Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-03-14
ECLI:NL:RBGEL:2025:1926
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,659 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/5050
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] te [plaats 1], eiser,
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] te [plaats 2].
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toewijzing van de helft van de kinderbijslag voor zijn twee kinderen vanaf het tweede kwartaal van 2023 op grond de van Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
1.1.
De SVB heeft met het besluit van 21 april 2023 de helft van de kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2023 aan eiser toegewezen. Met het bestreden besluit van 7 juli 2023 op het bezwaar van eiser is SVB bij deze toewijzing gebleven.
1.2.
SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling
2. Tussen eiser en de SVB is enkel in geschil de ingangsdatum van de toewijzing van de kinderbijslag. Eiser wil met terugwerkende kracht kinderbijslag ontvangen. De SVB meent dat eiser pas vanaf het tweede kwartaal van 2023 recht heeft op (de helft van de) kinderbijslag. De rechtbank beoordeelt de ingangsdatum van de kinderbijslag aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat de SVB terecht vanaf het tweede kwartaal van 2023 (de helft van de) kinderbijslag aan eiser heeft toegekend.
De SVB heeft terecht besloten dat eiser geen kinderbijslag ontvangt met terugwerkende kracht. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Vast staat dat kinderbijslag is aangevraagd en ontvangen voor beide kinderen van eiser en zijn ex-partner. Op 31 maart 2021 is de echtscheiding uitgesproken tussen eiser en zijn ex-partner. Op 1 maart 2023 is eiser uitgeschreven naar een nieuw adres, de rechtbank begrijpt een ander adres dan zijn ex-partner.
5. Eiser heeft met zijn ex-partner een co-ouderschapsregeling voor zijn twee kinderen. Tussen eiser en zijn ex-partner is niets geregeld over de verdeling van de kinderbijslag. In dat geval wordt de kinderbijslag gelijk verdeeld over beide ouders als beide ouders recht hebben op kinderbijslag en ongeveer evenveel bijdragen aan de verzorging. Hier zijn eiser en de SVB het over eens.
6. Het recht op kinderbijslag wordt door de SVB vastgesteld op aanvraag. Eiser heeft op 19 maart 2023 de aanvraag tot toekenning van (zijn aandeel in de) kinderbijslag gedaan.
7. Omdat eiser pas op 19 maart 2023 een aanvraag heeft ingediend en niet gesteld of is gebleken dat eiser over de periode van 31 maart 2021 tot 19 maart 2023 de kinderen alleen of in overwegende mate heeft onderhouden, krijgt eiser over deze periode geen kinderbijslag. Dat, zoals eiser stelt, hij niet eerder heeft begrepen dat hij ook recht zou hebben op kinderbijslag is een omstandigheid die, hoe vervelend ook, niet op de SVB afgewend kan worden. De SVB heeft de gehele periode immers de kinderbijslag op grond van de geldende regels terecht uitbetaald aan de rechthebbende(n). Ook ziet de rechtbank in deze omstandigheid geen aanleiding om te oordelen dat het recht op kinderbijslag voor eiser eerder moet worden toegekend dan het tweede kwartaal van 2023.
8. Nu eiser vanwege voorgaande reden niet eerder recht heeft op kinderbijslag dan vanaf het tweede kwartaal van 2023 zal de rechtbank onbesproken laten per wanneer er feitelijk sprake is van co-ouderschap.
9. Ook de situatie dat, zoals eiser stelt, de eerder ontvangen kinderbijslag mogelijk niet ten goede is gekomen van de kinderen kan eiser niet aan de SVB tegenwerpen. Simpelweg omdat er geen (wettelijke) plicht is de kinderbijslag te besteden ten goede van de kinderen en de SVB niet de (wettelijke) taak heeft om dit te controleren.
10. Ook kan eiser de SVB niet verplichten een hoorzitting of een ander soort (bemiddelings)gesprek te organiseren tussen eiser en zijn ex-partner.
11. Voor zover eiser een beroep doet op het vertrouwensbeginsel door te stellen dat hem is toegezegd dat de kinderbijslag met terugwerkende kracht tot een jaar voorafgaande aan de aanvraagdatum betaald zou worden, volgt de rechtbank dit niet. Dit omdat eiser niet nader heeft gemotiveerd en (met stukken) onderbouwd door wie, wanneer en wat hem is toegezegd.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de SVB terecht niet eerder dan het tweede kwartaal van 2023 het recht op (de helft van) de kinderbijslag heeft toegekend aan eiser. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.H. Boerhof, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.V. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
En wel met één jaar te rekenen vanaf de datum van de aanvraag, derhalve met ingang van 19 maart 2022.
Dit volgt uit artikel 18, zevende lid van de AKW en artikel 10, eerste lid van het Besluit uitvoering kinderbijslag.
Dit volgt uit artikel 18, zesde lid van de AKW.