Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-12-17
ECLI:NL:RBGEL:2025:11901
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
11,632 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:11901 text/xml public 2026-03-25T15:22:21 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-12-17 C/05/452364 / HZ ZA 25-147 Uitspraak Bodemzaak NL Zutphen Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:11901 text/html public 2026-03-17T11:01:07 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:11901 Rechtbank Gelderland , 17-12-2025 / C/05/452364 / HZ ZA 25-147 Ten aanzien van de eerste overeenkomst is het de vraag of sprake is van consumentenkoop of aanneming van werkm ten aanzien van de tweede overeenkomst is het de vraag wie partij is bij deze overeenkomst en of consunmentenrecht op de overeenkomst van toepassing is. RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: C/05/452364 / HZ ZA 25-147 Vonnis van 17 december 2025 in de zaak van [naam eisend bedrijf] B.V. , te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. J.F. Vanhommerig, tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. I.L. Conijn. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 6 augustus 2025 - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 november 2025. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] is een bedrijf dat zich richt op de levering en montage van kunststofkozijnen en – deuren/schuifpuien. Op 17 augustus 2024 heeft [eiser] een offerte uitgebracht aan ‘ [betrokkene] ’, met betrekking tot de levering en montage van kunststofkozijnen op het adres [adres 2] te [plaatsnaam] (hierna: ‘Project [plaatsnaam] ’). De offerte vermeldt, voor zover relevant, het volgende: “Betreft: Kunststof kozijnen Schuco Living Variant verdiept met HVL, inclusief HR +++ isolatie glas [..] Montage . De bestaande kozijnen met glas worden verwijderd door [naam eisend bedrijf] . De nieuwe kozijnen incl. het bijbehorend glas worden gemonteerd volgens de richtlijnen van Kiwa/Komo en VGK-Keurmerk. De Kozijnen worden aan de binnenzijde afgewerkt met luxe kunststof hoeklijnen, Hierdoor is binnen schilderwerk langs de kozijnen niet nodig. Er wordt afgewerkt en aan de binnenkant en buitenkant gemonteerd waar nodig en volgens afspraak.. ( in overleg vooraf met monteur) Levertermijn Na inmeting ca 15 weken, of later indient gewenst (Planning onder voorbehoud medio Januari 2025) Beglazing De kozijnen worden voorzien van HR +++ isolatieglas met U-waarde is 0,6 W/m2 K, opbouw 42 mm met KOMO-keurcertificaat. Beslag (hang-en sluitwerk) Alle ramen en deuren worden voorzien van hoogwaardig inbraakwerend beslag, politiekeurmerk SKG** Afvoer materiaal Het vrijkomende sloopafval wordt door [naam eisend bedrijf] afgevoerd. Verwijderen en afvoeren van risico materialen zoals asbest mogen niet door ons worden verwijderd of afgevoerd. Betaling 20% bij aanvaarding opdracht 80% betaling dient te geschieden op de dag van oplevering. [..] Garantie De garantievoorwaarden bij deugdelijk onderhoud van 20 jaar hebben betrekking op constructie, kunststof kozijnen en kleurechtheid. 10 jaar garantie op het hang en sluitwerk. Totaal prijs eerst offerte incl. montage en incl BTW € 54.800 Korting 10% - € 5.480 € 49.320 [..] 2.2. Enkele dagen later heeft [eiser] opnieuw een offerte gestuurd, gericht aan ‘ [betrokkene] en [gedaagde] ’. Deze offerte heeft betrekking op werkzaamheden (levering en montage kunststofkozijnen) op het [adres 1] te [woonplaats] (hierna: ‘Project [woonplaats] ’). De offerte d.d. 22 augustus 2024 vermeldt, voor zover relevant, het volgende: “Betreft: Kunststof kozijnen Schuco Living Variant verdiept met HVL, inclusief HR +++ isolatie glas [..] Montage . De bestaande kozijnen met glas worden verwijderd door [naam eisend bedrijf] . De nieuwe kozijnen incl. het bijbehorend glas worden gemonteerd volgens de richtlijnen van Kiwa/Komo en VGK-Keurmerk. De Kozijnen worden aan de binnenzijde afgewerkt met luxe kunststof hoeklijnen, Hierdoor is binnen schilderwerk langs de kozijnen niet nodig. Er wordt afgewerkt en aan de binnenkant en buitenkant gemonteerd waar nodig en volgens afspraak.. ( in overleg vooraf met monteur) Levertermijn Na akkoord ca 10-14weken. Beglazing De kozijnen worden voorzien van HR +++ isolatieglas met U-waarde is 0,6 W/m2 K, opbouw 42 mm met KOMO-keurcertificaat. Beslag (hang-en sluitwerk) Alle ramen en deuren worden voorzien van hoogwaardig inbraakwerend beslag, politiekeurmerk SKG** Afvoer materiaal Het vrijkomende sloopafval wordt door [naam eisend bedrijf] afgevoerd. Verwijderen en afvoeren van risico materialen zoals asbest mogen niet door ons worden verwijderd of afgevoerd. Betaling 20% bij aanvaarding opdracht 80% betaling dient te geschieden op de dag van oplevering. [..] Garantie De garantievoorwaarden bij deugdelijk onderhoud van 20 jaar hebben betrekking op constructie, kunststof kozijnen en kleurechtheid. 10 jaar garantie op het hang en sluitwerk. Totaal prijs eerst offerte incl. montage en incl BTW € 43.000 Meer prijs verdekt beslag (120 pst x 15 stuks) € 1.800 Meerprijs Living Slide ipv Easyslide € 0.00 [..]” 