Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-07-01
ECLI:NL:RBGEL:2025:11649
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,700 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:11649 text/xml public 2026-02-12T13:52:51 2026-01-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-07-01 065844-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:11649 text/html public 2026-02-02T09:12:48 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:11649 Rechtbank Gelderland , 01-07-2025 / 065844-25 Gevangenisstraf van 14 maanden voor het (mede)plegen van diefstal bij 12 verschillende winkels binnen een periode van 2 maanden. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05.065844.25 Datum uitspraak : 1 juli 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] , Roemenië zonder vaste woon- of verblijfplaats, op dit moment gedetineerd in [plaats 1] . Raadsvrouw: mr. A. Petrescu, advocaat in [plaats 2] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 18 december tot en met 15 februari 2025 te Barneveld en/of Woerden en/of Huizen en/of Amsterdam en/of Utrecht en/of Rosmalen en/of Almere en/of Rotterdam en/of Zwijndrecht en/of Oss en/of Veghel en/of Geldrop , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere goederen zoals omschreven in de in deze tenlastelegging genoemde processen-verbaal van aangifte met de volgende kenmerken: 1. PL0600-2025029101, [bedrijf 1] te Barneveld , pleegdatum 18-12-2024 (medicijnen, cosmetica- en gezichtsverzorgingsartikelen met totale waarde van 748 euro), 2. PL0900-2025029992, [bedrijf 1] te Woerden , pleegdatum 21-12-2024 (drogisterij-artikelen met een totale waarde van 867 euro), 3. PL0900-2025040592, [bedrijf 2] te Huizen , pleegdatum 21-01-2025 (parfum met een waarde van 164 euro), 4. PL1300-2025045192, [bedrijf 1] te Amsterdam , pleegdatum 22-01-2025 (cosmetica- en gezichtsverzoringsartikelen met een totale waarde van 824 euro), 5. PL0900-2025030091, [bedrijf 1] te Utrecht , pleegdatum 23-01-2025 (cosmetica-artikelen en parfum met een totale waarde van 901 euro), 6. PL2100-2025036447, [bedrijf 2] te Rosmalen , pleegdatum 06-02-2025 (parfum met een totale waarde van 420 euro), 7. PL0900-2025048542, [bedrijf 1] te Almere , pleegdatum 07-02-2025 (cosmetica-artikelen met een totale waarde van 742 euro), 8. PL1700-2025059145, [bedrijf 1] te Rotterdam , pleegdatum 14-02-2025 (cosmetica-artikelen met een totale waarde van 1293 euro), 9. PL1700-2025069261, [bedrijf 1] te Zwijndrecht , pleegdatum 14-02-2025 (cosmetica- en toiletartikelen met een totale waarde van 839 euro), 11. PL2100-2025042249, [bedrijf 1] te Veghel , pleegdatum 15-02-2025 (gezichtsverzorgingsartikelen met een totale waarde van 945 euro) en/of 12. PL2100-2025043046, [bedrijf 1] te Geldrop , pleegdatum: 15-02-2025 (gezichtsverzorgingsartikelen met een totale waarde van 119 euro), in elk geval enig goed dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en/of hij op 15 februari 2025 te Oss , althans in Nederland, een of meerdere goederen zoals omschreven in het in deze tenlastelegging genoemde proces-verbaal van aangifte met het volgende kenmerk: 10. PL2100-2025036688, [bedrijf 1] te Oss , pleegdatum 15-02-2025 (cosmetica- en gezichtsverzorgingsartikelen met een totale waarde van 2522 euro), in elk geval enig goed dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Ten aanzien van nummer 1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van diefstal in vereniging bij [bedrijf 1] in Barneveld op 18 december 2024. Weliswaar heeft verdachte de diefstal in vereniging bekend, maar de beschrijving van de beelden toont geen wegnemingshandeling die door verdachte zou zijn verricht. Er wordt geen overdracht gezien naar verdachte nadat de vrouwen de spullen in hun eigen jaszakken lijken te stoppen. Beoordeling door de rechtbank Namens [bedrijf 1] in Barneveld is op 19 januari 2025 aangifte gedaan van diefstal van goederen uit de winkel. De aangever heeft als volgt verklaard. Op 18 december 2024 kwamen twee vrouwen en één man de winkel binnen. De eerste dame liep rondjes door de winkel, pakte diverse goederen uit de stellingen, waaronder lipstick en foundation, en gaf deze, tot twee keer toe, af aan de man. De man ging twee keer buiten het zicht van de camera staan. De andere dame pakte nog een hoeveelheid goederen. Daarna verlieten de verdachten de winkel zonder te betalen. De weggenomen goederen betroffen make-up, gezichtsverzorgingsartikelen en paracetamol. De schade bedroeg 748 euro. De politie heeft de camerabeelden van [bedrijf 1] in