Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-06-02
ECLI:NL:RBGEL:2025:4896
Civiel recht
Wraking
4,189 tokens
Dictum
RECHTBANK GELDERLAND, locatie Zutphen
Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/443779 / KG RK 25-420
Dictum
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
de besloten vennootschap [Verzoeker 1]
gevestigd te Zeewolde
en
[Verzoeker 2]
wonende te Hierden
en
de besloten vennootschap [Verzoeker 3],
gevestigd te Zeewolde
hierna te noemen: verzoeksters
strekkende tot de wraking van
mr. K.H.A. Heenk,
rechter-commissaris in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het proces-verbaal van 14 mei 2025 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
de schriftelijke reactie van de rechter van 15 mei 2025 en
de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 19 mei 2025.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
verzoekstersrs hebben zich laten vertegenwoordigen door hun raadsman mr. H.P. Plas, advocaat te Utrecht en
de rechter
2Het wrakingsverzoek
2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak
met nummer C/05/443779 tussen verzoeksters en [Belanghebbenden] .
2.2
Verzoeksters hebben blijkens het proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor, zakelijk weergegeven aan hun mondelinge verzoek ten grondslag gelegd dat de beslissing om het beroep op het verschoningsrecht af te wijzen getuigt van vooringenomenheid, omdat deze onbegrijpelijk is en onvoldoende gemotiveerd. Deze beslissing is niet genomen op basis van de voorgeschreven terughoudende toets en de rechter is vooruitgelopen op het getuigenverhoor van mevrouw [Verzoeker 2]. De argumenten die de rechter aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd wekken de schijn van vooringenomenheid, omdat de rechter enkel is uitgegaan van de verklaring van de wederpartij of zij al dan niet aangifte hebben gedaan dan wel dit van plan zijn. Daarnaast gaf de rechter zelf ook aan vooringenomen te zijn doordat zij aangaf vooruit te lopen op het getuigenverhoor van mevrouw [Verzoeker 2]. Tot slot heeft de rechter de advocaat van de wederpartij nog in de gelegenheid gesteld te reageren op de wrakingsgronden, waardoor de zitting is voortgezet en de reactie van die advocaat van invloed kan zijn op de behandeling door de wrakingskamer.
2.3
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
Beoordeling
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2
De wrakingskamer overweegt als volgt.
1) Familiair verschoningsrecht
Verzoeksters vinden de rechter vooringenomen omdat deze een onjuiste beslissing heeft genomen. De rechter heeft naar de mening van verzoeksters het beroep op familiair verschoningsrecht ten onrechte afgewezen.
De juistheid van de rechterlijke beslissing kan echter alleen worden beoordeeld als daartegen een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) is aangewend. Uit de stukken blijkt dat inmiddels hoger beroep tegen de beslissing van de rechter is ingesteld. De wrakingsprocedure is niet bestemd om de juistheid van de rechterlijke beslissing te toetsen omdat het daarin uitsluitend gaat over de (schijn van) vooringenomenheid van de rechter. Alleen als de beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er grond voor wraking. De aangevoerde grond haalt deze hoge drempel niet.
2) Strafrechtelijk verschoningsrecht (nemo tenetur-beginsel)
Verzoeksters vinden de rechter vooringenomen omdat deze een onjuiste beslissing heeft genomen en de beslissing onbegrijpelijk en onvoldoende is gemotiveerd.
De rechter heeft het beroep op het nemo tenetur-beginsel afgewezen. De wederpartij heeft desgevraagd aangegeven dat er geen aangifte is gedaan en dat daar ook geen plannen voor zijn. Nadat verzoekster [Verzoeker 2] bij monde van haar advocaat heeft aangekondigd dat zij bij elke vraag een beroep zou doen op dit verschoningsrecht, heeft de rechter medegedeeld dat zij dit opvat als een beroep op een algeheel verschoningsrecht en geoordeeld dat zij dit afwijst. Zij heeft vervolgens aangekondigd dat zij algemene vragen zal stellen die geen frauduleuze insteek hebben en dat mevrouw [Verzoeker 2] misschien ook alleen formeel bestuurder is, zodat zij wellicht niet weet van de transacties.