2.3. Op 26 augustus 2024 heeft [eiser] [betrokkene] en [gedaagde] een mail gestuurd over een aanvulling op de eerder gezonden offerte met betrekking tot Project [plaatsnaam] : “[..] Ter aanvulling op de eerder gestuurde tekening, in de eerder gestuurde tekeningen mist een raam. Deze is hierbij toegevoegd. Deze mail dient tevens als bijlage 1 op de gestuurde offerte met triple glas voor uw woning in [plaatsnaam] . Even ter voorbereiding op aanstaande vrijdag :) [..]” 2.4. Op 2 september 2024 heeft [gedaagde] [eiser] als volgt per mail bericht: “Beste [medewerker eiser 1] , Nogmaals bedankt voor je komst en het opsturen van de bug-shooter, zoals beloofd stuur ik je een overzicht van de laatste wijzigingen en gemaakt afspraken. [adres 1] Triple glas Niet zichtbare scharnieren Kleur 9016 binnen, 9010 buiten Houtnerf buiten, glad binnen HVL-verbinding binnen en buiten (uitzondering binnenkant schuifpui) Schuifpuien van buiten ook met slot, platte greep Inclusief horren, kozijnen Constructie 12, voordeur rondom alles melkglas behalve de strook in de deur zelf Constructie 13, badkamer helder glas - Extra cilinders zelfde sleutel voor de overige 3 deuren, maten moet ik nog opnemen, prijs hoor ik dan graag. [adres 2] Triple glas Antraciet buiten, zo dicht mogelijk tegen huidige kleur 9016 binnen Glad afgewerkt binnen/buiten Alle Horizontale liggers op 90 cm Inclusief horren, kozijnen en schuifpuien? Constructie 6, keukenraam geheel helder glas Constructie 9, beneden 2-delige schuifpui, links openend, binnen afsluitbaar Constructie 12, balkon raam, vast raam met horizontale ligger op 90cm Constructie 13, boven 2-delige schuifpui, links openend, binnen afsluitbaar [..] [adres 2] hoe eerder in januari hoe beter i.v.m. de rest van de verbouwing en afwerking, [adres 1] liever niet in hart van de winter maar dat is flexibeler. Afgesproken prijs totaal voor [adres 1] en [adres 2] 91.500,- verschuiving van constructie 12 en 14 zoals afgesproken. Vergunning offerte volgt nog zodra deze is goedgekeurd. Definitieve versie van de tekeningen zien we graag verschijnen voor laatste overzicht. Ik heb alles kort neergezet om het overzichtelijk te houden, als er verder nog vragen zijn hoor ik die graag. Alvast bedankt. Met vriendelijke groet, [naam gedaagde] 2.5. Op 6 september 2024 heeft [eiser] [gedaagde] het volgende bericht gestuurd: [..] “Zoals besproken ontvangt u hierbij de factuur van de aanbetalingen zoals overeengekomen is. De levering en montage van uw kozijnen aan de [adres 1] staat ingepland op week 41. Hiervan krijgt u ca 2 weken vooraf nog een bevestigingsmail. De planning voor de [adres 2] in [plaatsnaam] staat ingepland in week 2 van Januari, en ook hiervan krijgt u vooraf een bevestiging. [..] De toegezonden facturen (aanbetaling ad € 7.000 voor Project [woonplaats] en € 11.300 voor Project [plaatsnaam] ) zijn betaald. De factuur met betrekking tot Project [plaatsnaam] is gericht aan Detco Vastgoed B.V. (hierna: ‘Detco’) en ook door Detco voldaan. 2.6.
Volledig
[eiser] heeft in de periode 7 oktober 2024 t/m 26 november 2024 werkzaamheden verricht in de woning van [gedaagde] in [woonplaats] . Op 26 november 2024 is door (een medewerker van) [eiser] aan [gedaagde] een document voorgelegd met als titel ‘opleverbon’. Dit document is vervolgens ondertekend door zowel (de medewerker van) [eiser] als [gedaagde] . Omwille van de overzichtelijkheid is hieronder een afbeelding opgenomen van de opleverbon: [ afbeelding verwijderd ter anonimisatie ] 2.7. Op 3 december 2024 heeft [eiser] [gedaagde] als volgt per e-mail bericht: “Goedemorgen [gedaagde] , Zoals door uzelf telefonisch aangegeven zou de betaling van het op 26-11 bij oplevering afgesproken bedrag ter hoogte van € 30.000 van uw openstaande factuur afgelopen weekeinde plaatsvinden, met uitloop naar maandag. Helaas hebben wij deze betaling of een deel ervan niet mogen ontvangen, evenals een mogelijk reden. Graag zien wij daarom de betaling uiteraard zsm tegemoet. [..]” 2.8. [gedaagde] heeft daar, eveneens op 3 december, als volgt op gereageerd: “Geachte heer [medewerker eiser 2] , Beste [medewerker eiser 1] , Naar aanleiding van de gebeurtenissen van de afgelopen weken en de aanhoudende telefoontjes van jouw kant wil ik graag een en ander op papier zetten om misverstanden verder te voorkomen. Gesteld wordt dat de laatste installatie dag geweest is en dat wij dus dienen te betalen. Het klopt dat op alle posities kozijnen en ramen zitten maar de nog uit te voeren afwerkingen en vervanging zijn van dien aard dat dit niet valt onder de reguliere laatste werkzaamheden waarvoor een koper normaal gesproken de laatste 5% achterhoudt. Daardoor is de oplevering niet kompleet. Huidige situatie: 4 ruiten die in de pui zitten dienen vervangen te worden doordat er scheuren of productiefouten inzitten. Beide schuifpuideuren sluiten niet goed, de een loopt aan en de ander valt niet in het slot. Een schuifpui is niet goed geproduceerd en dus te klein uitgevallen. De ingemeten 4100x2520 komt overeen met de afmeting tussen de bakstenen en houten afwerking. Sloten op deuren moeten nog vervangen worden door andere exemplaren. Normale laatste afwerking is nog niet geheel afgerond. Plissé-gordijnen moeten nog ingemeten en geleverd worden. Het werk in de vorm van afwerking boven de voordeur is niet naar behoren afgerond. [..] Er is een voorstel gedaan voor een korting van 4.000,- euro