Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-05-28
ECLI:NL:RBGEL:2025:6888
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,059 tokens
Inleiding
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/443901 / HZ ZA 24-383
Vonnis van 28 mei 2025
in de zaak van
LIBERTY MUTUAL INSURANCE EUROPE S.E.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: LMI,
advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [woonplaats] ,
advocaat: mr. C.A. Boeve,2. [gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 februari 2025
- de akte houdende aanvulling van eis tevens akte houdende overlegging van producties van de zijde van LMI
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 31 maart 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[gedaagden] hadden een relatie met elkaar. Op 9 maart 2024 hebben [gedaagden] een koopovereenkomst gesloten voor de koop van een woning gelegen aan de [adres woning] (hierna: de woning). In die overeenkomst is bepaald dat [gedaagden] uiterlijk op 24 april 2024 een bankgarantie moesten stellen voor een bedrag van € 86.500,00 of een waarborgsom van die hoogte moesten stellen.
2.2.
LMI heeft zich als zekerheid tot nakoming van de verplichtingen van [gedaagden] voortvloeiend uit de koopovereenkomst garant gesteld tot een bedrag ter hoogte van 10% van de koopsom, te weten € 86.500,00 (hierna: de bankgarantie).
2.3.
[gedaagden] zijn niet verschenen bij de notaris voor de levering van de woning, terwijl zij op die dag ook niet de koopprijs hebben betaald. De makelaar van de verkopers heeft hen vervolgens diezelfde dag nog een ingebrekestelling gestuurd waarbij [gedaagden] zijn gesommeerd om binnen 8 dagen alsnog mee te werken aan de levering van de woning en de koopsom te voldoen. Dit hebben zij niet gedaan.
2.4.
De verkopers hebben op 5 juli 2024 de koopovereenkomst ontbonden. Zij hebben daarbij aanspraak gemaakt op betaling van de contractuele boete van € 86.500,00. LMI heeft dit bedrag op 9 juli 2024 op grond van de bankgarantie overgemaakt naar de kwaliteitsrekening van de notaris.
2.5.
LMI heeft [gedaagden] op 9 juli 2024 en op 12 juli 2024 gesommeerd om € 87.451,50 (de bankgarantie plus kosten) aan haar te betalen. Op 12 juli 2024 heeft [gedaagde 2] een bedrag van € 43.750,00 aan LMI betaald. Op 12 augustus 2024 heeft LMI [gedaagden] gesommeerd om het resterende verschuldigde bedrag van € 44.913,51 te voldoen.
Geschil
3.1.
LMI vordert na wijziging van eis – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan LMI te betalen een bedrag van € 44.913,51 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 juli 2024 tot de dag van algehele betaling althans een in goede justitie te bepalen bedrag,
subsidiair
II. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking aan LMI te betalen een bedrag van € 42.750,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 42.750,00 vanaf 13 juli 2024 tot de dag van algehele voldoening,
primair en subsidiair
III. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen de btw over de deurwaarderskosten, en de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
3.2.
[gedaagde 1] voert verweer. [gedaagde 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van LMI, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van LMI, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van LMI in de kosten van deze procedure. [gedaagde 2] is niet verschenen in deze procedure en heeft geen verweer gevoerd.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
Ten aanzien van [gedaagde 2]
4.1
is niet in de procedure verschenen. Nu [gedaagde 1] wel is verschenen, wordt op grond van artikel 140 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) één vonnis tussen partijen gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
4.2.
[gedaagde 2] heeft geen verweer gevoerd. [gedaagde 2] heeft de stellingen van LMI over de bankgarantie en de verschuldigdheid van het openstaande bedrag derhalve niet betwist. De vorderingen van LMI komen de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor en zullen daarom jegens [gedaagde 2] worden toegewezen.
Totstandkoming overeenkomst tussen LMI en [gedaagde 1]
4.3.
