Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-11-14
ECLI:NL:RBGEL:2025:12004
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
35,335 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:12004 text/xml public 2026-04-28T11:59:39 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-11-14 ARN 21/4972 e.v. Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026042310 FutD 2026-0721 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:12004 text/html public 2026-04-23T14:14:13 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:12004 Rechtbank Gelderland , 14-11-2025 / ARN 21/4972 e.v. IB/PVV; belastingbesparende structuur; navorderingstermijn; nieuw feit; vereiste aangifte; omkering en verzwaring van de bewijslast; boete; beroep gegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 21/4972 tot en met 21/4976 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 14 november 2025 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Groningen, de inspecteur, en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) , te Den Haag, de Staat. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 24 augustus 2021. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2008 tot en met 2012 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en bijbehorende beschikkingen heffings- en belastingrente en boetebeschikkingen opgelegd. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslagen, de rentebeschikkingen en de boetebeschikkingen gehandhaafd. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De inspecteur heeft voor een aantal op deze zaken betrekking hebbende stukken (ten aanzien van de weggelakte delen in deze stukken) verzoeken gedaan tot beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft bij beslissingen van 13 maart 2023 en 29 januari 2024 de verzoeken grotendeels toegewezen. Belanghebbende heeft geen toestemming gegeven om de weggelakte delen te gebruiken bij de beoordeling van zijn beroep. De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor een zitting op 18 september 2024. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende een wrakingsverzoek ingediend. De zitting van 18 september 2024 is daarop uitgesteld. Bij beslissing van 14 oktober 2024 heeft de meervoudige wrakingskamer het wrakingsverzoek afgewezen. Bij brief van 12 maart 2025 heeft belanghebbende medegedeeld dat [gemachtigde] niet meer als gemachtigde van belanghebbende zal optreden. De rechtbank heeft de beroepen op 18 maart 2025 op zitting behandeld. Belanghebbende is met kennisgeving vooraf niet verschenen. Namens de inspecteur hebben deelgenomen [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] . De zaken van belanghebbende zijn gelijktijdig behandeld met de zaken van de partner van belanghebbende (zaken 23/4977 tot en met 21/4981). Feiten 1. Belanghebbende woonde in de jaren 2008 tot en met 2012 in Nederland en is de fiscaal partner van [partner] (de partner). 2. Tot 2008 dreef belanghebbende een onderneming in IT-consultancydiensten. In 2008 is de onderneming gestaakt. De partner dreef eveneens een onderneming die in 2008 is gestaakt. 3. Belanghebbende en de partner hebben gebruik gemaakt van een fiscaal product dat Succes by Sharing ( SBS ) wordt genoemd. Daartoe is een bedrijvenstructuur opgezet die in de loop van de tijd is gewijzigd. De fiscaal adviseurs met betrekking tot het product zijn [fiscaal adviseur 1] ( [fiscaal adviseur 1] ) en [fiscaal adviseur 2] ( [fiscaal adviseur 2] ). 4. In het kader van de fiscale structuur hebben diverse e-mailwisselingen plaatsgevonden. In een e-mail van 29 oktober 2010 met als onderwerp ‘Request #71293] 50271 ( [belanghebbende] ) - Request for Dividend’ heeft [persoon D] aan [fiscaal adviseur 1] het volgende geschreven: Dear [fiscaal adviseur 1] / [fiscaal adviseur 2] [belanghebbende] has asked me to give you more details on the history of this client and what he has been doing. In the past, the client distributed to [bedrijf 1/werkmaatschappij] . 100,000 on 1 October 2008 and 12,000 on 15 February 2009 - this money was not round tripped through the foundation but Mr [belanghebbende] took a loan from [holding 1] , the offshore investment holding company above the holding management company at the time (i.e. before the company was transferred to [bedrijf 2] ). On migrating to [bedrijf 2] , the offshore investment holding company was discontinued and the loan was waived. Best regards [persoon D] [bedrijf 3] 5. Belanghebbende heeft in oktober 2010 met [fiscaal adviseur 1] via e-mail gecommuniceerd. Daarin is onder meer het volgende vermeld: E-mail 5 oktober 2010 van [fiscaal adviseur 1] “(…) De reden van de schenking is het aflossen van de rekening-courantschuld die je hebt opgebouwd bij de werkmaatschappij in Nederland. Jouw accountant heeft je geadviseerd om deze schuld in te lossen, omdat de fiscus mogelijk problemen gaat maken en deze schuld aan de werkmaatschappij gaat aanmerken als loon (dividend kan niet, aangezien je geen aanmerkelijk belang aandeelhouder bent). lk wil je er op wijzen dat een schenking op deze wijze ( het geld verlaat de werkmaatschappij om het er vervolgens binnen korte tijd er weer in te storten ter aflossing van een consumptieve schuld) eveneens kan resulteren in de stelling van de fiscus dat er sprake is van loon in plaats van een schenking. Gezien het hoge consumptieniveau is het salaris dan kennelijk te laag geweest. In dat geval is de fiscale verdediging niet kosteloos. (…) Ik adviseer je met klem dit niet meer te doen, aangezien dan de kans aanwezig is dat (zoals ik al zei) de fiscus de schenking ofwel als periodieke uitkering gaat aanmerken, ofwel als loon. (…) In de tussentijd dien je de gelden als dividend van [holding 2] naar [bedrijf 1/werkmaatschappij] ( Cyprus ) over te boeken, zodat aldaar op de bankrekening voldoende financiele reserves aanwezig zijn om een schenking te kunnen doen. (…)” E-mail 6 oktober van belanghebbende “(…) 2) lk zou van jou (of [bedrijf 4] ) een duidelijk ja of nee advies willen krijgen. Zoals: - Als je deze transactie inzet, dan heeft de fiscus voldoende gronden deze schenking als loon aan te merk en indien de gift ook tevens direct wordt gestort op de rekening van de werkmaatschappij ter aflossing priveschuld. (…) Voor alle duidelijkheid, will ik geen risco lopen om loonbelasting te moeten betalen op deze 100k. We moeten ook wel snel schakelen. lk wil voor eind van het jaar de prive schuld aan de NL werkmaatschappij hebben weggewerkt. De schuld moet niet meer in het jaarverslag van 2010 opgenomen zijn, anders gaat de fiscus daarover buigen... (…)” e-mail van 7 oktober 2010 van [fiscaal adviseur 1] “(…) Je weet van tevoren nooit precies welk standpunt de fiscus in gaat nemen. Om de kans dat de fiscus de schenking als loon aanmerkt zo klein mogelijk te maken wil ik het volgende adviseren. 1. Los met de € 100.000 van jouw privé rekening de schuld aan de vennootschap af, voor het einde van het jaar. 2. Keer nu het dividend uit aan de holdingvennootschap op Cyprus en laat het aldaar minimaal een jaar staan. 3. Verzoek begin 2011 om een schenking 4. Neem in de tussentijd geen lening op bij de vennootschap in Nederland [bedrijf 4] zal in dat geval de fiscale verdediging kosteloos op zich nemen dat de schenking geen loon is en geen dividenduitkering. (…)” E-mail van 11 oktober 2010 van [fiscaal adviseur 1] “(…) Om op safe te gaan heb ik je dus mijn voorstel toegezonden. Geniet voldoende salaris om te consumeren en gebruik te overwinst om te sparen en in de toekomst als een schenking te genieten. Daarvoor is de structuur bedoeld. (…)” 6. In het dossier bevindt zich ook het volgende stuk: [fiscaal adviseur 1] , I' l give you a call to explain what we have decided. I know we having been jumping around on this but we have taken a decision, which is different from my earlier mails. 1) Based on you mail below, we would like to make a interim dividend of 175k to [bedrijf 1/werkmaatschappij] ( cyprus ) from [holding 2] .
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:12004 text/xml public 2026-05-04T10:21:30 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-11-14 ARN 21/4972 e.v. Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026042310 FutD 2026-0721 V-N Vandaag 2026/858 NLF 2026/0849 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:12004 text/html public 2026-04-23T14:14:13 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:12004 Rechtbank Gelderland , 14-11-2025 / ARN 21/4972 e.v. IB/PVV; belastingbesparende structuur; navorderingstermijn; nieuw feit; vereiste aangifte; omkering en verzwaring van de bewijslast; boete; beroep gegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 21/4972 tot en met 21/4976 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 14 november 2025 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Groningen, de inspecteur, en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) , te Den Haag, de Staat. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 24 augustus 2021. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2008 tot en met 2012 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en bijbehorende beschikkingen heffings- en belastingrente en boetebeschikkingen opgelegd. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslagen, de rentebeschikkingen en de boetebeschikkingen gehandhaafd. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De inspecteur heeft voor een aantal op deze zaken betrekking hebbende stukken (ten aanzien van de weggelakte delen in deze stukken) verzoeken gedaan tot beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft bij beslissingen van 13 maart 2023 en 29 januari 2024 de verzoeken grotendeels toegewezen. Belanghebbende heeft geen toestemming gegeven om de weggelakte delen te gebruiken bij de beoordeling van zijn beroep. De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor een zitting op 18 september 2024. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende een wrakingsverzoek ingediend. De zitting van 18 september 2024 is daarop uitgesteld. Bij beslissing van 14 oktober 2024 heeft de meervoudige wrakingskamer het wrakingsverzoek afgewezen. Bij brief van 12 maart 2025 heeft belanghebbende medegedeeld dat [gemachtigde] niet meer als gemachtigde van belanghebbende zal optreden. De rechtbank heeft de beroepen op 18 maart 2025 op zitting behandeld. Belanghebbende is met kennisgeving vooraf niet verschenen. Namens de inspecteur hebben deelgenomen [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] . De zaken van belanghebbende zijn gelijktijdig behandeld met de zaken van de partner van belanghebbende (zaken 23/4977 tot en met 21/4981). Feiten 1. Belanghebbende woonde in de jaren 2008 tot en met 2012 in Nederland en is de fiscaal partner van [partner] (de partner). 2. Tot 2008 dreef belanghebbende een onderneming in IT-consultancydiensten. In 2008 is de onderneming gestaakt. De partner dreef eveneens een onderneming die in 2008 is gestaakt. 3. Belanghebbende en de partner hebben gebruik gemaakt van een fiscaal product dat Succes by Sharing ( SBS ) wordt genoemd. Daartoe is een bedrijvenstructuur opgezet die in de loop van de tijd is gewijzigd. De fiscaal adviseurs met betrekking tot het product zijn [fiscaal adviseur 1] ( [fiscaal adviseur 1] ) en [fiscaal adviseur 2] ( [fiscaal adviseur 2] ). 4. In het kader van de fiscale structuur hebben diverse e-mailwisselingen plaatsgevonden. In een e-mail van 29 oktober 2010 met als onderwerp ‘Request #71293] 50271 ( [belanghebbende] ) - Request for Dividend’ heeft [persoon D] aan [fiscaal adviseur 1] het volgende geschreven: Dear [fiscaal adviseur 1] / [fiscaal adviseur 2] [belanghebbende] has asked me to give you more details on the history of this client and what he has been doing. In the past, the client distributed to [bedrijf 1/werkmaatschappij] . 100,000 on 1 October 2008 and 12,000 on 15 February 2009 - this money was not round tripped through the foundation but Mr [belanghebbende] took a loan from [holding 1] , the offshore investment holding company above the holding management company at the time (i.e. before the company was transferred to [bedrijf 2] ). On migrating to [bedrijf 2] , the offshore investment holding company was discontinued and the loan was waived. Best regards [persoon D] [bedrijf 3] 5. Belanghebbende heeft in oktober 2010 met [fiscaal adviseur 1] via e-mail gecommuniceerd. Daarin is onder meer het volgende vermeld: E-mail 5 oktober 2010 van [fiscaal adviseur 1] “(…) De reden van de schenking is het aflossen van de rekening-courantschuld die je hebt opgebouwd bij de werkmaatschappij in Nederland. Jouw accountant heeft je geadviseerd om deze schuld in te lossen, omdat de fiscus mogelijk problemen gaat maken en deze schuld aan de werkmaatschappij gaat aanmerken als loon (dividend kan niet, aangezien je geen aanmerkelijk belang aandeelhouder bent). lk wil je er op wijzen dat een schenking op deze wijze ( het geld verlaat de werkmaatschappij om het er vervolgens binnen korte tijd er weer in te storten ter aflossing van een consumptieve schuld) eveneens kan resulteren in de stelling van de fiscus dat er sprake is van loon in plaats van een schenking. Gezien het hoge consumptieniveau is het salaris dan kennelijk te laag geweest. In dat geval is de fiscale verdediging niet kosteloos. (…) Ik adviseer je met klem dit niet meer te doen, aangezien dan de kans aanwezig is dat (zoals ik al zei) de fiscus de schenking ofwel als periodieke uitkering gaat aanmerken, ofwel als loon. (…) In de tussentijd dien je de gelden als dividend van [holding 2] naar [bedrijf 1/werkmaatschappij] ( Cyprus ) over te boeken, zodat aldaar op de bankrekening voldoende financiele reserves aanwezig zijn om een schenking te kunnen doen. (…)” E-mail 6 oktober van belanghebbende “(…) 2) lk zou van jou (of [bedrijf 4] ) een duidelijk ja of nee advies willen krijgen. Zoals: - Als je deze transactie inzet, dan heeft de fiscus voldoende gronden deze schenking als loon aan te merk en indien de gift ook tevens direct wordt gestort op de rekening van de werkmaatschappij ter aflossing priveschuld. (…) Voor alle duidelijkheid, will ik geen risco lopen om loonbelasting te moeten betalen op deze 100k. We moeten ook wel snel schakelen. lk wil voor eind van het jaar de prive schuld aan de NL werkmaatschappij hebben weggewerkt. De schuld moet niet meer in het jaarverslag van 2010 opgenomen zijn, anders gaat de fiscus daarover buigen... (…)” e-mail van 7 oktober 2010 van [fiscaal adviseur 1] “(…) Je weet van tevoren nooit precies welk standpunt de fiscus in gaat nemen. Om de kans dat de fiscus de schenking als loon aanmerkt zo klein mogelijk te maken wil ik het volgende adviseren. 1. Los met de € 100.000 van jouw privé rekening de schuld aan de vennootschap af, voor het einde van het jaar. 2. Keer nu het dividend uit aan de holdingvennootschap op Cyprus en laat het aldaar minimaal een jaar staan. 3. Verzoek begin 2011 om een schenking 4. Neem in de tussentijd geen lening op bij de vennootschap in Nederland [bedrijf 4] zal in dat geval de fiscale verdediging kosteloos op zich nemen dat de schenking geen loon is en geen dividenduitkering. (…)” E-mail van 11 oktober 2010 van [fiscaal adviseur 1] “(…) Om op safe te gaan heb ik je dus mijn voorstel toegezonden. Geniet voldoende salaris om te consumeren en gebruik te overwinst om te sparen en in de toekomst als een schenking te genieten. Daarvoor is de structuur bedoeld. (…)” 6. In het dossier bevindt zich ook het volgende stuk: [fiscaal adviseur 1] , I' l give you a call to explain what we have decided. I know we having been jumping around on this but we have taken a decision, which is different from my earlier mails.