als wij akkoord zouden gaan met behoud van de schuifpui, of vervanging van nieuwe pui. Er is voorgesteld om 2.000 euro in te houden tot alle bovenstaande werkzaamheden zijn uitgevoerd. Waarbij er 30.000,- overgemaakt zou moeten worden. Hier ga ik niet mee akkoord. Als ik de website gebruik die jullie aanbieden en een andere website voor glas kom ik op een openstaand bedrag dat snel richting de 12.000,- gaat. [..] Voor mij moet de korting van de pui naar 6500,- anders kies ik voor opnieuw inmeten en vervanging van de hele pui. Ongeacht welke keuze er wordt gemaakt over de korting of het vervangen van de schuifpui ben ik bereid om 18.000,- over te maken als garanties, die indien akkoord dezelfde dag overgeschreven wordt, afhankelijk van hoe snel de andere openstaande punten afgewerkt worden zal ook het overige bedrag voldaan worden. [..] 2.9. Bij brief van 10 december 2024 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] als volgt bericht: “Op grond van de wet en ook de toepasselijke algemene voorwaarden van mijn cliënt, heeft mijn cliënt het recht om de uitvoering van zijn verplichtingen op te schorten zolang u in gebreke blijft met de nakoming van uw betalingsverplichtingen en het stellen van zekerheid. Ondanks herhaalde verzoeken bent u tot op heden niet overgegaan tot (een deel) betaling of anderszins een zekerheidsstelling. Dit vormt een toerekenbare tekortkoming aan uw zijde. Mijn cliënt ziet zich dan ook genoodzaakt om per direct alle werkzaamheden op te schorten. Deze opschorting betreft zowel de nog resterende werkzaamheden, w.o. ook het verlenen van eventuele garanties, aan de woning in [woonplaats] als ook de geplande werkzaamheden aan de woning in [plaatsnaam] .[..]” 2.10. In de periode 10 december 2024 tot en met 3 april 2025 corresponderen partijen en hun raadslieden uitvoerig met elkaar, waarbij [eiser] een beroep heeft gedaan op opschortingsrechten in beide projecten en [gedaagde] heeft gesteld dat in Project [woonplaats] nog geen oplevering heeft plaatsgevonden en dat in Project [plaatsnaam] niet [gedaagde] , maar Detco partij is, waardoor er al geen sprake kan zijn van vervulling van het connexiteitsvereiste. Partijen bereiken geen minnelijke oplossing. Bij brief van 3 april 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] de advocaat van [eiser] als volgt bericht: “[..] Nu partijen geen overeenstemming hebben bereikt en uw cliënte in beide dossiers niet bereid is gebleken haar werkzaamheden te hervatten en op te starten, bevestig ik hierbij nogmaals dat uw cliënte in verzuim verkeert. Zowel de heer [gedaagde] als Detco Vastgoed B.V. zijn, ter voorkoming van verdere schade, genoodzaakt derde partijen opdracht te geven om de, met uw cliënte overeengekomen werkzaamheden, alsnog te doen voltooien. Zoals gemeld, betrof het in mijn brief van 11 februari jl. genoemde bedrag ter hoogte van € 15.000,- een begroting van de kosten verbonden aan de nog te leveren materialen en nog uit te voeren werkzaamheden. Zodra de overgebleven installatie- en herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd, zal een eventueel resterend bedrag op dat moment aan uw cliënte worden voldaan.[..]” 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 36.000,00, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake van het openstaande Project [woonplaats] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Tevens vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 22.680,00, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, als schadevergoeding wegens annulering van het Project [plaatsnaam] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.361,80, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede tot veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de proceskosten van de procedure, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening niet binnen termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de vijftiende dag na de datum van het vonnis. Ten slotte vordert [eiser] het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. [eiser] legt aan haar vordering met betrekking tot het Project [woonplaats] ten grondslag dat er sprake is van een tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst, op basis waarvan [gedaagde] voor de overeengekomen werkzaamheden (levering en montage van kunststofkozijnen) een aanneemsom verschuldigd is aan [eiser] . Nu het werk deugdelijk is uitgevoerd en op 26 november 2024 is opgeleverd, is [gedaagde] gehouden om aan zijn verplichting te voldoen en het restant van de aanneemsom ter hoogte van € 36.000 aan [eiser] te betalen. [eiser] wijst er in dit verband tevens op dat [gedaagde] op 26 november 2024 het opgeleverde werk heeft aanvaard en dat uit de opleverbon van deze datum volgt dat [gedaagde] een bedrag van € 30.000 zou betalen voordat er (minimale) resterende (afrondende) werkzaamheden door [eiser] zouden worden verricht. In relatie tot het Project [plaatsnaam] stelt [eiser] zich op het standpunt dat deze overeenkomst ten onrechte eenzijdig door [gedaagde] is beëindigd/geannuleerd, waardoor [eiser] schade heeft geleden. [eiser] begroot die schade, op basis van haar algemene voorwaarden, op een bedrag van € 22.680,00. 3.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4.
