Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-08-22
ECLI:NL:RBGEL:2025:7097
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,713 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/6111 en 24/6574
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van
in de zaken tussen
de erven van [persoon A], uit [plaats], belanghebbenden
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 8 maart 2024 (2019) en 9 april 2024 (2018).
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning na persoonsgebonden aftrek van nihil, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 29.871 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen na persoonsgebonden aftrek van € 1.310. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van € 804 aan belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning na persoonsgebonden aftrek van € 112.897 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.671.015.
De inspecteur heeft de bezwaarschriften van belanghebbende gericht tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de aanslag IB/PVV 2019 ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig met het beroep van [naam bedrijf 1] B.V. op 13 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbenden [persoon B], bijgestaan door de gemachtigde en namens de inspecteur [persoon C], [persoon D], [persoon E] en [persoon F].
Feiten
1. [persoon A] (erflater) is op 6 maart 2020 overleden.
2. Erflater was sinds de oprichting van [naam bedrijf 1] B.V. ([naam bedrijf 1]) op 28 december 2012 de enige aandeelhouder. Tot 13 november 2017 was erflater enig bestuurder van [naam bedrijf 1]. Vanaf die dag zijn belanghebbenden (tevens de zonen [persoon B] en [persoon G]) toegetreden tot het bestuur. Op 31 januari 2018 is erflater teruggetreden als bestuurder.
3. [naam bedrijf 1] was tot en met boekjaar 2017/2018 een houdstermaatschappij. Via [naam bedrijf 2] B.V. ([naam bedrijf 2]) hield zij alle aandelen in [naam bedrijf 3] B.V. ([naam bedrijf 3]), [naam bedrijf 4] B.V. en [naam bedrijf 5] B.V. ([naam bedrijf 5]). Zij vormde met deze deelnemingen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Voor zover relevant verrichte de fiscale eenheid de volgende activiteiten:
het uitoefenen van een akkerbouwbedrijf, waarbij ook proefvelden aanwezig zijn om onderzoek te kunnen doen naar zaadveredeling; en
de ontwikkeling van en handel in watertechnische systemen, waaronder beregeningstechnieken.
4. Op 25 december 2018 heeft [naam bedrijf 2] de aandelen in [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 5] afgesplitst naar de nieuw opgerichte [naam bedrijf 6] B.V. ([naam bedrijf 6]). De voornoemde activiteiten zijn daarmee (indirect) overgegaan naar [naam bedrijf 6].
5. Op 28 december 2018 heeft [naam bedrijf 1] de aandelen [naam bedrijf 6] in de verhouding 50/50 afgesplitst naar de bij de afsplitsing opgerichte vennootschappen [naam bedrijf 7] B.V. ([naam bedrijf 7]) en [naam bedrijf 8] B.V. ([naam bedrijf 8]). Als gevolg van deze afsplitsingen hield erflater direct de aandelen in [naam bedrijf 7] en [naam bedrijf 8].
6. In de loop van 2019 heeft erflater in het kader van een bedrijfsopvolging de aandelen [naam bedrijf 7] aan [persoon B] en de aandelen [naam bedrijf 8] aan [persoon G] geschonken. Hierbij is gebruik gemaakt van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR).
7. [naam bedrijf 1] heeft in het boekjaar 2018/2019 een bedrag van € 31.472 aan advieskosten ter zake van de bedrijfsopvolging door belanghebbenden ten laste van het resultaat gebracht. Het bedrag van € 31.472 is te splitsen in € 19.366 (ex btw) in 2018 en € 12.106 (ex btw) in 2019. Inclusief btw is dat € 23.333 in 2018 en € 14.648 in 2019.
Beoordeling
8. De rechtbank beoordeelt of de advieskosten ten behoeve van de bedrijfsopvolging (BOR-advieskosten) van € 23.333 in 2018 en van € 14.648 in 2019 als verkapte winstuitdelingen aan erflater kunnen worden aangemerkt. Voor de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 is nog in geschil of sprake is van een voor navorderingsaanslag vereist nieuw feit. De rechtbank beoordeelt de beroepen aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
9. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is sprake van een nieuw feit?
10. Belanghebbende stelt dat geen sprake is van een nieuw feit. De inspecteur was bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2018 op 11 maart 2021 al op de hoogte van de bedrijfsopvolging en heeft toen geen correctie opgelegd voor de BOR-advieskosten. De correctie heeft pas via de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 plaatsgevonden nadat via een WOB-verzoek op 8 januari 2022 een notitie genaamd “Voorstel behandeling BOR-advieskosten” is vrijgegeven. Volgens belanghebbende duidt de term “voorstel” er op dat de inspecteur de BOR-advieskosten voortaan anders wil behandelen. Bij een wijziging van inzicht aan de zijde van de inspecteur is navorderen niet mogelijk.
11. De inspecteur is van mening dat sprake is van een nieuw feit. Tijdens het overleg over de bedrijfsopvolging is nooit gesproken over de aftrekbaarheid van de BOR-advieskosten. Pas uit de beantwoording van de vragen over de aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) 2018/2019 van [naam bedrijf 1] op 27 januari 2022 – dus nadat de aanslag IB/PVV 2018 was opgelegd – bleek dat de BOR-advieskosten bij deze vennootschap in aftrek waren gebracht onder de post ‘overige bedrijfskosten’. Uit de aangifte Vpb bleek dus niet dat de BOR-advieskosten in aftrek waren gebracht. De inspecteur betwist dat sprake is van een gewijzigd inzicht naar aanleiding van de openbaarmaking van de voornoemde notitie.
12. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat er sprake is van een nieuw feit.