Volledig
2) we would like to receive this back as a loan with following terms 6% interest , to pay at end of each year 30 year pay back period ( once at the end) Due to the banking crisis we want to make sure the loan is directly paid to our NL private account after the interim payment has been received by [bedrijf 1/werkmaatschappij] . There all paper work/ signoffs must have been prepared before hand so bank transactions can be done immediately. This way the money is only in the in " transfer mode" between Cyprus and private bank 4- 8 days. Regards, [persoon C] De structuur 7. Op [datum] [holding 2] (de holding) opgericht. De holding is gevestigd in Nederland. Aandeelhouder van de holding bij oprichting is belanghebbende. Belanghebbende en de partner zijn bestuurder van de holding. 8. Op [datum] is [bedrijf 1/werkmaatschappij] (de werkmaatschappij) opgericht. Aandeelhouder van de werkmaatschappij is de holding. Belanghebbende en de partner zijn bestuurder van de werkmaatschappij. Belanghebbende en de partner hebben beiden een arbeidsovereenkomst gesloten met de werkmaatschappij. 9. De werkmaatschappij en de holding zitten vanaf [datum] in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. 10. Op [datum] is [bedrijf 1/werkmaatschappij] . ( [bedrijf 1/werkmaatschappij] ) opgericht. [bedrijf 1/werkmaatschappij] is gevestigd op Cyprus . Aandeelhouder van [bedrijf 1/werkmaatschappij] is [holding 1] ( [holding 1] ), een entiteit opgericht naar het recht van de Seychellen. Op [datum] zijn de aandelen van de holding overgedragen aan [bedrijf 1/werkmaatschappij] . Aandeelhouder van [holding 1] is [stichting] . 11. In het dossier bevindt zich een factuuroverzicht met datum 22 september 2009 en het opschrift ‘Amounts due for structure 628’. Op het factuuroverzicht is het volgende vermeld: <<afbeelding>> Ook van [bedrijf 5] en [bedrijf 6] zijn facturen uitgereikt in verband met de fiscale structuur. De facturen zijn aan belanghebbende gericht. 12. In een memorandum van SBS getiteld ‘Uitgangspunten nieuwe structuur [belanghebbende] ’ is een wijziging van de structuur opgenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van twee vennootschappen: [bedrijf 2] en [bedrijf 7] , beide gevestigd in Dubai. In het memorandum is beschreven dat de aandelen in [bedrijf 1/werkmaatschappij] worden overgedragen aan de collectieve holdingvennootschap te Cyprus , genaamd [bedrijf 2] en dat belanghebbende hiertegenover een klein percentage aandelen in de collectieve holdingvennootschap in Dubai ontvangt. Daarbij is vermeld dat het aandeel minder dan 5% is, zodat belanghebbende geen aanmerkelijk belanghouder is. In het memorandum is ook het volgende vermeld: “(…) U kunt bij [bedrijf 7] te Dubai een zogenaamde Letter of Wishes (wensenbrief) indienen. Op basis van de Letter of Wishes heeft u de blote verwachting dat u de door u verlangde schenkingen (die in relatie staan met de dividenden die uit [bedrijf 1/werkmaatschappij] voortkomen) aan u worden uitgekeerd. U heeft echter geen juridisch afdwingbaar recht op de schenkingen. (…)” 13. Op 14 december 2009 heeft de bestuursvergadering van [bedrijf 7] . besloten vijf aandelen aan belanghebbende uit te reiken en zijn Letter of Wishes te accepteren. Op 14 december 2009 zijn twee certificates of membership afgegeven voor de aandelen (nr. 37 en nr. 39). 14. Op 14 december 2009 heeft belanghebbende ook een letter of engagement, een letter of indemnification, een declaration of intent en een service agreement ondertekend. De letter of engagement en de service agreement betreffen overeenkomsten tussen belanghebbende en [bedrijf 3] . Namens deze laatste heeft [fiscaal adviseur 1] ondertekend. Belanghebbende is in al deze documenten als ultimate beneficial owner (van [bedrijf 1/werkmaatschappij] ) aangeduid. 14. Belanghebbende heeft op 18 december 2009 een letter of wishes gericht aan [bedrijf 7] . ondertekend. In deze letter of wishes is onder meer het volgende opgenomen: “(…) 1. As long as I live, I wish to be the only beneficiary of the eventual gifts, done by the board of directors of [bedrijf 7] and related to 100% of the profits realised by [bedrijf 1/werkmaatschappij] . (…)” 16. Volgens het ‘register of members’ van [bedrijf 1/werkmaatschappij] zijn de aandelen op 13 april 2010 overgedragen door [holding 1] aan [bedrijf 2] . Op 17 februari 2011 heeft [bedrijf 2] de aandelen in [bedrijf 1/werkmaatschappij] overgedragen aan [bedrijf 8] . 17. Op 21 september 2011 heeft [bedrijf 8] een 'declaration of benefit' uitgegeven. Hierin is vermeld dat belanghebbende de beneficial owner is van de aandelen in [bedrijf 1/werkmaatschappij] . Tevens is in het document onder meer het volgende vermeld: “(…) The Company expressly declares it (in-) directly holds the Shares and all its ownership powers and prerogatives. Any dividends and any other benefits arising in respect of the Shares of the Subsidiary shall be paid and/or exercised for the benefit of the above named Beneficial Owner(s) which may from time to time be added or changed by means of a Letter of Wishes. (…)” Dividenduitkeringen 18. In een op 1 oktober 2008 gedateerde "Written resolution of the board of directors" van [holding 2] , is besloten tot een interim dividend van € 1.000 per aandeel per 1 oktober 2008 (in totaal € 100.000). 19. Volgens de notulen van een bestuursvergadering van de werkmaatschappij van 16 november 2011 heeft de werkmaatschappij een interim dividend van € 200.000 toegekend aan de holding. Volgens de notulen van een bestuursvergadering van de holding van 16 november 2011 heeft de holding een interim dividend van € 200.000 toegekend aan [bedrijf 1/werkmaatschappij] . 20. In notulen van een aandeelhoudersvergadering van de holding van 10 maart 2011, 23 februari 2012 en 20 februari 2013 zijn de jaarverslagen van respectievelijk 2010, 2011 en 2012 goedgekeurd. Hierin zijn de volgende bedragen vermeld: Winst Winstreserves 2010 € 147.880 € 310.534 2011 € 145.388 € 255.922 2012 € 140.534 € 196.456 In de notulen van 23 februari 2012 en 20 februari 2013 is ook vermeld dat € 200.000 aan dividend in aanmerking is genomen. Leningsovereenkomsten 21. In het dossier bevinden zich diverse leningsovereenkomsten waarbij belanghebbende als lener is aangeduid en [holding 1] en [bedrijf 1/werkmaatschappij] als geldschieter zijn aangemerkt. Het gaat om een leningsovereenkomst met [holding 1] van 6 oktober 2008 voor een bedrag van € 100.000 en leningsovereenkomsten met [bedrijf 1/werkmaatschappij] van 1 december 2011 en 4 september 2012 voor bedragen van € 200.000. Deze leningsovereenkomsten zijn vervangen voor een leningsovereenkomst van 10 oktober 2012. Er is ook een leningsovereenkomst met [bedrijf 1/werkmaatschappij] van 25 oktober 2013 voor een bedrag van € 150.000. 22. Op 2 december 2013 heeft belanghebbende [bedrijf 7] . Verzocht om een schenking van € 700.400. Daarbij is verzocht een deel daarvan betrekking te laten hebben op de kwijtschelding van de aangegane leningen en een schenking van € 150.400. Bij beslissing van het bestuur van 30 december 2013 is dit verzoek goedgekeurd. Geldstromen 23. Op grond van de inspecteur ter beschikking staande bankafschriften, heeft de inspecteur de volgende geldstromen vastgesteld. 24. De holding heeft de volgende bedragen overgemaakt naar een bankrekening van [bedrijf 1/werkmaatschappij] : 6 oktober 2008 € 35.000 7 oktober 2008 € 37.000 12 februari 2009 € 40.000 9 december 2011 € 200.000 25. [holding 1] heeft op 10 maart 2009 een bedrag van € 37.000 overgemaakt naar de privébankrekening van belanghebbende. Daarbij is vermeld dat het zou gaan om een lening. 26. [bedrijf 1/werkmaatschappij] heeft de volgende bedragen overgemaakt naar de privébankrekening van belanghebbende. Daarbij is vermeld dat het zou gaan om een lening: 12 december 2011 € 200.000 24 juli 2012 € 50.000 11 september 2012 € 50.000 17 september 2012 € 50.000 20 november 2012 € 50.000 De aangiften IB/PVV en het onderzoek van de inspecteur 27. Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangiften IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012. Op verzoek van [bedrijf 9] is voor elk jaar dertien maanden becon-uitstel verleend.
Volledig
1) Based on you mail below, we would like to make a interim dividend of 175k to [bedrijf 1/werkmaatschappij] ( cyprus ) from [holding 2] . 2) we would like to receive this back as a loan with following terms 6% interest , to pay at end of each year 30 year pay back period ( once at the end) Due to the banking crisis we want to make sure the loan is directly paid to our NL private account after the interim payment has been received by [bedrijf 1/werkmaatschappij] . There all paper work/ signoffs must have been prepared before hand so bank transactions can be done immediately. This way the money is only in the in " transfer mode" between Cyprus and private bank 4- 8 days. Regards, [persoon C] De structuur 7. Op [datum] [holding 2] (de holding) opgericht. De holding is gevestigd in Nederland. Aandeelhouder van de holding bij oprichting is belanghebbende. Belanghebbende en de partner zijn bestuurder van de holding. 8. Op [datum] is [bedrijf 1/werkmaatschappij] (de werkmaatschappij) opgericht. Aandeelhouder van de werkmaatschappij is de holding. Belanghebbende en de partner zijn bestuurder van de werkmaatschappij. Belanghebbende en de partner hebben beiden een arbeidsovereenkomst gesloten met de werkmaatschappij. 9. De werkmaatschappij en de holding zitten vanaf [datum] in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. 10. Op [datum] is [bedrijf 1/werkmaatschappij] . ( [bedrijf 1/werkmaatschappij] ) opgericht. [bedrijf 1/werkmaatschappij] is gevestigd op Cyprus . Aandeelhouder van [bedrijf 1/werkmaatschappij] is [holding 1] ( [holding 1] ), een entiteit opgericht naar het recht van de Seychellen. Op [datum] zijn de aandelen van de holding overgedragen aan [bedrijf 1/werkmaatschappij] . Aandeelhouder van [holding 1] is [stichting] . 11. In het dossier bevindt zich een factuuroverzicht met datum 22 september 2009 en het opschrift ‘Amounts due for structure 628’. Op het factuuroverzicht is het volgende vermeld: <<afbeelding>> Ook van [bedrijf 5] en [bedrijf 6] zijn facturen uitgereikt in verband met de fiscale structuur. De facturen zijn aan belanghebbende gericht. 12. In een memorandum van SBS getiteld ‘Uitgangspunten nieuwe structuur [belanghebbende] ’ is een wijziging van de structuur opgenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van twee vennootschappen: [bedrijf 2] en [bedrijf 7] , beide gevestigd in Dubai. In het memorandum is beschreven dat de aandelen in [bedrijf 1/werkmaatschappij] worden overgedragen aan de collectieve holdingvennootschap te Cyprus , genaamd [bedrijf 2] en dat belanghebbende hiertegenover een klein percentage aandelen in de collectieve holdingvennootschap in Dubai ontvangt. Daarbij is vermeld dat het aandeel minder dan 5% is, zodat belanghebbende geen aanmerkelijk belanghouder is. In het memorandum is ook het volgende vermeld: “(…) U kunt bij [bedrijf 7] te Dubai een zogenaamde Letter of Wishes (wensenbrief) indienen. Op basis van de Letter of Wishes heeft u de blote verwachting dat u de door u verlangde schenkingen (die in relatie staan met de dividenden die uit [bedrijf 1/werkmaatschappij] voortkomen) aan u worden uitgekeerd. U heeft echter geen juridisch afdwingbaar recht op de schenkingen. (…)” 13. Op 14 december 2009 heeft de bestuursvergadering van [bedrijf 7] . besloten vijf aandelen aan belanghebbende uit te reiken en zijn Letter of Wishes te accepteren. Op 14 december 2009 zijn twee certificates of membership afgegeven voor de aandelen (nr. 37 en nr. 39). 14. Op 14 december 2009 heeft belanghebbende ook een letter of engagement, een letter of indemnification, een declaration of intent en een service agreement ondertekend. De letter of engagement en de service agreement betreffen overeenkomsten tussen belanghebbende en [bedrijf 3] . Namens deze laatste heeft [fiscaal adviseur 1] ondertekend. Belanghebbende is in al deze documenten als ultimate beneficial owner (van [bedrijf 1/werkmaatschappij] ) aangeduid. 14. Belanghebbende heeft op 18 december 2009 een letter of wishes gericht aan [bedrijf 7] . ondertekend. In deze letter of wishes is onder meer het volgende opgenomen: “(…) 1. As long as I live, I wish to be the only beneficiary of the eventual gifts, done by the board of directors of [bedrijf 7] and related to 100% of the profits realised by [bedrijf 1/werkmaatschappij] . (…)” 16. Volgens het ‘register of members’ van [bedrijf 1/werkmaatschappij] zijn de aandelen op 13 april 2010 overgedragen door [holding 1] aan [bedrijf 2] . Op 17 februari 2011 heeft [bedrijf 2] de aandelen in [bedrijf 1/werkmaatschappij] overgedragen aan [bedrijf 8] . 17. Op 21 september 2011 heeft [bedrijf 8] een 'declaration of benefit' uitgegeven. Hierin is vermeld dat belanghebbende de beneficial owner is van de aandelen in [bedrijf 1/werkmaatschappij] . Tevens is in het document onder meer het volgende vermeld: “(…) The Company expressly declares it (in-) directly holds the Shares and all its ownership powers and prerogatives. Any dividends and any other benefits arising in respect of the Shares of the Subsidiary shall be paid and/or exercised for the benefit of the above named Beneficial Owner(s) which may from time to time be added or changed by means of a Letter of Wishes. (…)” Dividenduitkeringen 18. In een op 1 oktober 2008 gedateerde "Written resolution of the board of directors" van [holding 2] , is besloten tot een interim dividend van € 1.000 per aandeel per 1 oktober 2008 (in totaal € 100.000). 19. Volgens de notulen van een bestuursvergadering van de werkmaatschappij van 16 november 2011 heeft de werkmaatschappij een interim dividend van € 200.000 toegekend aan de holding. Volgens de notulen van een bestuursvergadering van de holding van 16 november 2011 heeft de holding een interim dividend van € 200.000 toegekend aan [bedrijf 1/werkmaatschappij] . 20. In notulen van een aandeelhoudersvergadering van de holding van 10 maart 2011, 23 februari 2012 en 20 februari 2013 zijn de jaarverslagen van respectievelijk 2010, 2011 en 2012 goedgekeurd. Hierin zijn de volgende bedragen vermeld: Winst Winstreserves 2010 € 147.880 € 310.534 2011 € 145.388 € 255.922 2012 € 140.534 € 196.456 In de notulen van 23 februari 2012 en 20 februari 2013 is ook vermeld dat € 200.000 aan dividend in aanmerking is genomen. Leningsovereenkomsten 21. In het dossier bevinden zich diverse leningsovereenkomsten waarbij belanghebbende als lener is aangeduid en [holding 1] en [bedrijf 1/werkmaatschappij] als geldschieter zijn aangemerkt. Het gaat om een leningsovereenkomst met [holding 1] van 6 oktober 2008 voor een bedrag van € 100.000 en leningsovereenkomsten met [bedrijf 1/werkmaatschappij] van 1 december 2011 en 4 september 2012 voor bedragen van € 200.000. Deze leningsovereenkomsten zijn vervangen voor een leningsovereenkomst van 10 oktober 2012. Er is ook een leningsovereenkomst met [bedrijf 1/werkmaatschappij] van 25 oktober 2013 voor een bedrag van € 150.000. 22. Op 2 december 2013 heeft belanghebbende [bedrijf 7] . Verzocht om een schenking van € 700.400. Daarbij is verzocht een deel daarvan betrekking te laten hebben op de kwijtschelding van de aangegane leningen en een schenking van € 150.400. Bij beslissing van het bestuur van 30 december 2013 is dit verzoek goedgekeurd. Geldstromen 23. Op grond van de inspecteur ter beschikking staande bankafschriften, heeft de inspecteur de volgende geldstromen vastgesteld. 24. De holding heeft de volgende bedragen overgemaakt naar een bankrekening van [bedrijf 1/werkmaatschappij] : 6 oktober 2008 € 35.000 7 oktober 2008 € 37.000 12 februari 2009 € 40.000 9 december 2011 € 200.000 25. [holding 1] heeft op 10 maart 2009 een bedrag van € 37.000 overgemaakt naar de privébankrekening van belanghebbende. Daarbij is vermeld dat het zou gaan om een lening. 26. [bedrijf 1/werkmaatschappij] heeft de volgende bedragen overgemaakt naar de privébankrekening van belanghebbende. Daarbij is vermeld dat het zou gaan om een lening: 12 december 2011 € 200.000 24 juli 2012 € 50.000 11 september 2012 € 50.000 17 september 2012 € 50.000 20 november 2012 € 50.000 De aangiften IB/PVV en het onderzoek van de inspecteur 27. Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangiften IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012.