Volledig
[gedaagde] voert ten aanzien van de vordering van [eiser] met betrekking tot het Project [woonplaats] aan dat op 26 november 2024 – anders dan door [eiser] gesteld – geen sprake is van een oplevering in de zin van art. 7:758 Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’) en dat uit de inhoud van de ‘opleverbon’ van 26 november 2024 ook volgt dat het werk niet gereed was. Van kleine restpunten (zoals door [eiser] gesteld) is volgens [gedaagde] geen sprake; het reeds verrichte werk is gebrekkig en daarnaast dient nog een aanzienlijk deel van de overeengekomen werkzaamheden te worden uitgevoerd. [eiser] heeft dus ten onrechte besloten haar werkzaamheden in dit project op te schorten totdat [gedaagde] een bedrag van € 30.000,00 zou voldoen, aldus [gedaagde] . In dit verband werpt [gedaagde] nog op dat er sprake is van een consumentenkoop en dat hij op grond van art. 7:26 BW de (na aanbetaling van € 7.000 door [gedaagde] ) resterende aanneemsom pas bij oplevering verschuldigd is. Voor wat betreft het Project [plaatsnaam] stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat er geen overeenkomst tot levering en montage van kunststofkozijnen tot stand is gekomen tussen [gedaagde] en [eiser] , maar tussen Detco en [eiser] en dat [eiser] dus Detco had moeten betrekken in deze procedure. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] wel partij is, stelt [gedaagde] dat er sprake is van consumentenkoop en dat aan hem een beroep toekomt op het recht de overeenkomst te herroepen (6:230o BW). Ten slotte beroept [gedaagde] zich (in het geval van toewijzing van de vordering van [eiser] inzake het Project [woonplaats] ) op verrekening met het bedrag van € 11.300 dat hij al heeft aanbetaald in het Project [plaatsnaam] en een bedrag aan schade dat [gedaagde] begroot op € 25.750. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Project [woonplaats] Kwalificatie van de overeenkomst: toepasselijkheid consumentenrecht? 4.1. Tussen partijen staat niet ter discussie dat er op basis van de offerte van [eiser] d.d. 22 augustus 2024 tussen [eiser] en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen die ziet op de koop, levering en montage (door [eiser] , in de woning van [gedaagde] te [woonplaats] ) van kunststofkozijnen. Partijen twisten echter (onder meer) over de vraag of de regels van consumentenkoop van toepassing zijn op deze overeenkomst. [gedaagde] heeft in zijn conclusie van antwoord bepleit dat titel 7.1. BW van toepassing is en dat hij daardoor (als particuliere koper) een vergaande dwingendrechtelijke bescherming geniet. [eiser] heeft bestreden dat het wettelijke regime voor consumentenkoop toepasselijk is op de overeenkomst en opgemerkt dat het geschil tussen partijen draait om de uitvoering van ‘aangenomen werk’ en niet om de koop en levering van consumptiegoederen. 4.2. [gedaagde] heeft er ter zitting terecht op gewezen dat de overeenkomst met betrekking tot het Project [woonplaats] zowel elementen bevat van ‘koop’ (koop en levering van kunststofkozijnen), als van ‘aanneming van werk’ (het monteren/aanbrengen van deze kozijnen in de woning van [gedaagde] ) en dat bij strijdigheden tussen de bepalingen van de titel ‘koop’ (7.1. BW) enerzijds en de titel ‘aanneming van werk’ (7.12.1. BW) anderzijds, op grond van artikel 7:5 lid 4 BW de regels van het consumentenrecht voorrang hebben. Gelet hierop kan het beroep van [gedaagde] op (met name) art. 7:26 BW niet reeds gepasseerd worden vanwege de ogenschijnlijk grotere verwevenheid van de overeenkomst met het wettelijke regime voor aanneming van werk. In zoverre komt de rechtbank dus terug op de voorlopige zienswijze zoals gegeven in de agenda ten behoeve van de mondelinge behandeling (opgenomen in het tussenvonnis d.d. 6 augustus 2025, r.o. 2.4.). Het beroep van [gedaagde] op art. 7:26 BW wordt besproken onder 4.6. Status opleverbon 26 november 2024? 4.3. In verband met haar aanspraak op de resterende aanneemsom ter hoogte van € 36.000 heeft [eiser] onder meer op gewezen op een document met de titel ‘opleverbon’ van 26 november 2024, dat is getekend door zowel [eiser] als [gedaagde] (zie 2.6.). [eiser] stelt dat uit deze opleverbon volgt dat het door [eiser] geleverde werk (montage van de kunststofkozijnen) op 26 november 2024 zonder wezenlijke gebreken door [gedaagde] is geaccepteerd en dat er bij de oplevercontrole enkel nog ‘kleine opleverpunten’ zijn vastgesteld door partijen. Ook blijkt volgens [eiser] uit de opleverbon dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] per ommegaande een bedrag van € 30.000 moest betalen en dat [eiser] daarna de resterende werkzaamheden zou afronden. Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat het gebruikelijk is dat de klant bij oplevering 100 of 95% van de aanneemsom voldoet, maar dat [eiser] in dit geval besloot hiervan af te wijken om ‘iedereen tevreden te houden’ (immers was [gedaagde] niet geheel tevreden over de schuifpui en waren er nog wat kleine restpunten, aldus [eiser] ). 4.4. [gedaagde] heeft bestreden dat er sprake is geweest van een oplevering en in dit verband opgeworpen dat de ruiten en een schuifpui nog dienen te worden geleverd en geïnstalleerd, hetgeen volgens [gedaagde] de kern van de overeengekomen prestatie betreft. [gedaagde] stelt verder dat [eiser] door het (door [gedaagde] ) laten ondertekenen van een document genaamd ‘opleverbon’ niet het intreden van de rechtsgevolgen van oplevering (in de zin van art. 7:758 BW) kan bewerkstelligen, dit mede gelet op het feit dat [gedaagde] enkele dagen voor 26 november 2024 eveneens een opleverbon gepresenteerd kreeg en tekende (die kennelijk ook niet de status had van een daadwerkelijk opleveringsdocument). Daarnaast heeft [gedaagde] een beroep gedaan op art. 7:26 BW, dat bepaalt dat de consument-koper voor het moment van aflevering niet verplicht kan worden om meer dan de helft van de aanneemsom - in dit geval dus maximaal € 21.500 - te voldoen. Over de inhoud van de opleverbon heeft [gedaagde] nog opgemerkt dat er op deze bon weliswaar een door [gedaagde] te betalen bedrag van € 30.000 staat vermeld, maar dat het vanwege het niet aankruisen van het hokje voor de tekst: ‘ 95% betaling binnen 5 werkdagen, of anders, namelijk :’ onduidelijk was binnen welke termijn dit bedrag betaald zou moeten. Ten slotte heeft [gedaagde] ter zitting aangegeven dat de sfeer bij hem thuis op 26 november 2024 onprettig was en dat hij zich door het personeel van [eiser] onder druk gezet voelde om de opleverbon te ondertekenen (‘ze drongen zich op en ik wilde dat ze weggingen’). 4.5. De rechtbank stelt voorop dat de (mogelijke) omstandigheid dat er op 26 november 2024 nog geen oplevering in juridische zin (art. 7:758 BW) heeft plaatsgevonden, niet in de weg staat aan een eventuele op die datum tussen partijen gesloten overeenkomst over het plaatsvinden van een deelbetaling voor reeds verricht werk, voordat [eiser] de vastgestelde ‘restpunten’ zou oppakken. Naar oordeel van de rechtbank heeft [eiser] – onder verwijzing naar de inhoud van de opleverbon - voldoende onderbouwd dat partijen op 26 november 2024 een dergelijke overeenkomst hebben gesloten, door af te spreken dat [gedaagde] eerst een bedrag van € 30.000 zou voldoen (en daarbij aan zou geven of hij een nieuwe schuifpui wenste, dan wel een korting van € 4.000) en dat [eiser] vervolgens de werkzaamheden zou verrichten die op de bon stonden omschreven als ‘ plastisol voordeur nader bekijken of het recht loopt ’, ‘ 4x glas omwisselen ’ en het ‘ nog leveren ’ van de horren. Dat het, gelet op het niet aankruisen van het hokje voor de tekst: ‘ 95% betaling binnen 5 werkdagen, of anders, namelijk :’, voor [gedaagde] mogelijk niet glashelder is geweest wanneer de betaling van € 30.000 (het bedrag dat is ingevuld in het veld onder ‘ namelijk: ’) moest plaatsvinden, doet hier niet aan af. Uit de e-mail van [gedaagde] d.d. 3 december 2024 (zie 2.7.
