Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-12-18
ECLI:NL:RBGEL:2025:11919
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,807 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:11919 text/xml public 2026-03-19T10:49:27 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-12-18 05/151255-21 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Zutphen Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:11919 text/html public 2026-03-17T14:39:10 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:11919 Rechtbank Gelderland , 18-12-2025 / 05/151255-21 Man veroordeeld voor medeplichtigheid aan het exploiteren van een drugslab (ter beschikking stellen schuur en toezicht houden) en aanwezig hebben van munitie categorie III. Gevangenisstraf 14 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. 10 procent strafkorting ivm overschrijding redelijke termijn met anderhalf jaar. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05.151255.21 Datum uitspraak : 18 december 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats], wonende aan de [adres]. Raadsman: mr. J.A. Schadd, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van april 2021 tot en met 7 juni 2021 te Beek tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid amfetamine (olie), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt: [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in of omstreeks de periode van april 2021 tot en met 7 juni 2021 te Beek tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, een hoeveelheid amfetamine (olie), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van april 2021 tot en met 7 juni 2021 te Beek, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door: - Een schuur en/of de woning, in elk geval één of meerdere pand(en) op perceel [adres] ter beschikking te stellen en/of te verhuren, - Een muur te slopen in voornoemde schuur ter voorbereiding van het drugslab, - Medeverdachte [medeverdachte 1] te waarschuwen voor een grenscontrole voor, in elk geval, nabij het pand aan [adres] en/of [medeverdachte 1] in te lichten dat de grenscontrole is gestopt en/of aan te bieden om een controleronde te rijden; 2. hij op of omstreeks 7 juni 2021 te Beek, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 10 en/of 23 patronen van het kaliber .357 magnum voorhanden heeft gehad. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Vrijspraak van feit 1 primair Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. Verdachte heeft in de ten laste gelegde periode zijn schuur ter beschikking gesteld, een muur in deze schuur gesloopt in voorbereiding op het drugslab, een medeverdachte gewaarschuwd voor een politiecontrole en aangegeven dat de politiecontrole was gestopt. Op basis van de inhoud van het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden vastgesteld dat verdachte ook een actieve bijdrage heeft geleverd aan de productie van amfetamine. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van verdachte aan het onder 1 primair tenlastegelegde is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen. Feit 1 subsdiair Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de volgende bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van bevindingen, p. 413 t/m 416; - het NFI rapport, p. 459 en 460; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 1052 tot en met 1057, 1061 t/m 1064; - het proces-verbaal van onderzoeksbevindingen [account], p. 1105 t/m 1108; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 961 t/m 969; - het proces-verbaal onderzoeksbevindingen drugslab Beek (Montfoort), p. 512 en 513; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 september 2025. De rechtbank stelt op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte opzet heeft gehad op het ter beschikking stellen van de schuur waar zich een drugslab bevond. Verder heeft verdachte verklaard dat hij wist dat ze iets met drugs zouden doen en dat hij ook toezicht heeft gehouden. Op grond daarvan kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte wist dat er harddrugs geproduceerd werden. De gedragingen van verdachte kwalificeren als medeplichtigheid. De rechtbank acht het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen. Feit 2 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de volgende bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van binnentreden woning, p. 429 en 430; - het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 461 en 462; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 september 2025. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1.