Volledig
Belanghebbende heeft de volgende bedragen aangegeven: Belanghebbende 2008 2009 2010 2011 2012 Box 1 € 53.576 € 42.880 € 47.893 € 44.126 € 46.032 Box 2 € - € - € - € - € - Box 3 € 948 € 1.868 € 2.264 € 349 € - 28. De partner heeft de volgende bedragen aangegeven: De partner 2008 2009 2010 2011 2012 Box 1 € 51.636 € 22.756 € 28.549 € 28.532 € 29.729 Box 2 € - € - € - € - € - Box 3 € 273 € 1.098 € - € - € - 29. De inspecteur heeft definitieve aanslagen IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012 opgelegd overeenkomstig de aangiften met de volgende dagtekeningen: Belanghebbende De partner 2008 25 februari 2011 29 oktober 2010 2009 1 augustus 2012 29 augustus 2012 2010 1 juni 2013 1 juni 2013 2011 22 augustus 2014 19 april 2014 2012 5 september 2014 5 september 2014 30. De adviseur van de holding heeft op 5 januari 2016 contact gehad met de inspecteur over de holding. Daarbij gaf de adviseur aan dat hij geen inzicht had in de structuur en niet wist wie de uiteindelijke gerechtigde was. Naar aanleiding van dit contact is de inspecteur een intern onderzoek gestart. Daaruit kwam naar voren dat de holding onderdeel was van een structuur die was afgenomen bij [bedrijf 5] . De inspecteur heeft vervolgens diverse onderzoekshandelingen verricht. 31. Op 22 november 2016 heeft de inspecteur informatiebeschikkingen aan belanghebbende en de partner opgelegd. Hiertegen hebben belanghebbende en de partner (tijdig) bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft de bezwaren tegen de informatiebeschikkingen ongegrond verklaard. Hiertegen hebben belanghebbende en de partner beroep ingesteld. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in die zaken op 12 oktober 2022 uitspraak gedaan. De beroepen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 zijn niet-ontvankelijk verklaard, omdat voor die jaren reeds navorderingsaanslagen waren opgelegd. Het beroep met betrekking tot het jaar 2010 is gegrond verklaard en de informatiebeschikking is gewijzigd. Op 18 december 2024 heeft Gerechtshof ’s-Hertogenbosch de hoger beroepen ongegrond verklaard. 32. Bij brieven van 16 september 2019 en 4 mei 2020 heeft de inspecteur aangekondigd navorderingsaanslagen IB/PVV op te leggen aan belanghebbende en de partner voor de jaren 2008 tot en met 2012. Bij brieven van 19 mei 2020 en 12 oktober 2020 heeft de inspecteur mededeling gedaan van de op te leggen navorderingsaanslagen IB/PVV voor deze jaren. In deze brieven zijn de correcties vermeld waarvoor de inspecteur de navorderingsaanslagen heeft opgelegd. Het gaat om vier soorten correcties: een correctie voor privé-uitgaven; een correctie voor uitdelingen; een correctie voor privégebruik van een auto die alleen betrekking heeft op de partner van € 2.549 (2011) en € 8.158 (2012); en een correctie op de rente van een lening van [bedrijf 1/werkmaatschappij] in 2012 van € 25 (belanghebbende) en € 413 (de partner). De berekeningen van de correcties met betrekking tot de privé-uitgaven en de uitdelingen hebben enige wijzigingen ondergaan, maar zijn uiteindelijk als volgt vastgesteld. 33. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de werkmaatschappij uitgaven zijn gedaan die betrekking hebben op de privésfeer. Het gaat om bedragen van € 28.506 (2010), € 52.577 (2011) en € 60.422 (2012). De inspecteur heeft deze bedragen aangemerkt als loon van belanghebbende en de partner en een verdeelsleutel toegepast. De verdeelsleutel is gebaseerd op het uurtarief van belanghebbende en zijn partner, waarbij hij het uurtarief van belanghebbende heeft gedeeld door de uurtarieven gezamenlijk . De inspecteur is daarbij op de volgende correcties gekomen: 2010 2011 2012 Belanghebbende € 15.518 € 28.752 € 33.009 Partner € 12.988 € 21.028 € 23.041 34. De inspecteur heeft zich ook op het standpunt gesteld dat in 2008, 2009, 2011 en 2012 dividend is uitgekeerd van € 100.000 (2008), € 12.000 (2009), € 200.000 (2011) en € 200.000 (2012). De inspecteur heeft de dividenduitkeringen als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang aangemerkt en bij belanghebbende en de partner de helft van de dividenduitkering in aanmerking genomen. 35. De navorderingsaanslagen, de rentebeschikkingen en de boetebeschikkingen zijn opgelegd met dagtekening 19 juni 2020 (2008, 2009, 2011 en 2012) en 20 oktober 2020 (2010) en naar de volgende bedragen: Belanghebbende 2008 2009 2010 2011 2012 Box 1 € 53.576 € 42.880 € 63.411 € 72.878 € 79.066 Box 2 € 50.000 € 6.000 € - € 100.000 € 100.000 Box 3 € 948 € 1.868 € 2.264 € 349 € - Heffingsrente € 5.267 € 560 € 2.418 € 12.381 € 11.355 Boete € 12.500 € 1.500 € 7.421 € 38.794 € 41.670 Partner 2008 2009 2010 2011 2012 Box 1 € 51.636 € 22.756 € 41.537 € 52.109 € 60.144 Box 2 € 50.000 € 6.000 € - € 100.000 € 100.000 Box 3 € 273 € 1.098 € - € - € - Heffingsrente € 5.267 € 560 € 1.776 € 11.152 € 10.720 Boete € 12.500 € 1.500 € 5.452 € 34.941 € 39.298 36. De inspecteur heeft de boeten vastgesteld op 100% van de nagevorderde belasting. Beoordeling door de rechtbank Rechtsmacht van de rechtbank 37. Belanghebbende heeft zich in het nader stuk van 17 januari 2025 afgevraagd of de rechtbank bevoegd is om bevelen op te leggen binnen de rechtsorde van [plaats 1] aangezien de rechtsmacht van de rechtbank is beperkt tot Nederland dan wel het Koninkrijk. 38. De rechtbank overweegt daarover als volgt. 39. De bepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen , de heffing van belastingrente, revisierente en bestuurlijke boeten welke ingevolge de belastingwet kunnen worden vastgesteld of opgelegd. Inkomstenbelasting wordt onder meer geheven van natuurlijke personen die in Nederland wonen (de binnenlands belastingplichtigen). Inkomstenbelasting wordt geheven over de door de belastingplichtige in het kalenderjaar genoten belastbare inkomens uit werk en woning, aanmerkelijk belang en sparen en beleggen. De over een kalenderjaar verschuldigde inkomstenbelasting is het gezamenlijke bedrag van de over het kalenderjaar berekende belasting op deze belastbare inkomens. Deze inkomstenbelasting wordt geheven bij wijze van aanslag. De aanslag wordt vastgesteld door de inspecteur. Indien een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan kan de inspecteur onder voorwaarden navorderen door een navorderingsaanslag vast te stellen. De inspecteur stelt een aanslag of navorderingsaanslag vast door het opmaken van een aanslagbiljet. De inspecteur stelt het aanslagbiljet vervolgens ter hand aan de ontvanger. De ontvanger maakt de belastingaanslag bekend door verzending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet. Degene aan wie een aanslag of navorderingsaanslag is opgelegd, kan daartegen beroep instellen bij de belastingrechter, in eerste aanleg bij de rechtbank. Als het gaat om rijksbelastingen, dan zijn vijf rechtbanken bevoegd het beroep te behandelen, waaronder deze rechtbank. 40. Het staat vast dat belanghebbende en de partner in de jaren 2008 tot en met 2012 in Nederland woonachtig waren en zij zijn dus voor die periode binnenlands belastingplichtig. Belanghebbende en de partner hebben voor deze jaren aangiften IB/PVV ingediend en de inspecteur heeft naar aanleiding daarvan aanslagen IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012 vastgesteld. Daarna heeft de inspecteur een onderzoek ingesteld en de navorderingsaanslagen voor deze jaren vastgesteld. Na daartegen bezwaar te hebben gemaakt, zijn belanghebbende en de partner in beroep gekomen. Omdat belanghebbende en de partner niet (meer) in Nederland wonen en zij ressorteren onder de Belastingdienst/kantoor Utrecht, is deze rechtbank bevoegd de zaak te behandelen. De rechtbank zal daarbij een oordeel geven of de navorderingsaanslagen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Indien belanghebbende en de partner met de door hen opgeworpen vraag hebben bedoeld dat zij geen oordeel van de rechtbank wensen over de navorderingsaanslagen, dan staat het hen vrij om de beroepen in te trekken. Intrekking van de beroepen zou overigens met zich brengen dat de navorderingsaanslagen onherroepelijk komen vast te staan.
Volledig
Op verzoek van [bedrijf 9] is voor elk jaar dertien maanden becon-uitstel verleend. Belanghebbende heeft de volgende bedragen aangegeven: Belanghebbende 2008 2009 2010 2011 2012 Box 1 € 53.576 € 42.880 € 47.893 € 44.126 € 46.032 Box 2 € - € - € - € - € - Box 3 € 948 € 1.868 € 2.264 € 349 € - 28. De partner heeft de volgende bedragen aangegeven: De partner 2008 2009 2010 2011 2012 Box 1 € 51.636 € 22.756 € 28.549 € 28.532 € 29.729 Box 2 € - € - € - € - € - Box 3 € 273 € 1.098 € - € - € - 29. De inspecteur heeft definitieve aanslagen IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012 opgelegd overeenkomstig de aangiften met de volgende dagtekeningen: Belanghebbende De partner 2008 25 februari 2011 29 oktober 2010 2009 1 augustus 2012 29 augustus 2012 2010 1 juni 2013 1 juni 2013 2011 22 augustus 2014 19 april 2014 2012 5 september 2014 5 september 2014 30. De adviseur van de holding heeft op 5 januari 2016 contact gehad met de inspecteur over de holding. Daarbij gaf de adviseur aan dat hij geen inzicht had in de structuur en niet wist wie de uiteindelijke gerechtigde was. Naar aanleiding van dit contact is de inspecteur een intern onderzoek gestart. Daaruit kwam naar voren dat de holding onderdeel was van een structuur die was afgenomen bij [bedrijf 5] . De inspecteur heeft vervolgens diverse onderzoekshandelingen verricht. 31. Op 22 november 2016 heeft de inspecteur informatiebeschikkingen aan belanghebbende en de partner opgelegd. Hiertegen hebben belanghebbende en de partner (tijdig) bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft de bezwaren tegen de informatiebeschikkingen ongegrond verklaard. Hiertegen hebben belanghebbende en de partner beroep ingesteld. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in die zaken op 12 oktober 2022 uitspraak gedaan. De beroepen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 zijn niet-ontvankelijk verklaard, omdat voor die jaren reeds navorderingsaanslagen waren opgelegd. Het beroep met betrekking tot het jaar 2010 is gegrond verklaard en de informatiebeschikking is gewijzigd. Op 18 december 2024 heeft Gerechtshof ’s-Hertogenbosch de hoger beroepen ongegrond verklaard. 32. Bij brieven van 16 september 2019 en 4 mei 2020 heeft de inspecteur aangekondigd navorderingsaanslagen IB/PVV op te leggen aan belanghebbende en de partner voor de jaren 2008 tot en met 2012. Bij brieven van 19 mei 2020 en 12 oktober 2020 heeft de inspecteur mededeling gedaan van de op te leggen navorderingsaanslagen IB/PVV voor deze jaren. In deze brieven zijn de correcties vermeld waarvoor de inspecteur de navorderingsaanslagen heeft opgelegd. Het gaat om vier soorten correcties: een correctie voor privé-uitgaven; een correctie voor uitdelingen; een correctie voor privégebruik van een auto die alleen betrekking heeft op de partner van € 2.549 (2011) en € 8.158 (2012); en een correctie op de rente van een lening van [bedrijf 1/werkmaatschappij] in 2012 van € 25 (belanghebbende) en € 413 (de partner). De berekeningen van de correcties met betrekking tot de privé-uitgaven en de uitdelingen hebben enige wijzigingen ondergaan, maar zijn uiteindelijk als volgt vastgesteld. 33. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de werkmaatschappij uitgaven zijn gedaan die betrekking hebben op de privésfeer. Het gaat om bedragen van € 28.506 (2010), € 52.577 (2011) en € 60.422 (2012). De inspecteur heeft deze bedragen aangemerkt als loon van belanghebbende en de partner en een verdeelsleutel toegepast. De verdeelsleutel is gebaseerd op het uurtarief van belanghebbende en zijn partner, waarbij hij het uurtarief van belanghebbende heeft gedeeld door de uurtarieven gezamenlijk . De inspecteur is daarbij op de volgende correcties gekomen: 2010 2011 2012 Belanghebbende € 15.518 € 28.752 € 33.009 Partner € 12.988 € 21.028 € 23.041 34. De inspecteur heeft zich ook op het standpunt gesteld dat in 2008, 2009, 2011 en 2012 dividend is uitgekeerd van € 100.000 (2008), € 12.000 (2009), € 200.000 (2011) en € 200.000 (2012). De inspecteur heeft de dividenduitkeringen als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang aangemerkt en bij belanghebbende en de partner de helft van de dividenduitkering in aanmerking genomen. 35. De navorderingsaanslagen, de rentebeschikkingen en de boetebeschikkingen zijn opgelegd met dagtekening 19 juni 2020 (2008, 2009, 2011 en 2012) en 20 oktober 2020 (2010) en naar de volgende bedragen: Belanghebbende 2008 2009 2010 2011 2012 Box 1 € 53.576 € 42.880 € 63.411 € 72.878 € 79.066 Box 2 € 50.000 € 6.000 € - € 100.000 € 100.000 Box 3 € 948 € 1.868 € 2.264 € 349 € - Heffingsrente € 5.267 € 560 € 2.418 € 12.381 € 11.355 Boete € 12.500 € 1.500 € 7.421 € 38.794 € 41.670 Partner 2008 2009 2010 2011 2012 Box 1 € 51.636 € 22.756 € 41.537 € 52.109 € 60.144 Box 2 € 50.000 € 6.000 € - € 100.000 € 100.000 Box 3 € 273 € 1.098 € - € - € - Heffingsrente € 5.267 € 560 € 1.776 € 11.152 € 10.720 Boete € 12.500 € 1.500 € 5.452 € 34.941 € 39.298 36. De inspecteur heeft de boeten vastgesteld op 100% van de nagevorderde belasting. Beoordeling door de rechtbank Rechtsmacht van de rechtbank 37. Belanghebbende heeft zich in het nader stuk van 17 januari 2025 afgevraagd of de rechtbank bevoegd is om bevelen op te leggen binnen de rechtsorde van [plaats 1] aangezien de rechtsmacht van de rechtbank is beperkt tot Nederland dan wel het Koninkrijk. 38. De rechtbank overweegt daarover als volgt. 39. De bepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen , de heffing van belastingrente, revisierente en bestuurlijke boeten welke ingevolge de belastingwet kunnen worden vastgesteld of opgelegd. Inkomstenbelasting wordt onder meer geheven van natuurlijke personen die in Nederland wonen (de binnenlands belastingplichtigen). Inkomstenbelasting wordt geheven over de door de belastingplichtige in het kalenderjaar genoten belastbare inkomens uit werk en woning, aanmerkelijk belang en sparen en beleggen. De over een kalenderjaar verschuldigde inkomstenbelasting is het gezamenlijke bedrag van de over het kalenderjaar berekende belasting op deze belastbare inkomens. Deze inkomstenbelasting wordt geheven bij wijze van aanslag. De aanslag wordt vastgesteld door de inspecteur. Indien een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan kan de inspecteur onder voorwaarden navorderen door een navorderingsaanslag vast te stellen. De inspecteur stelt een aanslag of navorderingsaanslag vast door het opmaken van een aanslagbiljet. De inspecteur stelt het aanslagbiljet vervolgens ter hand aan de ontvanger. De ontvanger maakt de belastingaanslag bekend door verzending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet. Degene aan wie een aanslag of navorderingsaanslag is opgelegd, kan daartegen beroep instellen bij de belastingrechter, in eerste aanleg bij de rechtbank. Als het gaat om rijksbelastingen, dan zijn vijf rechtbanken bevoegd het beroep te behandelen, waaronder deze rechtbank. 40. Het staat vast dat belanghebbende en de partner in de jaren 2008 tot en met 2012 in Nederland woonachtig waren en zij zijn dus voor die periode binnenlands belastingplichtig. Belanghebbende en de partner hebben voor deze jaren aangiften IB/PVV ingediend en de inspecteur heeft naar aanleiding daarvan aanslagen IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012 vastgesteld. Daarna heeft de inspecteur een onderzoek ingesteld en de navorderingsaanslagen voor deze jaren vastgesteld. Na daartegen bezwaar te hebben gemaakt, zijn belanghebbende en de partner in beroep gekomen. Omdat belanghebbende en de partner niet (meer) in Nederland wonen en zij ressorteren onder de Belastingdienst/kantoor Utrecht, is deze rechtbank bevoegd de zaak te behandelen. De rechtbank zal daarbij een oordeel geven of de navorderingsaanslagen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Indien belanghebbende en de partner met de door hen opgeworpen vraag hebben bedoeld dat zij geen oordeel van de rechtbank wensen over de navorderingsaanslagen, dan staat het hen vrij om de beroepen in te trekken.