13. Volgens vaste jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die belanghebbende in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is de inspecteur in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven of het ontbreken daarvan, in redelijkheid behoort te twijfelen. De inspecteur behoeft in redelijkheid niet te twijfelen aan de juistheid van de in het aangiftebiljet opgenomen posten, indien er voor deze posten ook een andere, niet onwaarschijnlijke verklaring mogelijk is. Verandering van inzicht in het recht of de feiten kan geen nieuw feit opleveren. Daarvan is sprake, indien de inspecteur, op basis van dezelfde feitelijke gegevens als waarover hij bij het opleggen van de oorspronkelijke aanslag beschikte, later tot een andere conclusie komt.
14. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een nieuw feit dat de navorderingsaanslag rechtvaardigt. Zowel uit de aangifte IB/PVV 2018 van erflater als de aangifte Vpb 2018/2019 van [naam bedrijf 1] bleek niet dat de BOR-advieskosten bij [naam bedrijf 1] ten laste van de winst waren gebracht. Pas bij de beantwoording van de vragenbrief op 27 januari 2022 werd dit bij de inspecteur bekend. Op dat moment was de aanslag IB/PVV 2018 al opgelegd. Van gewijzigd inzicht aan de zijde van de inspecteur is geen sprake, omdat deze feiten de inspecteur niet bekend waren bij het opleggen van die aanslag.
Vormen de door [naam bedrijf 1] betaalde BOR-advieskosten een (verkapte) dividenduitkering?
Standpunt belanghebbende
15. Belanghebbende stelt dat geen sprake is van een bevoordelingsbedoeling en dat ook niet aan de vereiste dubbele bewustheid is voldaan. In de zaak van [naam bedrijf 1] is gemotiveerd gesteld dat [naam bedrijf 1] de BOR-advieskosten ten laste van de winst mocht brengen, omdat de schenkingen in het kader van de continuïteit van de onderneming heeft plaatsgevonden. Belanghebbenden en [naam bedrijf 1] hebben deze transacties ook in dat kader bezien. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor een verkapte winstuitdeling.
Standpunt inspecteur
16. De inspecteur stelt dat de sprake is van een verkapte winstuitdeling ter zake van de door [naam bedrijf 1] betaalde BOR-advieskosten. In de zaak van [naam bedrijf 1] heeft hij gemotiveerd betwist dat [naam bedrijf 1] de BOR-advieskosten ten laste van de winst mocht brengen, omdat de kosten zijn ingegeven ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder – namelijk het realiseren van een belastingvoordeel in privé. Als gevolg hiervan heeft [naam bedrijf 1] erflater in zijn hoedanigheid van aandeelhouder bevoordeeld. Zowel [naam bedrijf 1] als erflater moeten zich hiervan bewust zijn geweest. Erflater was tot de uitvoering van de bedrijfsopvolging enig bestuurder van [naam bedrijf 1]. De bewustheid van [naam bedrijf 1] en de aandeelhouder lopen dus parallel. Tijdens de uitvoering zijn de zonen tevens bestuurder geworden, maar uit het overgelegde tijdschriftartikel uit 2009 blijkt dat de gemachtigde hen toen al heeft geadviseerd over de toenmalige bedrijfsopvolging. Alle vier moeten zich dus bewust zijn geweest dat [naam bedrijf 1] kosten voor haar rekening heeft genomen die betrekking hebben op diensten die op het niveau van de aandeelhouder, vanwege het belastingvoordeel dat op dat niveau wordt genoten, worden verricht. Ook beschikt [naam bedrijf 1] over voldoende winstreserves van waaruit de winstuitdeling kan worden gedaan.
Oordeel rechtbank
17. De rechtbank heeft in de zaak van [naam bedrijf 1] geoordeeld dat de BOR-advieskosten ten onrechte ten laste van de winst zijn gebracht, omdat deze kosten uitsluitend zijn gemaakt ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder. Nu de BOR-advieskosten niet kwalificeren als zakelijke kosten, dient te worden beoordeeld of sprake is van een verkapte winstuitdeling aan de aandeelhouder.
18. Voor een verkapte winstuitdeling is vereist dat een vermogensverschuiving plaatsvindt van de vennootschap naar de aandeelhouder met de bedoeling om de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen (de bevoordelingsbedoeling) en dat zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen de vermogensverschuiving, maar ook van de bevoordelingsbedoeling (de dubbele bewustheid). Er kan alleen sprake zijn van een verkapte winstuitdeling indien en voor zover deze kon plaatsvinden uit de winst(reserve) dan wel in het vooruitzicht van te maken winst. De bewijslast hiervan rust op de inspecteur.
19. Niet in geschil is dat [naam bedrijf 1] over voldoende middelen beschikt om een uitdeling van € 23.333 (2018) en € 14.648 (2019) te doen.
De bevoordelingsbedoeling
20. De rechtbank acht aannemelijk dat [naam bedrijf 1] de BOR-advieskosten heeft betaald met de bedoeling om erflater in zijn hoedanigheid als aandeelhouder te bevoordelen.
21. Zoals onder punt 17. is opgemerkt, heeft de rechtbank in de zaak van [naam bedrijf 1] geoordeeld dat de BOR-advieskosten ten laste van de winst kunnen worden gebracht, omdat zij deze kosten heeft betaald ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van erflater als aandeelhouder.
Conclusie
26. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Hoge Raad 6 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2890.
Vgl. Hoge Raad 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7165, Hoge Raad 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082 en Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.
Hoge Raad 27 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8152, gepubliceerd in BNB 1986/121.
Hoge Raad 21 november 1973, ECLI:NL:HR:1973:AX4601, gepubliceerd in BNB 1974/4.
Aanhangig bij de rechtbank onder nummer ARN 23/3623. De uitspraak is gelijktijdig gedaan met de uitspraak in deze zaken.
Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26.
Hoge Raad 1 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:BH7504, gepubliceerd in BNB 1990/64.