Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-10-22
ECLI:NL:RBGEL:2025:12006
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,014 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:12006 text/xml public 2026-04-30T11:00:46 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-10-22 11605248 CV EXPL 25-741 Uitspraak Bodemzaak Tussenuitspraak NL Zutphen Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:12006 text/html public 2026-04-30T11:00:07 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:12006 Rechtbank Gelderland , 22-10-2025 / 11605248 CV EXPL 25-741 Onderhouds- en meldkamerabonnement voor alarminstallatie in woning van consument. Terecht jaarlijkse prijsverhogingen doorgevoerd? Prijswijzigingsbeding oneerlijk? Tussenvonnis. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: 11605248 \ CV EXPL 25-741 Vonnis van 22 oktober 2025 in de zaak van [naam eisend bedrijf] B.V. , te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , gemachtigde: mr. R. Zwiers, tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek - de akte uitlating van [de eiser] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [de gedaagde] heeft met ingang van 24 december 2008 bij [de eiser] een onderhouds- en meldkamerabonnement voor de alarminstallatie in zijn woning afgesloten voor een bedrag van € 300,00 exclusief btw per jaar. 2.2. In de tussen partijen ondertekende overeenkomst is, voor zover van belang, het volgende vermeld: “(…) Tarieven: De tarieven zijn onderhevig aan de jaarlijkse prijsindexering (algemene prijsindexcijfer). (…) Betaling abonnementen: Facturering geschiedt jaarlijks en vooruit t/m einde van het lopende jaar. (…)” 2.3. Op 3 januari 2024 heeft [de eiser] de abonnementskosten voor het jaar 2024 ten bedrage van € 613,65 (inclusief btw) bij [de gedaagde] in rekening gebracht. [de gedaagde] heeft dit bedrag niet voldaan aan [de eiser] . 2.4. Op 16 mei 2024 heeft [de gedaagde] de overeenkomst opgezegd. 2.5. [de eiser] heeft de abonnementskosten over de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024 ter hoogte van € 306,83 (inclusief btw) gecrediteerd. 3 Het geschil 3.1. [de eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [de gedaagde] tot betaling van de abonnementskosten over de periode van 1 januari 2024 tot 1 juli 2024 van € 306,81, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. [de gedaagde] voert verweer en concludeert tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Ter beoordeling ligt voor of [de gedaagde] de abonnementskosten over de periode van 1 januari 2024 tot 1 juli 2024 van € 306,81 nog aan [de eiser] moet betalen. 4.2. [de gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van dit bedrag. [de gedaagde] stelt zich onder meer op het standpunt dat hij in maart 2024 met [de eiser] is overeengekomen dat het nieuwe jaarlijkse tarief € 460,00 (inclusief btw) in plaats van – het in zijn ogen veel te hoge bedrag van – € 613,65 (inclusief btw) zal bedragen. [de gedaagde] is daarom slechts bereid een bedrag van € 460,00 aan [de eiser] te voldoen, aldus [de gedaagde] . 4.3. [de gedaagde] heeft kennelijk niet onder ogen gezien dat [de eiser] de abonnementskosten over de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024 heeft gecrediteerd omdat [de gedaagde] de overeenkomst heeft opgezegd. De kantonrechter vat het verweer van [de gedaagde] daarom zo op, dat hij over de periode van 1 januari 2024 tot 1 juli 2024 slechts een bedrag van € 230,00 (inclusief btw) verschuldigd is. Dit verweer faalt. [de eiser] heeft het bestaan van de door [de gedaagde] gestelde afspraak gemotiveerd betwist. Volgens [de eiser] heeft zij [de gedaagde] meermaals aangeboden een nieuwe (vierjarige) overeenkomst te sluiten tegen een lager tarief van € 460,00 per jaar, maar heeft [de gedaagde] deze aanbiedingen niet (tijdig) geaccepteerd. Niet gesteld of gebleken is dat [de gedaagde] wel (tijdig) is ingegaan op dit aanbod van [de eiser] . [de gedaagde] heeft zijn stelling op dit punt dan ook onvoldoende onderbouwd. Dit betekent dat het bestaan van de door [de gedaagde] gemaakte afspraak niet is komen vast te staan. 4.4. Voor zover [de gedaagde] heeft willen aanvoeren dat [de eiser] jaarlijks onterecht en stilzwijgend prijsverhogingen heeft doorgevoerd, faalt dat verweer eveneens. De jaarlijkse prijsverhogingen zijn gebaseerd op de tussen partijen gesloten overeenkomst waarin staat vermeld dat de tarieven onderhevig zijn aan de jaarlijkse prijsindexering. Omdat sprake is van een door [de eiser] met [de gedaagde] als consument gesloten overeenkomst moet de kantonrechter wel ambtshalve toetsen of dit prijswijzigingsbeding een oneerlijk beding is in de zin van de Richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). 