Volledig
De ontvanger kan dan overgaan tot invordering met inachtneming van de waarborgen die het (internationale) recht daarvoor biedt. Belanghebbende en de partner hebben de beroepen echter niet met zoveel woorden ingetrokken en de rechtbank zal het nader stuk van 17 januari 2025 ook niet als zodanig opvatten. Het geschil 41. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen en rente- en boetebeschikkingen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 42. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen: Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd? Is een deel van het bewijs onrechtmatig verkregen? Zijn de navorderingsaanslagen binnen de daarvoor geldende termijn opgelegd? Is aan de voorwaarden voor navordering voldaan, in het bijzonder of sprake is van een nieuw feit, dan wel of belanghebbende kwade trouw kan worden verweten? Moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard? Zijn de correcties terecht in aanmerking genomen? Brengen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en andere rechtsbeginselen met zich dat de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd of moeten worden verminderd? Het gaat onder meer om het beginsel van misbruik van recht, het beginsel van misbruik van bevoegdheid, territorialiteitsbeginsel, artikel 1 van de AWR. Moet de in rekening gebrachte heffings- en belastingrente worden gematigd? Zijn de boeten terecht opgelegd, waarbij in het bijzonder in geschil is of opzet is bewezen en of sprake is van een pleitbaar standpunt? Is de redelijke termijn overschreden en dient dit te leiden een verlaging van de boete en een vergoeding van immateriële schade? Bestaat recht op een vergoeding van de werkelijke proceskosten? 43. De rechtbank komt tot het oordeel dat de navorderingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld, maar dat de boeten wegens een overschrijding van de termijn moeten worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Op de zaak betrekking hebbende stukken 44. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. De door belanghebbende genoemde stukken zijn geen op de zaak betrekking hebbende stukken. 45. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. De inspecteur heeft in de zaak van belanghebbende 268 bijlagen overgelegd. Deze bijlagen bevatten veelal meerdere documenten, soms tot duizenden pagina’s per bijlage. De stukken waar belanghebbende in het nader stuk van 4 maart 2025 naar verwijst zijn geen op de zaak betrekking hebbende stukken. Het gaat om stukken die betrekking hebben op de vennootschappen en die niet relevant zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. Hetzelfde geldt voor een e-mail die is verkregen in het kader van een WOO-procedure, waarbij in die procedure delen zijn weggelakt. Voor het overige heeft belanghebbende geen concrete stukken benoemd en is niet aannemelijk gemaakt dat stukken ontbreken. Rechtmatigheid van het verkregen bewijs 46. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur bewijsmateriaal onrechtmatig heeft verkregen, omdat na ontbinding van de werkmaatschappij en de holding geen verplichtingen kunnen worden opgelegd aan deze vennootschappen zolang de vereffening niet is heropend en de inspecteur desondanks na ontbinding op grond van artikel 47 van de AWR informatie bij deze vennootschappen heeft opgevraagd. 47. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe. 48. Belanghebbende stelt op zich terecht dat aan een lichaam dat is opgehouden te bestaan geen verplichtingen kunnen worden opgelegd en geen informatiebeschikkingen kunnen worden afgegeven. Maar dit brengt niet met zich dat de informatie die de inspecteur heeft ontvangen naar aanleiding van een verzoek om informatie aan een voormalig bestuurder van een vennootschap die opgehouden is te bestaan, zonder meer onrechtmatig is verkregen en als bewijs moet worden uitgesloten. 49. De inspecteur heeft belanghebbende bij e-mail van 31 maart 2016 benaderd voor een boekenonderzoek in Nederland bij [holding 2] en [bedrijf 1/werkmaatschappij] . Bij e-mail van 1 april 2016 heeft belanghebbende gemeld dat het boekenonderzoek kan worden uitgevoerd op het kantoor van de accountant in [plaats 2] . Op 9 mei 2016, 23 augustus 2016 en 21 augustus 2017 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen de inspecteur en de accountant. De informatie die hierbij door de accountant is overgelegd acht de rechtbank niet onrechtmatig verkregen. De voormalig bestuurder van de vennootschappen heeft immers verwezen naar de accountant voor het uitvoeren van het boekenonderzoek. 50. In een e-mail van 9 augustus 2016 heeft belanghebbende de inspecteur erop gewezen dat de vennootschappen eind 2013 zijn opgeheven. De inspecteur heeft in de communicatie daarna echter wel volhard in zijn verzoeken om informatie en daarbij ook nadrukkelijk gewezen op de mogelijkheid om een informatiebeschikking op te leggen. Belanghebbende heeft bij brief van 29 augustus 2016, bij e-mail van 16 september 2016 en bij brief van 29 september 2016 nadere informatie verstrekt. In het licht van latere rechtspraak van de Hoge Raad is de handelwijze van de inspecteur in zoverre onjuist, omdat aan een opgeheven rechtspersoon geen informatieverplichtingen kunnen worden opgelegd. Dat is echter onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de verstrekte informatie als bewijs moet worden uitgesloten. Daar komt bij dat belanghebbende niet nader heeft gespecificeerd welke informatie of documenten voor bewijsuitsluiting in aanmerking zouden moeten komen en of die informatie en documenten niet ook op andere wijze, bijvoorbeeld afkomstig van strafrechtelijk onderzoek, tot de procestukken behoren. Termijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag 51. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen 2008 en 2009 buiten de termijn en niet voortvarend zijn opgelegd. De verlengde navorderingstermijn kan niet worden toegepast, indien het gelden betreft die in Nederland zijn gegenereerd maar in een later stadium naar het buitenland zijn overgeheveld. Voor de jaren 2010 tot en met 2012 stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de inspecteur informatiebeschikkingen heeft opgelegd uitsluitend met het doel om de termijn voor het opleggen van de navorderingsaanslagen te verlengen. Indien deze termijnverlenging buiten beschouwing wordt gelaten, zijn de navorderingsaanslagen 2010 tot en met 2012 ook buiten de termijn opgelegd. 52. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de inkomstenbestanddelen afkomstig zijn uit het buitenland, namelijk dividenden die via [bedrijf 1/werkmaatschappij] zijn gedistribueerd. De inspecteur stelt zich verder op het standpunt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de informatiebeschikkingen uitsluitend met het oog op de termijnverlenging zijn afgegeven. 53. De rechtbank oordeelt als volgt. 54. De navorderingstermijn is in beginsel vijf jaar gerekend vanaf het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, maar kan worden verlengd tot twaalf jaar (de verlengde navorderingstermijn). Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd. De inspecteur kan een informatiebeschikking afgeven indien niet aan bepaalde (informatie)verplichtingen is voldaan. De termijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag wordt verlengd met de periode tussen de bekendmaking van de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen en het moment waarop deze informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan of wordt vernietigd. Indien de inspecteur een navorderingsaanslag vaststelt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, vervalt de informatiebeschikking van rechtswege.
Volledig
Intrekking van de beroepen zou overigens met zich brengen dat de navorderingsaanslagen onherroepelijk komen vast te staan. De ontvanger kan dan overgaan tot invordering met inachtneming van de waarborgen die het (internationale) recht daarvoor biedt. Belanghebbende en de partner hebben de beroepen echter niet met zoveel woorden ingetrokken en de rechtbank zal het nader stuk van 17 januari 2025 ook niet als zodanig opvatten. Het geschil 41. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen en rente- en boetebeschikkingen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 42. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen: Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd? Is een deel van het bewijs onrechtmatig verkregen? Zijn de navorderingsaanslagen binnen de daarvoor geldende termijn opgelegd? Is aan de voorwaarden voor navordering voldaan, in het bijzonder of sprake is van een nieuw feit, dan wel of belanghebbende kwade trouw kan worden verweten? Moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard? Zijn de correcties terecht in aanmerking genomen? Brengen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en andere rechtsbeginselen met zich dat de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd of moeten worden verminderd? Het gaat onder meer om het beginsel van misbruik van recht, het beginsel van misbruik van bevoegdheid, territorialiteitsbeginsel, artikel 1 van de AWR. Moet de in rekening gebrachte heffings- en belastingrente worden gematigd? Zijn de boeten terecht opgelegd, waarbij in het bijzonder in geschil is of opzet is bewezen en of sprake is van een pleitbaar standpunt? Is de redelijke termijn overschreden en dient dit te leiden een verlaging van de boete en een vergoeding van immateriële schade? Bestaat recht op een vergoeding van de werkelijke proceskosten? 43. De rechtbank komt tot het oordeel dat de navorderingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld, maar dat de boeten wegens een overschrijding van de termijn moeten worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Op de zaak betrekking hebbende stukken 44. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. De door belanghebbende genoemde stukken zijn geen op de zaak betrekking hebbende stukken. 45. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. De inspecteur heeft in de zaak van belanghebbende 268 bijlagen overgelegd. Deze bijlagen bevatten veelal meerdere documenten, soms tot duizenden pagina’s per bijlage. De stukken waar belanghebbende in het nader stuk van 4 maart 2025 naar verwijst zijn geen op de zaak betrekking hebbende stukken. Het gaat om stukken die betrekking hebben op de vennootschappen en die niet relevant zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. Hetzelfde geldt voor een e-mail die is verkregen in het kader van een WOO-procedure, waarbij in die procedure delen zijn weggelakt. Voor het overige heeft belanghebbende geen concrete stukken benoemd en is niet aannemelijk gemaakt dat stukken ontbreken. Rechtmatigheid van het verkregen bewijs 46. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur bewijsmateriaal onrechtmatig heeft verkregen, omdat na ontbinding van de werkmaatschappij en de holding geen verplichtingen kunnen worden opgelegd aan deze vennootschappen zolang de vereffening niet is heropend en de inspecteur desondanks na ontbinding op grond van artikel 47 van de AWR informatie bij deze vennootschappen heeft opgevraagd. 47. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe. 48. Belanghebbende stelt op zich terecht dat aan een lichaam dat is opgehouden te bestaan geen verplichtingen kunnen worden opgelegd en geen informatiebeschikkingen kunnen worden afgegeven. Maar dit brengt niet met zich dat de informatie die de inspecteur heeft ontvangen naar aanleiding van een verzoek om informatie aan een voormalig bestuurder van een vennootschap die opgehouden is te bestaan, zonder meer onrechtmatig is verkregen en als bewijs moet worden uitgesloten. 49. De inspecteur heeft belanghebbende bij e-mail van 31 maart 2016 benaderd voor een boekenonderzoek in Nederland bij [holding 2] en [bedrijf 1/werkmaatschappij] . Bij e-mail van 1 april 2016 heeft belanghebbende gemeld dat het boekenonderzoek kan worden uitgevoerd op het kantoor van de accountant in [plaats 2] . Op 9 mei 2016, 23 augustus 2016 en 21 augustus 2017 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen de inspecteur en de accountant. De informatie die hierbij door de accountant is overgelegd acht de rechtbank niet onrechtmatig verkregen. De voormalig bestuurder van de vennootschappen heeft immers verwezen naar de accountant voor het uitvoeren van het boekenonderzoek. 50. In een e-mail van 9 augustus 2016 heeft belanghebbende de inspecteur erop gewezen dat de vennootschappen eind 2013 zijn opgeheven. De inspecteur heeft in de communicatie daarna echter wel volhard in zijn verzoeken om informatie en daarbij ook nadrukkelijk gewezen op de mogelijkheid om een informatiebeschikking op te leggen. Belanghebbende heeft bij brief van 29 augustus 2016, bij e-mail van 16 september 2016 en bij brief van 29 september 2016 nadere informatie verstrekt. In het licht van latere rechtspraak van de Hoge Raad is de handelwijze van de inspecteur in zoverre onjuist, omdat aan een opgeheven rechtspersoon geen informatieverplichtingen kunnen worden opgelegd. Dat is echter onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de verstrekte informatie als bewijs moet worden uitgesloten. Daar komt bij dat belanghebbende niet nader heeft gespecificeerd welke informatie of documenten voor bewijsuitsluiting in aanmerking zouden moeten komen en of die informatie en documenten niet ook op andere wijze, bijvoorbeeld afkomstig van strafrechtelijk onderzoek, tot de procestukken behoren. Termijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag 51. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen 2008 en 2009 buiten de termijn en niet voortvarend zijn opgelegd. De verlengde navorderingstermijn kan niet worden toegepast, indien het gelden betreft die in Nederland zijn gegenereerd maar in een later stadium naar het buitenland zijn overgeheveld. Voor de jaren 2010 tot en met 2012 stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de inspecteur informatiebeschikkingen heeft opgelegd uitsluitend met het doel om de termijn voor het opleggen van de navorderingsaanslagen te verlengen. Indien deze termijnverlenging buiten beschouwing wordt gelaten, zijn de navorderingsaanslagen 2010 tot en met 2012 ook buiten de termijn opgelegd. 52. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de inkomstenbestanddelen afkomstig zijn uit het buitenland, namelijk dividenden die via [bedrijf 1/werkmaatschappij] zijn gedistribueerd. De inspecteur stelt zich verder op het standpunt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de informatiebeschikkingen uitsluitend met het oog op de termijnverlenging zijn afgegeven. 53. De rechtbank oordeelt als volgt. 54. De navorderingstermijn is in beginsel vijf jaar gerekend vanaf het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, maar kan worden verlengd tot twaalf jaar (de verlengde navorderingstermijn). Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd. De inspecteur kan een informatiebeschikking afgeven indien niet aan bepaalde (informatie)verplichtingen is voldaan. De termijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag wordt verlengd met de periode tussen de bekendmaking van de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen en het moment waarop deze informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan of wordt vernietigd.