Volledig
hierboven) volgt namelijk genoegzaam dat [gedaagde] wist dat het bedrag van € 30.000 eerst zou moeten worden voldaan voordat er verdere werkzaamheden zouden worden verricht en dat [gedaagde] dus niet in de veronderstelling verkeerde dat er op 26 november 2024 was afgesproken dat (in afwijking van de oorspronkelijk overeengekomen prijs) € 30.000 het totale bedrag betrof dat hij nog aan [eiser] moest voldoen. Het gevolg is dat [gedaagde] in beginsel is gehouden een bedrag van € 30.000 te voldoen voor de werkzaamheden in Project [woonplaats] die [eiser] tot en met 26 november 2024 heeft verricht (zie hierover verder 4.9/4.10). 4.6. Het beroep van [gedaagde] op art. 7:26 BW kan niet slagen. Hoewel [gedaagde] met succes heeft bepleit dat de bepalingen inzake consumentenkoop van toepassing zijn (zie 4.2.), maakt de wetsgeschiedenis duidelijk dat art. 7:26 lid 2, tweede zin, BW (“ Bij een consumentenkoop kan de koper tot vooruitbetaling van ten hoogste de helft van de koopprijs worden verplicht ”), niet is bedoeld als zelfstandige vernietigingsgrond, maar als een verwijzing naar het basisartikel 7:6 BW (dat bepaalt welke artikelen inzake consumentenkoop van dwingend recht zijn). Op grond van art. 7:6 lid 2 BW levert alleen een afwijking ‘bij algemene voorwaarden’ van het bepaalde in art. 7:26 BW vernietigbaarheid op, hetgeen impliceert dat een niet in algemene voorwaarden tussen partijen opgenomen afspraak die luidt dat de koper meer dan de helft van de totale overeengekomen prijs vóór aflevering dient te betalen, toelaatbaar is. Als in dit geval tot uitgangspunt zou worden genomen dat oplevering op 26 november 2024 nog niet heeft plaatsgevonden (en overigens ook dat ‘aflevering’ zoals bedoeld in 7:26 BW in het geval van een gemengde overeenkomst gelijk moet worden gesteld aan het plaatsvinden van een oplevering ), geldt dat uit 4.5. volgt dat van een dergelijke afspraak tussen [eiser] en [gedaagde] sprake is geweest, in de vorm van een door beide partijen ondertekende opleverbon. 4.7. Ook de door [gedaagde] (voor het eerst) ter zitting ingenomen stelling dat hij op 26 november 2024 onder druk is gezet om de opleverbon te ondertekenen leidt niet tot het gevolg dat er op die dag geen rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen met de inhoud zoals hierboven uiteengezet in 4.5., althans: [gedaagde] heeft in ieder geval nagelaten deze stelling nader juridisch te duiden. 4.8. Gelet op het bovenstaande behoeft de vraag of er op 26 november 2024 sprake is geweest van een oplevering in de zin van art. 7:758 BW geen verdere bespreking. Dit geldt evenzeer voor de vraag hoe de opleverbon van 26 november 2024 zich verhoudt met het gelijknamige document van enkele dagen eerder (21 november 2024), waarin overigens geen afspraak over een deelbetaling is opgenomen. Wie mocht zijn prestatie opschorten? 4.9. Gelet op de afspraak tussen partijen zoals vastgelegd in de opleverbon van 26 november 2024, was het aan [gedaagde] om als eerste te presteren door middel van betaling van een bedrag van € 30.000. Pas na het plaatsvinden van die betaling zou [eiser] de vervolgwerkzaamheden moeten verrichten zoals beschreven in de opleverbon. Gevolg hiervan is dat [eiser] - eerst op 10 december 2024 - met recht een beroep heeft gedaan op een bevoegdheid tot opschorting van haar prestatie (art. 6:262 BW). De stelling van [gedaagde] dat de werkzaamheden die [eiser] tot en met 26 november 2024 heeft verricht onvolledig en/of ondeugdelijk waren, kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat niet ter discussie staat dat partijen op 26 november 2024 gezamenlijk het tot op dat moment verrichte werk hebben bekeken en dat vervolgens zowel gesignaleerde onvolkomenheden (‘ plastisol voordeur nader bekijken of het recht loopt ’, ‘ 4x glas omwisselen ’) als nog openstaande/onverrichte werkzaamheden (‘ nog leveren ’ van de horren) zijn vermeld op de opleverbon. Deze specifieke onvolkomenheden en onvolledigheden konden dus geen grondslag vormen voor een opschortingsbevoegdheid aan de zijde van [gedaagde] . 4.10. Dat [gedaagde] (kort) na 26 november 2024 andere gebreken/onvolkomenheden heeft gesignaleerd, die hij op de 26e redelijkerwijze niet had kunnen opmerken en die een grondslag konden bieden voor een recht van [gedaagde] om zijn prestatie (betaling van € 30.000) op te schorten, is verder niet gebleken en lijkt gelet op het mailverkeer tussen partijen vanaf 3 december 2024 ook niet aannemelijk. In het bijzonder wekt de e-mail van [gedaagde] aan [eiser] d.d. 3 december 2024 (zie 2.7.) de indruk dat de onbereidheid van [gedaagde] om de in de opleverbon vermelde € 30.000 te voldoen niet het gevolg was van nader geconstateerde tekortkomingen, maar van voortschrijdend inzicht bij [gedaagde] over de kosten die [eiser] in een gelijkwaardig geval (bij een derde) in rekening zou brengen voor de nog resterende werkzaamheden. [gedaagde] komt in deze mail, op basis van twee websites die hij heeft bekeken, op een ‘openstaand bedrag dat snel richting de 12.000,- gaat’ en stelt voor om in plaats van € 30.000 per direct een bedrag van € 18.000 te voldoen. Verschuldigdheid volledige aanneemsom ad € 36.000? 4.11. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiser] in relatie tot Project [woonplaats] toewijsbaar is tot een beloop van € 30.000. Voor wat betreft het resterende bedrag van € 6.000 (restant aanneemsom) geldt dat het op de weg van [eiser] lag om te stellen en onderbouwen dat [gedaagde] ook dit deel van de vordering verschuldigd is aan [eiser] . [eiser] heeft in dit kader enkel gesteld dat [gedaagde] de volledige aanneemsom verschuldigd is omdat het werk deugdelijk is uitgevoerd en opgeleverd. Daarmee kon [eiser] echter niet volstaan, omdat vaststaat dat er nog vervolgwerkzaamheden moesten worden verricht en uit de door [eiser] en [gedaagde] ondertekende opleverbon volgt dat partijen hieraan een financiële waarde toekenden van € 6.000 (of € 2.000, in het geval [gedaagde] zou kiezen voor behoud van de in zijn ogen gebrekkige schuifpui). Het gevorderde bedrag van € 6.000 is dus niet toewijsbaar. Project [plaatsnaam] Wie is partij bij de overeenkomst? 4.12. In het tweede project, Project [plaatsnaam] , twisten [eiser] en [gedaagde] allereerst over de vraag tussen welke partijen er een overeenkomst is aangegaan. [eiser] stelt dat uit alle schriftelijke stukken (waaronder offertes, e-mailcorrespondentie) blijkt dat zij de overeenkomst is aangegaan met de natuurlijke persoon [gedaagde] . [gedaagde] stelt echter dat de overeenkomst is gesloten tussen [eiser] en Detco en dat [gedaagde] in het contact met [eiser] omtrent Project [plaatsnaam] heeft gehandeld als bestuurder van deze vennootschap. In dit verband wijst [gedaagde] op de aanbetalingsfactuur, die door [eiser] werd gericht aan Detco en ook door Detco werd voldaan. 4.13. Voor beantwoording van de vraag wie partij is bij een overeenkomst geldt de maatstaf uit het Kribbebijter-arrest (HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877). Bepalend is wat partijen hebben besproken en gedaan en wat zij daaruit over en weer hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden (HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9284). Daarnaast kunnen ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, van belang zijn (HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741). 4.14. De rechtbank acht voor beantwoording van de vraag met wie (aan de zijde van de opdrachtgever) [eiser] de overeenkomst is aangegaan, de volgende omstandigheden van belang: ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat er een overeenkomst tot stand is gekomen op basis van de offerte die [eiser] op 17 augustus 2024 heeft uitgebracht (zie 2.1.), zij het dat de bij deze offerte (productie 2 van [eiser] ) gevoegde tekeningen op een later moment nog zijn geactualiseerd. Deze offerte is gericht aan ‘ [betrokkene] ’, de naam van de partner van [gedaagde] . de tenaamstelling van deze offerte is nadien niet (op verzoek van [gedaagde] / [betrokkene] ) gecorrigeerd of gewijzigd.
Volledig
[eiser] heeft ter zitting als onweersproken door [gedaagde] gesteld dat het eerste contact met [eiser] omtrent Project [plaatsnaam] is gelegd door [betrokkene] . Hoewel [gedaagde] naar voren heeft gebracht dat [betrokkene] daarbij handelde als administratief medewerker van Detco, heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat er geen sprake is van een overeenkomst (arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht) tussen Detco en [betrokkene] . in de e-mail van [eiser] aan [gedaagde] van 26 augustus 2024 schrijft [eiser] (zie 2.3.): “ Deze mail dient tevens als bijlage 1 op de gestuurde offerte met triple glas voor uw woning in [plaatsnaam] ” (onderstreping rechtbank). uit de mail van 2 september 2024 (zie 2.4.), waarin [gedaagde] een overzicht stuurt van de gemaakte afspraken in beide projecten, wordt niet vermeld dat Detco moet worden aangemerkt als opdrachtgever. Ook wordt in deze mail (noch in latere correspondentie) niet kenbaar gemaakt dat [gedaagde] handelt in hoedanigheid van bestuurder van Detco. Deze mail en overigens ook alle andere (latere) mailberichten, zijn door [gedaagde] verstuurd vanuit het (privé)mailadres: [emailadres] . na het initiële contact lijkt er geen sprake meer te zijn geweest van rechtstreeks contact tussen [eiser] en [betrokkene] . Bovenstaande omstandigheden vormen aanwijzingen voor het standpunt van [eiser] dat de overeenkomst is gesloten met [gedaagde] (in persoon). De enkele omstandigheid dat [eiser] gevolg heeft gegeven aan een verzoek van [gedaagde] om de eerste factuur voor het Project [plaatsnaam] aan Detco te richten, leidt er naar oordeel van de rechtbank niet toe dat Detco (vanaf dat moment) als contractpartij moest worden beschouwd. Dat er sprake is geweest van andere verklaringen en gedragingen aan de zijde van [gedaagde] waardoor [eiser] moet worden geacht bekend te zijn geworden met het feit dat [gedaagde] niet als natuurlijk persoon handelde, maar als bestuurder van Detco, is niet gebleken. Aangenomen wordt dus dat de overeenkomst met betrekking tot Project [plaatsnaam] is gesloten tussen [eiser] en [gedaagde] . Toepasselijkheid consumentenrecht: mogelijkheid herroeping overeenkomst? 4.15. Met betrekking tot Project [plaatsnaam] geldt – net als in Project [woonplaats] (dat ziet op hetzelfde type werkzaamheden) – dat de onderliggende overeenkomst tussen partijen mede wordt beheerst door het consumentenrecht. Gelet daarop heeft [gedaagde] in relatie tot deze overeenkomst ter zitting een beroep gedaan op het in art. 6:230o BW vastgelegde herroepingsrecht. 