Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-06-03
ECLI:NL:RBGEL:2025:4181
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,756 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5350
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser]
, uit [plaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, het college
(gemachtigde: mr. M.W.M. Nass).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 13 maart 2024 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 juli 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college. Eiser is niet verschenen.
Feiten
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft de gemeente Apeldoorn gedagvaard vanwege een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst, betreffende een zorgplan inclusief zelfstandige woonruimte welke nooit tot stand is gekomen.
Op 13 maart 2024 heeft eiser een aanvraag voor bijzondere bijstand ingediend voor vergoeding van proceskosten van € 357,64. Bij deze aanvraag heeft hij een factuur van [naam deurwaarderskantoor] gevoegd, waaruit volgt dat hij dit bedrag moet betalen aan deurwaarderskosten voor de bodemprocedure die hij heeft ingediend tegen de gemeente Apeldoorn. Vervolgens is het college overgegaan tot de bestreden besluitvorming.
Het toetsingskader
4. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet degene die een aanvraag doet voor bijzondere bijstand aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand.
4.1.
Ten eerste moet worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het college een zekere beoordelingsvrijheid.
Heeft het college de aanvraag van eiser terecht afgewezen?
5. Eiser voert aan dat proceskosten (zoals de kosten voor de betekening van een dagvaarding en de kosten voor een gerechtsdeurwaarder) onderdeel zijn van de griffiekosten.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand heeft aangevraagd noodzakelijk zijn. De kosten die eiser heeft gemaakt in de dagvaardingsprocedure tegen de gemeente Apeldoorn, zoals het uitreiken van de dagvaarding, komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand vraagt, zich voordoen. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten noodzakelijk zijn. Eiser heeft niet toegelicht wat de context en de aard van de procedure zijn die hij is gestart tegen de gemeente Apeldoorn. Hierdoor kan geen oordeel worden gevormd over de noodzakelijkheid en kan ook niet worden beoordeeld of, en zo ja, in hoeverre zijn toegang tot de rechter als gevolg van het niet toekennen van bijzondere bijstand op onaanvaardbare wijze is of zou zijn beperkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand terecht afgewezen.
6. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Wat onder 5.2. is overwogen, brengt mee dat voor een veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente, geen grond aanwezig is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het CRvB van 27 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2111.
Artikel 35, eerste lid, van de Pw.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:129.