Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-02-28
ECLI:NL:RBGEL:2025:7641
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,602 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/245691-23, 05/277893-24 (ttz gevoegd), 05/198334-24 (ttz gevoegd) en 05/202460-22 (vordering tenuitvoerlegging)
Datum uitspraak : 28 februari 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag 1] 2004 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan de [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
Raadsvrouw: mr. P.K. de Blieck-Willemsen, advocaat in Vaassen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 februari 2025.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging in de zaken met parketnummers 05/245691-23 en 05/277893-24, ten laste gelegd dat:
Onder parketnummer 05/245691-23:
hij op of omstreeks 26 november 2022 te [plaats] [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] te duwen en/of een of meerdere malen in het gezicht te slaan/stompen;
Onder parketnummer 05/277893-24:
hij op of omstreeks de periode 15 juni 2024 tot en met 18 juni 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans het lichaam te slaan en/of te schoppen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks de periode 15 juni 2024 tot en met 18 juni 2024 te [plaats] zijn (ex)levensgezel, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] een of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans het lichaam te slaan en/of te schoppen;
Onder parketnummer 05/198334-24:
hij op of omstreeks 17 juni 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen één of meermaals (met kracht) met een hamer, althans enig hard en/of puntig voorwerp, een ruit van een personenauto heeft ingeslagen, terwijl die [slachtoffer 2] op korte afstand van die ingeslagen ruit zat, waardoor die [slachtoffer 2] glasscherven in het haar en/of in de capuchon heeft gekregen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 juni 2024 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een personenauto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
2Verzet tegen strafbeschikking (05/245691-23)
In de zaak met parketnummer 05/245691-23 heeft het openbaar ministerie op 7 februari 2024 een strafbeschikking uitgevaardigd, bestaande uit een geldboete en een schadevergoeding. Deze strafbeschikking is per post aan verdachte toegezonden. Verdachte heeft de geldboete en schadevergoeding niet betaald. Op 6 maart 2024 heeft verdachte hiertegen verzet ingesteld. In het verzetschrift stelt verdachte dat hij op 4 maart 2024 kennis heeft genomen van de strafbeschikking. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij bij zijn ouders woonde op het adres waar de strafbeschikking naar toe is verzonden, maar dat hij voor zijn werk veel in het buitenland verbleef. Zijn ouders openen zijn post niet. Toen hij de brief las heeft hij direct contact opgenomen met zijn raadsvrouw en verzet ingesteld.
De vraag die allereerst moet worden beantwoord is of verdachte op de juiste wijze is opgeroepen. De rechtbank stelt vast dat verdachte eerder is opgeroepen voor een zitting van de politierechter, naar aanleiding van het door hem ingestelde verzet. Deze oproeping is later ingetrokken door het openbaar ministerie. Verdachte is daarna gedagvaard voor de onderhavige zitting van de meervoudige kamer. Op grond van artikel 257f lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) had verdachte voor de betreffende zitting echter een oproeping moeten ontvangen in plaats van een dagvaarding.
De rechtbank zal de dagvaarding opvatten als oproeping voor de behandeling van verdachtes verzet. Hiermee is verdachte niet in enig belang geschaad, nu zijn verzet zal worden behandeld.
De volgende vraag is of verdachte in zijn verzet kan worden ontvangen. Op grond van artikel 257e lid 1 Sv dient verzet te worden ingesteld binnen veertien dagen nadat het afschrift in persoon aan verdachte is uitgereikt, dan wel zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is. De strafbeschikking is niet aan verdachte in persoon uitgereikt. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij op 4 maart 2024 bekend is geworden met de strafbeschikking. Uit het dossier blijkt niet dat hij al eerder op de hoogte was. Hij heeft op 6 maart 2024 verzet ingesteld. Dit is binnen de termijn van veertien dagen. De rechtbank verklaart verdachte ontvankelijk in het verzet.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder parketnummer 05/245691-23 ten laste gelegde mishandeling. Zij heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder parketnummer 05/277893-24 subsidiair ten laste gelegde mishandeling en de onder parketnummer 05/198334-24 subsidiair ten laste gelegde vernieling.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich aangesloten bij het requisitoir van de officier van justitie.
Beoordeling
Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 05/245691-23
Gelijk aan het standpunt van de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. De verklaringen van de getuigen lopen dusdanig uiteen dat niet kan worden vastgesteld of verdachte aangever [slachtoffer 1] heeft mishandeld, zoals ten laste gelegd.
Ten aanzien van parketnummer 05/277893-24
De rechtbank zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, Sv en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 11;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 februari 2025.