Volledig
Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de termijnverlenging ook in dat geval eindigt en wel op het moment waarop de informatiebeschikking van rechtswege vervalt. 55. Het staat vast dat op verzoek uitstel is verleend van dertien maanden voor het indienen van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012. Dit brengt met zich dat de navorderingstermijn voor die jaren wordt verlengd met dertien maanden. De inspecteur heeft voor de jaren 2008 tot en met 2012 ook informatiebeschikkingen afgegeven met dagtekening 22 november 2016. Daartegen is bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. Daarmee stonden de informatiebeschikkingen nog niet onherroepelijk vast. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met dagtekening 19 juni 2020 (2008, 2009, 2011 en 2012) en 20 oktober 2020 (2010). Op dat moment was nog geen uitspraak van de rechtbank gedaan op het beroep tegen de informatiebeschikkingen. Deze stonden dus nog niet onherroepelijk vast en daarom zijn deze op dat moment van rechtswege komen te vervallen. Met het opleggen van de informatiebeschikkingen heeft een termijnverlenging plaatsgevonden vanaf de bekendmaking van de informatiebeschikkingen tot 19 juni 2020 (2008, 2009, 2011 en 2012) en 20 oktober 2020 (2010). 56. De stelling van belanghebbende dat de inspecteur misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid door de informatiebeschikkingen op te leggen uitsluitend met als doel om de navorderingstermijn te verlengen, faalt. Belanghebbende heeft niet met concrete feiten aannemelijk gemaakt dat dit het geval is. De rechtbank merkt daarbij op dat de informatiebeschikking de vastlegging betreft dat niet aan de informatieverplichtingen is voldaan, met als gevolg dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard, en niet zozeer een middel om informatie af te dwingen. De rechtbank ziet geen reden om de termijnverlenging in verband met de bekendmaking van de informatiebeschikkingen achterwege te laten. 57. De reguliere navorderingstermijn van vijf jaar dient, gelet op het voorgaande, te worden verlengd met dertien maanden (uitstel voor het doen van aangifte) en drie jaar en zes maanden c.q. tien maanden (informatiebeschikkingen). De navorderingstermijnen zijn daarmee op de volgende momenten verstreken (voor zowel belanghebbende als zijn partner): voor het jaar 2008 op 1 augustus 2018; voor het jaar 2009 op 1 augustus 2019; voor het jaar 2010 op 1 december 2020; voor het jaar 2011 op 1 augustus 2021; voor het jaar 2012 op 1 augustus 2022. De navorderingsaanslagen 2010, 2011 en 2012 zijn derhalve binnen de reguliere navorderingstermijn opgelegd. Dit geldt echter niet voor de jaren 2008 en 2009. 58. Voor deze gevallen doet de inspecteur een beroep op de verlengde navorderingstermijn. 59. De navorderingsaanslagen 2008 en 2009 hebben uitsluitend betrekking op de door de inspecteur gestelde reguliere inkomsten uit aanmerkelijk belang. Zoals de rechtbank hierna zal oordelen gaat het in deze zaken om een aanmerkelijk belang in een in het buitenland gevestigde vennootschap, te weten [bedrijf 1/werkmaatschappij] . Het gaat dus om in het buitenland opgekomen vermogensbestanddelen waarop de verlengde navorderingstermijn van toepassing is. 60. Indien de verlengde navorderingstermijn van toepassing is, dan kan de voortvarendheidseis aan de orde zijn. Gelet op de zogenoemde standstillbepaling is de voortvarendheidseis alleen aan de orde in gevallen waarin het VWEU van toepassing is. [bedrijf 1/werkmaatschappij] is gevestigd op Cyprus . Het VWEU en daarmee de voortvarendheidseis zijn van toepassing. 61. De voortvarendheidseis houdt in dat de inspecteur na het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid voorbereidt en vaststelt aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan. De vereiste voortvarendheid is in elk geval niet betracht indien bij het voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslag een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden. 62. Bij brief van 16 september 2019 heeft de inspecteur een kennisgeving van zijn voornemen tot het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV voor onder meer de jaren 2008 en 2009 verzonden. Aangenomen mag worden dat op dat moment de inspecteur beschikte over alle gegevens die nodig waren voor het opleggen van de navorderingsaanslagen. In het licht hiervan komt de rechtbank tot de vaststelling dat de gegevens die de inspecteur van de FIOD heeft verkregen, voor het laatst 5 juli 2019, de laatste inlichtingen zijn die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting. De inspecteur was daarom gehouden om de navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 en 2009 vervolgens met redelijke voortvarendheid vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. Weliswaar heeft het nog bijna twaalf maanden geduurd voordat de navorderingsaanslagen zijn vastgesteld, maar dit is niet veroorzaakt door een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden. De rechtbank wijst op de door de inspecteur in zijn verweerschrift beschreven, en niet weersproken, gang van zaken onder de punten 2.150 tot en met 2.216. Daar komt bij dat met dagtekening 22 november 2016 informatiebeschikkingen aan belanghebbende waren afgegeven omdat niet aan de informatieverplichtingen was voldaan, dat belanghebbende daartegen bezwaar gemaakt heeft, dat op 28 september 2018 tegen de uitspraken op bezwaar beroep is ingesteld en dat de informatiebeschikkingen van rechtswege zijn komen te vervallen vanwege het opleggen van de navorderingsaanslagen. De inspecteur kan ook daarom niet het verwijt worden gemaakt dat hij onverklaarbaar heeft stilgezeten. Is aan de voorwaarden voor navordering voldaan? 63. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van een voor navordering vereist nieuw feit. De aanslagen zijn opgelegd voor of op 5 december 2014. In 2016 is de inspecteur een onderzoek gestart naar aanleiding van een telefonisch contact met de adviseur van belanghebbende op 5 januari 2016. De feiten die uit dit onderzoek zijn voortgekomen, zijn nieuwe feiten die navordering rechtvaardigen. Ook valt belanghebbende kwade trouw te wijten. In de aangiften IB/PVV 2008 en 2009 heeft belanghebbende niet vermeld dat hij betrokken was bij een trust of ander doelvermogen, terwijl hij insteller en/of begunstigde is van [stichting] . Hieruit zijn wel dividenduitkeringen ontvangen. Voor de jaren 2010 tot en met 2012 zijn bij de werkmaatschappij door belanghebbende als bestuurder zakelijke uitgaven opgevoerd die in werkelijkheid privé-uitgaven van belanghebbende en zijn partner betreffen. Het is aannemelijk dat deze privé-uitgaven als loon moeten worden aangemerkt. Dit loon is niet in de aangiften IB/PVV 2010 tot en met 2012 opgenomen. Ook heeft belanghebbende niet in de aangiften IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012 vermeld dat hij een aanmerkelijk belang had in [holding 1] dan wel [bedrijf 1/werkmaatschappij] . 64. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur vroege aanwijzingen heeft genegeerd waardoor sprake is van een ambtelijk verzuim. Belanghebbende heeft gemotiveerd bestreden dat sprake is van kwade trouw. 65. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn (ambtelijk verzuim), kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De inspecteur kan bij het regelen van een aanslag in de IB/PVV van de belastingplichtige in het algemeen volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier dat de aangiften en andere gegevens voor de IB/PVV van die belastingplichtige bevat.
Volledig
Indien de inspecteur een navorderingsaanslag vaststelt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, vervalt de informatiebeschikking van rechtswege. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de termijnverlenging ook in dat geval eindigt en wel op het moment waarop de informatiebeschikking van rechtswege vervalt. 55. Het staat vast dat op verzoek uitstel is verleend van dertien maanden voor het indienen van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012. Dit brengt met zich dat de navorderingstermijn voor die jaren wordt verlengd met dertien maanden. De inspecteur heeft voor de jaren 2008 tot en met 2012 ook informatiebeschikkingen afgegeven met dagtekening 22 november 2016. Daartegen is bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. Daarmee stonden de informatiebeschikkingen nog niet onherroepelijk vast. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met dagtekening 19 juni 2020 (2008, 2009, 2011 en 2012) en 20 oktober 2020 (2010). Op dat moment was nog geen uitspraak van de rechtbank gedaan op het beroep tegen de informatiebeschikkingen. Deze stonden dus nog niet onherroepelijk vast en daarom zijn deze op dat moment van rechtswege komen te vervallen. Met het opleggen van de informatiebeschikkingen heeft een termijnverlenging plaatsgevonden vanaf de bekendmaking van de informatiebeschikkingen tot 19 juni 2020 (2008, 2009, 2011 en 2012) en 20 oktober 2020 (2010). 56. De stelling van belanghebbende dat de inspecteur misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid door de informatiebeschikkingen op te leggen uitsluitend met als doel om de navorderingstermijn te verlengen, faalt. Belanghebbende heeft niet met concrete feiten aannemelijk gemaakt dat dit het geval is. De rechtbank merkt daarbij op dat de informatiebeschikking de vastlegging betreft dat niet aan de informatieverplichtingen is voldaan, met als gevolg dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard, en niet zozeer een middel om informatie af te dwingen. De rechtbank ziet geen reden om de termijnverlenging in verband met de bekendmaking van de informatiebeschikkingen achterwege te laten. 57. De reguliere navorderingstermijn van vijf jaar dient, gelet op het voorgaande, te worden verlengd met dertien maanden (uitstel voor het doen van aangifte) en drie jaar en zes maanden c.q. tien maanden (informatiebeschikkingen). De navorderingstermijnen zijn daarmee op de volgende momenten verstreken (voor zowel belanghebbende als zijn partner): voor het jaar 2008 op 1 augustus 2018; voor het jaar 2009 op 1 augustus 2019; voor het jaar 2010 op 1 december 2020; voor het jaar 2011 op 1 augustus 2021; voor het jaar 2012 op 1 augustus 2022. De navorderingsaanslagen 2010, 2011 en 2012 zijn derhalve binnen de reguliere navorderingstermijn opgelegd. Dit geldt echter niet voor de jaren 2008 en 2009. 58. Voor deze gevallen doet de inspecteur een beroep op de verlengde navorderingstermijn. 59. De navorderingsaanslagen 2008 en 2009 hebben uitsluitend betrekking op de door de inspecteur gestelde reguliere inkomsten uit aanmerkelijk belang. Zoals de rechtbank hierna zal oordelen gaat het in deze zaken om een aanmerkelijk belang in een in het buitenland gevestigde vennootschap, te weten [bedrijf 1/werkmaatschappij] . Het gaat dus om in het buitenland opgekomen vermogensbestanddelen waarop de verlengde navorderingstermijn van toepassing is. 60. Indien de verlengde navorderingstermijn van toepassing is, dan kan de voortvarendheidseis aan de orde zijn. Gelet op de zogenoemde standstillbepaling is de voortvarendheidseis alleen aan de orde in gevallen waarin het VWEU van toepassing is. [bedrijf 1/werkmaatschappij] is gevestigd op Cyprus . Het VWEU en daarmee de voortvarendheidseis zijn van toepassing. 61. De voortvarendheidseis houdt in dat de inspecteur na het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid voorbereidt en vaststelt aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan. De vereiste voortvarendheid is in elk geval niet betracht indien bij het voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslag een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden. 62. Bij brief van 16 september 2019 heeft de inspecteur een kennisgeving van zijn voornemen tot het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV voor onder meer de jaren 2008 en 2009 verzonden. Aangenomen mag worden dat op dat moment de inspecteur beschikte over alle gegevens die nodig waren voor het opleggen van de navorderingsaanslagen. In het licht hiervan komt de rechtbank tot de vaststelling dat de gegevens die de inspecteur van de FIOD heeft verkregen, voor het laatst 5 juli 2019, de laatste inlichtingen zijn die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting. De inspecteur was daarom gehouden om de navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 en 2009 vervolgens met redelijke voortvarendheid vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. Weliswaar heeft het nog bijna twaalf maanden geduurd voordat de navorderingsaanslagen zijn vastgesteld, maar dit is niet veroorzaakt door een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden. De rechtbank wijst op de door de inspecteur in zijn verweerschrift beschreven, en niet weersproken, gang van zaken onder de punten 2.150 tot en met 2.216. Daar komt bij dat met dagtekening 22 november 2016 informatiebeschikkingen aan belanghebbende waren afgegeven omdat niet aan de informatieverplichtingen was voldaan, dat belanghebbende daartegen bezwaar gemaakt heeft, dat op 28 september 2018 tegen de uitspraken op bezwaar beroep is ingesteld en dat de informatiebeschikkingen van rechtswege zijn komen te vervallen vanwege het opleggen van de navorderingsaanslagen. De inspecteur kan ook daarom niet het verwijt worden gemaakt dat hij onverklaarbaar heeft stilgezeten. Is aan de voorwaarden voor navordering voldaan? 63. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van een voor navordering vereist nieuw feit. De aanslagen zijn opgelegd voor of op 5 december 2014. In 2016 is de inspecteur een onderzoek gestart naar aanleiding van een telefonisch contact met de adviseur van belanghebbende op 5 januari 2016. De feiten die uit dit onderzoek zijn voortgekomen, zijn nieuwe feiten die navordering rechtvaardigen. Ook valt belanghebbende kwade trouw te wijten. In de aangiften IB/PVV 2008 en 2009 heeft belanghebbende niet vermeld dat hij betrokken was bij een trust of ander doelvermogen, terwijl hij insteller en/of begunstigde is van [stichting] . Hieruit zijn wel dividenduitkeringen ontvangen. Voor de jaren 2010 tot en met 2012 zijn bij de werkmaatschappij door belanghebbende als bestuurder zakelijke uitgaven opgevoerd die in werkelijkheid privé-uitgaven van belanghebbende en zijn partner betreffen. Het is aannemelijk dat deze privé-uitgaven als loon moeten worden aangemerkt. Dit loon is niet in de aangiften IB/PVV 2010 tot en met 2012 opgenomen. Ook heeft belanghebbende niet in de aangiften IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012 vermeld dat hij een aanmerkelijk belang had in [holding 1] dan wel [bedrijf 1/werkmaatschappij] . 64. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur vroege aanwijzingen heeft genegeerd waardoor sprake is van een ambtelijk verzuim. Belanghebbende heeft gemotiveerd bestreden dat sprake is van kwade trouw. 65. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn (ambtelijk verzuim), kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De inspecteur kan bij het regelen van een aanslag in de IB/PVV van de belastingplichtige in het algemeen volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier dat de aangiften en andere gegevens voor de IB/PVV van die belastingplichtige bevat.