De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissing van de rechter om het beroep op het verschoningsrecht na elke vraag op te vatten als een beroep op het algeheel verschoningsrecht moet worden gekwalificeerd als een procesbeslissing, waaruit geen vooringenomenheid kan worden afgeleid. Deze beslissing van de rechter is begrijpelijk in het licht van de eerdere beslissing. Bovendien belet een dergelijke beslissing geen van de partijen om per individuele vraag een beroep op het nemo tenetur-beginsel te doen. Nu de rechter daarnaast de waarborg heeft gegeven dat zij alleen algemene vragen zou stellen die geen frauduleuze insteek hebben is deze beslissing niet zodanig ongemotiveerd en onbegrijpelijk dat die alleen uit vooringenomenheid ingegeven kan zijn.
Dit geldt evenzeer voor de opmerking van de rechter dat mevrouw [Verzoeker 2] misschien ook alleen formeel bestuurder zou zijn. Hiermee heeft de rechter naar het oordeel van de wrakingskamer slechts een mogelijkheid aangegeven en niet zozeer een oordeel. Ten slotte volgt uit het voorgaande dat de rechter de beslissing tot afwijzing van het beroep op het nemo tenetur-beginsel niet uitsluitend heeft genomen op basis van de mededeling van de wederpartij dat aangifte is gedaan, noch dat daar plannen voor zijn.
3) Niet aanstonds schorsen
Uit het proces-verbaal van 14 mei 2025 en de toelichting van de rechter volgt dat na het aandragen van de wrakingsgronden mr. Aartsen het woord heeft genomen. De rechter heeft hem niet onderbroken maar daarna ervoor gekozen om zowel mr. Plas als mr. Veenstra alsnog de gelegenheid te geven hierop te reageren, waardoor hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. De wrakingskamer is van oordeel dat hieruit niet blijkt van vooringenomenheid.
3.3.
Gelet op het vorenstaande, slagen de voorgedragen wrakingsgronden - ook in onderling verband bezien - niet en de wrakingskamer zal het verzoek dan ook afwijzen.
Dictum
De wrakingskamer van de rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.M.P.T. Blokhuis, voorzitter, mr. A.L.M. Steinebach -de Wit en mr. S. Boot, leden, in tegenwoordigheid van de griffier [griffier] en in openbaar uitgesproken op 2 juni 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:4896 text/xml public 2026-03-24T11:27:01 2025-06-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-06-02 C/05/443779 KG RK 25-420 Uitspraak Wraking NL Zutphen Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:4896 text/html public 2025-06-24T11:16:38 2025-06-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:4896 Rechtbank Gelderland , 02-06-2025 / C/05/443779 KG RK 25-420 De wrakingskamer is van oordeel dat de rechter niet (de schijn van) vooringenomenheid heeft gewekt en wijst het verzoek af. beslissing RECHTBANK GELDERLAND, locatie Zutphen Wrakingskamer zaaknummer: C/05/443779 / KG RK 25-420 Beslissing van 2 juni 2025 van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van de besloten vennootschap [Verzoeker 1] gevestigd te Zeewolde en [Verzoeker 2] wonende te Hierden en de besloten vennootschap [Verzoeker 3] , gevestigd te Zeewolde hierna te noemen: verzoeksters strekkende tot de wraking van mr. K.H.A. Heenk, rechter-commissaris in deze rechtbank hierna te noemen: de rechter. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het proces-verbaal van 14 mei 2025 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld; de schriftelijke reactie van de rechter van 15 mei 2025 en de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 19 mei 2025. 1.2. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen: verzoekstersrs hebben zich laten vertegenwoordigen door hun raadsman mr. H.P. Plas, advocaat te Utrecht en de rechter 2 Het wrakingsverzoek 2.1 Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/05/443779 tussen verzoeksters en [Belanghebbenden] . 2.2 Verzoeksters hebben blijkens het proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor, zakelijk weergegeven aan hun mondelinge verzoek ten grondslag gelegd dat de beslissing om het beroep op het verschoningsrecht af te wijzen getuigt van vooringenomenheid, omdat deze onbegrijpelijk is en onvoldoende gemotiveerd. Deze beslissing is niet genomen op basis van de voorgeschreven terughoudende toets en de rechter is vooruitgelopen op het getuigenverhoor van mevrouw [Verzoeker 2]. De argumenten die de rechter aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd wekken de schijn van vooringenomenheid, omdat de rechter enkel is uitgegaan van de verklaring van de wederpartij of zij al dan niet aangifte hebben gedaan dan wel dit van plan zijn. Daarnaast gaf de rechter zelf ook aan vooringenomen te zijn doordat zij aangaf vooruit te lopen op het getuigenverhoor van mevrouw [Verzoeker 2]. Tot slot heeft de rechter de advocaat van de wederpartij nog in de gelegenheid gesteld te reageren op de wrakingsgronden, waardoor de zitting is voortgezet en de reactie van die advocaat van invloed kan zijn op de behandeling door de wrakingskamer. 