4.5. Het beding valt onder artikel 3 lid 3 sub 1 onder ‘I’ van de blauwe lijst behorende bij de richtlijn met bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. In sub 2 onder d van de lijst is bepaald dat het onder ‘I’ vermelde niet in de weg staat aan bedingen van prijsindexering, voor zover deze wettig zijn en de wijze waarop de prijs wordt aangepast hierin expliciet beschreven is. 4.6. Naar het oordeel van de kantonrechter is het prijswijzigingsbeding vermoedelijk oneerlijk omdat het beding niet transparant is. Op het moment van het sluiten van de overeenkomst was het voor [de gedaagde] niet helder in hoeverre en op grond waarvan [de eiser] de abonnementskosten zou kunnen verhogen. Zo bevat het beding geen concrete berekeningsmethode en/of specifieke verwijzing naar een objectieve index, zoals de CPI van het CBS. Het beding verwijst alleen naar het algemene prijsindexcijfer, maar niet duidelijk is welk algemeen prijsindexcijfer hiermee wordt bedoeld. Deze onduidelijkheid komt ook tijdens deze procedure tot uitdrukking. Waar [de gedaagde] alleen uitgaat van een prijsverhoging conform de CPI, stelt [de eiser] kennelijk dat de prijsverhogingen óók zijn gebaseerd op de door de meldkamer(s) opgelegde verhogingen, de externe kosten en de loonkostenstijgingen. Het prijsverhogingsbeding bestaat – in de visie van [de eiser] – dus uit meerdere componenten. Maar naar het oordeel van de kantonrechter kan het beding tekstueel bezien niet als zodanig worden opgesplitst en is er dus sprake van een ondeelbaar beding dat in zijn geheel moet worden getoetst. Omdat [de gedaagde] niet op de hoogte is gesteld van de concrete werking van het prijsverhogingsbeding, zijn de (economische) gevolgen van het beding bij aanvang van de overeenkomst niet voorzienbaar geweest voor [de gedaagde] . Dit alles maakt dat het beding het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van [de gedaagde] aanzienlijk verstoort. 4.7. De kantonrechter is daarom voornemens om het prijswijzigingsbeding te vernietigen. Voordat tot vernietiging wordt overgegaan, worden partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de (on)eerlijkheid van het prijswijzigingsbeding en het voornemen tot vernietiging hiervan. Mocht tot vernietiging worden overgegaan, dan heeft dat tot gevolg dat geen prijsverhogingen mochten worden doorgevoerd en de oorspronkelijk overeengekomen abonnementskosten zijn blijven gelden. Met inachtneming hiervan dient [de eiser] zich ook uit te laten over de gevolgen van vernietiging voor de omvang van de vordering. 4.8. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. verwijst de zaak naar de rol van 5 november 2025 voor akte uitlating van beide partijen ; 5.2. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025. (ldj)
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:12006 text/xml public 2026-04-30T11:00:46 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-10-22 11605248 CV EXPL 25-741 Uitspraak Bodemzaak Tussenuitspraak NL Zutphen Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:12006 text/html public 2026-04-30T11:00:07 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:12006 Rechtbank Gelderland , 22-10-2025 / 11605248 CV EXPL 25-741 Onderhouds- en meldkamerabonnement voor alarminstallatie in woning van consument. Terecht jaarlijkse prijsverhogingen doorgevoerd? Prijswijzigingsbeding oneerlijk? Tussenvonnis. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: 11605248 \ CV EXPL 25-741 Vonnis van 22 oktober 2025 in de zaak van [naam eisend bedrijf] B.V. , te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , gemachtigde: mr. R. Zwiers, tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek- de akte uitlating van [de eiser] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [de gedaagde] heeft met ingang van 24 december 2008 bij [de eiser] een onderhouds- en meldkamerabonnement voor de alarminstallatie in zijn woning afgesloten voor een bedrag van € 300,00 exclusief btw per jaar. 2.2. In de tussen partijen ondertekende overeenkomst is, voor zover van belang, het volgende vermeld: “(…) Tarieven: De tarieven zijn onderhevig aan de jaarlijkse prijsindexering (algemene prijsindexcijfer). (…) Betaling abonnementen: Facturering geschiedt jaarlijks en vooruit t/m einde van het lopende jaar. (…)” 2.3. Op 3 januari 2024 heeft [de eiser] de abonnementskosten voor het jaar 2024 ten bedrage van € 613,65 (inclusief btw) bij [de gedaagde] in rekening gebracht. [de gedaagde] heeft dit bedrag niet voldaan aan [de eiser] . 2.4. Op 16 mei 2024 heeft [de gedaagde] de overeenkomst opgezegd. 2.5. [de eiser] heeft de abonnementskosten over de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024 ter hoogte van € 306,83 (inclusief btw) gecrediteerd. 3 Het geschil 3.1. [de eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [de gedaagde] tot betaling van de abonnementskosten over de periode van 1 januari 2024 tot 1 juli 2024 van € 306,81, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. [de gedaagde] voert verweer en concludeert tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Ter beoordeling ligt voor of [de gedaagde] de abonnementskosten over de periode van 1 januari 2024 tot 1 juli 2024 van € 306,81 nog aan [de eiser] moet betalen. 