft voorgenomen. Zij zal zich bevoegd verklaren om van het geschil in conventie en reconventie kennis te nemen en de zaak aan zich houden. Aan deze beslissing ligt het volgende ten grondslag.
2.5.
De enkele omstandigheid dat de overeenkomst ziet op het in opdracht van de consument tot stand brengen en leveren van op maat gemaakte kozijnen maakt niet dat deze ook als consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 lid 4 BW kwalificeert. Uit de volledig geharmoniseerde richtlijn 99/44/EG, waarop de regeling van consumentenkoop gebaseerd is, volgt dat het voor de consument individueel of op maat te maken goed daarin centraal staat. In artikel 1 lid 4 van die richtlijn is dat verwoord als ‘te vervaardigen of voort te brengen consumptiegoederen’. Daarvan is hier geen sprake. De kozijnen zijn vervaardigd om te worden gemonteerd in de woning van [gedaagde] waarvan zij (door natrekking) blijvend deel uitmaken. Deze zaken zijn niet te vergelijken met consumptiegoederen zoals het in de parlementaire geschiedenis genoemde maatpak of kunstgebit. De opvatting dat elke overeenkomst van aanneming van werk waarbinnen goederen worden geleverd onder dit artikel valt, zou betekenen dat vrijwel alle overeenkomsten tot aanneming van werk met een consument zijn te vatten onder de werkingssfeer van artikel 7:5 lid 4 BW. Aanneemwerkzaamheden worden immers zelden verricht met uitsluitend uit voorraad leverbare standaardmaterialen.
2.6.
Nu de overeenkomst tussen partijen niet mede is aan te merken als consumentenkoop, is geen sprake van een vordering die tot de specifieke competentie van de kantonrechter behoort. De zaak zal dus verder worden behandeld en beslist door de rechtbank, waar de zaak al in behandeling is.
Mondelinge behandeling
2.7.
De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen op een nader te bepalen datum en tijdstip om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
2.8.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
2.9.
Tijdens de mondelinge behandeling wordt aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Zij hebben hiervoor ieder ten hoogste 10 minuten de tijd en mogen daarbij gebruik maken van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen niet worden toegestaan.
2.10.
Tijdens of na de mondelinge behandeling kan de rechtbank direct mondeling uitsprak doen.
2.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De rechtbank
3.1.
verklaart zich bevoegd om van de vorderingen in conventie en reconventie kennis te nemen,
3.2.
beveelt een mondelinge behandeling op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter in het paleis van justitie te Arnhem, Walburgstraat 2-4, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,
3.3.
bepaalt dat [gedaagde] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat [eiseres] dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
3.4.
verwijst de zaak naar de rol van 22 oktober 2025 voor opgave door beide partijen van hun verhinderdata over de periode januari tot en met februari 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op
8 oktober 2025.
1547
Vgl. o.a. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 april 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:2327, rechtbank Midden-Nederland 19 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1291, rechtbank Midden-Nederland 31 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4986 en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 juni 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:741.