Barneveld uitgekeken en beschreven. Daaruit volgt dat een man op 18 december 2024 met een winkelmandje door de winkel loopt. Hij staat bij diverse schappen en pakt wat spullen. De man heeft contact met vrouw 1. Vrouw 1 geeft de producten die zij in haar hand heeft aan de man en loopt weg. De man staat precies achter een schap en er is daardoor niet te zien wat hij met deze producten doet. De man heeft kort contact met vrouw 2. Vrouw 1 pakt een bruine plaid, loopt dan weer terug naar de man en pakt een product van hem aan. Zij loopt een ander gangpad in en te zien is dat zij het product wat zij van de man heeft aangepakt achter of tussen de bruine plaid stopt. Zowel vrouw 1 en vrouw 2 lopen weer naar de man, zij voeren wat handelingen achter een schap en er is niet te zien wat ze met producten doen. Vrouw 2 pakt diverse producten uit de schappen en stopt deze in haar jaszak. Verdachte is door verbalisant [verbalisant 1] herkend als de man op de beelden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de ten laste gelegde diefstal bij de [bedrijf 1] in Barneveld op 18 december 2024 in vereniging met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gepleegd. De rechtbank overweegt dat uit de aangifte en het proces-verbaal camerabeelden volgt dat verdachte samenwerkt met twee vrouwen, die zelf goederen wegnemen en goederen aan hem geven, maar ook dat hij goederen aan één van de vrouwen geeft. Vervolgens verlaten zij de winkel zonder voor de goederen te betalen. Gelet op al het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 18 december 2024 tezamen in vereniging met onder andere medeverdachte [medeverdachte 1] goederen heeft weggenomen bij [bedrijf 1] in Barneveld . Ten aanzien van nummer 8 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van diefstal in vereniging bij [bedrijf 1] in Rotterdam op 14 februari 2025. De aangifte van dit filiaal komt alleen voor in het voorgeleidingsdossier, in het einddossier is deze aangifte niet (meer) opgenomen. De aangifte alleen is bovendien onvoldoende, nu het dossier ten aanzien van dit delict geen camerabeelden of getuigenverklaringen bevat en verdachte niet is herkend. Door het ontbreken van de camerabeelden kunnen de stills op pagina 260 van het dossier niet worden toegeschreven aan [bedrijf 1] in Rotterdam . Ook kan verdachte daar niet worden geplaatst. Beoordeling door de rechtbank Namens [bedrijf 1] in Rotterdam is op 19 februari 2025 aangifte gedaan van winkeldiefstal.
Volledig
De aangever heeft als volgt verklaard. Op 14 februari 2025 omstreeks 15:53 uur kwamen twee mannen de winkel binnen. Zij liepen naar de make-upafdeling en deden producten in een mandje. Hierna liepen ze naar de babyafdeling, waar ze de producten in hun zakken stopten. De mannen verlieten apart van elkaar de winkel zonder te betalen voor de goederen. De weggenomen goederen betroffen make-upartikelen. De schade bedroeg 1.293 euro. Door verbalisant [verbalisant 2] is een proces-verbaal aanleiding onderzoek opgemaakt met een bijbehorend fotoblad. In het fotoblad is een schermafbeelding opgenomen van de camerabeelden van [bedrijf 1] in Rotterdam . Op deze afbeelding zijn, blijkens het proces-verbaal, de twee mannen te zien die worden verdacht van de winkeldiefstal in de voornoemde winkel op 14 februari 2025. Verdachte is door verbalisant [verbalisant 2] herkend als één van de mannen op de foto. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de ten laste gelegde diefstal bij [bedrijf 1] in Rotterdam afzonderlijk van de andere man heeft gepleegd. De rechtbank overweegt dat zowel de aangifte als het proces-verbaal met de schermafbeelding onderdeel uitmaken van het dossier. Dat de aangifte enkel is opgenomen in het proces-verbaal voorgeleiding doet daar niets aan af, evenals de omstandigheid dat de camerabeelden waar de schermafbeelding uit voortkomt zelf geen deel uitmaken van het dossier. De politie heeft geverbaliseerd dat de schermafbeelding afkomstig is van camerabeelden van [bedrijf 1] in Rotterdam . Verdachte is door de politie herkend op de afbeelding en heeft bovendien bekend dat hij op de betreffende datum in de winkel van [bedrijf 1] in Rotterdam was en dat hij aldaar goederen heeft gestolen. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte op 14 februari 2025 de diefstal zoals ten laste gelegde onder nummer 8 heeft gepleegd. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de diefstal tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Weliswaar kwam verdachte de winkel binnen met een andere man, maar uit het dossier blijkt onvoldoende van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de twee mannen. De rechtbank zal verdachte voor dat onderdeel van de tenlastelegging dan ook vrijspreken. Ten aanzien van nummers 2 t/m 7 en 10 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf 1] Woerden , p. 29-30; - het proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf 2] Huizen , p. 32-33; - het proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf 1] Amsterdam , p. 34-35; - het proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf 1] Utrecht , p. 37-39; - het proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf 2] Rosmalen , p. 40-41; - het proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf 1] Almere , p. 43-45; - het proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf 1] Oss , p. 49-51; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 juni 2025. Ten aanzien van nummers 9, 11 en 12 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf 1] Zwijndrecht , p. 46-47; - het proces-verbaal camerabeelden [bedrijf 1] Zwijndrecht , p. 168-169; - het proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf 1] Veghel , p. 53-54; - het proces-verbaal camerabeelden [bedrijf 1] Veghel , p. 215-217; - het proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf 1] Geldrop , p. 56-57; - het proces-verbaal camerabeelden Geldrop , p. 240-242; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 juni 2025. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de onder nummers 9, 11 en 12 ten laste gelegde diefstallen heeft begaan. Hij heeft verklaard dat hij steeds samen met verdachte [medeverdachte 2] was. Hij heeft ontkend dat hij deze delicten tezamen en in vereniging met een of meer anderen heeft gepleegd, volgens hem pleegden [medeverdachte 2] en hij ieder voor zich diefstallen. De rechtbank overweegt dat uit de genoemde bewijsmiddelen voortvloeit dat verdachte telkens samen met dezelfde andere man, [medeverdachte 2] , de winkels bezocht, kennelijk, met het doel om zoveel mogelijk goederen weg te nemen. Uit de door de politie beschreven camerabeelden van [bedrijf 1] in Zwijndrecht volgt dat de mannen samen optrokken in de winkel en goederen aan elkaar doorgaven. Op de camerabeelden van [bedrijf 1] in Veghel is volgens de omschrijving van de politie te zien dat de ene man de ander lijkt af te schermen. Uit de aangifte namens [bedrijf 1] in Geldrop volgt dat de mannen oogcontact met elkaar maakten, waarna de ene man iets leek te vragen aan een medewerker zodat de andere man alvast de winkel kon verlaten. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat er in alle drie de gevallen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de twee mannen. Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de diefstallen tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 18 december 2024 tot en met 15 februari 2025 te Barneveld en/of Woerden en/of Huizen en/of Amsterdam en/of Utrecht en/of Rosmalen en/of Almere en/of Rotterdam en/of Zwijndrecht en/of Oss en/of Veghel en/of Geldrop , althans in Nederland, meermalen , althans eenmaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere goederen zoals omschreven in de in deze tenlastelegging genoemde processen-verbaal van aangifte met de volgende kenmerken: 1. PL0600-2025029101, [bedrijf 1] te Barneveld , pleegdatum 18-12-2024 (medicijnen, cosmetica- en gezichtsverzorgingsartikelen met totale waarde van 748 euro), 2. PL0900-2025029992, [bedrijf 1] te Woerden , pleegdatum 21-12-2024 (drogisterij-artikelen met een totale waarde van 867 euro), 3. PL0900-2025040592, [bedrijf 2] te Huizen , pleegdatum 21-01-2025 (parfum met een waarde van 164 euro), 4. PL1300-2025045192, [bedrijf 1] te Amsterdam , pleegdatum 22-01-2025 (cosmetica- en gezichtsverzor g ingsartikelen met een totale waarde van 824 euro), 5. PL0900-2025030091, [bedrijf 1] te Utrecht , pleegdatum 23-01-2025 (cosmetica-artikelen en parfum met een totale waarde van 901 euro), 6. PL2100-2025036447, [bedrijf 2] te Rosmalen , pleegdatum 06-02-2025 (parfum met een totale waarde van 420 euro), 7. PL0900-2025048542, [bedrijf 1] te Almere , pleegdatum 07-02-2025 (cosmetica-artikelen met een totale waarde van 742 euro), 8. PL1700-2025059145, [bedrijf 1] te Rotterdam , pleegdatum 14-02-2025 (cosmetica-artikelen met een totale waarde van 1293 euro), 9. PL1700-2025069261, [bedrijf 1] te Zwijndrecht , pleegdatum 14-02-2025 (cosmetica- en toiletartikelen met een totale waarde van 839 euro), 11. PL2100-2025042249, [bedrijf 1] te Veghel , pleegdatum 15-02-2025 (gezichtsverzorgingsartikelen met een totale waarde van 945 euro) en/of 12. PL2100-2025043046, [bedrijf 1] te Geldrop , pleegdatum: 15-02-2025 (gezichtsverzorgingsartikelen met een totale waarde van 119 euro), in elk geval enig goed dat/ die geheel of ten dele toebehoorde ( n ) aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en /of hij op 15 februari 2025 te Oss , althans in Nederland, een of meerdere goederen zoals omschreven in het in deze tenlastelegging genoemde proces-verbaal van aangifte met het volgende kenmerk: 10.