LMI vordert primair nakoming van een overeenkomst, te weten de bankgarantie. Volgens de overeenkomst tussen partijen zijn [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk voor terugbetaling van het nog openstaande bedrag van € 44.913,51, aldus LMI. [gedaagde 1] betwist dat er een overeenkomst tussen haar en LMI tot stand is gekomen.
4.4.
Niet in geschil is dat het door LMI overgelegde digitale ondertekeningsformulier voor de bankgarantie door [gedaagde 1] is ondertekend. Echter, [gedaagde 1] voert aan dat haar wil niet was gericht op totstandkoming van de overeenkomst omdat zij nooit heeft beseft dat het tekenen van de overeenkomst nadelige financiële gevolgen kan hebben. [gedaagde 1] meent dan ook dat geen overeenkomst tot stand is gekomen tussen haar en LMI. LMI voert hiertegen aan dat [gedaagde 1] wist dat de verplichting tot het stellen van een bankgarantie op haar rustte, althans dat LMI daar in redelijkheid op heeft mogen vertrouwen.
4.5.
Een beroep op discrepantie tussen wil en verklaring in de zin van artikel 3:33 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet in samenhang worden beoordeeld met gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van artikel 3:35 BW. Gerechtvaardigd vertrouwen houdt in dat wel een overeenkomst tot stand komt als de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op een door de verklarende partij gewekte schijn dat haar verklaring in overeenstemming is met haar wil. De samenhang tussen artikel 3:33 en 3:35 BW brengt mee dat de vraag of een overeenkomst is tot stand gekomen, afhankelijk is van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden mochten afleiden.
4.6.
[gedaagde 1] heeft drie stappen doorlopen ter ondertekening van de bankgarantie, waarbij in de tweede stap het volgende is gevraagd: “Hieronder is de garantieopdracht bijgevoegd. Zijn alle gegevens in dit document juist? Lees ook goed de voorwaarden in dit document door zodat je weet waar je voor tekent.”Hierop heeft [gedaagde 1] geantwoord dat zij de garantieopdracht heeft doorgenomen en bevestigd dat de gegevens correct zijn. Vervolgens luidt de derde stap van het ondertekeningsproces:
“Door op ‘Ondertekenen’ te klikken, verklaar je het document gelezen te hebben en akkoord te zijn met de inhoud daarvan.”
[gedaagde 1] heeft op ondertekenen geklikt en bevestigt daarmee dat zij de bankgarantie heeft gelezen en akkoord is met de inhoud ervan. Daar komt bij dat [gedaagden] gezamenlijk de woning hebben gekocht. In artikel 5 van de koopovereenkomst staat dat kopers, [gedaagde 2] en [gedaagde 1] , een bankgarantie van 10% van de koopsom moesten stellen. [gedaagde 1] , die werd bijgestaan door een eigen makelaar (samen met [gedaagde 2] ) heeft deze overeenkomst ondertekend en op iedere afzonderlijke pagina haar paraaf gezet. Gelet hierop en op het feit dat [gedaagde 1] het gehele digitale ondertekeningsproces van de bankgarantie heeft doorlopen en ondertekend, had LMI geen reden om aan de wil van [gedaagde 1] om de bankgarantie te ondertekenen te twijfelen. LMI mocht er derhalve gerechtvaardigd op vertrouwen dat [gedaagde 1] de wil had de bankgarantie te ondertekenen.
4.7.
Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van [gedaagde 1] op discrepantie tussen wil en verklaring niet. Het gevolg hiervan is dat er rechtsgeldig een overeenkomst tot bankgarantie tot stand is gekomen tussen LMI en [gedaagde 1] die [gedaagde 1] moet nakomen.
Overeenkomst niet tot stand gekomen onder invloed van bedrog of misbruik van omstandigheden
4.8.