2.3 De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken. 3 De beoordeling 3.1. Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden. 3.2 De wrakingskamer overweegt als volgt. 1) Familiair verschoningsrecht Verzoeksters vinden de rechter vooringenomen omdat deze een onjuiste beslissing heeft genomen. De rechter heeft naar de mening van verzoeksters het beroep op familiair verschoningsrecht ten onrechte afgewezen. De juistheid van de rechterlijke beslissing kan echter alleen worden beoordeeld als daartegen een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) is aangewend. Uit de stukken blijkt dat inmiddels hoger beroep tegen de beslissing van de rechter is ingesteld. De wrakingsprocedure is niet bestemd om de juistheid van de rechterlijke beslissing te toetsen omdat het daarin uitsluitend gaat over de (schijn van) vooringenomenheid van de rechter. Alleen als de beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er grond voor wraking. De aangevoerde grond haalt deze hoge drempel niet. 2) Strafrechtelijk verschoningsrecht (nemo tenetur-beginsel) Verzoeksters vinden de rechter vooringenomen omdat deze een onjuiste beslissing heeft genomen en de beslissing onbegrijpelijk en onvoldoende is gemotiveerd. De rechter heeft het beroep op het nemo tenetur-beginsel afgewezen. De wederpartij heeft desgevraagd aangegeven dat er geen aangifte is gedaan en dat daar ook geen plannen voor zijn. Nadat verzoekster [Verzoeker 2] bij monde van haar advocaat heeft aangekondigd dat zij bij elke vraag een beroep zou doen op dit verschoningsrecht, heeft de rechter medegedeeld dat zij dit opvat als een beroep op een algeheel verschoningsrecht en geoordeeld dat zij dit afwijst. Zij heeft vervolgens aangekondigd dat zij algemene vragen zal stellen die geen frauduleuze insteek hebben en dat mevrouw [Verzoeker 2] misschien ook alleen formeel bestuurder is, zodat zij wellicht niet weet van de transacties. De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissing van de rechter om het beroep op het verschoningsrecht na elke vraag op te vatten als een beroep op het algeheel verschoningsrecht moet worden gekwalificeerd als een procesbeslissing, waaruit geen vooringenomenheid kan worden afgeleid. Deze beslissing van de rechter is begrijpelijk in het licht van de eerdere beslissing. Bovendien belet een dergelijke beslissing geen van de partijen om per individuele vraag een beroep op het nemo tenetur-beginsel te doen. Nu de rechter daarnaast de waarborg heeft gegeven dat zij alleen algemene vragen zou stellen die geen frauduleuze insteek hebben is deze beslissing niet zodanig ongemotiveerd en onbegrijpelijk dat die alleen uit vooringenomenheid ingegeven kan zijn. Dit geldt evenzeer voor de opmerking van de rechter dat mevrouw [Verzoeker 2] misschien ook alleen formeel bestuurder zou zijn. Hiermee heeft de rechter naar het oordeel van de wrakingskamer slechts een mogelijkheid aangegeven en niet zozeer een oordeel. Ten slotte volgt uit het voorgaande dat de rechter de beslissing tot afwijzing van het beroep op het nemo tenetur-beginsel niet uitsluitend heeft genomen op basis van de mededeling van de wederpartij dat aangifte is gedaan, noch dat daar plannen voor zijn. 3) Niet aanstonds schorsen Uit het proces-verbaal van 14 mei 2025 en de toelichting van de rechter volgt dat na het aandragen van de wrakingsgronden mr. Aartsen het woord heeft genomen. De rechter heeft hem niet onderbroken maar daarna ervoor gekozen om zowel mr. Plas als mr. Veenstra alsnog de gelegenheid te geven hierop te reageren, waardoor hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. De wrakingskamer is van oordeel dat hieruit niet blijkt van vooringenomenheid. 3.3. Gelet op het vorenstaande, slagen de voorgedragen wrakingsgronden - ook in onderling verband bezien - niet en de wrakingskamer zal het verzoek dan ook afwijzen. 4 De beslissing De wrakingskamer van de rechtbank: - wijst het verzoek tot wraking af. Deze beslissing is gegeven door mr. A.M.P.T. Blokhuis, voorzitter, mr. A.L.M. Steinebach -de Wit en mr. S. Boot, leden, in tegenwoordigheid van de griffier [griffier] en in openbaar uitgesproken op 2 juni 2025. de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.