Volledig
PL2100-2025036688, [bedrijf 1] te Oss , pleegdatum 15-02-2025 (cosmetica- en gezichtsverzorgingsartikelen met een totale waarde van 2522 euro), in elk geval enig goed dat/ die geheel of ten dele toebehoorde ( n ) aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van nummers 1 t/m 7, 9, 11 en 12 Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermaals gepleegd Ten aanzien van nummers 8 en 10 Diefstal, meermaals gepleegd 5 De strafbaarheid van het feit. Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte wordt veroordeeld tot een lagere gevangenisstraf dan geëist, te weten 3 weken per diefstal waarbij medeplegen bewezen is verklaard en 1 week per diefstal waarbij plegen bewezen is verklaard, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Indien de rechtbank dat nodig acht, wordt verzocht om ook een gedeelte geheel voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van 3 jaar. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich op een bijzonder grote schaal schuldig gemaakt aan diefstal bij winkels van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Verdachte is op een strooptocht door Nederland getrokken, een land waar hij verder geen binding mee had. Daarbij ging hij, al dan niet samen met medeverdachten, op beroepsmatige en geraffineerde wijze te werk. Binnen een periode van twee maanden heeft hij bij 12 verschillende winkels voor duizenden euro’s aan gestolen goederen buitgemaakt. Voor de gedupeerden heeft hij daarmee niet alleen financiële schade, maar ook overlast en ergernis veroorzaakt. De rechtbank rekent dat verdachte aan. Verdachte heeft ter terechtzitting spijt betuigd. Hij wil graag terugkeren naar Roemenië en zijn werk als zanger aldaar weer oppakken. De rechtbank heeft kennisgenomen van het uittreksel uit de Europese Justitiële Documentatie van 4 maart 2025. Daaruit volgt dat verdachte de afgelopen vijf jaar in het Verenigd Koninkrijk meermaals is veroordeeld voor soortgelijke delicten. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van veelvuldige (internationale) recidive. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de oriëntatiepunten voor de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 14 maanden. De tijd die verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op de straf. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 8 De beoordeling van de civiele vordering De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend: [bedrijf 2] Nederland vordert € 584,20 aan materiële schade wegens diefstal van goederen bij de winkels van [bedrijf 2] in Huizen en Rosmalen ; [bedrijf 3] , het moederbedrijf van [bedrijf 1] , vordert € 9.796,47 aan materiële schade wegens diefstal van goederen bij de winkels van [bedrijf 1] in Barneveld , Woerden , Amsterdam , Utrecht , Almere , Rotterdam , Zwijndrecht , Oss , Veghel en Geldrop ; telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen in het geheel kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van [bedrijf 2] op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, voor zover deze ziet op het wegnemen van het derde flesje parfum ter waarde van € 107,60 bij de winkel in Rosmalen . Op camerabeelden is, blijkens het dossier, te zien dat de medeverdachte één flesje heeft teruggezet in het schap. Ten aanzien van de vordering van [bedrijf 3] heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering, voor zover deze is ingediend namens de [bedrijf 1] in Barneveld en Rotterdam , gelet op de bepleite vrijspraak met betrekking tot die winkels dient te worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de vordering op dit onderdeel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat niet duidelijk kan worden vastgesteld welke en hoeveel producten zijn weggenomen. Voor zover de vordering is ingediend namens [bedrijf 1] in Oss , heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de vordering ten aanzien van dit onderdeel niet-ontvankelijk te verklaren. Er kan niet met zekerheid worden vastgesteld of de door de