4.2. [de gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van dit bedrag. [de gedaagde] stelt zich onder meer op het standpunt dat hij in maart 2024 met [de eiser] is overeengekomen dat het nieuwe jaarlijkse tarief € 460,00 (inclusief btw) in plaats van – het in zijn ogen veel te hoge bedrag van – € 613,65 (inclusief btw) zal bedragen. [de gedaagde] is daarom slechts bereid een bedrag van € 460,00 aan [de eiser] te voldoen, aldus [de gedaagde] . 4.3. [de gedaagde] heeft kennelijk niet onder ogen gezien dat [de eiser] de abonnementskosten over de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024 heeft gecrediteerd omdat [de gedaagde] de overeenkomst heeft opgezegd. De kantonrechter vat het verweer van [de gedaagde] daarom zo op, dat hij over de periode van 1 januari 2024 tot 1 juli 2024 slechts een bedrag van € 230,00 (inclusief btw) verschuldigd is. Dit verweer faalt. [de eiser] heeft het bestaan van de door [de gedaagde] gestelde afspraak gemotiveerd betwist. Volgens [de eiser] heeft zij [de gedaagde] meermaals aangeboden een nieuwe (vierjarige) overeenkomst te sluiten tegen een lager tarief van € 460,00 per jaar, maar heeft [de gedaagde] deze aanbiedingen niet (tijdig) geaccepteerd. Niet gesteld of gebleken is dat [de gedaagde] wel (tijdig) is ingegaan op dit aanbod van [de eiser] . [de gedaagde] heeft zijn stelling op dit punt dan ook onvoldoende onderbouwd. Dit betekent dat het bestaan van de door [de gedaagde] gemaakte afspraak niet is komen vast te staan. 4.4. Voor zover [de gedaagde] heeft willen aanvoeren dat [de eiser] jaarlijks onterecht en stilzwijgend prijsverhogingen heeft doorgevoerd, faalt dat verweer eveneens. De jaarlijkse prijsverhogingen zijn gebaseerd op de tussen partijen gesloten overeenkomst waarin staat vermeld dat de tarieven onderhevig zijn aan de jaarlijkse prijsindexering. Omdat sprake is van een door [de eiser] met [de gedaagde] als consument gesloten overeenkomst moet de kantonrechter wel ambtshalve toetsen of dit prijswijzigingsbeding een oneerlijk beding is in de zin van de Richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). 4.5. Het beding valt onder artikel 3 lid 3 sub 1 onder ‘I’ van de blauwe lijst behorende bij de richtlijn met bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. In sub 2 onder d van de lijst is bepaald dat het onder ‘I’ vermelde niet in de weg staat aan bedingen van prijsindexering, voor zover deze wettig zijn en de wijze waarop de prijs wordt aangepast hierin expliciet beschreven is. 4.6. Naar het oordeel van de kantonrechter is het prijswijzigingsbeding vermoedelijk oneerlijk omdat het beding niet transparant is. Op het moment van het sluiten van de overeenkomst was het voor [de gedaagde] niet helder in hoeverre en op grond waarvan [de eiser] de abonnementskosten zou kunnen verhogen. Zo bevat het beding geen concrete berekeningsmethode en/of specifieke verwijzing naar een objectieve index, zoals de CPI van het CBS. Het beding verwijst alleen naar het algemene prijsindexcijfer, maar niet duidelijk is welk algemeen prijsindexcijfer hiermee wordt bedoeld. Deze onduidelijkheid komt ook tijdens deze procedure tot uitdrukking. Waar [de gedaagde] alleen uitgaat van een prijsverhoging conform de CPI, stelt [de eiser] kennelijk dat de prijsverhogingen óók zijn gebaseerd op de door de meldkamer(s) opgelegde verhogingen, de externe kosten en de loonkostenstijgingen. Het prijsverhogingsbeding bestaat – in de visie van [de eiser] – dus uit meerdere componenten. Maar naar het oordeel van de kantonrechter kan het beding tekstueel bezien niet als zodanig worden opgesplitst en is er dus sprake van een ondeelbaar beding dat in zijn geheel moet worden getoetst. Omdat [de gedaagde] niet op de hoogte is gesteld van de concrete werking van het prijsverhogingsbeding, zijn de (economische) gevolgen van het beding bij aanvang van de overeenkomst niet voorzienbaar geweest voor [de gedaagde] . Dit alles maakt dat het beding het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van [de gedaagde] aanzienlijk verstoort. 4.7. De kantonrechter is daarom voornemens om het prijswijzigingsbeding te vernietigen. Voordat tot vernietiging wordt overgegaan, worden partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de (on)eerlijkheid van het prijswijzigingsbeding en het voornemen tot vernietiging hiervan. Mocht tot vernietiging worden overgegaan, dan heeft dat tot gevolg dat geen prijsverhogingen mochten worden doorgevoerd en de oorspronkelijk overeengekomen abonnementskosten zijn blijven gelden. Met inachtneming hiervan dient [de eiser] zich ook uit te laten over de gevolgen van vernietiging voor de omvang van de vordering. 4.8. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. verwijst de zaak naar de rol van 5 november 2025 voor akte uitlating van beide partijen ; 5.2. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025. (ldj)