Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-04-01
ECLI:NL:RBGEL:2025:2502
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,610 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/174
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet
(gemachtigde: [naam gemachtigde 2] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de gemeente Nunspeet (derde-partij).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen een omgevingsvergunning voor het verwijderen van een grondwal.
1.1.
Met de beslissing op bezwaar van 23 november 2023 is het college bij dat besluit gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Waar gaat deze zaak over?
2. In 2013 is een grondwal met beplanting aangelegd op het achterste deel van het perceel aan de [locatie] (kadastrale percelen [kadastraal perceel 1] en [kadastraal perceel 2] ) in [plaats] . Op dit perceel was een camping aanwezig. De reden voor de aanleg van de grondwal was het afschermen van het recreatieve gebruik van dit perceel ten opzichte van twee naastgelegen woonpercelen in het aansluitende bosgebied. Op één van die percelen woont eiser. In 2021 is de grondwal door de toenmalige eigenaar zonder omgevingsvergunning verwijderd. Eiser heeft hierover in 2023 een handhavingsverzoek ingediend. Vervolgens heeft derde-partij (de gemeente was inmiddels zelf eigenaar geworden van dit deel van het perceel) op 1 mei 2023 alsnog een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor het verwijderen van de grondwal. Het verzoek om handhaving van eiser is afgewezen in verband met concreet zicht op legalisatie.
2.1.
Ter plaatse gelden de bestemmingsplannen “Recreatieterreinen 2010” en “Buitengebied 2019”. In het bestemmingsplan “Recreatieterreinen 2010” hebben de gronden de bestemming “Recreatie -Gemengd terrein”. In het bestemmingsplan “Buitengebied 2019” hebben de gronden de bestemmingen “Natuur - Landschap” en “Waarde -Archeologie 2” en de gebiedsaanduidingen “Overige zone - ehs”.
2.2.
Volgens het college is de aanvraag niet in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Het college heeft op 22 juni 2023 de omgevingsvergunning verleend voor de activiteit “het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden” (aanleggen).
2.3.
In de beslissing op bezwaar heeft het college het bezwaarschrift ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning in stand gelaten onder aanvulling van de motivering met betrekking tot stikstof. Het college heeft hierover opgenomen dat de grondwal is verwijderd in een periode dat de zogenaamde bouwvrijstelling van toepassing was op dergelijke projecten. Omdat het gaat om een omgevingsvergunning ter legalisatie van een activiteit die reeds geheel is uitgevoerd, geldt er volgens het college geen vereiste om met terugwerkende kracht aan natuurwetgeving te toetsen.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de omgevingsvergunning voor het verwijderen van de grondwal. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De beroepsgronden van eiser zien (juridisch vertaald) op de activiteit aanleggen en op de aanhaakplicht van de Wet natuurbescherming (Wnb).
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Omgevingsvergunning voor de activiteit aanleggen
Wijze van beoordelen
5. Voor een aanlegvergunning geldt op grond van artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo een limitatief-imperatief stelsel. Dat betekent dat de aanlegvergunning alleen mag worden geweigerd als de werkzaamheid in strijd is met de in het bestemmingsplan opgenomen weigeringsgronden. Als de aanvraag niet in strijd is met het bestemmingsplan, dan moet de aanlegvergunning worden verleend.
5.1.
Volgens artikel 13.6 (Natuur – Landschap) van bestemmingsplan “Buitengebied 2019” kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk en werkzaamheden als bedoeld in 13.6.1. slechts worden verleend, met dien verstande dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden van de gronden.
Volgens artikel 6.5.3 (Recreatie, gemengd terrein) van het bestemmingsplan “Recreatieterreinen 2010” kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk en werkzaamheden slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
5.2.
Gelet op dit toetsingskader moest het college dus beoordelen of met het verwijderen van de grondwal geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
Onderzoek naar natuurlijke en landschappelijke waarden
6. Eiser voert aan dat het college pas twee jaar na het verwijderen van de grondwal onderzoeken heeft laten uitvoeren naar de aantasting van kernkwaliteiten als bedoeld in de Omgevingsverordening Gelderland (omgevingsverordening). Er kan niet achteraf worden vastgesteld welke flora en fauna en te beschermen natuurwaarden er waren en of die zijn aangetast. Volgens eiser kan daarom niet worden volgehouden dat er geen onevenredige afbreuk is gedaan aan de natuurlijke waarden van de gronden. Daarnaast zijn ook de te beschermen kernkwaliteiten en landschappelijke waarden niet vooraf in kaart gebracht, zodat niet kan worden onderzocht of deze zijn aangetast.
6.1.
