Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-07-04
ECLI:NL:RBGEL:2025:5270
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,129 tokens
Inleiding
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11488187 \ CV EXPL 25-26
Vonnis van 13 juni 2025
in de zaak van
BROOKHAVEN BEHEER B.V.,
te Ferwert,
eisende partij,
hierna te noemen: Brookhaven,
procederend in persoon,
tegen
N.V. SCHADEVERZEKERING-MAATSCHAPPIJ BOVEMIJ,
te Nijmegen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Bovemij,
gemachtigde: mr. N.P. Jonker.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
Brookhaven vordert na eiswijzing bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, althans zo begrijpt de kantonrechter:
primair
Bovemij te veroordelen om aan Brookhaven te betalen een bedrag van € 18.545,80, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente over dit bedrag vanaf 8 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling, met veroordeling van Bovemij in de proces- en nakosten;
subsidiair
a. voor zover de kantonrechter van mening zou zijn dat de vordering van Brookhaven materieel stand houdt, doch dat – gelet op hetgeen tijdens de procedure bekend werd, althans bleek – hetzij de gedagvaarde entiteit binnen de geconsolideerde constellatie van Bovemij aanpassing behoeft, dan wel de adressering van de factuur aanpassing vereist, c.q. de afzender der factuur een andere omschrijving behoeft, verzoekt Brookhaven toe te staan de voorwerp van geding zijnde factuur eventueel te crediteren en te vervangen door een factuur welke materieel gelijk is aan de alsdan gecrediteerde factuur en formeel in overeenstemming is met de in de onderhavige procedure gebleken juridische werkelijkheid;
b. en voor zover de kantonrechter de achterliggende letselschadekwestie bij de behandeling van deze zaak wil betrekken, vordert Brookhaven aanvullend om Bovemij te gebieden de gesprekken over de schadeafwikkeling met Brookhaven te hervatten middels mediation, op kosten van Bovemij;
c. met veroordeling van Bovemij in de proces- en nakosten.
2.2.
Brookhaven legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat Bovemij toerekenbaar tekort is geschoten in haar betalingsverplichting door de factuur van 25 juli 2024 ten bedrage van € 17.594,85 inclusief btw onbetaald te laten. Hierdoor is Bovemij in verzuim en is zij eveneens wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. Subsidiair vordert Brookhaven voorwaardelijk om de tenaamstelling van de onderhavige factuur te wijzigen dan wel om wijziging van de gedaagde partij en Bovemij te verplichten tot mediation.
2.3.
Bovemij voert verweer en voert aan dat de verkeerde partij is gedagvaard. De factuur waarvan betaling wordt gevorderd staat niet op haar naam (N.V. Schadeverzekering-maatschappij Bovemij), maar op naam van Bovemij N.V. (productie 2 bij dagvaarding). Dit verweer slaagt, zodat Brookhaven jegens Bovemij geen aanspraak kan maken op betaling van de onderhavige factuur. De primaire vordering wordt daarom afgewezen.
2.4.
Brookhaven tracht deze omissie te herstellen door subsidiair te vorderen de tenaamstelling van de factuur te mogen wijzigen dan wel N.V. Schadeverzekering-maatschappij Bovemij in de plaats te laten treden van Bovemij. Aan deze subsidiaire vordering is door Brookhaven de voorwaarde verbonden dat de kantonrechter van oordeel zou zijn dat “de vordering van Brookhaven materieel stand houdt”. Brookhaven gaat er hierbij aan voorbij dat de kantonrechter niet aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van Brookhaven toekomt nu is gebleken dat de verkeerde partij is gedagvaard. Los daarvan, komt een dergelijke vordering niet voor toewijzing in aanmerking. Het is Brookhaven zelf geweest die de factuur op naam van Bovemij N.V. heeft gesteld en er willens en wetens voor heeft gekozen een andere partij te dagvaarden. De kantonrechter ziet voorts geen aanleiding om Brookhaven de mogelijkheid te bieden een herstelexploot uit te brengen. Hieruit volgt dat de subsidiaire vordering onder a wordt afgewezen.
2.5.
Ook de subsidiaire vordering onder b heeft een voorwaardelijk karakter. Aan de beoordeling wordt slechts toegekomen als de kantonrechter “de achterliggende letselschadekwestie bij de behandeling van deze zaak wil betrekken”. Brookhaven miskent bij het stellen van deze voorwaarde dat partijen de omvang van het debat in een procedure bepalen. De kantonrechter beoordeelt vervolgens of de aangevoerde feiten kunnen leiden tot een toewijzing van het gevorderde. Het debat tussen partijen strekte zich, blijkens de dagvaarding, enkel uit tot de vraag of Bovemij gehouden is de factuur van Brookhaven te voldoen. Het staat Brookhaven, zolang de kantonrechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, vrij om haar vordering te wijzigen c.q. te vermeerderen (artikel 130 Rv). Dit heeft zij bij repliek ook gedaan. Evenwel maakt de door Brookhaven gestelde voorwaarde dat aan de inhoudelijke beoordeling van de subsidiaire vordering onder b niet wordt toegekomen. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat ook, indien hij toe zou komen aan de inhoudelijke beoordeling, deze vordering niet toewijsbaar is. Er is geen (wettelijke) grondslag gesteld op grond waarvan Bovemij, in deze zaak, verplicht kan worden om haar medewerking aan mediation te verlenen.
2.6.
Brookhaven is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Bovemij worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
947,00
Dictum
De kantonrechter
3.1.
wijst de vorderingen van Brookhaven af,
3.2.
veroordeelt Brookhaven in de proceskosten van € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Brookhaven niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt Brookhaven tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2025.
[.]
[.]
[.]
44356 \ 560