Volledig
Met name bestaat voor de inspecteur niet de verplichting tot het raadplegen van (digitale) dossiers die door hem of door een andere inspecteur zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook niet als de mogelijkheid bestaat dat daarin gegevens worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de IB/PVV van belang kunnen zijn. In het algemeen is de inspecteur slechts dan verplicht tot een onderzoek buiten het (digitale) dossier van de belastingplichtige indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven. Het ligt in beginsel op de weg van de inspecteur om de feiten te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat sprake is van een nieuw feit dan wel kwade trouw. 66. Uit de ingediende aangiften IB/PVV van belanghebbende voor de jaren 2008 tot en met 2012 kon de inspecteur niet afleiden dat belanghebbende meer loon had genoten in de vorm van privé-uitgaven bij de werkmaatschappij en dat belanghebbende in documenten inzake [bedrijf 1/werkmaatschappij] als ultimate beneficial owner (ubo) is aangemerkt. Daar komt bij dat de inspecteur niet was gehouden het dossier van de holding en de werkmaatschappij te raadplegen. Voor zover in het dossier van deze vennootschappen voor 5 december 2014 al aanwijzingen zouden te vinden zijn, die zouden wijzen op de privé-uitgaven en de ubo-vermelding, brengt dat geen ambtelijk verzuim met zich. 67. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat aan de voorwaarden voor navordering is voldaan. Omkering en verzwaring van de bewijslast en de correcties 68. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Voor de jaren 2008 en 2009 is de vraag in de aangifte of belanghebbende betrokken is bij een trust of doelvermogen niet beantwoord, terwijl dit wel het geval was. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022 is daarmee de vereiste aangifte niet gedaan en dient de bewijslast te worden omgekeerd en te verzwaard. Het niet beantwoorden van die vraag is niet pleitbaar. Ook kon belanghebbende beschikken over het vermogen van [stichting] . Voor de jaren 2010 tot en met 2012 zijn privé-uitgaven niet als inkomsten in de aangifte verantwoord. 69. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aangiften juist zijn en volgens de destijds geldende wet- en regelgeving en rechtspraak. Er is sprake van een pleitbaar standpunt. 70. De rechtbank oordeelt als volgt. 71. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan dient het beroep ongegrond te worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en het niet geheven bedrag aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast. 72. De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld bij de werkmaatschappij en de holding. De inspecteur heeft diverse uitgaven die zijn geboekt in de werkmaatschappij als privé-uitgaven aangemerkt, althans de inspecteur heeft het zakelijke karakter niet kunnen vaststellen. Belanghebbende heeft niets concreets gesteld over de uitgaven die de inspecteur als privé-uitgaven heeft aangemerkt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat inderdaad sprake is van privé-uitgaven. De uitgaven ten behoeve van de privébehoeften van belanghebbende en zijn partner zijn aan te merken als een genoten voordeel. De rechtbank ziet ook een voldoende verband met de dienstbetrekking. De inspecteur heeft de privé-uitgaven daarom terecht tot het loon gerekend. 73. Het voorgaande leidt ertoe dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting voor de jaren 2010 tot en met 2012 absoluut en relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Aangezien belanghebbende en de partner bestuurder waren van de werkmaatschappij, moeten zij zich van de privé-uitgaven bewust zijn geweest en hadden zij zich er bijgevolg van bewust van moeten zijn dat de privé-uitgaven als loon in de aangiften IB/PVV hadden moeten worden opgenomen. Belanghebbende heeft de vereiste aangiften voor de jaren 2010 tot en met 2012 daarom niet gedaan. De bewijslast voor deze jaren moet daarom worden omgekeerd en verzwaard. Dit betekent dat belanghebbende overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre de navorderingsaanslagen te hoog zijn vastgesteld. 74. Met betrekking tot de jaren 2008 en 2009 heeft het volgende te gelden. In het arrest van 27 mei 2022 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien de aangifteplichtige in het door hem ingediende aangiftebiljet een of meer vragen onbeantwoord laat of onjuist beantwoordt, dat in de regel zal leiden tot de conclusie dat hij niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Daarvoor hoeft niet vast te staan dat de tekortkoming in de beantwoording van de vraag of vragen ertoe leidt dat de volgens de aangifte absoluut en relatief gezien te weinig belasting zou zijn verschuldigd. Het niet doen van de vereiste aangifte heeft de omkering en verzwaring van de bewijslast tot gevolg, maar niet als de niet beantwoorde vraag van onvoldoende gewicht is. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege het feit dat een of meer vragen in het aangiftebiljet niet of onjuist zijn beantwoord, niet geldt voor die geschilpunten waarvoor het antwoord op deze vraag of vragen niet van belang kan zijn. 75. Vraag 37 van de aangifte IB/PVV 2008 luidt: Was u, uw fiscale partner of de minderjarige kinderen van u allebei in 2008 betrokken bij een trust of een ander doelvermogen? Lees de toelichting bij vraag 37 76. In de toelichting bij vraag 37 is onder meer het volgende vermeld: “(…) Onder het begrip doelvermogen vallen trusts, Antilliaanse Stichtingen Particulier Fonds, Private Foundations, Anstalts, Stiftungen en andere vergelijkbare buitenlandse doelvermogens. (…) Er is onder meer sprake van betrokkenheid bij een doelvermogen als u, uw fiscale partner, uw minderjarige kinderen, of de minderjarige kinderen van uw fiscale partner: - een doelvermogen hebben ingesteld of opgericht - vermogen in een doelvermogen hebben ingebracht - gerechtigd waren of zouden worden tot het doelvermogen - gerechtigd waren of zouden worden tot de inkomsten van een doelvermogen - aanspraken had of zou kunnen hebben richting het doelvermogen - aanspraken had of zou kunnen hebben op de inkomsten van een doelvermogen - inkomsten hebben genoten afkomstig van een doelvermogen - vermogen hebben ontvangen van een doelvermogen - toezichthouder waren van een doelvermogen - beheerder waren van een doelvermogen (…)” In de aangifte IB/PVV 2009 is eenzelfde vraag en toelichting opgenomen. 77. Het staat vast dat belanghebbende en de partner gebruik hebben gemaakt van een fiscale structuur aangeboden door de fiscaal adviseurs [fiscaal adviseur 1] en [fiscaal adviseur 2] . De fiscale structuur houdt in dat de aandelen van de werkmaatschappij via een keten van buitenlandse vennootschappen in handen zijn van de buitenlandse stichting [stichting] . Het betreft hier een doelvermogen zoals bedoeld bij de hiervoor vermelde vraag 37. In het facturenoverzicht (zie punt 11.) is belanghebbende vermeld bij de facturen die betrekking hebben op [stichting] . Belanghebbende is dus betrokken bij een doelvermogen. Belanghebbende heeft dus ten onrechte vraag 37 van de aangiften niet beantwoord. Dit brengt met zich dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, maar niet voor geschilpunten waarvoor het antwoord op deze vraag niet van belang kan zijn.
Volledig
Met name bestaat voor de inspecteur niet de verplichting tot het raadplegen van (digitale) dossiers die door hem of door een andere inspecteur zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook niet als de mogelijkheid bestaat dat daarin gegevens worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de IB/PVV van belang kunnen zijn. In het algemeen is de inspecteur slechts dan verplicht tot een onderzoek buiten het (digitale) dossier van de belastingplichtige indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven. Het ligt in beginsel op de weg van de inspecteur om de feiten te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat sprake is van een nieuw feit dan wel kwade trouw. 66. Uit de ingediende aangiften IB/PVV van belanghebbende voor de jaren 2008 tot en met 2012 kon de inspecteur niet afleiden dat belanghebbende meer loon had genoten in de vorm van privé-uitgaven bij de werkmaatschappij en dat belanghebbende in documenten inzake [bedrijf 1/werkmaatschappij] als ultimate beneficial owner (ubo) is aangemerkt. Daar komt bij dat de inspecteur niet was gehouden het dossier van de holding en de werkmaatschappij te raadplegen. Voor zover in het dossier van deze vennootschappen voor 5 december 2014 al aanwijzingen zouden te vinden zijn, die zouden wijzen op de privé-uitgaven en de ubo-vermelding, brengt dat geen ambtelijk verzuim met zich. 67. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat aan de voorwaarden voor navordering is voldaan. Omkering en verzwaring van de bewijslast en de correcties 68. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Voor de jaren 2008 en 2009 is de vraag in de aangifte of belanghebbende betrokken is bij een trust of doelvermogen niet beantwoord, terwijl dit wel het geval was. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022 is daarmee de vereiste aangifte niet gedaan en dient de bewijslast te worden omgekeerd en te verzwaard. Het niet beantwoorden van die vraag is niet pleitbaar. Ook kon belanghebbende beschikken over het vermogen van [stichting] . Voor de jaren 2010 tot en met 2012 zijn privé-uitgaven niet als inkomsten in de aangifte verantwoord. 69. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aangiften juist zijn en volgens de destijds geldende wet- en regelgeving en rechtspraak. Er is sprake van een pleitbaar standpunt. 70. De rechtbank oordeelt als volgt. 71. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan dient het beroep ongegrond te worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en het niet geheven bedrag aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast. 72. De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld bij de werkmaatschappij en de holding. De inspecteur heeft diverse uitgaven die zijn geboekt in de werkmaatschappij als privé-uitgaven aangemerkt, althans de inspecteur heeft het zakelijke karakter niet kunnen vaststellen. Belanghebbende heeft niets concreets gesteld over de uitgaven die de inspecteur als privé-uitgaven heeft aangemerkt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat inderdaad sprake is van privé-uitgaven. De uitgaven ten behoeve van de privébehoeften van belanghebbende en zijn partner zijn aan te merken als een genoten voordeel. De rechtbank ziet ook een voldoende verband met de dienstbetrekking. De inspecteur heeft de privé-uitgaven daarom terecht tot het loon gerekend. 73. Het voorgaande leidt ertoe dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting voor de jaren 2010 tot en met 2012 absoluut en relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Aangezien belanghebbende en de partner bestuurder waren van de werkmaatschappij, moeten zij zich van de privé-uitgaven bewust zijn geweest en hadden zij zich er bijgevolg van bewust van moeten zijn dat de privé-uitgaven als loon in de aangiften IB/PVV hadden moeten worden opgenomen. Belanghebbende heeft de vereiste aangiften voor de jaren 2010 tot en met 2012 daarom niet gedaan. De bewijslast voor deze jaren moet daarom worden omgekeerd en verzwaard. Dit betekent dat belanghebbende overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre de navorderingsaanslagen te hoog zijn vastgesteld. 74. Met betrekking tot de jaren 2008 en 2009 heeft het volgende te gelden. In het arrest van 27 mei 2022 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien de aangifteplichtige in het door hem ingediende aangiftebiljet een of meer vragen onbeantwoord laat of onjuist beantwoordt, dat in de regel zal leiden tot de conclusie dat hij niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Daarvoor hoeft niet vast te staan dat de tekortkoming in de beantwoording van de vraag of vragen ertoe leidt dat de volgens de aangifte absoluut en relatief gezien te weinig belasting zou zijn verschuldigd. Het niet doen van de vereiste aangifte heeft de omkering en verzwaring van de bewijslast tot gevolg, maar niet als de niet beantwoorde vraag van onvoldoende gewicht is. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege het feit dat een of meer vragen in het aangiftebiljet niet of onjuist zijn beantwoord, niet geldt voor die geschilpunten waarvoor het antwoord op deze vraag of vragen niet van belang kan zijn. 75. Vraag 37 van de aangifte IB/PVV 2008 luidt: Was u, uw fiscale partner of de minderjarige kinderen van u allebei in 2008 betrokken bij een trust of een ander doelvermogen? Lees de toelichting bij vraag 37 76. In de toelichting bij vraag 37 is onder meer het volgende vermeld: “(…) Onder het begrip doelvermogen vallen trusts, Antilliaanse Stichtingen Particulier Fonds, Private Foundations, Anstalts, Stiftungen en andere vergelijkbare buitenlandse doelvermogens. (…) Er is onder meer sprake van betrokkenheid bij een doelvermogen als u, uw fiscale partner, uw minderjarige kinderen, of de minderjarige kinderen van uw fiscale partner: - een doelvermogen hebben ingesteld of opgericht - vermogen in een doelvermogen hebben ingebracht - gerechtigd waren of zouden worden tot het doelvermogen - gerechtigd waren of zouden worden tot de inkomsten van een doelvermogen - aanspraken had of zou kunnen hebben richting het doelvermogen - aanspraken had of zou kunnen hebben op de inkomsten van een doelvermogen - inkomsten hebben genoten afkomstig van een doelvermogen - vermogen hebben ontvangen van een doelvermogen - toezichthouder waren van een doelvermogen - beheerder waren van een doelvermogen (…)” In de aangifte IB/PVV 2009 is eenzelfde vraag en toelichting opgenomen. 77. Het staat vast dat belanghebbende en de partner gebruik hebben gemaakt van een fiscale structuur aangeboden door de fiscaal adviseurs [fiscaal adviseur 1] en [fiscaal adviseur 2] . De fiscale structuur houdt in dat de aandelen van de werkmaatschappij via een keten van buitenlandse vennootschappen in handen zijn van de buitenlandse stichting [stichting] . Het betreft hier een doelvermogen zoals bedoeld bij de hiervoor vermelde vraag 37. In het facturenoverzicht (zie punt 11.) is belanghebbende vermeld bij de facturen die betrekking hebben op [stichting] . Belanghebbende is dus betrokken bij een doelvermogen. Belanghebbende heeft dus ten onrechte vraag 37 van de aangiften niet beantwoord. Dit brengt met zich dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, maar niet voor geschilpunten waarvoor het antwoord op deze vraag niet van belang kan zijn.