Ten aanzien van parketnummer 05/198334-24
De rechtbank zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde. Niet kan worden vastgesteld dat door het slaan met een hamer op de ruit van de auto sprake is van een poging om opzettelijk (al dan niet in voorwaardelijke zin) zwaar lichamelijk toe te brengen aan de inzittende van de auto. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg (hier zwaar lichamelijk letsel) is aanwezig wanneer verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het moet gaan om kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De rechtbank acht op basis van het dossier niet bewezen dat er een aanmerkelijk kans was op zwaar lichamelijk letsel door het slaan met de hamer op de ruit van de auto.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, Sv en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] in de zaak met parketnummer 05/277893-24, p. 12;
- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , p. 13-14;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 7;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 februari 2025.
4De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder parketnummer 05/277893-24 subsidiair, en onder parketnummer 05/198334-24 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
Onder parketnummer 05/277893-24, subsidiair:
hij op of omstreeks in de periode 15 juni 2024 tot en met 18 juni 2024 te [plaats] zijn (ex)levensgezel, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] een of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans het lichaam te slaan en/of te schoppen;
Onder parketnummer 05/198334-24, subsidiair:
hij op of omstreeks 17 juni 2024 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een personenauto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Onder parketnummer 05/277893-24, subsidiair:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd;
Onder parketnummer 05/198334-24, subsidiair:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
6De strafbaarheid van de feiten
Feiten
7De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering was gesteld, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft zij de vrijheidsbeperkende maatregel ex. artikel 38v Sr voor de duur van 5 jaren gevorderd, in de vorm van een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] (van de rotonde met de [straatnaam 3] tot de kruising met de [straatnaam 4] ). Voor elke overtreding van de maatregel kan 7 dagen vervangende hechtenis worden opgelegd. Hierbij heeft zij de dadelijke uitvoerbaarheid gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte begrijpt dat er een straf moet volgen, maar verzoekt een lagere werkstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist, dan wel een groter deel voorwaardelijk op te leggen nu verdachte heel veel uren per week werkt. Zij heeft verzocht geen (voorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen. Ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar wel opgemerkt de duur van 5 jaar erg lang te vinden.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan huiselijk geweld. Hij heeft zijn levenspartner mishandeld door haar meerdere keren in het gezicht te slaan. Hiermee heeft hij de lichamelijke integriteit van aangeefster aangetast. Ook heeft hij met een hamer tegen de zijruit aan de bestuurderszijde van een auto geslagen, waardoor de zijruit brak. Zijn partner zat op dat moment achter het stuur. Hoewel dit laatste feit juridisch wordt gekwalificeerd als vernieling van de autoruit, begrijpt de rechtbank goed dat dit feit voor het inzittende slachtoffer vooral ook zeer bedreigend en beangstigend is geweest, zoals is gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring. De rechtbank houdt daar rekening mee.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 17 januari 2025. Daaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. Bovendien heeft hij onderhavige feiten in de op dat moment nog lopende proeftijd bij deze overtreding gepleegd. De rechtbank rekent hem dit aan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 23 januari 2025. Hieruit blijkt dat de relatie tussen verdachte en zijn (inmiddels) ex-partner en zijn psychosociaal functioneren delictgerelateerde factoren zijn. Verdachte en zijn ex-partner hadden een turbulente relatie waarin vaker geweld heeft plaatsgevonden. Betrokkene lijkt moeilijkheden vaker op te lossen door geweld en/of dreiging in te zetten. Een training of behandeling gericht op emotieregulatie/agressiebeheersing lijkt passend, ook gezien de kans op recidive. Toch adviseert de reclassering dit niet vanwege de lage responsiviteit. Verdachte vindt nieuwe bijzondere voorwaarden niet nodig en wil zijn houding en gedrag op eigen wijze veranderen. Tijdens het toezicht dat eerder is opgelegd, heeft verdachte zich aan de voorwaarden gehouden. Hij heeft de Cova-training positief afgerond. De reclassering adviseert bij veroordeling een contact- en locatieverbod op te leggen ex artikel 38v Sr en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor mishandeling vermeld een geldboete van € 750,-, met als kanttekening dat in het geval van huiselijk geweld geen geldboete wordt opgelegd. Voor vernieling zijn geen landelijke oriëntatiepunten beschikbaar.
Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte is verzekering was gesteld, passend. Gelet op het voorgaande en om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van een strafbaar feit acht de rechtbank, naast de taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand passend. De rechtbank ziet in het voorgaande ook aanleiding om aan deze voorwaardelijke straf een proeftijd van drie jaren te verbinden.
Ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank verder een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Deze maatregel houdt in dat verdachte gedurende een periode van drie jaar geen contact mag hebben met het slachtoffer [slachtoffer 2] en niet in de omgeving van haar woning mag zijn. De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. Deze hechtenis bedraagt 7 dagen per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op. De rechtbank zal tevens bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er, gelet op wat hierboven is overwogen, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Beoordeling
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met het onder parketnummer 05/245691-23 ten laste gelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 600,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met het onder parketnummer 05/198334-24 ten laste gelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 850,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in verband met het onder parketnummer 05/198334-24 ten laste gelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 838,77 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat zij vrijspraak heeft gevorderd. Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft zij
zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen worden toegewezen met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De vordering van [slachtoffer 3] dient te worden afgewezen, omdat er twijfel is over de juistheid van de offerte. Verdachte heeft aangegeven het door [slachtoffer 2] gevorderde smartengeld redelijk te vinden. Dit bedrag kan worden toegewezen.
Overweging van de rechtbank
[slachtoffer 1] (05/245691-23)
Verdachte is vrijgesproken van het onder parketnummer 05/245691-23 ten laste gelegde. Daarom zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.
[slachtoffer 2] (05/198334-24)
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden. Verdachte heeft de zijruit aan de bestuurderszijde van een auto vernield door meerdere malen met een hamer daartegen te slaan, terwijl de benadeelde partij in de auto zat en naast deze zijruit. Benadeelde kon geen kant op. Zij heeft toegelicht dat zij als gevolg van deze vernieling (en daardoor ontstane situatie) geestelijk letsel, te weten een post traumatische stresstoornis (PTSS) heeft opgelopen. Dit heeft zij voldoende onderbouwd. Uit de overgelegde stukken volgt dat zij op dit moment wordt behandeld voor PTSS en dat zij daarvoor is doorverwezen naar twee specialistische behandelcentra. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde en deze schade, te weten aantasting in de persoon op andere wijze. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij de immateriële schade op een bedrag van € 850,- vaststellen.
Verdachte is vanaf 17 juni 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Nu de vordering geheel wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[slachtoffer 3] (05/198334-24)
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde heeft onderbouwd dat de schade als gevolg van de vernieling van de autoruit in totaal € 838,77 bedraagt. Zij heeft daartoe een offerte overgelegd, waarin verschillende posten (vervanging van de ruit, het schoonmaken van de auto en herstel van andere beschadigingen) worden benoemd. Verdachte heeft de hoogte van de schade betwist, maar nagelaten deze betwisting te onderbouwen door bijvoorbeeld door het overleggen van (andere) offertes. Nu de schade onvoldoende onderbouwd is betwist, en het bedrag ook overigens niet onredelijk voorkomt, wordt deze toegewezen.
Verdachte is vanaf 17 juni 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Nu de vordering geheel wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
10De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05/202460-22)
De politierechter heeft verdachte op 25 november 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering en omzetting van de ten uitvoer te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf in een taakstraf gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft afwijzing van de vordering bepleit, omdat de voorwaardelijke straf betrekking had op een ander soort delict dan het delict dat thans aan de orde is. Subsidiair heeft zij verzocht de proeftijd te verlengen.
Overweging van de rechtbank
Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank overweegt dat de voorwaardelijke straf betrekking heeft op een Opiumdelict, terwijl het nieuwe strafbare feit een vermogensdelict/geweldsdelict betreft. De rechtbank acht om die reden een gevangenisstraf niet opportuun. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.
11De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 57, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
vernietigt de strafbeschikking met parketnummer 05/245691-23;
spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/245691-23 ten laste gelegde feit;
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 80 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende:
een gebiedsverbod. Het gebiedsverbod houdt in dat verdachte zich gedurende 3 jaren niet bevindt op de [straatnaam 1] en het deel van de [straatnaam 2] gelegen tussen de rotonde met de [straatnaam 3] tot de kruising met de [straatnaam 4] , te [plaats] ;
en
een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende 3 jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met:
[slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 2] 2005.
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden in totaal, voor beide verboden gezamelijk. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op.
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 25 november 2022 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand (parketnummer 05/202460-22);
verklaart benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de schadevergoedingsvordering;
veroordeelt benadeelde partij [slachtoffer 1] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;
veroordeelt verdachte in verband met het feit onder parketnummer 05/198334-24 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen:
[slachtoffer 2]
van € 850,-; en
[slachtoffer 3] van € 838,77;
telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , tot op heden begroot op nihil;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hierna te noemen bedragen aan materiële dan wel immateriële schade te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het bedrag niet wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
Benadeelde partij Bedrag Gijzeling
1. [slachtoffer 2] € 850,- 17 dagen;
2. [slachtoffer 3] € 838,77 16 dagen.
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Bruins, voorzitter, mr. F.J.H. Hovens en mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W. Braaksma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 februari 2025.
mr. W. Braaksma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Het bewijs is terug te vinden in de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal door [verbalisant 1] van de politie Eenheid Oost-Nederland, dossiernummer PL0600-2024279911, gesloten op 11 september 2024 en door [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, dossiernummer PL0600-2024278807, gesloten op 1 juli 2024, steeds met de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.