Op 15 december 2022 heeft ecologisch adviesbureau [naam adviesbureau] in opdracht van het college een quickscan Wnb uitgevoerd. In deze quickscan wordt geconcludeerd dat de kernkwaliteiten behorend bij dit gebied geen negatieve effecten ondervinden.
6.2.
Op 6 april 2023 heeft [werknemer] [naam] een advies uitgebracht. De conclusie van dit advies is dat, gezien de oorspronkelijke begrenzingen tussen het bos en het agrarisch landschap, de verwijdering van de grondwal geen afbreuk vormt voor het landschap en de natuurlijke waarden. Ook is opgenomen dat de wal was bedoeld voor het voorkomen van hinder en niet als onderdeel of versterking van het oorspronkelijke landschap, zoals de bestaande bosranden en houtsingels.
6.3.
Met het rapport van 7 juni 2023 heeft [naam adviesbureau] in opdracht van het college een nee, tenzij-toets uitgevoerd. Hierbij is getoetst aan de kernkwaliteiten uit de omgevingsverordening. De conclusies van deze toets zijn:
“pagina 4:
de kernkwaliteiten behorend bij dit gebied ondervinden geen negatieve effecten bij de geplande ontwikkelingen.
Er is geen sprake van natuurontwikkeling waardoor er geen effect is op de ontwikkelingsdoelen.
De planontwikkeling heeft geen effect op genoemde ontwikkeldoelen van de Groene Ontwikkelingszone.
Het hekwerk vormt geen barrière voor de hierboven bedoelde ecologische verbindingszones.
Bij de plaatsing van een hekwerk zal er geen aantasting zijn van oppervlakte en samenhang.
Verbindingen worden niet onderbroken of beïnvloed.
Ook vindt er geen aantasting op bebouwing, landgoederen of wateren plaats.
De houtsingel blijft gehandhaafd.
Het hekwerk wordt niet geplaatst in de nabijheid van een dassenburcht of doorsnijdt een belopen wissel.
Er is geen sprake van een vergunningplicht ten behoeve van het onderdeel gebiedsbescherming in de Wet natuurbescherming.”
Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft [naam adviesbureau] het college met een oplegnotitie van 29 augustus 2023 geïnformeerd dat zowel het verwijderen van de grondwal als het plaatsen van een hek (dat buiten de nu voorliggende omgevingsvergunning valt) in de nee, tenzij-toets is meegenomen. De conclusies van de nee, tenzij-toets gelden voor beide werkzaamheden.
6.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de Quickscan Wnb en de nee, tenzij-toets blijkt dat met de verwijdering van de grondwal geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke waarden. Uit deze rapporten blijkt ook dat de kernkwaliteiten uit de omgevingsverordening niet worden aangetast. De rechtbank volgt het betoog van eiser dat het onderzoeken van natuurlijke waarden met terugwerkende kracht niet mogelijk is omdat de grondwal reeds is verwijderd niet. Niet alleen is bij het veldbezoek aan de locatie en de visuele inspectie de omgeving van de verwijderde grondwal geïnventariseerd en beoordeeld maar deze onderzoeken zijn ook gebaseerd op waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna. Op basis van het onderzoek in verspreidingsatlassen en overige beschikbare natuurinformatie is een inschatting gemaakt welke soorten er redelijkerwijs zijn te verwachten in het plangebied. Daarnaast blijkt uit het advies dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden. Eiser heeft geen onderzoeken overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. Ook overigens bevat hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Het college kon zich gelet op genoemde rapporten op het standpunt stellen dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Gelet op het limitatief-imperatieve stelsel was het college daarom gehouden de omgevingsvergunning te verlenen. De beroepsgrond slaagt niet.
De grondwal in relatie tot de houtwal en de aangrenzende natuurstrook
7. Eiser voert aan dat [naam adviesbureau] een verkeerde kaart heeft gebruikt omdat het college ten onrechte een deel van de grondwal buiten het bestemmingsplan “Buitengebied 2019” heeft gehouden. De grondwal moest volgens eiser worden aangemerkt als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Daarnaast voert eiser aan dat de grondwal één geheel was met de erachter liggende natuurstrook van 15 meter breed en 100 meter lang en dit moet bij de toetsing van de natuureffecten worden betrokken.
7.1.
De rechtbank overweegt dat in deze procedure alleen de omgevingsvergunning voorligt. Eisers beroepsgronden over de locatie van de grondwal in relatie tot het bestemmingsplan gaan over een onderwerp dat in de bestemmingsplanprocedure thuishoort.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bestemmingsplan “Recreatieterreinen 2010”, artikel 6.
Bestemmingsplan “Buitengebied 2019”, artikel 13.
Bestemmingsplan “Buitengebied 2019”, artikel 28.
Bestemmingsplan “Buitengebied 2019”, artikel 42.2.
Artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/174
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet
(gemachtigde: [naam gemachtigde 2] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de gemeente Nunspeet (derde-partij).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen een omgevingsvergunning voor het verwijderen van een grondwal.
1.1.
Met de beslissing op bezwaar van 23 november 2023 is het college bij dat besluit gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Waar gaat deze zaak over?
2. In 2013 is een grondwal met beplanting aangelegd op het achterste deel van het perceel aan de [locatie] (kadastrale percelen [kadastraal perceel 1] en [kadastraal perceel 2] ) in [plaats] . Op dit perceel was een camping aanwezig. De reden voor de aanleg van de grondwal was het afschermen van het recreatieve gebruik van dit perceel ten opzichte van twee naastgelegen woonpercelen in het aansluitende bosgebied. Op één van die percelen woont eiser. In 2021 is de grondwal door de toenmalige eigenaar zonder omgevingsvergunning verwijderd. Eiser heeft hierover in 2023 een handhavingsverzoek ingediend. Vervolgens heeft derde-partij (de gemeente was inmiddels zelf eigenaar geworden van dit deel van het perceel) op 1 mei 2023 alsnog een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor het verwijderen van de grondwal. Het verzoek om handhaving van eiser is afgewezen in verband met concreet zicht op legalisatie.
2.1.
Ter plaatse gelden de bestemmingsplannen “Recreatieterreinen 2010” en “Buitengebied 2019”. In het bestemmingsplan “Recreatieterreinen 2010” hebben de gronden de bestemming “Recreatie -Gemengd terrein”. In het bestemmingsplan “Buitengebied 2019” hebben de gronden de bestemmingen “Natuur - Landschap” en “Waarde -Archeologie 2” en de gebiedsaanduidingen “Overige zone - ehs”.
2.2.
Volgens het college is de aanvraag niet in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Het college heeft op 22 juni 2023 de omgevingsvergunning verleend voor de activiteit “het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden” (aanleggen).
2.3.
In de beslissing op bezwaar heeft het college het bezwaarschrift ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning in stand gelaten onder aanvulling van de motivering met betrekking tot stikstof. Het college heeft hierover opgenomen dat de grondwal is verwijderd in een periode dat de zogenaamde bouwvrijstelling van toepassing was op dergelijke projecten. Omdat het gaat om een omgevingsvergunning ter legalisatie van een activiteit die reeds geheel is uitgevoerd, geldt er volgens het college geen vereiste om met terugwerkende kracht aan natuurwetgeving te toetsen.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de omgevingsvergunning voor het verwijderen van de grondwal. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De beroepsgronden van eiser zien (juridisch vertaald) op de activiteit aanleggen en op de aanhaakplicht van de Wet natuurbescherming (Wnb).
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Omgevingsvergunning voor de activiteit aanleggen
Wijze van beoordelen
5. Voor een aanlegvergunning geldt op grond van artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo een limitatief-imperatief stelsel. Dat betekent dat de aanlegvergunning alleen mag worden geweigerd als de werkzaamheid in strijd is met de in het bestemmingsplan opgenomen weigeringsgronden. Als de aanvraag niet in strijd is met het bestemmingsplan, dan moet de aanlegvergunning worden verleend.
5.1.
Volgens artikel 13.6 (Natuur – Landschap) van bestemmingsplan “Buitengebied 2019” kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk en werkzaamheden als bedoeld in 13.6.1. slechts worden verleend, met dien verstande dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden van de gronden.
Volgens artikel 6.5.3 (Recreatie, gemengd terrein) van het bestemmingsplan “Recreatieterreinen 2010” kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk en werkzaamheden slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
5.2.
Gelet op dit toetsingskader moest het college dus beoordelen of met het verwijderen van de grondwal geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
Onderzoek naar natuurlijke en landschappelijke waarden
6. Eiser voert aan dat het college pas twee jaar na het verwijderen van de grondwal onderzoeken heeft laten uitvoeren naar de aantasting van kernkwaliteiten als bedoeld in de Omgevingsverordening Gelderland (omgevingsverordening). Er kan niet achteraf worden vastgesteld welke flora en fauna en te beschermen natuurwaarden er waren en of die zijn aangetast. Volgens eiser kan daarom niet worden volgehouden dat er geen onevenredige afbreuk is gedaan aan de natuurlijke waarden van de gronden. Daarnaast zijn ook de te beschermen kernkwaliteiten en landschappelijke waarden niet vooraf in kaart gebracht, zodat niet kan worden onderzocht of deze zijn aangetast.
6.1.