4.16. De rechtbank stelt vast dat, voor zover al is voldaan aan het (voor een beroep op het herroepingsrecht geldende) vereiste dat de overeenkomst tussen partijen een overeenkomst ‘op afstand’ betreft, dan wel een overeenkomst die tot stand is gekomen ‘buiten de verkoopruimte’, het beroep van [gedaagde] op het herroepingsrecht in ieder geval afstuit op de toepasselijkheid van de uitzondering die is opgenomen in art. 6:230p onder f (1°). Immers staat vast dat de kunststofkozijnen (in beide projecten) geen geprefabriceerde kozijnen betreffen, maar kozijnen die – na het inmeten in de woning van [gedaagde] – ‘op maat’ zouden worden gemaakt. De omstandigheid dat [eiser] in het Project [plaatsnaam] heeft besloten om de productie ‘on hold’ te zetten, doet daar – anders dan gesuggereerd door [gedaagde] - niet aan af (HvJ EU 21 oktober 2020, ECLI:EU:C:2020:846 ( Moebel Kraft )). Schadeplichtigheid [gedaagde] in Project [plaatsnaam] ? 4.17. [eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] in relatie tot het Project [plaatsnaam] is gehouden haar een bedrag ter hoogte van € 22.680 te voldoen ter vergoeding van geleden schade, dit op grond van de algemene voorwaarden van [eiser] en de wet. Dit bedrag betreft de overeengekomen prijs (€ 48.500), verminderd met de gebruikelijke kosten voor montage (begrote arbeidskosten: € 14.520) en de reeds door [gedaagde] verrichte aanbetaling (€ 11.300,00). 4.18. Anders dan in het Project [woonplaats] , zijn in het Project [plaatsnaam] in het geheel nog geen werkzaamheden verricht door [eiser] . Hoewel partijen aanvankelijk afspraken dat de werkzaamheden in [plaatsnaam] in januari 2025 zouden aanvangen, is het daartoe nooit gekomen vanwege het achterwege blijven van de betaling van € 30.000 door [gedaagde] in het Project [woonplaats] . [eiser] heeft op 10 december 2024 aan [gedaagde] kenbaar gemaakt dat zij zich in dit verband beroept op een opschortingsbevoegdheid. 4.19. Aan een beoordeling van de vraag of [gedaagde] schadeplichtig is, wordt alleen toegekomen als de opschorting door [eiser] van haar prestatie terecht was, hetgeen door [gedaagde] wordt bestreden. 4.20. [eiser] heeft zowel art. 6:262 BW als art. 6:52 BW ten grondslag gelegd aan de door haar ingeroepen opschortingsbevoegdheid. De rechtbank is van oordeel dat eerstgenoemde grondslag [eiser] geen uitkomst biedt vanwege het ontbreken van ‘tegenover elkaar staande verplichtingen’ (immers houdt de opschorting van [eiser] in Project [plaatsnaam] verband met een tekortkoming van [eiser] in Project [woonplaats] ), maar dat [eiser] zich wel met succes kan beroepen op art. 6:52 BW. Redengevend daarvoor is dat het tweede lid van art. 6:52 bepaalt dat de volgens lid 1 vereiste mate van samenhang tussen vordering en verbintenis (‘voldoende samenhang’) onder meer kan worden aangenomen wanneer het gaat om ‘zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan’ en uit vaste rechtspraak volgt dat daarvan al sprake kan zijn in het geval van twee afzonderlijke, maar naar hun aard gelijke overeenkomsten voor soortgelijke producten of diensten, die in een periode van een aantal weken of maanden tussen dezelfde partijen tot stand zijn gekomen. In het geval van [eiser] en [gedaagde] is dit aan de orde, daar het overeenkomsten betreft die gelijktijdig of kort na elkaar zijn gesloten en allebei zien op levering en montage van kunststofkozijnen. [eiser] mocht er daarom voor kiezen de werkzaamheden in het Project [plaatsnaam] op te schorten totdat [gedaagde] aan zijn betalingsverplichting in het Project [woonplaats] zou hebben voldaan. 4.21. Gelet op het gerechtvaardigde beroep van [eiser] op opschorting wordt toegekomen aan de vraag of [gedaagde] is gehouden om [eiser] een schadevergoeding te voldoen vanwege een tekortkoming aan zijn zijde. [eiser] baseert haar schadevergoedingsvordering allereerst op de volgens haar (op de overeenkomst met [gedaagde] ) toepasselijke algemene voorwaarden. Daargelaten dat [eiser] niet heeft aangeduid op welke bepaling(en) in de algemene voorwaarden zij zich specifiek baseert, is ter zitting komen vast te staan dat de versie van de algemene voorwaarden die [eiser] heeft overgelegd niet de versie betreft waar [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst zijn akkoord op heeft gegeven. Ook heeft [eiser] ter zitting niet ontkend dat een deel van de artikelen in de (overgelegde) actuele versie inhoudelijk niet overeenstemt met de artikelen in de geaccordeerde versie en dat er een verschil van acht pagina’s bestaat tussen beide versies. Gelet hierop is [eiser] er niet in geslaagd te onderbouwen dat [gedaagde] op grond van (een) bepaling(en) in de geaccordeerde algemene voorwaarden schadeplichtig is jegens [eiser] . 4.22. Voor het overige heeft [eiser] aan haar schadevergoedingsvordering uitsluitend ten grondslag gelegd dat er sprake is geweest van een ‘voortijdige’ en ‘eenzijdige’ beëindiging van de overeenkomst met betrekking tot het Project [plaatsnaam] door [gedaagde] . [gedaagde] heeft echter bestreden dat hij de overeenkomst heeft beëindigd. Ter zitting is gebleken dat partijen van mening verschillen over de vraag of de brief van (de advocaat van) [gedaagde] d.d. 3 april 2025 een ontbindings-of opzeggingsmededeling bevat. In deze brief is vermeld dat [gedaagde] en Detco ter voorkoming van verdere schade genoodzaakt zijn derde partijen opdracht te geven om de met [eiser] overeengekomen werkzaamheden alsnog te doen voltooien. Of een verklaring is aan te merken als een ontbindingsverklaring (of opzeggingsverklaring) moet worden beoordeeld aan de hand de artikelen 3:33 en 3:35 BW.