In de conclusie van antwoord voert [gedaagde 1] aan dat de overeenkomst tussen haar en LMI tot stand is gekomen onder invloed van dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] erkend dat bedrog en misbruik van omstandigheden meer in de relatie met [gedaagde 2] liggen en niet in de verhouding met LMI. De rechtbank zal deze verweren ten aanzien van de vordering van LMI dan ook passeren.
Geen rechtsgevolg verbonden aan beroep op dwaling
4.9.
[gedaagde 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling verder aangegeven dat zij haar beroep op dwaling handhaaft. Het rechtsgevolg van dwaling, te weten vernietiging van de overeenkomst, is echter nooit door [gedaagde 1] ingeroepen. Nu het de rechtbank op grond van artikel 24 Rv niet vrij staat de rechtsgevolgen aan te vullen, verwerpt de rechtbank [gedaagde 1] beroep op dwaling.
Geen schending zorgplicht LMI
4.10.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] tevens aangevoerd dat LMI had moeten onderzoeken of voor [gedaagde 1] duidelijk was wat de gevolgen waren van het tekenen van de overeenkomst. Kennelijk bedoelt [gedaagde 1] hiermee dat LMI haar zorgplicht heeft geschonden. De voorwaarden waaronder de bankgarantie zou worden gesteld zijn echter door LMI met [gedaagde 1] gedeeld. LMI heeft [gedaagde 1] expliciet, nog voor ondertekening, medegedeeld dat zij de voorwaarden in de bankgarantie goed moest doorlezen zodat [gedaagde 1] wist – althans kon weten – waarvoor zij tekende. [gedaagde 1] heeft vervolgens geantwoord dat zij de bankgarantie heeft doorgenomen. In het licht van die omstandigheden, is de enkele stelling van [gedaagde 1] LMI had moeten onderzoeken of voor [gedaagde 1] duidelijk was wat de gevolgen waren van het tekenen van de overeenkomst onvoldoende om te onderbouwen dat LMI niet heeft voldaan aan haar zorgplicht. Van [gedaagde 1] mocht worden verwacht dat zij had onderbouwd waarom de werkwijze van LMI niet voldoet aan haar zorgplicht. Nu zij dat niet heeft gedaan, verwerpt de rechtbank dit verweer van [gedaagde 1] .
Geen rechtsgevolg verbonden aan beroep op ontbinding
4.11.
[gedaagde 1] heeft in haar conclusie van antwoord aangegeven dat zij een beroep zal doen op ontbinding. [gedaagde 1] heeft de bankgarantie echter niet ontbonden. Er is dan ook geen rechtsgevolg ingeroepen. De rechtbank gaat hier derhalve op grond van artikel 24 Rv aan voorbij.
Financiële gevolgen voor [gedaagde 2]
4.12.
Tot slot voert [gedaagde 1] aan dat de financiële gevolgen van de overeenkomst volledig voor rekening van [gedaagde 2] dienen te komen. Gesteld noch gebleken is waarom moet worden afgeweken van het uitgangspunt in artikel 6:7 lid 1 BW dat een schuldeiser bij twee of meer hoofdelijk verbonden schuldenaren tegenover ieder van hen recht heeft op nakoming voor het geheel. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat [gedaagde 2] zijn deel van het verschuldigde bedrag op 12 juli 2024 heeft betaald aan LMI.
Conclusie
4.16.
LMI vordert € 44.913,51, bestaande uit de hoofdsom van € 43.701,50 en buitengerechtelijke incassokosten van € 1.212,01, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 juli 2024. De rechtbank zal betaling van de hoofdsom toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2024. De gevorderde buitenrechtelijke incassokosten zullen ook worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2024.
4.17.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van LMI worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
136,72
- griffierecht
€
2.889,00
- salaris advocaat
€
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.631,72
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.19.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Dictum
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan LMI te betalen een bedrag van € 43.701,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 13 juli 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] om aan LMI te betalen een bedrag van € 1.212,01 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 24 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 5.631,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2025.
JV/KH