Volledig
De vraag in de aangifte is van belang voor het geschilpunt over de dividenduitkeringen. Naar aanleiding van de beantwoording van die vraag had de inspecteur immers onderzoek kunnen doen naar de structuur en kunnen onderzoeken in hoeverre de ontvangen bedragen in de vorm van geldleningen of anderszins tot het inkomen moesten worden gerekend. Daarbij is niet relevant of het standpunt van belanghebbende ten aanzien daarvan pleitbaar was of niet. Bovendien heeft belanghebbende ook niet aannemelijk gemaakt dat het niet beantwoorden van vraag 37 pleitbaar is ten aanzien van rechtskundige gronden (een rechtskundige interpretatie of een rechtskundige duiding van de feiten). Redelijke schatting 78. De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de inspecteur niet om de navorderingsaanslagen in redelijkheid, niet naar willekeur, vast te stellen. 79. De inspecteur heeft de correcties ten aanzien van de privé-uitgaven, de correctie voor de auto en de correctie op de leningen gebaseerd op de bedragen zoals die blijken uit de administratie van de werkmaatschappij. De hoogte van deze correcties zijn daarom zonder meer redelijk. Ten aanzien van de door de inspecteur als reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen bedragen heeft het volgende te gelden. 80. Een belastingplichtige heeft (onder meer) een aanmerkelijk belang indien hij, al dan niet tezamen met zijn partner, direct of indirect voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld. Met een aandeelhouder wordt gelijkgesteld degene die slechts gerechtigd is tot de voordelen uit aandelen. In dat geval wordt de gerechtigdheid aangemerkt als een aandeel. Tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren de voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten. Bij toepassing van de normale regels van bewijslast ligt het op de weg van de inspecteur om de feiten te stellen en bij betwisting deze te bewijzen, op grond waarvan aannemelijk is dat belanghebbende of de partner een aanmerkelijk belang hebben in voorbedoelde zin, en dat in 2008, 2009, 2011 en 2012 sprake is van inkomen uit aanmerkelijk belang. 81. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur op grond van de gewone regels van bewijslast aannemelijk gemaakt dat belanghebbende een aanmerkelijk belang had in [bedrijf 1/werkmaatschappij] en dat hij in 2008, 2009, 2011 en 2012 dividenduitkeringen heeft ontvangen, die tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren. Dit brengt met zich dat ook aan de minder strenge redelijkheidstoets is voldaan. De inspecteur kon met inachtneming van artikel 2.17, derde en vijfde lid, van de Wet IB 2001 de helft van deze inkomsten aan belanghebbende toerekenen. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe. 82. De vastgestelde feiten, in het bijzonder hetgeen is vermeld onder de punten 14. tot en met 17., leiden tot de conclusie dat belanghebbende de (enig) gerechtigde is tot de voordelen van [bedrijf 1/werkmaatschappij] . Belanghebbende heeft daartegenover niets gesteld en ook geen stukken overgelegd op grond waarvan moet worden getwijfeld dat belanghebbende inderdaad de enige gerechtigde is van [bedrijf 1/werkmaatschappij] . De blote stelling dat belanghebbende geen aanmerkelijk belang had en geen juridisch en economisch belang had is, tegenover het bewijs dat de inspecteur heeft aangedragen, volstrekt onvoldoende. De inspecteur heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat belanghebbende als enige gerechtigd was tot de voordelen van [bedrijf 1/werkmaatschappij] , dat belanghebbende daarom moet worden gelijkgesteld met een (enig) aandeelhouder van [bedrijf 1/werkmaatschappij] en dat belanghebbende dus een aanmerkelijk belang had in [bedrijf 1/werkmaatschappij] . Belanghebbende heeft daarmee tevens een indirect aanmerkelijk belang in de werkmaatschappij en de holding. 83. De rechtbank acht tevens aannemelijk dat de holding in 2008, 2009, 2011 en 2012 dividenduitkeringen aan [bedrijf 1/werkmaatschappij] heeft toegekend en uitbetaald van respectievelijk € 100.000, € 12.000, € 200.000 en € 200.000. De rechtbank wijst in dat verband op de e-mail van 29 oktober 2010 (punt 4.), het dividendbesluit van 1 oktober 2008 (punt 18.), het bestuursbesluit van 16 november 2011 (punt 19.), de notulen van de aandeelhoudersvergadering van de holding en de aldaar vermelde bedragen (punt 20.) en de bekende geldstromen (punten 23. tot en met 26.). Gelet op de bekende geldstromen acht de rechtbank tevens aannemelijk dat onder de noemer ‘lening’ deze gelden, al dan niet via [holding 1] , naar de privébankrekening van belanghebbende zijn overgemaakt. 84. De rechtbank is van oordeel dat in werkelijkheid geen sprake is geweest van leningen. Uit de e-mail van 29 oktober 2010 (zie punt 4.) maakt de rechtbank op dat het de oorspronkelijke bedoeling was om de dividenduitkeringen vanuit de holding van € 100.000 (2008) en € 12.000 (2009) rond te laten lopen via [stichting] , maar dat belanghebbende ervoor heeft gekozen dat onder het mom van een leningsovereenkomst te doen. De fiscale structuur is dus bedoeld om winsten uit de werkmaatschappij via de holding en de buitenlandse structuur belastingvrij bij belanghebbende te krijgen. [bedrijf 1/werkmaatschappij] heeft daarmee belanghebbende willen bevoordelen en belanghebbende moest zich hier redelijkerwijs bewust van zijn geweest. De leningen zijn alleen een van de oorspronkelijke bedoeling afwijkende manier om dat te realiseren, maar hebben geen realiteitsgehalte. Dit wordt bevestigd door het feit dat belanghebbende bij [bedrijf 7] . heeft verzocht (punt 22.) om een ‘schenking’ en daarbij heeft verzocht ‘€ 550.000, plus eventual outstanding interest, as a waiver of the loan agreements’ te beschouwen. Het gaat hierbij niet om leningen bij [bedrijf 7] . maar om leningen bij [bedrijf 1/werkmaatschappij] en [holding 1] . 85. De conclusie is dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan, de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard en dat de inspecteur de navorderingsaanslagen in redelijkheid heeft vastgesteld. Belanghebbende heeft daartegenover niet overtuigend aangetoond dat de navorderingsaanslagen en daarmee de uitspraken op bezwaar, te hoog zijn vastgesteld. 86. De slotsom is dat de navorderingsaanslagen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Algemene beginselen 87. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd wegens een schending van diverse beginselen. Het is niet redelijk om een fiscale constructie die eerder legaal was nu te bestrijden. De inspecteur heeft onzorgvuldig gehandeld door uit te gaan van een doelredenering en hij heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van schijnhandelingen en van vals opgemaakte stukken. Hij heeft het evenredigheidsbeginsel geschonden en misbruik gemaakt van bevoegdheden. Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt dat het territorialiteitsbeginsel is geschonden. Dit beginsel houdt in dat de soevereiniteit van staten zich verzet tegen het nemen van maatregelen ter handhaving van regels met een extraterritoriale reikwijdte. Ook is sprake van een schending van artikel 1 van de AWR. 88. De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd betwist. 89. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur zeer grondig onderzoek heeft gedaan, dat hij belanghebbende meermaals in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op zijn standpunten en dat hij de navorderingsaanslagen zeer uitgebreid heeft onderbouwd en gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur zorgvuldig te werk gegaan en is op geen enkele wijze sprake van enige schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Voor het overige wijst de rechtbank op de overwegingen van de rechtbank opgenomen in de punten 37. tot en met 40. van deze uitspraak. Heffings- en belastingrente 90. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffings- en belastingrente. 91.
Volledig
De vraag in de aangifte is van belang voor het geschilpunt over de dividenduitkeringen. Naar aanleiding van de beantwoording van die vraag had de inspecteur immers onderzoek kunnen doen naar de structuur en kunnen onderzoeken in hoeverre de ontvangen bedragen in de vorm van geldleningen of anderszins tot het inkomen moesten worden gerekend. Daarbij is niet relevant of het standpunt van belanghebbende ten aanzien daarvan pleitbaar was of niet. Bovendien heeft belanghebbende ook niet aannemelijk gemaakt dat het niet beantwoorden van vraag 37 pleitbaar is ten aanzien van rechtskundige gronden (een rechtskundige interpretatie of een rechtskundige duiding van de feiten). Redelijke schatting 78. De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de inspecteur niet om de navorderingsaanslagen in redelijkheid, niet naar willekeur, vast te stellen. 79. De inspecteur heeft de correcties ten aanzien van de privé-uitgaven, de correctie voor de auto en de correctie op de leningen gebaseerd op de bedragen zoals die blijken uit de administratie van de werkmaatschappij. De hoogte van deze correcties zijn daarom zonder meer redelijk. Ten aanzien van de door de inspecteur als reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen bedragen heeft het volgende te gelden. 80. Een belastingplichtige heeft (onder meer) een aanmerkelijk belang indien hij, al dan niet tezamen met zijn partner, direct of indirect voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld. Met een aandeelhouder wordt gelijkgesteld degene die slechts gerechtigd is tot de voordelen uit aandelen. In dat geval wordt de gerechtigdheid aangemerkt als een aandeel. Tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren de voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten. Bij toepassing van de normale regels van bewijslast ligt het op de weg van de inspecteur om de feiten te stellen en bij betwisting deze te bewijzen, op grond waarvan aannemelijk is dat belanghebbende of de partner een aanmerkelijk belang hebben in voorbedoelde zin, en dat in 2008, 2009, 2011 en 2012 sprake is van inkomen uit aanmerkelijk belang. 81. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur op grond van de gewone regels van bewijslast aannemelijk gemaakt dat belanghebbende een aanmerkelijk belang had in [bedrijf 1/werkmaatschappij] en dat hij in 2008, 2009, 2011 en 2012 dividenduitkeringen heeft ontvangen, die tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren. Dit brengt met zich dat ook aan de minder strenge redelijkheidstoets is voldaan. De inspecteur kon met inachtneming van artikel 2.17, derde en vijfde lid, van de Wet IB 2001 de helft van deze inkomsten aan belanghebbende toerekenen. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe. 82. De vastgestelde feiten, in het bijzonder hetgeen is vermeld onder de punten 14. tot en met 17., leiden tot de conclusie dat belanghebbende de (enig) gerechtigde is tot de voordelen van [bedrijf 1/werkmaatschappij] . Belanghebbende heeft daartegenover niets gesteld en ook geen stukken overgelegd op grond waarvan moet worden getwijfeld dat belanghebbende inderdaad de enige gerechtigde is van [bedrijf 1/werkmaatschappij] . De blote stelling dat belanghebbende geen aanmerkelijk belang had en geen juridisch en economisch belang had is, tegenover het bewijs dat de inspecteur heeft aangedragen, volstrekt onvoldoende. De inspecteur heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat belanghebbende als enige gerechtigd was tot de voordelen van [bedrijf 1/werkmaatschappij] , dat belanghebbende daarom moet worden gelijkgesteld met een (enig) aandeelhouder van [bedrijf 1/werkmaatschappij] en dat belanghebbende dus een aanmerkelijk belang had in [bedrijf 1/werkmaatschappij] . Belanghebbende heeft daarmee tevens een indirect aanmerkelijk belang in de werkmaatschappij en de holding. 83. De rechtbank acht tevens aannemelijk dat de holding in 2008, 2009, 2011 en 2012 dividenduitkeringen aan [bedrijf 1/werkmaatschappij] heeft toegekend en uitbetaald van respectievelijk € 100.000, € 12.000, € 200.000 en € 200.000. De rechtbank wijst in dat verband op de e-mail van 29 oktober 2010 (punt 4.), het dividendbesluit van 1 oktober 2008 (punt 18.), het bestuursbesluit van 16 november 2011 (punt 19.), de notulen van de aandeelhoudersvergadering van de holding en de aldaar vermelde bedragen (punt 20.) en de bekende geldstromen (punten 23. tot en met 26.). Gelet op de bekende geldstromen acht de rechtbank tevens aannemelijk dat onder de noemer ‘lening’ deze gelden, al dan niet via [holding 1] , naar de privébankrekening van belanghebbende zijn overgemaakt. 84. De rechtbank is van oordeel dat in werkelijkheid geen sprake is geweest van leningen. Uit de e-mail van 29 oktober 2010 (zie punt 4.) maakt de rechtbank op dat het de oorspronkelijke bedoeling was om de dividenduitkeringen vanuit de holding van € 100.000 (2008) en € 12.000 (2009) rond te laten lopen via [stichting] , maar dat belanghebbende ervoor heeft gekozen dat onder het mom van een leningsovereenkomst te doen. De fiscale structuur is dus bedoeld om winsten uit de werkmaatschappij via de holding en de buitenlandse structuur belastingvrij bij belanghebbende te krijgen. [bedrijf 1/werkmaatschappij] heeft daarmee belanghebbende willen bevoordelen en belanghebbende moest zich hier redelijkerwijs bewust van zijn geweest. De leningen zijn alleen een van de oorspronkelijke bedoeling afwijkende manier om dat te realiseren, maar hebben geen realiteitsgehalte. Dit wordt bevestigd door het feit dat belanghebbende bij [bedrijf 7] . heeft verzocht (punt 22.) om een ‘schenking’ en daarbij heeft verzocht ‘€ 550.000, plus eventual outstanding interest, as a waiver of the loan agreements’ te beschouwen. Het gaat hierbij niet om leningen bij [bedrijf 7] . maar om leningen bij [bedrijf 1/werkmaatschappij] en [holding 1] . 85. De conclusie is dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan, de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard en dat de inspecteur de navorderingsaanslagen in redelijkheid heeft vastgesteld. Belanghebbende heeft daartegenover niet overtuigend aangetoond dat de navorderingsaanslagen en daarmee de uitspraken op bezwaar, te hoog zijn vastgesteld. 86. De slotsom is dat de navorderingsaanslagen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Algemene beginselen 87. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd wegens een schending van diverse beginselen. Het is niet redelijk om een fiscale constructie die eerder legaal was nu te bestrijden. De inspecteur heeft onzorgvuldig gehandeld door uit te gaan van een doelredenering en hij heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van schijnhandelingen en van vals opgemaakte stukken. Hij heeft het evenredigheidsbeginsel geschonden en misbruik gemaakt van bevoegdheden. Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt dat het territorialiteitsbeginsel is geschonden. Dit beginsel houdt in dat de soevereiniteit van staten zich verzet tegen het nemen van maatregelen ter handhaving van regels met een extraterritoriale reikwijdte. Ook is sprake van een schending van artikel 1 van de AWR. 88. De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd betwist. 89. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur zeer grondig onderzoek heeft gedaan, dat hij belanghebbende meermaals in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op zijn standpunten en dat hij de navorderingsaanslagen zeer uitgebreid heeft onderbouwd en gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur zorgvuldig te werk gegaan en is op geen enkele wijze sprake van enige schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Voor het overige wijst de rechtbank op de overwegingen van de rechtbank opgenomen in de punten 37. tot en met 40. van deze uitspraak. Heffings- en belastingrente 90. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffings- en belastingrente. 91.
Volledig
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de rente moet worden verminderd naar nihil omdat de redelijke termijn is overschreden en de inspecteur niet voortvarend genoeg zou hebben gehandeld en belanghebbende door de nagevorderde belasting en rente onevenredig wordt getroffen en omdat sprake is van strijd met de algemene beginselen. 92. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de rentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de rente het bedrag van de aanslag volgt. Zoals hiervoor geoordeeld heeft de inspecteur voldoende voortvarend gehandeld en is geen sprake van strijd met algemene beginselen. Een overschrijding van de redelijke termijn kan zo nodig leiden tot het toekennen van schadevergoeding en/of vermindering van de boete. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd op grond waarvan de rechtbank een schending van het evenredigheidsbeginsel kan aannemen. Boeten 93. Ingevolge artikel 67e van de AWR kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat aanvankelijk niet is geheven, voor zover dat bedrag het gevolg is van opzet van de belastingplichtige. 94. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 8 april 2022 dienen bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dat geval (voorwaardelijk) opzet, is geleverd, de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond. De stelplicht met betrekking tot die feiten en omstandigheden rust op de inspecteur, die deze vervolgens overtuigend zal moeten aantonen voor zover zijn stellingen worden betwist. 95. Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dat dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. 96. Voor de jaren 2008 en 2009 heeft belanghebbende de vraag in de aangifte of sprake is van een doelvermogen niet beantwoord. Voor de jaren 2011 en 2012 heeft belanghebbende in de aangifte niet vermeld dat hij een aanmerkelijk belang bezit. In punt 82 heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de vastgestelde feiten, met name de punten 14. tot en met 17., die door belanghebbende niet zijn betwist, volgt dat belanghebbende wel inkomsten uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Onder andere wijst de rechtbank op de volgende feiten: er is een ingewikkelde en ondoorzichtige buitenlandse structuur gecreëerd waarbij na uitgebreid onderzoek is geconstateerd dat belanghebbende de ubo is; vanuit deze structuur zijn verschillende keren bedragen naar belanghebbende toegevloeid dan wel zijn door entiteiten uit deze structuur ten gunste van belanghebbende (en zijn partner) uitgaven gedaan; in geen enkele belastingaangifte van belanghebbende en zijn partner komen deze voordelen terug en daarin wordt ook geen melding gemaakt van betrokkenheid bij deze structuur; uit e-mailverkeer volgt dat belanghebbende is gewezen op de risico’s dat de fiscus voor een of meer van deze bedragen en/of uitgaven loon of een schenking zou kunnen aannemen. In reactie daarop wilde belanghebbende advies om te voorkomen dat de fiscus zich over deze problematiek zou gaan buigen; de inspecteur heeft aan (de gemachtigde van) belanghebbende vragen gesteld over de structuur en de uiteindelijk gerechtigde. Daarop heeft belanghebbende geen openheid van zaken verschaft. De inspecteur heeft meerdere onderzoekshandelingen moeten verrichten om de feiten boven water te krijgen. 97. De rechtbank stelt vast dat uit deze feiten volgt dat de gedragingen van belanghebbende er naar hun uiterlijke verschijningsvorm op gericht waren om de desbetreffende inkomsten buiten de Nederlandse belastingheffing te houden zodat de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan zijn dat belanghebbende dit gevolg (te weinig belastingheffing) heeft gewild of althans bewust heeft aanvaard. Belanghebbende heeft geen contra-indicaties hiervoor gesteld en deze zijn evenmin gebleken. 98. Gelet op het voorgaande zijn de vergrijpboeten terecht aan belanghebbende opgelegd. De rechtbank acht de opgelegde boeten ook passend en geboden. 99. Belanghebbende heeft verzocht om vermindering van de boeten wegens overschrijding van de redelijke termijn. De boeten zijn aangekondigd bij brief van 16 september 2019. Sindsdien zijn zes jaren van (afgerond) twee maanden verstreken. De redelijke termijn van twee jaren is daarmee met meer dan twee jaren overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boeten te verminderen met 20%. De boeten dienen daarom te worden verminderd tot de volgende bedragen: 2008 € 10.000 2009 € 1.200 2010 € 5.937 2011 € 31.035 2012 € 33.336 Immateriële schadevergoeding 100. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding. 101. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 1 juli 2020. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is 36 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De rechtbank ziet geen reden de redelijke termijn te verlengen. De inspecteur heeft aangevoerd dat het beroepschrift op 4 oktober 2021 is ingediend en pas op 30 mei 2022 is gemotiveerd. De rechtbank volgt de inspecteur hierin niet. In het beroepschrift van 4 oktober 2021 zijn (beknopt) de gronden van het beroep opgenomen en is verzocht om een termijn om de gronden aan te vullen. De rechtbank heeft bij brief van 29 april 2022 het verzoek gedaan de aanvullende gronden binnen vier weken toe te zenden. Belanghebbende heeft hier met het stuk ‘toelichting op het beroep’ gevolg aan gegeven. 102. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 40 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat 7 keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 3.500. De zaken van belanghebbende zijn samenhangende zaken. De rechtbank zal daarom slechts éénmaal een schadevergoeding toekennen. Ook hebben belanghebbende en zijn partner gezamenlijk geprocedeerd. In alle zaken gaat het om hetzelfde feitencomplex en dezelfde rechtsvragen. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om de schadevergoeding te matigen en belanghebbende en zijn partner een schadevergoeding van ieder € 1.750 toe te kennen. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 31 augustus 2021. Dit is 8 maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van € 350 (8/40 x € 1.750). De Staat moet de rest betalen, dus € 1.400. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen. Conclusie en gevolgen 103. De beroepen zijn gegrond. De uitspraken op bezwaar worden vernietigd, maar uitsluitend voor zover het de boeten betreft.