Volledig
Niet alleen de formulering van de verklaring, maar ook de hoedanigheid van partijen, eventuele informatie- en onderzoeksplichten en de verdere omstandigheden van het geval, dienen bij deze uitleg te worden betrokken. In dit geval neemt de rechtbank in aanmerking dat de gebruikte formulering niet letterlijk duidt op een wens van [gedaagde] om over te gaan tot een formele beëindiging - in de vorm van ontbinding of opzegging - van de overeenkomst, terwijl er gelet op de hoedanigheid van de namens de partijen corresponderende personen (te weten: geschoolde juristen) wel een groot belang toekomt aan de gekozen bewoordingen. Los daarvan lijkt de advocaat van [gedaagde] met bovengenoemde mededeling (die ook al op 11 februari 2025 werd gedaan, zonder dat er daarna daadwerkelijk derden werden ingeschakeld) met name te hebben beoogd de druk op [eiser] op te voeren in het kader van langlopende schikkingsonderhandelingen. 4.23. Hoe dan ook kan de rechtbank, gelet op de aard en afzender van de hierboven besproken mededeling en de context waarin deze is gedaan, niet vaststellen dat er sprake is geweest van een ontbindingsverklaring (of opzeggingsverklaring) aan de zijde van [gedaagde] . [eiser] kan dan ook niet worden gevolgd in haar stelling dat [gedaagde] schadeplichtig is vanwege een voortijdige, eenzijdige beëindiging van de overeenkomst met betrekking tot het Project [plaatsnaam] door [gedaagde] . Gelet daarop zal de schadevergoedingsvergoeding van [eiser] worden afgewezen. Beroep [gedaagde] op verrekening 4.24. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij bevoegd is om het eventuele bedrag dat hij op grond van het vonnis verschuldigd is aan [eiser] te verrekenen met vorderingen die hij zelf heeft op [eiser] ter hoogte van € 27.750 (begrote kosten uitvoering werkzaamheden door een derde) en € 11.300 (aanbetaling Project [plaatsnaam] ). Dit beroep op verrekening slaagt niet. Het eerstgenoemde bedrag komt niet voor verrekening in aanmerking omdat [eiser] haar (resterende) prestatie in het Project [woonplaats] terecht heeft opgeschort (zie 4.9.) en er sprake is van een nog lopende overeenkomst, op grond waarvan [eiser] in beginsel vervolgwerkzaamheden zal moeten verrichten nadat [gedaagde] heeft voldaan aan de veroordeling zoals opgenomen onder 5.1. van de beslissing. Voor wat betreft de aanbetaling in het Project [plaatsnaam] geldt dat de rechtbank heeft vastgesteld dat [gedaagde] de onderliggende overeenkomst niet heeft ontbonden of anderszins heeft beëindigd (zie 4.22./4.23.). Daar dit evenzeer geldt voor [eiser] , is ook in dit project nog sprake van een lopende overeenkomst en ontbreekt een titel voor terugbetaling (door [eiser] ) van het aanbetaalde bedrag van € 11.300. Wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten Wettelijke rente 4.25. De door [eiser] gevorderde wettelijke rente over de (gedeeltelijk) toegewezen vordering in relatie tot het Project [woonplaats] wordt toegewezen. Anders dan door [gedaagde] gesteld, is [gedaagde] wel in verzuim geraakt, doordat hij op 10 december 2024 is aangemaand om binnen zeven dagen de vordering van [eiser] inzake het Project [woonplaats] te voldoen en hij dit vervolgens niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan. Het verzuim is dus ingetreden op 18 december 2024 en vanaf deze datum is [gedaagde] dan ook de wettelijke rente verschuldigd. Buitengerechtelijke incassoskosten 4.26. [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.361,80. [gedaagde] heeft er in dit verband terecht op gewezen dat [eiser] geen aanmaning heeft gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW (de verzending van een zogenoemde ‘veertiendagenbrief’). Anders dan door [eiser] is bepleit, bestaat de verplichting tot het sturen van een veertiendagenbrief (als het gaat om een overeenkomst met een consument) ook als er meerdere ingebrekestellingen zijn verstuurd en/of de hoofdvordering strekt tot schadevergoeding, nog daargelaten dat in dit geval uitsluitend de vordering van [eiser] met betrekking tot het Project [woonplaats] is toegewezen, die is gebaseerd op ‘nakoming’. De door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden dus afgewezen. Proceskosten 4.27. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 120,21 - griffierecht € 2.995,00 - salaris advocaat € 2.428,00 (2 punten × € 1.214,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 5.721,21 4.28. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 30.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 december 2024, tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.721,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kan en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025. MvA II, EV II en Nota II, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14 1990, p. 261-263; MvT, Kamerstukken II 1992/93, 23095, 3, p. 11-12. Artikel 7:9 BW bepaalt dat ‘onder aflevering wordt verstaan het stellen van de zaak in het bezit van de koper’, hetgeen losstaat van het plaatsvinden van montage van de zaak. Vgl. G.J. Boeve, Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/4.4., onder verwijzing naar HR 26 april 1934, ECLI:NL:HR:1934:7 (Kersen en aardbeien).