benadeelde partij opgevoerde schade overeenkomt met hetgeen verdachte daadwerkelijk heeft weggenomen. Het valt niet uit te sluiten dat er al producten ontbraken in de winkelvoorraad, waardoor verdachte daarvoor niet zonder meer verantwoordelijk kan worden gehouden. Temeer nu uit het dossier blijkt dat een andere persoon eveneens aanwezig was in de winkel en zelfstandig producten heeft weggenomen. Voor zover de vordering is ingediend namens [bedrijf 1] in Woerden , Amsterdam , Utrecht , Almere , Zwijndrecht , Veghel en Geldrop , heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op het ontbreken van eenduidig herleidbaar bewijs waaruit onomstotelijk blijkt dat het handelen van verdachte heeft geleid tot de door de benadeelde partij opgevoerde geleden schade. Het valt niet uit te sluiten dat er al producten ontbraken in de winkelvoorraad, waardoor verdachte daarvoor niet zonder meer verantwoordelijk kan worden gehouden. Overweging van de rechtbank Ten aanzien van de vordering van [bedrijf 2] Nederland Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Uit de aangifte namens [bedrijf 2] Rosmalen volgt dat er drie flesjes parfum zijn weggenomen. De rechtbank overweegt dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan deze aangifte. Verdachte heeft niet verklaard over de goederen die hij heeft weggenomen. De opgevoerde schadepost is daarmee onvoldoende inhoudelijk betwist. De enkele verwijzing naar het feit dat uit het dossier volgt dat er op enig moment een flesje parfum is teruggezet is, tegen de achtergrond van de in het geding gebrachte overzichten met gestolen goederen, een onvoldoende gemotiveerde betwisting. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 584,20 geheel toewijzen. Verdachte is wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd vanaf 6 februari 2025.
Volledig
Dit is de datum van het laatste bewezenverklaarde feit waarbij [bedrijf 2] Nederland schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Ten aanzien van de vordering van [bedrijf 3] Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de aangiftes, noch aan de bij de schadevordering gevoegde bijlagen van weggenomen goederen. De opgevoerde schadeposten zijn door de verdediging onvoldoende gemotiveerd (inhoudelijk) betwist. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 9.796,47 geheel toewijzen. Verdachte is wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd vanaf 15 februari 2025. Dit is de datum van het laatste bewezenverklaarde feit waarbij [bedrijf 3] schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachten, indien en voor zover de delicten tezamen en in vereniging zijn gepleegd, ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht. 10 De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 2] veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [bedrijf 2] Nederland van € 584,20 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald); veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [bedrijf 2] Nederland, een bedrag te betalen van € 584,20 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 11 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht; Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 3] veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [bedrijf 3] van € 9.796,47 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald); veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [bedrijf 3] , een bedrag te betalen van € 9.796,47 euro aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 83 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; bepaalt dat als de medeverdachten (een deel van) het schadebedrag betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. L.M. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juli 2025. mr. Vogel is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PLO600-2025096659, gesloten op 15 april 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf 1] Barneveld , p. 24-26. Het proces-verbaal camerabeelden [bedrijf 1] Barneveld , p. 60-61. Het proces-verbaal herkenning verdachte Barneveld , p. 69. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 juni 2025. Het proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf 1] Rotterdam met kenmerk PL1700-2025059145-2 is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal voorgeleiding rechter-commissaris, dossiernummer PLO600-2025096659, gesloten op 5 maart 2025, op pagina 159-160. Het proces-verbaal aanleiding onderzoek met bijbehorend fotoblad, p. 252 en 260. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 juni 2025.