Op 15 december 2022 heeft ecologisch adviesbureau [naam adviesbureau] in opdracht van het college een quickscan Wnb uitgevoerd. In deze quickscan wordt geconcludeerd dat de kernkwaliteiten behorend bij dit gebied geen negatieve effecten ondervinden.
6.2.
Op 6 april 2023 heeft [werknemer] [naam] een advies uitgebracht. De conclusie van dit advies is dat, gezien de oorspronkelijke begrenzingen tussen het bos en het agrarisch landschap, de verwijdering van de grondwal geen afbreuk vormt voor het landschap en de natuurlijke waarden. Ook is opgenomen dat de wal was bedoeld voor het voorkomen van hinder en niet als onderdeel of versterking van het oorspronkelijke landschap, zoals de bestaande bosranden en houtsingels.
6.3.
Met het rapport van 7 juni 2023 heeft [naam adviesbureau] in opdracht van het college een nee, tenzij-toets uitgevoerd. Hierbij is getoetst aan de kernkwaliteiten uit de omgevingsverordening. De conclusies van deze toets zijn:
“pagina 4:
de kernkwaliteiten behorend bij dit gebied ondervinden geen negatieve effecten bij de geplande ontwikkelingen.
Er is geen sprake van natuurontwikkeling waardoor er geen effect is op de ontwikkelingsdoelen.
De planontwikkeling heeft geen effect op genoemde ontwikkeldoelen van de Groene Ontwikkelingszone.
Het hekwerk vormt geen barrière voor de hierboven bedoelde ecologische verbindingszones.
Bij de plaatsing van een hekwerk zal er geen aantasting zijn van oppervlakte en samenhang.
Verbindingen worden niet onderbroken of beïnvloed.
Ook vindt er geen aantasting op bebouwing, landgoederen of wateren plaats.
De houtsingel blijft gehandhaafd.
Het hekwerk wordt niet geplaatst in de nabijheid van een dassenburcht of doorsnijdt een belopen wissel.
Er is geen sprake van een vergunningplicht ten behoeve van het onderdeel gebiedsbescherming in de Wet natuurbescherming.”
Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft [naam adviesbureau] het college met een oplegnotitie van 29 augustus 2023 geïnformeerd dat zowel het verwijderen van de grondwal als het plaatsen van een hek (dat buiten de nu voorliggende omgevingsvergunning valt) in de nee, tenzij-toets is meegenomen. De conclusies van de nee, tenzij-toets gelden voor beide werkzaamheden.
6.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de Quickscan Wnb en de nee, tenzij-toets blijkt dat met de verwijdering van de grondwal geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke waarden. Uit deze rapporten blijkt ook dat de kernkwaliteiten uit de omgevingsverordening niet worden aangetast. De rechtbank volgt het betoog van eiser dat het onderzoeken van natuurlijke waarden met terugwerkende kracht niet mogelijk is omdat de grondwal reeds is verwijderd niet. Niet alleen is bij het veldbezoek aan de locatie en de visuele inspectie de omgeving van de verwijderde grondwal geïnventariseerd en beoordeeld maar deze onderzoeken zijn ook gebaseerd op waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna. Op basis van het onderzoek in verspreidingsatlassen en overige beschikbare natuurinformatie is een inschatting gemaakt welke soorten er redelijkerwijs zijn te verwachten in het plangebied. Daarnaast blijkt uit het advies dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden. Eiser heeft geen onderzoeken overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. Ook overigens bevat hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Het college kon zich gelet op genoemde rapporten op het standpunt stellen dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Gelet op het limitatief-imperatieve stelsel was het college daarom gehouden de omgevingsvergunning te verlenen. De beroepsgrond slaagt niet.
De grondwal in relatie tot de houtwal en de aangrenzende natuurstrook
7. Eiser voert aan dat [naam adviesbureau] een verkeerde kaart heeft gebruikt omdat het college ten onrechte een deel van de grondwal buiten het bestemmingsplan “Buitengebied 2019” heeft gehouden. De grondwal moest volgens eiser worden aangemerkt als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Daarnaast voert eiser aan dat de grondwal één geheel was met de erachter liggende natuurstrook van 15 meter breed en 100 meter lang en dit moet bij de toetsing van de natuureffecten worden betrokken.
7.1.
De rechtbank overweegt dat in deze procedure alleen de omgevingsvergunning voorligt. Eisers beroepsgronden over de locatie van de grondwal in relatie tot het bestemmingsplan gaan over een onderwerp dat in de bestemmingsplanprocedure thuishoort.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bestemmingsplan “Recreatieterreinen 2010”, artikel 6.
Bestemmingsplan “Buitengebied 2019”, artikel 13.
Bestemmingsplan “Buitengebied 2019”, artikel 28.
Bestemmingsplan “Buitengebied 2019”, artikel 42.2.
Artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).