Volledig
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de rente moet worden verminderd naar nihil omdat de redelijke termijn is overschreden en de inspecteur niet voortvarend genoeg zou hebben gehandeld en belanghebbende door de nagevorderde belasting en rente onevenredig wordt getroffen en omdat sprake is van strijd met de algemene beginselen. 92. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de rentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de rente het bedrag van de aanslag volgt. Zoals hiervoor geoordeeld heeft de inspecteur voldoende voortvarend gehandeld en is geen sprake van strijd met algemene beginselen. Een overschrijding van de redelijke termijn kan zo nodig leiden tot het toekennen van schadevergoeding en/of vermindering van de boete. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd op grond waarvan de rechtbank een schending van het evenredigheidsbeginsel kan aannemen. Boeten 93. Ingevolge artikel 67e van de AWR kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat aanvankelijk niet is geheven, voor zover dat bedrag het gevolg is van opzet van de belastingplichtige. 94. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 8 april 2022 dienen bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dat geval (voorwaardelijk) opzet, is geleverd, de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond. De stelplicht met betrekking tot die feiten en omstandigheden rust op de inspecteur, die deze vervolgens overtuigend zal moeten aantonen voor zover zijn stellingen worden betwist. 95. Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dat dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. 96. Voor de jaren 2008 en 2009 heeft belanghebbende de vraag in de aangifte of sprake is van een doelvermogen niet beantwoord. Voor de jaren 2011 en 2012 heeft belanghebbende in de aangifte niet vermeld dat hij een aanmerkelijk belang bezit. In punt 82 heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de vastgestelde feiten, met name de punten 14. tot en met 17., die door belanghebbende niet zijn betwist, volgt dat belanghebbende wel inkomsten uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Onder andere wijst de rechtbank op de volgende feiten: er is een ingewikkelde en ondoorzichtige buitenlandse structuur gecreëerd waarbij na uitgebreid onderzoek is geconstateerd dat belanghebbende de ubo is; vanuit deze structuur zijn verschillende keren bedragen naar belanghebbende toegevloeid dan wel zijn door entiteiten uit deze structuur ten gunste van belanghebbende (en zijn partner) uitgaven gedaan; in geen enkele belastingaangifte van belanghebbende en zijn partner komen deze voordelen terug en daarin wordt ook geen melding gemaakt van betrokkenheid bij deze structuur; uit e-mailverkeer volgt dat belanghebbende is gewezen op de risico’s dat de fiscus voor een of meer van deze bedragen en/of uitgaven loon of een schenking zou kunnen aannemen. In reactie daarop wilde belanghebbende advies om te voorkomen dat de fiscus zich over deze problematiek zou gaan buigen; de inspecteur heeft aan (de gemachtigde van) belanghebbende vragen gesteld over de structuur en de uiteindelijk gerechtigde. Daarop heeft belanghebbende geen openheid van zaken verschaft. De inspecteur heeft meerdere onderzoekshandelingen moeten verrichten om de feiten boven water te krijgen. 97. De rechtbank stelt vast dat uit deze feiten volgt dat de gedragingen van belanghebbende er naar hun uiterlijke verschijningsvorm op gericht waren om de desbetreffende inkomsten buiten de Nederlandse belastingheffing te houden zodat de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan zijn dat belanghebbende dit gevolg (te weinig belastingheffing) heeft gewild of althans bewust heeft aanvaard. Belanghebbende heeft geen contra-indicaties hiervoor gesteld en deze zijn evenmin gebleken. 98. Gelet op het voorgaande zijn de vergrijpboeten terecht aan belanghebbende opgelegd. De rechtbank acht de opgelegde boeten ook passend en geboden. 99. Belanghebbende heeft verzocht om vermindering van de boeten wegens overschrijding van de redelijke termijn. De boeten zijn aangekondigd bij brief van 16 september 2019. Sindsdien zijn zes jaren van (afgerond) twee maanden verstreken. De redelijke termijn van twee jaren is daarmee met meer dan twee jaren overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boeten te verminderen met 20%. De boeten dienen daarom te worden verminderd tot de volgende bedragen: 2008 € 10.000 2009 € 1.200 2010 € 5.937 2011 € 31.035 2012 € 33.336 Immateriële schadevergoeding 100. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding. 101. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 1 juli 2020. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is 36 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De rechtbank ziet geen reden de redelijke termijn te verlengen. De inspecteur heeft aangevoerd dat het beroepschrift op 4 oktober 2021 is ingediend en pas op 30 mei 2022 is gemotiveerd. De rechtbank volgt de inspecteur hierin niet. In het beroepschrift van 4 oktober 2021 zijn (beknopt) de gronden van het beroep opgenomen en is verzocht om een termijn om de gronden aan te vullen. De rechtbank heeft bij brief van 29 april 2022 het verzoek gedaan de aanvullende gronden binnen vier weken toe te zenden. Belanghebbende heeft hier met het stuk ‘toelichting op het beroep’ gevolg aan gegeven. 102. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 40 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat 7 keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 3.500. De zaken van belanghebbende zijn samenhangende zaken. De rechtbank zal daarom slechts éénmaal een schadevergoeding toekennen. Ook hebben belanghebbende en zijn partner gezamenlijk geprocedeerd. In alle zaken gaat het om hetzelfde feitencomplex en dezelfde rechtsvragen. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om de schadevergoeding te matigen en belanghebbende en zijn partner een schadevergoeding van ieder € 1.750 toe te kennen. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 31 augustus 2021. Dit is 8 maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van € 350 (8/40 x € 1.750). De Staat moet de rest betalen, dus € 1.400. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen. Conclusie en gevolgen 103. De beroepen zijn gegrond.
Volledig
De boeten worden verminderd. 104. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgt belanghebbende een vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 1.020,38 . Het verzoek om vergoeding van de integrale proceskosten wijst de rechtbank af, omdat de inspecteur niet tegen beter weten in heeft geprocedeerd of in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgt belanghebbende het betaalde griffierecht terug. De inspecteur moet deze bedragen betalen. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar, uitsluitend voor zover het de boeten betreffen; vermindert de boeten tot de in punt 98. vermelde bedragen; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraken op bezwaar; veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende van € 1.400; veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende van € 350; veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.020,38; bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 49 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, mr. P.J. Tikken en mr. D. Liem, rechters, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2025. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. C/05/44 1 5 19 / KG RK 24-705 Bijlage 134, pagina 869, van het verweerschrift. Bijlage 134, pagina’s 921 tot en met 928, van het verweerschrift. Bijlage 134, pagina 891, van het verweerschrift. Bijlage 134, pagina 554, van het verweerschrift. Bijlage 134, pagina’s 555 en 609, van het verweerschrift. Bijlage 134, vanaf pagina 965, van het verweerschrift. Bijlage 134, pagina 347, van het verweerschrift. Memo dossier [bedrijf 1/werkmaatschappij] , pagina 57, bijlage 131 van het verweerschrift. Memo dossier [bedrijf 1/werkmaatschappij] , pagina’s 58, bijlage 131 van het verweerschrift. Memo dossier [bedrijf 1/werkmaatschappij] , pagina’s 33 en 38, 59 en 60, bijlage 131 van het verweerschrift. ECLI:NL:RBZWB:2022:5755 en ECLI:NL:RBZWB:2022:5756. ECLI:NL:GHSHE:2024:4081 en ELI:NL:GHSHE:2024:4082. Uurtarieven 2010: € 116,50 (belanghebbende) en € 97,50 (partner); uurtarieven 2011: € 117,67 (belanghebbende) en € 97,50 (partner); uurtarieven 2012: € 120 (belanghebbende) en € 99,65 (partner). Het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk, en voor de inkomstenbelasting ook de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, voor zover deze grenst aan de territoriale zee in Nederland (artikel 2, derde lid, onder c, ten derde, van de AWR). Belastingen welke van rijkswege door de rijksbelastingdienst worden geheven (artikel 1, tweede lid, van de AWR). Artikel 1, eerste lid, van de AWR. Artikel 2.1, eerste lid, letter a, van de Wet IB 2001. Artikel 2.3 van de Wet IB 2001. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wet IB. Artikel 9.1 van de Wet IB 2001. Artikel 11, eerste lid, van de AWR. Artikel 16 van de AWR. Artikel 5, eerste lid, van de AWR. Artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990. Artikel 26 en 26a van de AWR. Artikel 8:6, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8, negende lid, van bijlage 2 bij de Awb (Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak). Hoge Raad 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:543. Artikel 16, eerste lid, van de AWR. Artikel 16, derde lid, van de AWR. Artikel 52a, eerste lid, van de AWR. Artikel 52a, tweede lid, van de AWR. Artikel 52a, derde lid, van de AWR. Hoge Raad 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:84. Hoge Raad 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144. Vgl. Hoge Raad 2 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1375. Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:843. Hoge Raad 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1557. Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Hoge Raad 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1343. Hoge Raad 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:359. ECLI:NL:HR:2022:767. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083. Artikel 4.6, letter a, van de Wet IB 2001. Artikel 4.3, letter a, van de Wet IB 2001. Artikel 4.12, letter a, van de Wet IB 2001. Zie HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, rechtsoverweging 3.2. Zie HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063, rechtsoverweging 5.3.1. Zie HR , ECLI:NL:HR:2023:97, rechtsoverweging 4.2.2. ECLI:NL:HR:2016:252. Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751. 1 punt voor het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907, een wegingsfactor 1,5 voor de zwaarte en de wegingsfactor 1,5 wegens samenhang. De zaken van belanghebbende en de partner hangen samen, zodat de rechtbank aan ieder de helft van de proceskosten in beroep toekent.
Volledig
De uitspraken op bezwaar worden vernietigd, maar uitsluitend voor zover het de boeten betreft. De boeten worden verminderd. 104. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgt belanghebbende een vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 1.020,38 . Het verzoek om vergoeding van de integrale proceskosten wijst de rechtbank af, omdat de inspecteur niet tegen beter weten in heeft geprocedeerd of in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgt belanghebbende het betaalde griffierecht terug. De inspecteur moet deze bedragen betalen. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar, uitsluitend voor zover het de boeten betreffen; vermindert de boeten tot de in punt 98. vermelde bedragen; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraken op bezwaar; veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende van € 1.400; veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende van € 350; veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.020,38; bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 49 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, mr. P.J. Tikken en mr. D. Liem, rechters, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2025. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. C/05/44 1 5 19 / KG RK 24-705 Bijlage 134, pagina 869, van het verweerschrift. Bijlage 134, pagina’s 921 tot en met 928, van het verweerschrift. Bijlage 134, pagina 891, van het verweerschrift. Bijlage 134, pagina 554, van het verweerschrift. Bijlage 134, pagina’s 555 en 609, van het verweerschrift. Bijlage 134, vanaf pagina 965, van het verweerschrift. Bijlage 134, pagina 347, van het verweerschrift. Memo dossier [bedrijf 1/werkmaatschappij] , pagina 57, bijlage 131 van het verweerschrift. Memo dossier [bedrijf 1/werkmaatschappij] , pagina’s 58, bijlage 131 van het verweerschrift. Memo dossier [bedrijf 1/werkmaatschappij] , pagina’s 33 en 38, 59 en 60, bijlage 131 van het verweerschrift. ECLI:NL:RBZWB:2022:5755 en ECLI:NL:RBZWB:2022:5756. ECLI:NL:GHSHE:2024:4081 en ELI:NL:GHSHE:2024:4082. Uurtarieven 2010: € 116,50 (belanghebbende) en € 97,50 (partner); uurtarieven 2011: € 117,67 (belanghebbende) en € 97,50 (partner); uurtarieven 2012: € 120 (belanghebbende) en € 99,65 (partner). Het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk, en voor de inkomstenbelasting ook de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, voor zover deze grenst aan de territoriale zee in Nederland (artikel 2, derde lid, onder c, ten derde, van de AWR). Belastingen welke van rijkswege door de rijksbelastingdienst worden geheven (artikel 1, tweede lid, van de AWR). Artikel 1, eerste lid, van de AWR. Artikel 2.1, eerste lid, letter a, van de Wet IB 2001. Artikel 2.3 van de Wet IB 2001. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wet IB. Artikel 9.1 van de Wet IB 2001. Artikel 11, eerste lid, van de AWR. Artikel 16 van de AWR. Artikel 5, eerste lid, van de AWR. Artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990. Artikel 26 en 26a van de AWR. Artikel 8:6, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8, negende lid, van bijlage 2 bij de Awb (Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak). Hoge Raad 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:543. Artikel 16, eerste lid, van de AWR. Artikel 16, derde lid, van de AWR. Artikel 52a, eerste lid, van de AWR. Artikel 52a, tweede lid, van de AWR. Artikel 52a, derde lid, van de AWR. Hoge Raad 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:84. Hoge Raad 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144. Vgl. Hoge Raad 2 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1375. Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:843. Hoge Raad 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1557. Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Hoge Raad 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1343. Hoge Raad 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:359. ECLI:NL:HR:2022:767. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083. Artikel 4.6, letter a, van de Wet IB 2001. Artikel 4.3, letter a, van de Wet IB 2001. Artikel 4.12, letter a, van de Wet IB 2001. Zie HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, rechtsoverweging 3.2. Zie HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063, rechtsoverweging 5.3.1. Zie HR , ECLI:NL:HR:2023:97, rechtsoverweging 4.2.2. ECLI:NL:HR:2016:252. Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751. 1 punt voor het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907, een wegingsfactor 1,5 voor de zwaarte en de wegingsfactor 1,5 wegens samenhang. De zaken van belanghebbende en de partner hangen samen, zodat de rechtbank aan ieder de helft van de proceskosten in beroep toekent.