Volledig
subsidiair [medeverdachte 1] en /of [medeverdachte 2] in of omstreeks de periode van april 2021 tot en met 7 juni 2021 te Beek tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft/ hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, een hoeveelheid amfetamine (olie), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1 , dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet ; bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van april 2021 tot en met 7 juni 2021 te Beek, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en /of inlichtingen heeft verschaft, door: - Een schuur en/of de woning, in elk geval één of meerdere pand(en) op perceel [adres] ter beschikking te stellen en/of te verhuren, - Een muur te slopen in voornoemde schuur ter voorbereiding van het drugslab, - Medeverdachte [medeverdachte 1] te waarschuwen voor een grenscontrole voor , in elk geval, nabij het pand aan [adres] en /of [medeverdachte 1] in te lichten dat de grenscontrole is gestopt en/of aan te bieden om een controleronde te rijden ; 2. hij op of omstreeks 7 juni 2021 te Beek, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 10 en /of 23 patronen van het kaliber .357 magnum voorhanden heeft gehad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: medeplichtigheid aan het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod; feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. 5 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om maximaal een taakstraf van 240 uur met daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden op te leggen. Er dient rekening gehouden te worden met de beperkte rol van verdachte en daarnaast betreffen het zeer oude feiten. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte is medeplichtig geweest bij het produceren van amfetamine(olie). Hij heeft zijn schuur ten behoeve van het drugslab ter beschikking gesteld en heeft hier ook toezicht op gehouden. Voor de productie van synthetische drugs, in dit geval amfetamine, wordt gebruik gemaakt van chemische grondstoffen die bijzonder schadelijk zijn voor de volksgezondheid en het milieu. De productie vindt gewoonlijk plaats in daarvoor niet bestemde ruimten, zoals ook in dit geval een schuur. Bij het ondeskundig opslaan en bewerken van dergelijke grondstoffen kan ontploffingsgevaar optreden met alle gevolgen voor de omgeving van dien. Daarnaast schuilt in de productie van harddrugs direct gevaar voor schade aan het milieu, veroorzaakt door illegale dumpingen van vrijkomende chemische afvalstoffen in de natuur. Bovendien zijn (synthetische) drugs zwaar verslavend en gevaarlijk voor de gezondheid. Hiernaast had verdachte ook 33 kogelpatronen voorhanden. Uit de justitiële documentatie van 6 september 2025 blijkt dat verdachte de laatste vijf jaar niet is veroordeeld voor enig strafbaar feit. In het reclasseringsadvies van 17 april 2024 staat beschreven dat middelengebruik, houding ten tijde van overmatig middelengebruik, sociale netwerk en financiën de voornaamste risicofactoren zijn. Daarnaast is verdachte gediagnosticeerd met ADHD. Sinds kort heeft hij daarvoor medicatie die zodanig is afgestemd dat hij de rust vindt die hij normaal gesproken in zijn middelengebruik vond. Sinds twee jaar heeft verdachte een ambulant hulpverlener die nauw betrokken is bij zijn praktische zaken en zijn afspraken bij de ambulante behandeling. Verdachte stelt zich goed begeleidbaar op en is gemotiveerd om aan zijn gedrag te werken. De ambulant begeleider heeft aangegeven dat verdachte gebaat is bij een stok achter de deur. Dat kan middels een voorwaardelijk strafdeel. De reclassering ziet op dit moment geen meerwaarde in een reclasseringstoezicht en -interventies. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. De rechtbank acht voor een drugslab een gevangenisstraf van 24 maanden passend. Omdat sprake is van medeplichtigheid zal de rechtbank ingevolge artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht hierop een derde in mindering brengen. Een taakstraf, zoals verzocht, acht de rechtbank niet passend bij de rol van verdachte. Zonder schuur immers geen locatie voor productie. Dat levert een gevangenisstraf van 16 maanden op. Tot slot is de redelijke termijn met ongeveer 2,5 jaar overschreden. De redelijke termijn is gaan lopen vanaf het moment van inverzekeringstelling op 7 juni 2021. De rechtbank acht in die situatie daarom een strafkorting van 10% passend en komt daarmee op 14 maanden uit. Gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies en het feit dat verdachte – naar het zich laat aanzien – open heeft verklaard over zijn eigen aandeel acht de rechtbank het passend om een deels voorwaardelijke straf op te leggen om op die manier herhaling in de toekomst te voorkomen en verdachte ervan te doordringen dat hij de volgende keer andere keuzes moet maken als hij dreigt te vallen voor financieel gewin. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 14 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden. 8 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 14 a, 14b, 14c, 48, 49 en 57 van het Wetboek van Strafrecht; - 2 en 10 van de Opiumwet; - 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 9 De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde; verklaart bewezen dat verdachte het overige tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden ; bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd , tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaar schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. A. Bril (voorzitter), mr. S.C.AM. Janssen en mr. A.M.P.T. Blokhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 december 2025.